Conclusie
Nummer25/00579
Inleiding
medeplegen van voorbereiding van moord, meermalen gepleegd”
medeplegen van voorbereiding van moord”
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”
De zaak
Het eerste middel
"de opdracht [voor de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ] vervolgens [heeft] uitgezet bij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] ”en daarbij
"via een PGP-telefoon contact onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd”, en dat
"in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact [stonden] met [medeverdachte 1] ”kunnen niet volgen uit de bewijsmiddelen en het hof heeft ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn bewijsoverweging die feiten en omstandigheden of het wettige bewijsmiddel waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend, aangeduid;
“alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig waren”, mede in het licht van wat door de verdediging was aangevoerd, is niet zonder meer begrijpelijk;
“op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk is geworden dat de aangetroffen wapens voor ander misdadig doel dan de liquidatie gebruikt zouden kunnen worden”en dat
“ook niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm, alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] ”is, mede in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk;
De bewezenverklaring en bewijsvoering
in de periode van 16 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht oplevert), opzettelijk voorwerpen en vervoermiddelen, te weten:
“6.1. De aangetroffen chats
Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…)
Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, (…)
Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 17 september 2020, (…)
O: In 2017 is er geprobeerd om jou en [betrokkene 1] te liquideren. Er zijn toen drie mensen aangehouden in de buurt van de woning van [betrokkene 2] met automatische wapens en handvuurwapens.
Proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2019, (…)
Betreft: Gesprek met [slachtoffer 2]
Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 17 september 2020, (…)
Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2017, (…)
Op maart 2017 omstreeks 14:45 uur waren wij, verbalisanten, (...) te [plaats] . Ik, verbalisant, bevond mij in de publieksruimte van een viskraam, welke zich bevond op de kruising [c-straat ] / [d-straat] . Ik zag dat er een man de publieksruimte van de viskraam binnenliep. Deze man was de later aangehouden verdachte [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] bij de visverkoper van de viskraam enkel twee flesjes AA-drink bestelde. Ik zag dat [verdachte] vervolgens met de twee flesjes naar buiten liep.
Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, (…)
Uit het raadplegen van de website google.nl blijkt mij, verbalisant, dat op het adres [d-straat 1] in [plaats] een [A] sportschool is gevestigd. Deze sportschool ligt op de kruising met de [c-straat ] in [plaats] en bevindt zich op 550 meter lopen van de [a-straat 1] in [plaats] .
Proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2019, (…)
Eerder op die vrijdag 17 maart 2017 omstreeks 14.45 uur waren de eerdergenoemde aangehouden verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] door collega's van de eenheid politie [plaats] waargenomen op de [c-straat ] te [plaats] ter hoogte van een viskraam. Enige tijd later zagen de collega ’s dat de aangehouden verdachte [medeverdachte 3] zich bij [verdachte] en [medeverdachte 2] voegde. Opvallend tijdens hun verblijf aldaar was dat de verdachte [verdachte] op een gegeven moment ongeveer 15 meter van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ging staan waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] volop met elkaar in gesprek gingen. Gelijktijdig zag één van de collega's dat de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tijdens hun gesprek regelmatig naar een bloemenkiosk keken. Deze bloemenkiosk is aan de overzijde van de viskraam gelegen op de kruising [c-straat ] met de [d-straat] te [plaats] . Eveneens opvallend is dat in het verlengde van de bloemenkiosk de sportschool [A] aan de [d-straat] te [plaats] is gelegen. Deze sportschool wordt genoemd in één van de eerdergenoemde chatgesprekken als zijnde de sportschool waar de beoogde slachtoffer(s) zou(den) trainen. Vanaf de [c-straat ] waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ongeveer gestaan hebben is via de achterzijde van de bloemenkiosk de voorzijde van het gebouw, waarin de sportschool is gelegen, te zien.”
