ECLI:NL:PHR:2026:297

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25/00579
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 46 SrArt. 81.1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep in megazaak Eris over medeplegen voorbereidingen liquidaties en rechtmatigheid kroongetuigeovereenkomst

In de megazaak Eris, bestaande uit achttien deelonderzoeken over liquidaties en voorbereidingen daarvan, is verdachte veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen tot moord. Het hof baseerde zijn oordeel op bewijsmiddelen zoals PGP-chatberichten, observaties, aanhoudingen en vondsten van wapens en gestolen voertuigen.

Verdachte voerde in cassatie onder meer aan dat hij geen kennis had van de inhoud van PGP-gesprekken en dat de wapens mogelijk voor een pilotfilm bestemd waren. De verdediging stelde dat het bewijs onvoldoende was en dat verdachte niet deelnam aan de PGP-gesprekken. Het hof oordeelde echter dat verdachte samen met medeverdachten bezig was met de voorbereiding van liquidaties, waarbij alle benodigdheden aanwezig waren en dat de verklaring van verdachte niet aannemelijk was.

De procureur-generaal concludeert dat de middelen van cassatie falen, onder meer omdat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld, de bewijsvoering toereikend is en de verweren van verdachte niet slagen. Ook de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst en de ambtshalve constatering van vormverzuimen worden niet betwist. Het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van art. 81.1 RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen tot moord blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer25/00579

Zitting24 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 12 februari 2025 (parketnr. 21-003045-22) wegens:
- Ten aanzien van de deelonderzoeken Arford en Barbera (16-659124-19)
Feit 1, subsidiair: “
medeplegen van voorbereiding van moord, meermalen gepleegd
Feit 2, subsidiair: “
medeplegen van voorbereiding van moord
- Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie (16-659041-20)

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof, niet voor dit cassatieberoep relevante beslissingen genomen over het beslag en over de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00523, 25/00542, 25/00537, 25/00524, 25/00690, 25/00689, 25/00688, 25/00667, 25/00659 en 25/00658. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. Deze zaak is één van de eenentwintig zaken die werden gestart op basis van het opsporingsonderzoek Eris. Het onderzoek Eris bestaat uit achttien deelonderzoeken, die onder andere gaan over vijf liquidaties die zijn uitgevoerd in 2017 en plannen om een aantal andere personen te vermoorden. Nadat een verdachte van één van de liquidaties een overeenkomst met het Openbaar Ministerie had gesloten om als kroongetuige op te treden, kwam het onderzoek in een stroomversnelling. In november 2018 vonden aanhoudingen en huiszoekingen plaats. Bij de hoofdverdachte (oprichter en leider van de [motorclub] ) werden diverse computers en andere gegevensdragers aangetroffen. Op die gegevensdragers vond de politie onder meer opnamen van gesprekken die de hoofdverdachte met anderen had gevoerd over liquidaties en opdrachten tot liquidaties. In totaal zijn in het onderzoek Eris eenentwintig personen vervolgd, van wie negentien hoger beroep hebben ingesteld. [1] In elf zaken is beroep in cassatie ingesteld. Dat zijn de elf samenhangende zaken waarin ik vandaag zal concluderen.
5. De middelen betreffen de volgende onderwerpen, behandeld in deze volgorde:
(1)(2). de bewezenverklaring in deelonderzoek Arford ;
(3). de bewezenverklaring in deelonderzoek Barbera ;
(4). De bewezenverklaring in deelonderzoek Criminele organisatie;
(5). het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst;
(6). (geen) sanctionering van vormverzuimen op basis van ‘Landeck’ en ‘Prokuratuur’.

Het eerste middel

6. Het eerste middel komt met diverse klachten op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ( deelonderzoek Arford ). In het bijzonder wordt aangevoerd:
(a) het hof is ontoereikend gemotiveerd afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, te weten dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een PGP-toestel in zijn bezit heeft gehad of deelnemer is geweest aan welk PGP-gesprek dan ook en dat ook niet kan worden vastgesteld dat de verdachte kennis had van de inhoud van PGP-gesprekken tussen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dan wel [medeverdachte 3] ;
(b) de vaststellingen van het hof dat [medeverdachte 1]
"de opdracht [voor de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ] vervolgens [heeft] uitgezet bij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] ”en daarbij
"via een PGP-telefoon contact onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd”, en dat
"in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact [stonden] met [medeverdachte 1] ”kunnen niet volgen uit de bewijsmiddelen en het hof heeft ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn bewijsoverweging die feiten en omstandigheden of het wettige bewijsmiddel waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend, aangeduid;
(c) het oordeel dat
“alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig waren”, mede in het licht van wat door de verdediging was aangevoerd, is niet zonder meer begrijpelijk;
(d) het oordeel dat
“op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk is geworden dat de aangetroffen wapens voor ander misdadig doel dan de liquidatie gebruikt zouden kunnen worden”en dat
“ook niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm, alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] ”is, mede in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk;
(e) het oordeel dat de gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP-berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ geen andere conclusie toelaten dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden, is, mede in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd over het voortijdige vertrek van de verdachte van de plaats delict, onbegrijpelijk.

De bewezenverklaring en bewijsvoering

7. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

in de periode van 16 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht oplevert), opzettelijk voorwerpen en vervoermiddelen, te weten:
- vuurwapens en
- gestolen auto’s
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad”.
8. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest. [2] In het bijzonder heeft het hof de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen: [3]

“6.1. De aangetroffen chats

(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…)

Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 1] )
Veronderstelde datum : 16 maart 2017
Tijdstip
[bijnaam 2]
[bijnaam 1]
(…)
Die 2
16.41
Adres [a-straat 1]
Vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje van 2 a 3 jaar
Als hij wordt opgehaald door seat zwarte moeten ze allebei of thuis gebracht dan pak je wie je kan of allebei
Of een taxi 5 serie nieuwe is een vriend van ze haalt ze ook op soms donker grijze
(…)
140 allebei op snelheid 160
(…)
Hun kan je ook drive by geven bro
Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 1] )
Veronderstelde datum : 16 maart 2017
Tijdstip
[bijnaam 2]
[bijnaam 1]
(…)
(onleesbaar) herkennen clio’s?
(…)
18.26
Dus eigenlijk als ik nu daar ga laten staan achter in bus of fiets kunnen we ze timeren
(…)
Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 1] )
Veronderstelde datum : 16 maart 2017
Tijdstip
[bijnaam 2]
[bijnaam 1]
(…)
20.06
En ze komen ook met z'n 2tjes trainen soms maar dan rijden ze van zijn huis na daar of ze spreken daar af
(…)
20.07
Deze moet binnen nu en paar dagen max klaar zijn
20.07
Ok ok
20.08
Ik doe et morgen 200%
Als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog
(…)
20.15
Oke oke is goed doe maar morgen maar strak op hun dan broer
(…)
20.17
Ik laat ze morgen hele dag daar zijn
(…)
20.22
Sportschool klopt ook maar is niet dat ze elke dag gaan en weet schema ook niet precies snap je
(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, (…)

