Conclusie
openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen”
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”
medeplegen van moord”
voorbereiding van moord”
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”
5.1. De bevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland
6.3.3. LIS
[medeverdachte 2] de opdracht heeft gegeven [slachtoffer 2] te liquideren;
aangenomen mag worden dat personen uit de omgeving van [medeverdachte 2] de liquidatie van [slachtoffer 2] hebben uitgevoerd;
[verdachte] en [betrokkene 1] actief waren in het chapter [plaats] van [motorclub] onder leiding van [betrokkene 11] ;
[betrokkene 11] had gewild dat [betrokkene 1] op 29 juni 2017 met [verdachte] was meegegaan om een woning in [plaats] te beschieten;
DNA van [verdachte] en [betrokkene 1] op door de daders gedragen kleding is gevonden;
de sporen geen match met andere personen inclusief veertien personen uit het onderzoek Eris heeft opgeleverd; en omdat
er geen aanwijzingen zijn dat andere personen uit de omgeving van [medeverdachte 2] de moord op [slachtoffer 2] hebben gepleegd;
“in de kern”bestaat uit het aantreffen van zijn celmateriaal op een verbrand kledingrestant, terwijl dit bewijsmiddel, net als de
“daaraan toegevoegde bewijsmiddelen”, niet redengevend kan zijn voor de bewezenverklaring van moord.
“ [d-straat 1] , [plaats] ”. [13]
in onderling verband en samenhangheeft betrokken bij zijn oordeel dat het bewijsmateriaal zich (veel) beter laat verklaren in – en daardoor dus steun biedt aan – het scenario waarin de verdachte samen met [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] de moord op [slachtoffer 2] heeft uitgevoerd, dan in enig ‘alternatief’ scenario waarin de verdachte bij de moord geen betrokkenheid heeft gehad.
11.3.5. TomTom
6.3.3.3.3. TomTom
Het hof wordt ten aanzien van [verdachte] gesterkt in de overtuiging dat hij betrokken is geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 2] door het feit dat een van hem afkomstige TomTom op 21 september 2017 om 12.19 en 14.05 uur dezelfde coördinaten in de buurt van het adres [d-straat 1] in [plaats] heeft geregistreerd (en in de tussentijd geen andere), terwijl [slachtoffer 2] woonde op het adres [d-straat 1] in [plaats] , [plaats] en [plaats] districten van [plaats] zijn en Google Maps [d-straat 1] in [plaats] als resultaat geeft van de zoekopdracht “ [d-straat 1] , [plaats] ”.” [18]
een vuurwapen en
een hoeveelheid scherpe patronen,
6.3.2. GEZICHT
28.juni 2017
29.juni 2017
‘Als zodanig bevatten de beelden onvoldoende details om bruikbaar te zijn voor vergelijkend onderzoek. Ook hebben wij geen aanknopingspunten gevonden voor beeldverbetering die een positieve invloed kunnen hebben op de bruikbaarheid van het materiaal voor persoonsherkenning of -vergelijking.
Voor een analyse van de manier van lopen (“gait analysis”) geldt dat de ons beschikbare methoden onvoldoende betrouwbaar zijn om een bruikbaar resultaat te verwachten op basis van het aangeleverde materiaal.
Een globale inschatting van het postuur van de persoon in de aangeleverde beelden geeft geen reden aan te nemen dat dit veel afwijkt van een normaal postuur. Indien de verdachte een postuur heeft dat overduidelijk afwijkt van een dergelijk postuur, kan dit mogelijk leiden tot uitsluiting. In dat geval is echter de verwachting dat dit ook zonder onderzoek door het NFI al duidelijk zal zijn.
De mogelijkheden voor een schatting van de lengte zijn beoordeeld. De verwachting is dat de meetonzekerheden die het gevolg zullen zijn van onder meer de beperkte resolutie, het gebrek aan contrast en het niet beschikbaar zijn van de camera, dermate groot zullen zijn dat het onderzoek weinig tot geen bewijskracht zal hebben. Een uitzondering hierop is als de verdachte duidelijk veel korter of langer is dan gemiddeld; dan zou een onderzoek op uitsluiting uit kunnen komen. Ook hier geldt echter de verwachting dat dit ook zonder onderzoek door het NFI al te zien zou moeten zijn.
Het verrichten van metingen op 7 januari 2020 van de omgeving van het incident door middel van een 3Dlaserscanning;
Het verzamelen van ontbrekende brongegevens;
Het uitvoeren van een beeldmeting mede aan de hand van lenscorrectie en cameramatching, waarvoor op 30 januari 2020 op de locatie [j-straat 3] in [plaats] vanuit dezelfde positie en met dezelfde instellingen als die van de camera van de beelden van het incident referentiebeelden van onder andere een proefpersoon en een meetlat zijn gemaakt.
3.6. De kroongetuigendeal
” verklaringen van een medeverdachte. Ook bij een eventuele vervolging van cliënt.
) van cliënt in ernstige mate en onherstelbaar zijn geschonden. Toepassing van art. 359a Sv ligt voor. Nu de overeenkomst is getoetst door de rechter-commissaris is het vormverzuim niet langer alleen toe te rekenen aan het OM.
” inhouden, dient deze opsporingsmethode niet te worden ingezet.
5.3.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst
6.3.4. GOUDVINK
” en “Huis hebben we al. Nu alleen auto en café exact. Als ik auto weet staan ze ernaast in bus
”.
. Uit een chat van woensdag 28 februari 2018 ’s avonds en een chat uit de nacht van woensdag op donderdag 1 maart 2018 leidt het hof af dat [betrokkene 4] zich toen met [verdachte] naar (de omgeving van) de woning van [slachtoffer 3] heeft verplaatst. Dat zij in de nacht van woensdag op donderdag zich daarnaartoe hebben verplaatst past bij het vuilnis buiten zetten als ‘verificatiemiddel’ en de informatie van de gemeente [plaats] dat het afval op donderdag wordt ingezameld.
”.
“enerzijds wel waarde zegt toe te kennen aan de veronderstelde PGP-telefoon en anderzijds niet”. Ook dat acht de steller van het middel niet begrijpelijk (klacht ii).
Prokuratuur. [29]
5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens
Prokuratuur. [33] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [34] over Richtlijn 2016/680. [35]
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [39] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [40] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [41]
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [42] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [43]
Landeck. [50] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [51] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [52]
6.3.5. CRIMINELE ORGANISATIE (140 SR)