“6.3.4. ARFORD
6.3.4.1. De aangetroffen chats
” en geeft als adres [a-straat 1] . Op een harde schijf die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen staan twee foto’s die op 16 maart 2017 om 19.07 uur en 19.08 uur van een mobiele telefoon zijn gemaakt. Via het genoemde adres komt de politie uit bij [slachtoffer 1] , mede omdat zijn vriendin en hun kind op dat adres woonden. [slachtoffer 1] herkent zichzelf op een van de door [betrokkene 4] gestuurde foto’s. Zijn vriend [slachtoffer 2] herkent zichzelf van de andere foto. [betrokkene 4] geeft [medeverdachte 1] nog de volgende informatie: “vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje 2 a 3 jaar
”, “niet in die straat staan want hij ziet alles als hij thuis is
”, “rijdt meestal vanaf de [d-straat] de [g-straat] in na [h-straat] , dan verder na [d-straat] , komt vanaf de [c-straat ] meestal!
”, “hij woont op 3 hoog witte luxa flex daar kan hij heel stiekem door kijken zonder dat je het door hebt bro
”, “hij gaat meestal via die deur rechts als je in de straat komt rijden soort brandtrapje niet bij de hoofdingang
”, “hij traint ook bij die [A] bij [d-straat] is 3 min lopen van z’n huis!
”, “z’n vrouw werkt tot 3 uur
” en “weet ook waar ze eten in [stadswijk 1] , tussen 5 en 7 uur
”. [slachtoffer 1] herkent zichzelf in deze informatie als de persoon om wie het gaat.
” is. [medeverdachte 1] mag deze personen ook een “drive by geven
”. Volgens [betrokkene 4] stapt “hij uit voor zijn deur
”, dan moet [medeverdachte 1] “hem pakken
”. Als ze “met z’n 3tjes zijn ook
”, dan “Pak je ze alle 3
”. [medeverdachte 1] mag hem ook pakken “als hij naar huis loopt van gym
”. [betrokkene 4] tipt nog dat ze “in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan, zie je iedereen erin of eruit rijden
”.
” en dat “deze binnen nu en paar dagen max klaar moet zijn
”. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij het“morgen 200% doet
”, “als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog
”. Hij “laat ze morgen hele dag daar zijn
”. Ook noemt [medeverdachte 1] dat ze in een bus kunnen om te ‘timeren’ (observeren) en heeft hij het over een Clio.
6.3.4.2. De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen
6.3.4.4. De rol van [medeverdachte 1]
6.3.4.7. De rol van [verdachte]
” de bedoeling was dat het 17 maart 2017 zou gebeuren en dat [medeverdachte 1] ze daar de hele dag zou laten staan. Daarnaast waren alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig en stonden in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact met [medeverdachte 1] . Het hof betrekt hierbij ook nog dat [verdachte] , zoals is vastgesteld in het zaaksdossier Barbera , zich kort daarvoor samen met – onder meer – [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan het voorbereiden van eveneens een liquidatie.
De pleitnota
“1.1.2 Inhoud PGP-chats en de wetenschap bij cliënt
ARFORD
5.6.1.4 Proces-verbaal van observatie; gedrag van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]
5.6.1.5 Wapens in Caddy niet passend bij actuele voorbereidingshandelingen
Kalashnikov model 47 (itemnummer 5354703);
Zastava M70AB2 (itemnummer 5354705);
Pistool Walther P99AS (itemnummer 5354706);
Pistool Walther P38 (itemnummer 5355120);
Leeg magazijn (itemnummer 5354704);
De bespreking van het eerste middel
“de opdracht [voor de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ] vervolgens [heeft] uitgezet bij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] “en
“via een PGP-telefoon contact [heeft] onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd”en dat
“in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact [stonden] met [medeverdachte 1] ”. Aangevoerd wordt dat het hof daarmee onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (deelklacht a), en dat die vaststellingen geen steun vinden in de bewijsmiddelen (deelklacht b).
“samen met [medeverdachte 2] en – na enige tijd – ook met [medeverdachte 3] aanwezig [was] op de door [medeverdachte 1] besproken plek”. Het hof heeft kennelijk aangenomen dat [medeverdachte 1] via het bij [medeverdachte 2] aangetroffen PGP-toestel contact onderhield met [medeverdachte 2] én de verdachte aangezien die tot de aanhouding samen waren. Dit acht ik niet onbegrijpelijk. Voor zover het door de verdediging aangevoerde zou kunnen worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, wat volgens mij niet het geval is, heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het daarvan is afgeweken. De deelklachten (a) en (b) falen daarom.
“alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig waren”is niet begrijpelijk omdat een deel van de wapens niet (direct) gereed was voor gebruik tijdens een liquidatie, zodat de aanwezigheid van die wapens niet redengevend kan zijn voor het opzet van de verdachte (deelklacht c);
“op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk is geworden dat de aangetroffen wapens voor ander misdadig doel dan de liquidatie gebruikt zouden kunnen worden”en dat
“ook niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm, alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] ”is niet begrijpelijk nu de verklaring van de verdachte op dit punt wel degelijk is onderbouwd (deelklacht d);
“de gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ geen andere conclusie toelaten dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden, nu in de chats tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] over de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt gezegd dat het “200%
” de bedoeling was dat het 17 maart 2017 zou gebeuren en dat [medeverdachte 1] ze daar de hele dag zou laten staan”is niet begrijpelijk gelet op het bij de deelklachten (a) tot en met (d) aangevoerde én de omstandigheid dat de inhoud van de PGP-chats tussen ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 1] ’ niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken op 17 maart 2017.
“alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig”echter nog niet onbegrijpelijk, nu die vaststelling niet uitsluit dat wapens nog geladen moesten worden of er anderszins nog handelingen met de aangetroffen voorwerpen nodig waren om deze bij een liquidatie te gebruiken. Deelklacht (c) faalt derhalve.
“op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk is geworden dat de aangetroffen wapens voor ander misdadig doel dan de liquidatie gebruikt zouden kunnen worden”en dat
“ook niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm, alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] ”is ook niet onbegrijpelijk. Dat eerder sprake is geweest van de opname van een pilotfilm en dat de verklaring van [medeverdachte 1] de verklaring van de verdachte op dit punt ondersteunt, doet daaraan niet af, zeker gezien de PGP-berichten tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] . Ik memoreer daarbij dat de filmmaker deze verklaringen van [medeverdachte 1] en de verdachte niet heeft bevestigd, zodat het hof voorbij kon gaan aan de stelling dat de verdachte dacht dat de wapens bestemd waren voor het opnemen van een pilotfilm. Deelklacht (d) faalt dus.
“de gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ geen andere conclusie toelaten dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden”niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik verwijs daarbij naar de PGP-berichten tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] , de aanwezigheid van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de verdachte op 17 maart 2017 in de omgeving van de in die PGP-berichten besproken [A] en hun kennelijke aandacht voor die vestiging van [A] , en de aanwezigheid in de omgeving van de [A] van voor liquidaties geschikte voorwerpen die aan de verdachten kunnen worden gekoppeld. De vermeende discrepantie tussen de inhoud van de PGP-berichten – dat de uitvoerders ’s middags de bus in zouden gaan en daar de hele dag zouden zijn – en de waargenomen gedragingen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de verdachte is niet van dien aard dat dit oordeel niet begrijpelijk is. Deelklachten (e) faalt ook.
Het tweede middel
De bewezenverklaring en bewijsvoering
in de periode van 16 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht oplevert), opzettelijk voorwerpen en vervoermiddelen, te weten:
“6.1. De aangetroffen chats
Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…)
Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, (…)
Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 17 september 2020, (…)
O: In 2017 is er geprobeerd om jou en [betrokkene 1] te liquideren. Er zijn toen drie mensen aangehouden in de buurt van de woning van [betrokkene 2] met automatische wapens en handvuurwapens.
Proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2019, (…)
Betreft: Gesprek met [slachtoffer 2]
Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 17 september 2020, (…)
Proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2019, (…)
Eerder op die vrijdag 17 maart 2017 omstreeks 14.45 uur waren de eerdergenoemde aangehouden verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] door collega's van de eenheid politie [plaats] waargenomen op de [c-straat ] te [plaats] ter hoogte van een viskraam. Enige tijd later zagen de collega ’s dat de aangehouden verdachte [medeverdachte 3] zich bij [verdachte] en [medeverdachte 2] voegde. Opvallend tijdens hun verblijf aldaar was dat de verdachte [verdachte] op een gegeven moment ongeveer 15 meter van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ging staan waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] volop met elkaar in gesprek gingen. Gelijktijdig zag één van de collega's dat de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tijdens hun gesprek regelmatig naar een bloemenkiosk keken. Deze bloemenkiosk is aan de overzijde van de viskraam gelegen op de kruising [c-straat ] met de [d-straat] te [plaats] . Eveneens opvallend is dat in het verlengde van de bloemenkiosk de sportschool [A] aan de [d-straat] te [plaats] is gelegen. Deze sportschool wordt genoemd in één van de eerdergenoemde chatgesprekken als zijnde de sportschool waar de beoogde slachtoffer(s) zou(den) trainen. Vanaf de [c-straat ] waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ongeveer gestaan hebben is via de achterzijde van de bloemenkiosk de voorzijde van het gebouw, waarin de sportschool is gelegen, te zien.”