In het kader van opsporingsonderzoek Eris werd [medeverdachte 1] op 21 november 2018 aangehouden in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] . In de omgeving van deze woning stond de BMW met [kenteken 1] geparkeerd. Uit waarnemingen van observatieteams is gebleken dat deze BMW destijds in gebruik was bij [medeverdachte 1] (onder andere OT.004; OT.026; OT.052; OT.056). In de BMW is een harde schijf van het merk LaCie aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze harde schijf is voorzien van het unieke beslagnummer AG03.01.009 en het unieke SIN […] . De harde schijf is vervolgens met de daartoe bestemde forensische onderzoeksapparatuur uitgelezen, waarvan een afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt.
Op de harde schijf staan meerdere foto's en video’s van een mobiele telefoon waarop chatgesprekken worden gevoerd via Sky. Met Sky kunnen berichten worden verstuurd, voorzien van encryptie. Een aantal van de foto’s en een video zijn vermoedelijk gemaakt op 16 maart 2017 tussen 19:04 uur en 20:23 uur (…). Dit betreffen foto’s en een video van een chatgesprek tussen een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 1] ' en een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 2] ’. In deze chat stuurt ‘ [bijnaam 1] ’ een bericht door van een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 3] .’. Bij dit bericht van ‘ [bijnaam 3] .’ staat de datum 16 maart 20 17.
Op (...) 16 maart 2017 om 19:07:13 uur en 19:08:37 uur zijn vervolgens onderstaande foto’s van een mobiele telefoon gemaakt.
Foto 1
Foto 2
De man afgebeeld op foto 1 vertoont wat uiterlijk betreft opvallende overeenkomsten met [slachtoffer 1] (vorm van het linkeroor, vorm van de neus en ontbreken van haartjes in de linker wenkbrauw).
De man afgebeeld op foto 2 vertoont wat uiterlijk betreft sterke overeenkomsten met [slachtoffer 2] (vorm en stand van de oren, vorm van de bovenlip en vorm van de neus).
6.2.
De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 17 september 2020, (…)

O: In 2017 is er geprobeerd om jou en [betrokkene 1] te liquideren. Er zijn toen drie mensen aangehouden in de buurt van de woning van [betrokkene 2] met automatische wapens en handvuurwapens.

(…)
V: Naar welke sportschool gingen jullie?
A: [A] vlak bij [betrokkene 2] haar huis op loopafstand.
(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2019, (…)

Betreft: Gesprek met [slachtoffer 2]

Op de vraag of [slachtoffer 2] in 2017 wel eens aan de [a-straat] kwam verklaarde hij dat hij [betrokkene 3] in 2017 altijd bij deze woning aan de [a-straat] kwam ophalen met een auto.
(…)

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 17 september 2020, (…)

V: Naar welke sportschool gingen jullie?
A: [A] vlak bij [betrokkene 2] haar huis. Ietsje verderop.
(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2017, (…)

Op maart 2017 omstreeks 14:45 uur waren wij, verbalisanten, (...) te [plaats] . Ik, verbalisant, bevond mij in de publieksruimte van een viskraam, welke zich bevond op de kruising [c-straat ] / [d-straat] . Ik zag dat er een man de publieksruimte van de viskraam binnenliep. Deze man was de later aangehouden verdachte [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] bij de visverkoper van de viskraam enkel twee flesjes AA-drink bestelde. Ik zag dat [verdachte] vervolgens met de twee flesjes naar buiten liep.

Ik, verbalisant (...), zag dat [verdachte] de rijbaan overstak en richting een tweede man liep, welke zat te wachten, op een muurtje, bij de ingang van [e-straat] . Deze man bleek de later aangehouden verdachte [medeverdachte 2] te zijn.
Wij, verbalisanten, zagen dat er zich een derde man voegde bij [verdachte] en [medeverdachte 2] . Dit bleek de later aangehouden verdachte [medeverdachte 3] te zijn. Wij zagen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met elkaar een gesprek voerden en daarbij geregeld keken in de richting van de overzijde, in de richting van een bloemenkiosk, welke zich naast de eerder genoemde viskraam bevond.
Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] tezamen liepen over de [c-straat ] in de richting van de kruising met [f-straat] . Wij zagen dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op de genoemde kruising (...) liepen richting een parkeerplaats.
Ik, verbalisant (...), zag dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] plaats namen in een zwarte personenauto, merk Renault, type Clio, voorzien van [kenteken 2] . Ik zag dat de genoemde auto wegreed in de richting van de [c-straat ] .
Wij, verbalisanten, hoorden portofonisch dat de verdachten waren aangehouden (...).

Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, (…)

Uit het raadplegen van de website google.nl blijkt mij, verbalisant, dat op het adres [d-straat 1] in [plaats] een [A] sportschool is gevestigd. Deze sportschool ligt op de kruising met de [c-straat ] in [plaats] en bevindt zich op 550 meter lopen van de [a-straat 1] in [plaats] .

Proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2019, (…)

Eerder op die vrijdag 17 maart 2017 omstreeks 14.45 uur waren de eerdergenoemde aangehouden verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] door collega's van de eenheid politie [plaats] waargenomen op de [c-straat ] te [plaats] ter hoogte van een viskraam. Enige tijd later zagen de collega ’s dat de aangehouden verdachte [medeverdachte 3] zich bij [verdachte] en [medeverdachte 2] voegde. Opvallend tijdens hun verblijf aldaar was dat de verdachte [verdachte] op een gegeven moment ongeveer 15 meter van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ging staan waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] volop met elkaar in gesprek gingen. Gelijktijdig zag één van de collega's dat de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tijdens hun gesprek regelmatig naar een bloemenkiosk keken. Deze bloemenkiosk is aan de overzijde van de viskraam gelegen op de kruising [c-straat ] met de [d-straat] te [plaats] . Eveneens opvallend is dat in het verlengde van de bloemenkiosk de sportschool [A] aan de [d-straat] te [plaats] is gelegen. Deze sportschool wordt genoemd in één van de eerdergenoemde chatgesprekken als zijnde de sportschool waar de beoogde slachtoffer(s) zou(den) trainen. Vanaf de [c-straat ] waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ongeveer gestaan hebben is via de achterzijde van de bloemenkiosk de voorzijde van het gebouw, waarin de sportschool is gelegen, te zien.”