“6.3.4. ARFORD
6.3.4.1. De aangetroffen chats
”, “niet in die straat staan want hij ziet alles als hij thuis is
”, “rijdt meestal vanaf de [d-straat] de [g-straat] in na [h-straat] , dan verder na [a-straat] , komt vanaf de [c-straat ] meestal!
”, “hij woont op 3 hoog witte luxa flex daar kan hij heel stiekem door kijken zonder dat je het door hebt bro
”, “hij gaat meestal via die deur rechts als je in de straat komt rijden soort brandtrapje niet bij de hoofdingang
”, “hij traint ook bij die [A] bij [d-straat] is 3 min lopen van z’n huis!
”, “z’n vrouw werkt tot 3 uur
” en “weet ook waar ze eten in [stadswijk 1] , tussen 5 en 7 uur
”. [slachtoffer 1] herkent zichzelf in deze informatie als de persoon om wie het gaat.
” is. [medeverdachte 1] mag deze personen ook een “drive by geven
”. Volgens [betrokkene 4] stapt “hij uit voor zijn deur
”, dan moet [medeverdachte 1] “hem pakken
”. Als ze “met z’n 3tjes zijn ook
”, dan “Pak je ze alle 3
”. [medeverdachte 1] mag hem ook pakken “als hij naar huis loopt van gym
”. [betrokkene 4] tipt nog dat ze “in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan, zie je iedereen erin of eruit rijden
”.
” en dat “deze binnen nu en paar dagen max klaar moet zijn
”. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij het “morgen 200% doet
”, “als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog
”. Hij “laat ze morgen hele dag daar zijn
”. Ook noemt [medeverdachte 1] dat ze in een bus kunnen om te ‘timeren’ (observeren) en heeft hij het over een Clio.
6.3.4.2. De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen
6.3.4.4. De rol van [medeverdachte 1]
6.3.4.7. De rol van [verdachte]
] wilde neerzetten. Vervolgens moest hij richting de ingang van het park lopen waar iemand de sleutel zou komen ophalen. [verdachte] wist naar eigen zeggen niet waarom hij de auto daar moest neerzetten en dacht dat dit mogelijk te maken had met opnames voor een pilotfilm.
” de bedoeling was dat het 17 maart 2017 zou gebeuren en dat [medeverdachte 1] ze daar de hele dag zou laten staan. Daarnaast waren alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig en stonden in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact met [medeverdachte 1] . Het hof betrekt hierbij ook nog dat [verdachte] , zoals is vastgesteld in het zaaksdossier Barbera , zich kort daarvoor samen met - onder meer - [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan het voorbereiden van eveneens een liquidatie.
De bespreking van het tweede middel
morgen 200% doet” zou kunnen worden afgeleid dat het de bedoeling was om ook [slachtoffer 2] op 17 maart 2017 om het leven te laten brengen, kan hieruit niet worden afgeleid dat de opdracht hiertoe bij de verdachte en zijn medeverdachten was uitgezet en dat de voorhanden auto’s en wapens mede bestemd waren voor het plegen van de moord op [slachtoffer 2] .