9. Het hof heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde verder onder meer het volgende overwogen:

“6.3.4. ARFORD

Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

6.3.4.1. De aangetroffen chats

Op 16 maart 2017 vindt er vanaf ongeveer 16.41 uur een PGP-chatgesprek plaats tussen [bijnaam 2] ’, veredeld als [medeverdachte 1] , en ‘ [bijnaam 1] ’, veredeld als [betrokkene 4] . [betrokkene 4] stuurt een foto en zegt “die 2
” en geeft als adres [a-straat 1] . Op een harde schijf die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen staan twee foto’s die op 16 maart 2017 om 19.07 uur en 19.08 uur van een mobiele telefoon zijn gemaakt. Via het genoemde adres komt de politie uit bij [slachtoffer 1] , mede omdat zijn vriendin en hun kind op dat adres woonden. [slachtoffer 1] herkent zichzelf op een van de door [betrokkene 4] gestuurde foto’s. Zijn vriend [slachtoffer 2] herkent zichzelf van de andere foto. [betrokkene 4] geeft [medeverdachte 1] nog de volgende informatie: “vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje 2 a 3 jaar
”, “niet in die straat staan want hij ziet alles als hij thuis is
”, “rijdt meestal vanaf de [d-straat] de [g-straat] in na [h-straat] , dan verder na [d-straat] , komt vanaf de [c-straat ] meestal!
”, “hij woont op 3 hoog witte luxa flex daar kan hij heel stiekem door kijken zonder dat je het door hebt bro
”, “hij gaat meestal via die deur rechts als je in de straat komt rijden soort brandtrapje niet bij de hoofdingang
”, “hij traint ook bij die [A] bij [d-straat] is 3 min lopen van z’n huis!
”, “z’n vrouw werkt tot 3 uur
” en “weet ook waar ze eten in [stadswijk 1] , tussen 5 en 7 uur
”. [slachtoffer 1] herkent zichzelf in deze informatie als de persoon om wie het gaat.
Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] geeft aan dat er maar één persoon is die over al deze informatie beschikt. Het gaat om een persoon met wie zij tot voorheen dagelijks samen waren en die zij ‘ [betrokkene 5] ’ noemen. [slachtoffer 1] wijst [betrokkene 4] op een foto aan als de persoon die hij kent als die ‘ [betrokkene 5] ’.
[betrokkene 4] laat aan [medeverdachte 1] weten dat de prijs voor de twee mannen “140 allebei op snelheid 160
” is. [medeverdachte 1] mag deze personen ook een “drive by geven
”. Volgens [betrokkene 4] stapt “hij uit voor zijn deur
”, dan moet [medeverdachte 1] “hem pakken
”. Als ze “met z’n 3tjes zijn ook
”, dan “Pak je ze alle 3
”. [medeverdachte 1] mag hem ook pakken “als hij naar huis loopt van gym
”. [betrokkene 4] tipt nog dat ze “in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan, zie je iedereen erin of eruit rijden
”.
Het hof stelt op basis hiervan vast dat [betrokkene 4] via de chat een opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitzet, daarover inlichtingen aan [medeverdachte 1] verschaft en er een prijs van € 140.000,- of € 160.000,- tegenover zet.
Later in het chatgesprek laat [betrokkene 4] aan [medeverdachte 1] weten dat het als het “vandaag niks is dan morgen op scherp
” en dat “deze binnen nu en paar dagen max klaar moet zijn
”. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij het“morgen 200% doet
”, “als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog
”. Hij “laat ze morgen hele dag daar zijn
”. Ook noemt [medeverdachte 1] dat ze in een bus kunnen om te ‘timeren’ (observeren) en heeft hij het over een Clio.

6.3.4.2. De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen

Op 17 maart 2017 omstreeks 15.45 uur werden [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de ingang van [e-straat] aan de [c-straat ] tegenover de [A] aan de [d-straat] aangetroffen. Eerst enige tijd [medeverdachte 2] en [verdachte] en daarna ook [medeverdachte 3] hielden zich daar op en waren met elkaar aan het praten. Daarbij keken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geregeld in de richting van de bloemenkiosk, met in het verlengde daarvan zichtbaar de [A] aan de [d-straat] . Op een gegeven moment liepen zij naar een parkeerplaats en reden zij weg in een gestolen Renault Clio met valse kentekenplaten. De politie heeft hen vervolgens gecontroleerd en daarna aangehouden.
Tijdens de fouillering van [verdachte] werd een sleutel aangetroffen van een gestolen Volkswagen Caddy met valse kentekenplaten, die naast de Renault Clio op de parkeerplaats stond. Een Volkswagen Caddy is een bestelauto. In deze bestelauto bevonden zich meerdere wapens: twee automatische aanvalsgeweren (waarvan één met ontbrekende onderdelen) en twee pistolen, een geluidsdemper die op een van de pistolen paste en munitie voor de aanvalsgeweren en de pistolen. Daarnaast bevonden zich in de bestelauto een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine. Die omstandigheden hebben alle kenmerken van een voorgenomen liquidatie waarbij de vluchtauto in brand wordt gestoken om eventuele sporen te vernietigen en de opsporing van de daders te bemoeilijken. Op een [betrokkene 13] van de goederen is het DNA van [verdachte] en [medeverdachte 2] aangetroffen. Ook werd er een tv in de bestelbus aangetroffen. Daarop zat een handafdruk van [medeverdachte 3] . De kroongetuige heeft verklaard dat leden van [motorclub] wapens in tv’s verstopten. Ook [medeverdachte 3] heeft dat verklaard. Hij heeft in dat verband ook verklaard dat hij zelf wapens inbouwde.
Tijdens de fouillering van [medeverdachte 2] is een PGP-toestel aangetroffen. Uit de uitgelezen data van dit toestel blijkt dat er op 17 maart 2017 164 berichten zijn gewisseld met een PGPaccount van [medeverdachte 1] . Er zijn ook vlak voor de aanhouding nog berichten gewisseld met dat account.
Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 bezig waren met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat zij daarbij in nauw contact stonden met [medeverdachte 1] , die de opdracht tot het liquideren van deze personen eerder van [betrokkene 4] had aangenomen. In dit verband is ook van belang dat de plek waar [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn aangetroffen precies de locatie is die [betrokkene 4] in de chat met [medeverdachte 1] noemt als de plek waar hij moet staan. Dat maakt ook andere aangevoerde scenario’s, waaronder de overdracht van wapens na een filmopname, onaannemelijk.
(…)