via een PGP-telefoon contact (heeft) onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd”blijkt uit de weergegeven bewijsvoering dat niet alleen [slachtoffer 1] kon komen op de plek waar de verdachte en zijn medeverdachten op 17 maart 2017 aanwezig zijn geweest, maar dat ook [slachtoffer 2] daar aanwezig kon zijn. Immers gingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (soms) samen naar de sportschool [A] aan de [d-straat] . Dit is ook door [betrokkene 4] aan [medeverdachte 1] doorgegeven. Op grond van deze vaststellingen heeft het hof kennelijk geoordeeld dat het voorhanden hebben van de vuurwapens en auto’s op 16 en 17 maart 2017 door de verdachte en zijn medeverdachten, gezien hun kennelijke focus op die sportschool, ook voorbereidingshandelingen opleverden die strekten tot de moord op [slachtoffer 2] . Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
Het derde middel
" [kroongetuige] heeft verklaard dat [verdachte] (veredeld als [verdachte] ), [betrokkene 8] (veredeld als [medeverdachte 2] ) en [betrokkene 9] (veredeld als [medeverdachte 3] ) de beoogde uitvoerders waren"en dat
"[d]e liquidatie [...] niet [is] doorgegaan omdat de uitvoerders te laat waren door de schuld van [verdachte] ( [verdachte] )";
De bewezenverklaring en bewijsvoering inzake deelonderzoek Barbera
in de periode van 7 maart 2017 tot en met 9 maart 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op die man uit [plaats] ( [betrokkene 7] ) (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht oplevert), opzettelijk een vervoermiddel, te weten
5.1. De chatberichten en telecomgegevens van 4 maart 2017 tot en met 12 april 2017
Proces-verbaal van bevindingen van 7 juni 2020, (…)
Naar aanleiding van de aangetroffen PGP-chatberichten van 9 maart 2017 zijn de historische verkeersgegevens telefonie van de volgende verdachten geanalyseerd en is er een schema van contacten tussen 4 en 10 maart 2017 opgenomen. De PGP-berichten en de andere telefonische contacten worden hieronder chronologisch weergegeven.
9.maart 2017
Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 8 maart 2017, (…)
Bijlage goederen
Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 3017, (…)
Op 17 maart 2017 (...) bevonden wij, verbalisanten, ons (...) te [plaats] .
Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2017, (…)
Ik, verbalisant, had op 17 maart 2017 (...) een onderzoek ingesteld op een parkeerplaats aan [f-straat] te [plaats] .
Proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2017, (…)
Op 22 maart 2017 heb ik, verbalisant, (...) een onderzoek verricht aan het hierna genoemde inbeslaggenomen voertuig.
Bijlage 1
Ingevoerde bestemmingen uit het navigatiesysteem (...)
Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 29 maart 2017, (…)
Op 29 maart 2017 (...) verscheen voor mij, verbalisant, (...) een persoon die mij opgaf te zijn:
Proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2018, (…)
Café [B] is gevestigd aan de [m-straat 1] te [plaats] .
Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 15 januari 2018, (…)
heb ik gehoord dat hij foto’s moest maken van café [C] of [B] aan de [m-straat] te [plaats] .
Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 7 mei 2019, (…)
“6.3.3. BARBERA
” was, met wie het latere [slachtoffer 3] (onderzoek Lis ) wordt bedoeld, terwijl het in deze zaak (zoals hierna wordt besproken) gaat om [betrokkene 7] als het beoogde slachtoffer. Dat [kroongetuige] zich op sommige onderdelen vergist of dingen door elkaar haalt, doet echter zonder meer niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen op andere onderdelen.
6.3.3.1. Het uitlokken van een liquidatie
”. [medeverdachte 1] antwoordt hierop bevestigend. [betrokkene 13] geeft [medeverdachte 1] te kennen dat hij het gaat opzetten. [medeverdachte 1] laat aan [betrokkene 13] weten dat ze klaarstaan. Het hof stelt op basis van dit chatgesprek vast dat ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 3] ’ bezig zijn geweest met een voorgenomen liquidatie, waarvan het beoogde slachtoffer “die man in [plaats]
” was. Het hof gaat er, zoals hierna nog wordt overwogen, van uit dat het hierbij gaat om [betrokkene 7] . De liquidatie heeft niet plaatsgevonden.
” het moet laten uitleggen. [medeverdachte 1] stuurt vervolgens naar [betrokkene 13] dat hij het “[bijnaam 1]
” moet uitleggen. [medeverdachte 1] laat nog wel aan [betrokkene 4] weten dat hij vindt dat de “[bijnaam 5]
” het niet goed heeft gedaan en hij vraagt zich af hoe dat kan terwijl “jullie
” hem betalen. [medeverdachte 1] geeft vervolgens aan naar de “heads
” te gaan om ze te bedaren.