6.3.4.4. De rol van [medeverdachte 1]

(…)
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] de opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft aangenomen via [betrokkene 4] . Hij heeft met [betrokkene 4] besproken hoe en waar deze liquidatie het beste kon plaatsvinden. Hij heeft de opdracht vervolgens uitgezet bij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Daarbij heeft [medeverdachte 1] via een PGPtelefoon contact onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd. Zij hadden daarbij de beschikking over vuurwapens met bijbehorende munitie en gestolen auto’s met valse kentekenplaten.
(…)
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat de aangetroffen wapens waren gebruikt voor de documentaire die hij aan het maken was en niet waren bestemd voor het plegen van een liquidatie. Hij had geregeld dat de wapens zouden worden teruggebracht. Het hof acht deze verklaring in het licht van het beschikbare bewijsmateriaal niet aannemelijk geworden. Daarbij komt dat de filmmaker [betrokkene 6] heeft verklaard dat hij de op 17 maart 2017 inbeslaggenomen wapens niet herkent als voorwerpen die zijn gebruikt bij filmopnames en deze niet eerder heeft gezien.
(…)

6.3.4.7. De rol van [verdachte]

Aan [verdachte] is primair het medeplegen van een poging tot moord ten laste gelegd. Van een strafbare poging is pas sprake als er een begin is gemaakt met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Daarvoor is vereist dat er een handeling is verricht die direct was gericht op de voltooiing van het delict. Op het moment dat [verdachte] samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] werd aangehouden, was van een dergelijke handeling nog geen sprake. Dit betekent dat geen sprake is van een strafbare poging. [verdachte] wordt daarom vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [verdachte] bezig was met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij was samen met [medeverdachte 2] en – na enige tijd – ook met [medeverdachte 3] aanwezig op de door [medeverdachte 1] besproken plek. Ze hadden op dat moment de beschikking over gestolen voertuigen met valse kentekenplaten en vuurwapens met bijbehorende munitie. In de Volkswagen Caddy waren ook plastic flessen en een jerrycan met benzine voorhanden, die kunnen worden gebruikt om een vluchtauto in brand te steken.
[verdachte] heeft verklaard dat hem is gevraagd of hij de auto waarin later de wapens zijn aangetroffen naar [plaats] wilde rijden en op een parkeerplaats bij [e-straat] [het hof begrijpt: [f-straat] ] wilde neerzetten. Vervolgens moest hij richting de ingang van het park lopen waar iemand de sleutel zou komen ophalen. [verdachte] wist naar eigen zeggen niet waarom hij de auto daar moest neerzetten en dacht dat dit mogelijk te maken had met opnames voor een pilotfilm.
Het hof volgt [verdachte] hierin niet. De gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP-berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ laten geen andere conclusie toe dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden. In de chats tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] over de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt gezegd dat het “200%
” de bedoeling was dat het 17 maart 2017 zou gebeuren en dat [medeverdachte 1] ze daar de hele dag zou laten staan. Daarnaast waren alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig en stonden in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact met [medeverdachte 1] . Het hof betrekt hierbij ook nog dat [verdachte] , zoals is vastgesteld in het zaaksdossier Barbera , zich kort daarvoor samen met – onder meer – [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan het voorbereiden van eveneens een liquidatie.
Dat de aangetroffen wapens mogelijk ook voor een ander misdadig doel gebruikt hadden kunnen worden dan een liquidatie is, gelet op al het voorgaande, evenmin aannemelijk geworden. Het hof overweegt in dit licht nog dat op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk geworden om wat voor ander misdadig doel het dan wel zou gaan. Tot slot geldt ook dat niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm [naar het hof begrijpt die van [medeverdachte 1] ], alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] .
Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorbereiden van moord met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , met dien verstande dat hij wordt vrijgesproken van de in de tenlastelegging genoemde PGP-telefoons. Omdat niet is komen vast te staan dat deze PGP-telefoons bestemd waren tot het begaan van het misdrijf – de uitvoering van de voorgenomen liquidatie(s) – is niet voldaan aan het vereiste dat het object waarop een in artikel 46 van Pro het Wetboek van Strafrecht genoemde gedraging betrekking heeft, is bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (zie HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198).”

De pleitnota

10. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2024 blijkt dat de raadsman namens de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer in:

“1.1.2 Inhoud PGP-chats en de wetenschap bij cliënt

Er bestaan in dit dossier zichtbaar twee parallel lopende, maar geheel van elkaar gescheiden, werkelijkheden. Namelijk één die volgt uit de in het dossier aanwezige PGP-chats en de ander die volgt uit de daadwerkelijke feitelijke handelingen van één ieder, maar in dit geval meer specifiek die van mijn client.
Voor uw hof is de cruciale vraag wat mijn cliënt wist en/of kon weten van de inhoud van de ‘PGP-chats en de eventuele en vermeende opdrachten die daaruit voortvloeide.
Vaststaand en onbetwist is dat cliënt op geen enkel moment deelnemer is geweest welk PGP-gesprek dan ook. Er is ook geen enkel PGP-toestel en/of account op enig moment aan cliënt toegeschreven.
Dat brengt ons bij de eerste zowel logische als zeer belangrijke vaststelling en conclusie ten aanzien van de aan client ten laste gelegde feiten, namelijk dat cliënt dus onmogelijk opdirectewijze wetenschap kan hebben gehad van hetgeen er in de PGP-chats is besproken!
Het gevolg van deze vaststelling en conclusie is dat de enige mogelijkheid voor cliënt om ook maar enige wetenschap te hebben gehad of kunnen hebben van hetgeen er in de PGP-chats is besproken, hij dit van of via één of meer anderen heeft gehoord/verkregen.
En nu alle verdenkingen jegens cliënt nu juist volledig samenhangen met het wel of niet bestaan van ‘werkelijke’ wetenschap bij cliënt, dient het bewijs voor deze, door het openbaar ministerie vermeende, wetenschap direct, redengevend en zonder ruimte voor twijfel te worden geleverd door het openbaar ministerie.
Het bestaan van deze wetenschap bij cliënt slechts suggereren, of als vanzelfsprekend aannemen is onvoldoende. En uw hof dient ervoor te waken niet in deze stroom mee te worden getrokken en waar u al denkt aan enige informatie aan de kant van client, te motiveren hoe cliënt dan aan deze wetenschap is gekomen, waaruit dit blijkt en in welke bewijsmiddelen we dit onomstotelijk en zonder alternatieve mogelijkheid terug zien.
Want bewijs moet meer zijn dan slechts een mooi klinkend en/of creatief ingekleurde suggestie of onderbuikgevoel. Het bewijs voor deze wetenschap zal moeten bestaan uit objectief aantoonbare en redengevende feiten, volgend uit het dossier.
Maar, geachte leden van het hof, de verdediging zal u vast op weg helpen: dat bewijs is er niet!
Het dossier biedt ons geen objectieve en directe bewijsmiddelen op basis waarvan gesteld kan worden dat mijn cliënt enige wetenschap heeft gehad, of überhaupt had kunnen hebben op óf voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten!
Het openbaar ministerie onderbouwd op geen punt, op geen enkel moment en op geen enkele manier cliënt dan die, door het openbaar ministerie vermeende wetenschap, heeft verkregen c.q. had kunnen verkrijgen. Het openbaar ministerie stelt dat gewoon.
(…)

ARFORD

5.1
Inleiding
Ook ten aanzien van dit deeldossier geldt hetgeen de verdediging reeds bij de algemene inleiding van dit pleidooi heeft gezegd in zeer grote en zeer belangrijke mate. Namelijk dat er zichtbaar en aantoonbaar sprake is geweest van twee parallel lopende, maar geheel van elkaar gescheiden, werkelijkheden. Namelijk één die volgt uit de in het dossier aanwezige PGP-chats en de ander die volgt uit de daadwerkelijke feitelijke handelingen van één ieder, maar in dit geval meer specifiek die van mijn cliënt.
En voor uw hof is ten aanzien van dit deeldossier wederom de cruciale vraag wat mijn cliënt wist en/of kón weten van de inhoud van de ‘PGP-chats en de eventuele en vermeende opdrachten die daaruit voortvloeide en/of mee samen hingen.
Want wat is er tegen cliënt gezegd? Is hem verteld wat er uit de PGP-chats kan volgen, of is hem totaal wat anders verteld? Client stelt dat laatste en heeft er ook zelf nog eens een bepaalde invulling aan gegeven. Logisch, want dat is wat een mens doet; zoeken naar een logische invullen en verklaring.
Het draait in dit deeldossier dan ook echt maar om één vraag en dat is: wat wist cliënt op 17 maart 2017, dan wel wat had hij überhaupt kunnen weten?
(…)
Want aan de verklaring van cliënt mag niet zonder meer voorbij worden gegaan, zolang deze niet door de redengevende bewijsmiddelen volgend uit het dossier wordt weersproken.
En dat is niet het geval! Want werkelijk het enige redengevende bewijs wat betreft de vermeende bij voorbereidingshandelingen cliënt dat er sprake zou zijn geweest van voor een aanstaande liquidatie is volgens de rechtbank de aanwezigheid van het onder [medeverdachte 2] aangetroffen PGP-toestel en dat daarmee continue in contact kon worden gestaan met [medeverdachte 1] .
Maar geachte leden van het hof, het punt is nu juist dat dit PGP-toestel niet van cliënt was, hij dit niet bij zich heeft gehad en überhaupt nooit in het bezit is geweest van een PGP- toestel. En het is veel te makkelijk en kort door de bocht om te stellen dat door de aanwezigheid van dit PGP-toestel bij één van de twee medeverdachten, cliënt zonder meer en vanzelfsprekend op de hoogte is geweest en/of gebracht van hetgeen er die dag met en/of via dit PGP-toestel is verstuurd en binnengekomen. Misschien is eerder wel expliciet tegen de gebruiker gezegd dat hij dit met niemand mocht bespreken, of zelfs dat dit in ieder geval niet met [verdachte] mocht worden besproken.
Het ligt daarbij voor de hand dat de chats/gesprekken die via PGP-toestellen liepen ook alleen bedoeld waren voor de deelnemers aan deze chats/gesprekken en niet ook voor niet deelnemers en/of anderen. Als de informatie uit deze PGP-chats ook en zeker bij cliënt bekend moest zijn was het wel naar hem verstuurd via whatsapp of sms, toch?!
Dus de aanwezigheid van dit PGP-toestel bij één van de medeverdachten is wel redengevend bewijs, maar niet specifiek ten aanzien van cliënt. Dit wordt het eventueel pas als er ook bewijs is voor het feit dat cliënt op de hoogte is gebracht van informatie die uit de PGP-chats volgde. En dat bewijs ontbreekt zoals inmiddels voldoende herhaald gezegd.
Overigens is er niets bekend ten aanzien van de inhoud van de die dag ontvangen en verstuurde berichten door en van dit PGP-toestel en is dus de motivering van de rechtbank dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] continue met [medeverdachte 1] in contact stonden, laat staan dat kan worden gezegd dat dit te maken had met een eventuele voorbereiding op een liquidatie, dus slechts een theoretische mogelijkheid en helemaal niet een vastgesteld gegeven. Ook een niet onbelangrijke vaststelling.
(…)
5.6.1
Contra-indicaties voor wetenschap bij client
Zoals gezegd dan nu de contra-indicaties voor de vermeende wetenschap bij cliënt, want die zijn er in dit deeldossier meer dan aanwijzingen – laat staan bewijs – dat cliënt deze wetenschap wel had, dan wel had kunnen hebben.
Ten eerste maar weer de vaststelling dat aan cliënt op geen enkel moment ook maar enig PGP-toestel of account is toegeschreven.
In directe zin kan cliënt dus geen wetenschap hebben gehad van hetgeen er in de PGP- gesprekken is besproken. Hij is daaraan tenslotte geen deelnemer geweest.
Dus de enige mogelijkheid voor dient om enige wetenschap te hebben gehad of te kunnen hebben van wat er in die PGP-gesprekken is besproken, is dat hij dit van een ander of anderen heeft gehoord.
Maar hiervoor ontbreekt - in tegenstelling tot de visie van het openbaar ministerie en het vonnis van de rechtbank - echt ieder bewijs.
(…)