” kan zeggen. [betrokkene 13] antwoordt hierop dat er morgen wat “pap
” [het hof begrijpt: geld\ wordt gestuurd voor de moeite en dat [medeverdachte 1] dat dan kan delen. [medeverdachte 1] vindt dit goed. In de nacht van 10 op 11 maart 2017 vraagt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 4] wat het adres is. [betrokkene 4] antwoordt hierop: “[n-straat] kruising [o-straat] op de brug
”. [medeverdachte 1] zegt tegen [betrokkene 4] dat hij iemand stuurt en geeft dat adres vervolgens via WhatsApp aan [betrokkene 14] door. [betrokkene 4] vraagt aan [medeverdachte 1] of het klopt dat “[bijnaam 3]
” “35” heeft afgesproken. [medeverdachte 1] antwoordt hierop: “Ja ik zei voor jullie 21500. Geef ik heads de rest
”. [medeverdachte 1] laat aan [betrokkene 4] weten dat de persoon die hij heeft gestuurd er staat. [betrokkene 4] antwoordt om 00.25 uur dat hij het al heeft gegeven. [betrokkene 14] is die nacht om 00.05 uur door de politie op de [n-straat] in [plaats] gecontroleerd.
”. Vervolgens antwoordt [medeverdachte 1] : “Dank voor het gebaar mijn broer. We staan aan je zij. Sorry dat we je niet konden geven watje hoorde te krijgen, maar ik hoop dat er nog een kans volgt om deze voor u naar Satan te sturen.. gr mijn broer
”.
6.3.3.2. Het beoogde slachtoffer
6.3.3.3. De plaats van de voorgenomen moord
6.3.3.4. De voorbereidingshandelingen voor de (mislukte) liquidatie
6.3.3.4.2. Beoogde uitvoerders van de moord en gebruik bestelbus
Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [medeverdachte 1] ten tijde van het ter plaatse komen van het doelwit en het hierover chatten met [betrokkene 13] voornamelijk telefonisch contact had of probeerde te hebben met [medeverdachte 2] . Dit is het geval om 20.42 uur, 20.43 uur, 20.49 uur, 20.52 uur, 21.01 uur, 21.10 uur, 21.14 uur en 21.17 uur. Om 21.18 uur straalde een toestel van [medeverdachte 2] aan op de mast [j-straat 1] in [plaats] .
”. [medeverdachte 1] antwoordt met “Ze zitten ervoor in bus
”. Op 17 maart 2017, acht dagen na het moment van deze mislukte liquidatie, worden [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] aangehouden. [verdachte] heeft dan een sleutel van een Volkswagen Caddy, een bestelbus, bij zich. Deze auto is in de nacht van 7 op 8 maart 2017, twee dagen vóór de mislukte liquidatie van [betrokkene 7] , in [plaats] gestolen. In het geïntegreerde navigatiesysteem van deze Volkswagen Caddy stond het adres [m-straat] in [plaats] als de laatst ingevoerde bestemming. De eigenaar heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij dit adres heeft ingevoerd. De andere in het navigatiesysteem aangetroffen bestemmingen heeft hij (wel) ingevoerd.
” en dat hij dan naar [medeverdachte 2] toe moet komen. Om 18.35 uur straalt een toestel van [verdachte] aan op de mast [j-straat 1] in [plaats] . Zoals al gezegd, straalt een telefoon van [medeverdachte 2] kort na het moment van de beoogde liquidatie ook op deze mast aan. Op 10 maart 2017 om 01.27 uur straalde een telefoon van [verdachte] aan op de mast [k-straat 1] in [plaats] . Deze mast bevindt zich in de nabije omgeving van de woning van [medeverdachte 1] aan de [l-straat 1] in [plaats] . Nu niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 2] en [verdachte] een ander adres hebben bezocht, gaat het hof ervan uit dat zij toen in [plaats] een ontmoeting met [medeverdachte 1] hebben gehad.