5.6.1.4 Proces-verbaal van observatie; gedrag van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]

(…)
Vanaf het moment dat [medeverdachte 3] aankwam is deze met [medeverdachte 2] in gesprek gegaan, op grote afstand van cliënt. En dat dus op een manier die zelfs bij de politie de indruk wekte dat cliënt het gesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] niet mocht volgen!
Dus de binnen [motorclub] hooggeplaatste [medeverdachte 3] (een ‘national ’) waarover de kroongetuige heeft verklaard dat hij ‘close’ was met [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] , een directe vertrouweling en vriend van [medeverdachte 1] , die tot in de vroege jaren samen terug gaan.
En waarom niet gewoon in het bijzijn van [verdachte] , waarom op deze bewust gecreëerde afstand?
Daar is toch maar één logische verklaring voor, geachte leden van het hof. Namelijk dat cliënt niet wist en blijkbaar ook vooral niet mócht weten van de hoed en de rand en de werkelijke reden van zijn aanwezigheid daar.
Dus als uw hof al komt tot de vaststelling dat er via het onder één van de medeverdachte aangetroffen PGP-toestel informatie bekend was, dan is dit een onmogelijk te passeren en keiharde contra-indicatie voor de stelling van het openbaar ministerie en de kale aanname van de rechtbank dat óók cliënt dan wel van deze informatie op de hoogte moet zijn geweest. Gelet op de daar geobserveerde omstandigheden werd cliënt overduidelijk weg gehouden bij het gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
(…)

5.6.1.5 Wapens in Caddy niet passend bij actuele voorbereidingshandelingen

De wapens die in de Caddy zijn aangetroffen waren allesbehalve klaar om direct te gebruiken. De verdediging wijst in dit kader op het proces-verbaal van wapenonderzoek, d.d. 17 maart 2017
De volgende wapens zijn aangetroffen:
-
Kalashnikov model 47 (itemnummer 5354703);
Dit wapen was niet voorzien van een (klap)kolf en dus niet (goed bruikbaar). Onderin moet een gebogen patroonmagazijn worden ingebracht. Een dergelijk patroonmagazijn is apart en leeg aangetroffen en in beslag genomen (itemnummer) 5354704. Wel is de bijbehorende munitie apart aangetroffen, 2x24 patronen (itemnummers 5354708 en 5354709)
-
Zastava M70AB2 (itemnummer 5354705);
Van dit vuurwapen ontbraken enkele onderdelen, en was daardoor absoluut niet ‘schietklaar ’.
-
Pistool Walther P99AS (itemnummer 5354706);
Dit was gevuld met 15 patronen (itemnummer 5354707) en was dus voor direct gebruik gereed.
-
Pistool Walther P38 (itemnummer 5355120);
Met een demper (itemnummer 5355118), maar zonder patronen.
-
Leeg magazijn (itemnummer 5354704);
Maximale inhoud voor 20 patronen.
Geachte leden van het hof, als daadwerkelijk voor die dag het plan bestond om één of twee personen te liquideren, dan zal er ongetwijfeld aan twee schutters gedacht zijn. Het openbaar ministerie zal dit vast beamen, gelet op hun gekunstelde redenering in Charon dat er daar wel sprake moet zijn geweest van twee schutters.
En dat zal dan toch betekenen dat er voor deze beide schutters (automatische) vuurwapens moesten zijn. Dit was niet het geval, maar wel lag er één onbruikbaar vuurwapen (essentiële onderdelen ontbraken) en één vuurwapen zonder munitie in de Caddy.
Maar als er (direct) een liquidatie gepleegd had moeten worden dan waren dit uiteraard twee volledig nutteloze goederen. Maar toch lagen ze in de Caddy. Dit maakt dit geheel aan wapens dus juist een contra-indicatie in plaats van een redengevende aanwijzing voor de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen. En dat niet alleen, het past daarbij ook nog eens naadloos bij de gedachtegang van cliënt dat de goederen in de Caddy mogelijk voor opnames van de pilotfilm waren. Iets dat ook [medeverdachte 1] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft bevestigd.
5.6.2 Verklaring van cliënt ten aanzien van dit deeldossier
Client heeft ook ten aanzien van dit deeldossier uitgebreid verklaard en zijn gedachtegang gedeeld. Het is te veel om hier allemaal expliciet te citeren, dus de verdediging wijst u in dit kader in ieder geval in brede zin op het proces-verbaal ter terechtzitting van eerste aanleg, d.d. 1 oktober 2021 vanaf pagina 33.
Wel zal ik de meest essentiële onderdelen uit zijn verklaringen hier aan u voorhouden, waaruit kan volgen dat dient niet meer wetenschap had, dan dat hij die dag, in opdracht van [medeverdachte 1] , een Volkswagen Caddy in [plaats] moest wegzetten en de sleutel aan iemand moest afgeven.
(…)
Dat client niet alleen geen wetenschap had van de mogelijk zeer heftige en werkelijke reden dat hij die auto daar moest neerzetten, maar dat hij zelfs dacht dat het te maken had met wederom opnames voor de pilotfilm, blijkt ook uit de verklaringen van cliënt.
Client heeft ter terechtzitting in eerste aanleg, bijna kinderlijk naïef, uitgelegd wat hij dacht over het waarom hij die Caddy in [plaats] moest neerzetten. En zelfs dacht dat waarschijnlijk [betrokkene 6] de sleutel bij hem zou komen oppikken.
En ik noem het kinderlijk naïef, omdat het mogelijk heel ver afstaat van de werkelijke reden. Maar dat neemt niet weg dat de gedachtegang van cliënt niet alleen logisch is, maar ook aantoonbaar houvast vindt in het dossier. Want cliënt herkende de tv die in de Caddy stond van kort daarvoor, toen hem was gevraagd spullen te sjouwen in het kader van de opnames van een pilotfilm, waar ook [betrokkene 6] bij was. En toen moesten deze spullen van [plaats] naar [plaats] . Net als deze keer dus, toen cliënt was gevraagd om de Caddy van [plaats] naar [plaats] te rijden.
Kortom, uw hof kan de verklaring van cliënt op dit punt absoluut niét zomaar terzijde schuiven, er niet zonder meer aan voorbij gaan. Zijn verklaring is immers bestaanbaar bij de feiten in het dossier en wordt hierdoor op geen enkele wijze en ten aanzien van geen enkel onderdeel door uitgesloten.

De bespreking van het eerste middel

Deelklachten (a) en (b)
11. De deelklachten (a) en (b) zijn beide in de kern gericht tegen de vaststellingen dat [medeverdachte 1]
“de opdracht [voor de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ] vervolgens [heeft] uitgezet bij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] “en
“via een PGP-telefoon contact [heeft] onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd”en dat
“in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact [stonden] met [medeverdachte 1] ”. Aangevoerd wordt dat het hof daarmee onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (deelklacht a), en dat die vaststellingen geen steun vinden in de bewijsmiddelen (deelklacht b).
12. Uit de bewijsvoering blijkt dat op 17 maart 2017 om 14.45 uur is waargenomen dat de verdachte bij een viskraam op de kruising [c-straat ] / [d-straat] twee drankjes kocht en zich vervolgens bij [medeverdachte 2] voegde, dat daarna [medeverdachte 3] zich bij hen voegde en dat de drie gezamenlijk naar een Renault Clio met [kenteken 2] liepen, waarna zij wegreden en werden aangehouden. Tijdens hun verblijf ter hoogte van de viskraam liep de verdachte op een gegeven moment weg van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waarna zij volop in gesprek met elkaar gingen. Onderwijl keken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] regelmatig naar een bloemenkiosk in het verlengde waarvan de sportschool [A] ligt. Bij de insluitingsfouillering van [medeverdachte 2] is een PGP-toestel veiliggesteld, waarin een groot aantal berichten van 17 maart 2017 van en naar ‘ [bijnaam 2] ’ ( [medeverdachte 1] ) zijn aangetroffen. Alle berichten waren verzonden tussen 13.12 en 16.03 uur. Het laatste verzonden bericht dateerde van 15.34 uur, kort voor de controle van de verdachten, en de laatste ontvangen berichten dateerden van kort voor en net na die controle. Naast de Renault Clio stond een gestolen Volkswagen Caddy bestelbus geparkeerd, waarvan de sleutel tijdens de veiligheidsfouillering van de verdachte is aangetroffen. In die bestelbus zijn onder meer meerdere wapens, een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine gevonden. Op een deel van de goederen die zich in de bestelbus bevonden is DNA-materiaal van de verdachte en [medeverdachte 2] bemonsterd. Ook werd een tv aangetroffen met daarop een handafdruk van [medeverdachte 3] .
13. De bewijsvoering houdt niet in dat de verdachte beschikte over een PGP-toestel. De bewijsvoering bevat ook geen (PGP-)communicatie tussen de verdachte en anderen. Niettemin stelt het hof vast dat de verdachte bezig was met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat hij
“samen met [medeverdachte 2] en – na enige tijd – ook met [medeverdachte 3] aanwezig [was] op de door [medeverdachte 1] besproken plek”. Het hof heeft kennelijk aangenomen dat [medeverdachte 1] via het bij [medeverdachte 2] aangetroffen PGP-toestel contact onderhield met [medeverdachte 2] én de verdachte aangezien die tot de aanhouding samen waren. Dit acht ik niet onbegrijpelijk. Voor zover het door de verdediging aangevoerde zou kunnen worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, wat volgens mij niet het geval is, heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het daarvan is afgeweken. De deelklachten (a) en (b) falen daarom.
Deelklachten (c), (d) en (e)
14. De deelklachten (c), (d) en (e) berusten allen in de kern op het standpunt dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van een liquidatie maar meende dat de wapens in de Volkswagen bestemd waren voor het opnemen van een pilotfilm. Daartoe wordt het volgende aangevoerd.
- De vaststelling dat
“alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig waren”is niet begrijpelijk omdat een deel van de wapens niet (direct) gereed was voor gebruik tijdens een liquidatie, zodat de aanwezigheid van die wapens niet redengevend kan zijn voor het opzet van de verdachte (deelklacht c);
- Het oordeel dat
“op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk is geworden dat de aangetroffen wapens voor ander misdadig doel dan de liquidatie gebruikt zouden kunnen worden”en dat
“ook niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm, alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] ”is niet begrijpelijk nu de verklaring van de verdachte op dit punt wel degelijk is onderbouwd (deelklacht d);
- Het oordeel dat
“de gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ geen andere conclusie toelaten dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden, nu in de chats tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] over de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt gezegd dat het “200%
” de bedoeling was dat het 17 maart 2017 zou gebeuren en dat [medeverdachte 1] ze daar de hele dag zou laten staan”is niet begrijpelijk gelet op het bij de deelklachten (a) tot en met (d) aangevoerde én de omstandigheid dat de inhoud van de PGP-chats tussen ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 1] ’ niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken op 17 maart 2017.
15. Het hof heeft vastgesteld dat in de bestelbus de volgende goederen zijn aangetroffen: twee automatische aanvalsgeweren (waarvan één met ontbrekende onderdelen) en twee pistolen, een geluidsdemper die op een van de pistolen paste en munitie voor de aanvalsgeweren en de pistolen, een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine. Het hof heeft daarmee onderkend dat niet alle aangetroffen wapens (direct) bruikbaar waren. Dat maakt de vaststelling dat
“alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig”echter nog niet onbegrijpelijk, nu die vaststelling niet uitsluit dat wapens nog geladen moesten worden of er anderszins nog handelingen met de aangetroffen voorwerpen nodig waren om deze bij een liquidatie te gebruiken. Deelklacht (c) faalt derhalve.
16. Het oordeel dat
“op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk is geworden dat de aangetroffen wapens voor ander misdadig doel dan de liquidatie gebruikt zouden kunnen worden”en dat
“ook niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm, alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] ”is ook niet onbegrijpelijk. Dat eerder sprake is geweest van de opname van een pilotfilm en dat de verklaring van [medeverdachte 1] de verklaring van de verdachte op dit punt ondersteunt, doet daaraan niet af, zeker gezien de PGP-berichten tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] . Ik memoreer daarbij dat de filmmaker deze verklaringen van [medeverdachte 1] en de verdachte niet heeft bevestigd, zodat het hof voorbij kon gaan aan de stelling dat de verdachte dacht dat de wapens bestemd waren voor het opnemen van een pilotfilm. Deelklacht (d) faalt dus.
17. Voor zover deelklacht (e) voortbouwt op het slagen van de deelklachten (a) tot en met (d) behoeft deze klacht, gelet op het voorgaande, geen verdere bespreking.
18. Ook overigens is het oordeel dat
“de gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ geen andere conclusie toelaten dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden”niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik verwijs daarbij naar de PGP-berichten tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] , de aanwezigheid van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de verdachte op 17 maart 2017 in de omgeving van de in die PGP-berichten besproken [A] en hun kennelijke aandacht voor die vestiging van [A] , en de aanwezigheid in de omgeving van de [A] van voor liquidaties geschikte voorwerpen die aan de verdachten kunnen worden gekoppeld. De vermeende discrepantie tussen de inhoud van de PGP-berichten – dat de uitvoerders ’s middags de bus in zouden gaan en daar de hele dag zouden zijn – en de waargenomen gedragingen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de verdachte is niet van dien aard dat dit oordeel niet begrijpelijk is. Deelklachten (e) faalt ook.
19. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