6.3.3.6. De rollen van [betrokkene 4] , [betrokkene 13] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte]
6.3.3.6.1. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte]
Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor moord, wat aan [medeverdachte 1] meer subsidiair is ten laste gelegd en aan [medeverdachte 2] en [verdachte] subsidiair is ten laste gelegd.
De bespreking van het derde middel
“ [medeverdachte 1] zei dat ze iemand gelokt hadden daarheen voor een liquidatie. Dat was mis gegaan. De mensen van [medeverdachte 1] waren te laat gekomen”,
“ [verdachte] heb ik ook nog een keer gesproken in detentietijd en die vertelde mij, dat ze te laat waren door hem. En dat daardoor die liquidatie niet plaatsgevonden had”en
“alleen ik heb zelf van [verdachte] begrepen, dat hij te laat was, dat het door hem kwam. En wat ik van hem begrepen heb, was dat met [betrokkene 9] en [betrokkene 8] ”.De hierop gebaseerde gevolgtrekking dat de kroongetuige heeft verklaard dat [verdachte] , [medeverdachte 2] ( [betrokkene 8] ) en [medeverdachte 3] ( [betrokkene 9] ) de beoogde uitvoerders waren van de liquidatie, acht ik niet onbegrijpelijk. Het geval waarin het hof zich heeft beroepen op feiten en omstandigheden die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, dan wel in zijn overwegingen niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend, doet zich niet voor. Wat de stellers van het middel aanvoeren over de verklaringen van de kroongetuige ter terechtzitting doet aan het voorgaande niet af.
“hij sowieso niet snapte waar de kroongetuige het over had”en dat hij op een sarcastische manier beaamde dat hij te laat was.
verzonnendat ‘de heads’ op dat moment in een bus voor het café zaten. In het scenario onder (ii) is niet begrijpelijk dat het hof vaststelt dat een bestelauto als voorbereidingsmiddel betrokken is geweest bij de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 7] omdat de betrokkenheid van de bus volgt uit het PGP-bericht van [medeverdachte 1] aan [betrokkene 13] met de tekst
“Ze zitten ervoor in bus”, terwijl die mededeling – en dus die bus – verzonnen is.
4.6.2 De aanwezigheid van cliënt in [plaats] - en whatsapp-chats met betrekking tot 9 maart 2017
4.6.2.1 Nummer […]
4.6.2.2 Nummer […] (…)
”, stuurt [medeverdachte 1] terug “staan ze al tijd
” en “ze zitten ervoor in buss bradda
”.
4.6.3.1 Te weinig concreet en precies
4.6.3.2 Tijdsbestek niet passend bij PGP-chats
” en om 21:43 uur: “Ik ga heads even bedaren
” en “Leg aub [bijnaam 1] voor me uit ik ben even met hun (
heads, advocaat) bezig
”.
Het vierde middel
De bewijsvoering
“6.3.5. CRIMINELE ORGANISATIE (140 SR)
6.3.5.1. De criminele organisatie
6.3.5.2. De deelnemers aan de criminele organisatie
6.3.5.2.1. De rol van [verdachte]
De verdediging van [verdachte] heeft geconcludeerd tot vrijspraak van dit feit, omdat [verdachte] geen wetenschap van het oogmerk van de criminele organisatie had.
De eerste deelklacht van het vierde middel
“de overwegingen zoals hiervoor opgenomen met aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie”heeft betrokken, niet begrijpelijk is, omdat niet duidelijk is wat de algemene overwegingen over de criminele organisatie zeggen over de wetenschap van de verdachte.
De bespreking van de eerste deelklacht van het vierde middel
De tweede deelklacht van het vierde middel
De bespreking van de tweede deelklacht van het vierde middel
Het vijfde middel
twintigjaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van
vierentwintig jaren stond vermeld.
de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of […] hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.
Het juridisch kader: de kroongetuigeregeling
Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende:
3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof
“Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken”van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in:
2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.
“5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst
De bespreking van het vijfde middel
geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “
zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.” [17]
Het zesde middel
Prokuratuur [20] en
Landeck [21] .
De overwegingen van het hof
“5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens
Een nadere omschrijving van het zesde middel
Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck
Prokuratuur. [24] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [25] over Richtlijn 2016/680. [26]
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [30] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [31] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [32]
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [33] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [34]
Landeck. [41] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [42] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [43]