20. Het tweede middel komt op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ( deelonderzoek Arford ). In het bijzonder wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet is af te leiden dat de vermeende voorbereidingshandelingen van 17 maart 2017 strekten tot de moord op [slachtoffer 2] .

De bewezenverklaring en bewijsvoering

21. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

in de periode van 16 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht oplevert), opzettelijk voorwerpen en vervoermiddelen, te weten:
- vuurwapens en
- gestolen auto’s
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad”.
22. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 2] doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest, [4] waarvan in het bijzonder:

“6.1. De aangetroffen chats

(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…)

Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 1] )
Veronderstelde datum : 16 maart 2017
Tijdstip
[bijnaam 2]
[bijnaam 1]
(…)
Die 2
16.41
Adres [a-straat 1]
Vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje van 2 a 3 jaar
Als hij wordt opgehaald door seat zwarte moeten ze allebei of thuis gebracht dan pak je wie je kan of allebei
Of een taxi 5 serie nieuwe is een vriend van ze haalt ze ook op soms donker grijze
(…)
140 allebei op snelheid 160
(…)
Hun kan je ook drive by geven bro
(…)
Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 1] )
Veronderstelde datum : 16 maart 2017
Tijdstip
[bijnaam 2]
[bijnaam 1]
(…)
20.06
En ze komen ook met z'n 2tjes trainen soms maar dan rijden ze van zijn huis na daar of ze spreken daar af
(…)
Als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog
(…)
Zijn echt boezemmatties dus?
(…)
Sportschool klopt ook maar is niet dat ze elke dag gaan en weet schema ook niet precies snap je
(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, (…)

In het kader van opsporingsonderzoek Eris werd [medeverdachte 1] op 21 november 2018 aangehouden in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] . In de omgeving van deze woning stond de BMW met [kenteken 1] geparkeerd. Uit waarnemingen van observatieteams is gebleken dat deze BMW destijds in gebruik was bij [medeverdachte 1] (onder andere OT.004; OT.026; OT.052; OT.056). In de BMW is een harde schijf van het merk LaCie aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze harde schijf is voorzien van het unieke beslagnummer AG03.01.009 en het unieke SIN […] . De harde schijf is vervolgens met de daartoe bestemde forensische onderzoeksapparatuur uitgelezen, waarvan een afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt.
Op de harde schijf staan meerdere foto's en video’s van een mobiele telefoon waarop chatgesprekken worden gevoerd via Sky. Met Sky kunnen berichten worden verstuurd, voorzien van encryptie. Een aantal van de foto’s en een video zijn vermoedelijk gemaakt op 16 maart 2017 tussen 19:04 uur en 20:23 uur (…). Dit betreffen foto’s en een video van een chatgesprek tussen een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 1] ' en een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 2] ’. In deze chat stuurt ‘ [bijnaam 1] ’ een bericht door van een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 3] .’. Bij dit bericht van ‘ [bijnaam 3] .’ staat de datum 16 maart 2017.
Op (...) 16 maart 2017 om 19:07:13 uur en 19:08:37 uur zijn vervolgens onderstaande foto’s van een mobiele telefoon gemaakt.
Foto 1
Foto 2
De man afgebeeld op foto 1 vertoont wat uiterlijk betreft opvallende overeenkomsten met [slachtoffer 1] (vorm van het linkeroor, vorm van de neus en ontbreken van haartjes in de linker wenkbrauw).
De man afgebeeld op foto 2 vertoont wat uiterlijk betreft sterke overeenkomsten met [slachtoffer 2] (vorm en stand van de oren, vorm van de bovenlip en vorm van de neus).
6.2.
De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 17 september 2020, (…)

O: In 2017 is er geprobeerd om jou en [betrokkene 1] te liquideren. Er zijn toen drie mensen aangehouden in de buurt van de woning van [betrokkene 2] met automatische wapens en handvuurwapens.

(…)
V: Naar welke sportschool gingen jullie?
A: [A] vlak bij [betrokkene 2] haar huis op loopafstand.
(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2019, (…)

Betreft: Gesprek met [slachtoffer 2]

Op de vraag of [slachtoffer 2] in 2017 wel eens aan de Sijpenstein kwam verklaarde hij dat hij [betrokkene 3] in 2017 altijd bij deze woning aan de Sijpestein kwam ophalen met een auto.
(…)

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 17 september 2020, (…)

V: Naar welke sportschool gingen jullie?
A: [A] vlak bij [betrokkene 2] haar huis. Ietsje verderop.
(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2019, (…)

Eerder op die vrijdag 17 maart 2017 omstreeks 14.45 uur waren de eerdergenoemde aangehouden verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] door collega's van de eenheid politie [plaats] waargenomen op de [c-straat ] te [plaats] ter hoogte van een viskraam. Enige tijd later zagen de collega ’s dat de aangehouden verdachte [medeverdachte 3] zich bij [verdachte] en [medeverdachte 2] voegde. Opvallend tijdens hun verblijf aldaar was dat de verdachte [verdachte] op een gegeven moment ongeveer 15 meter van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ging staan waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] volop met elkaar in gesprek gingen. Gelijktijdig zag één van de collega's dat de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tijdens hun gesprek regelmatig naar een bloemenkiosk keken. Deze bloemenkiosk is aan de overzijde van de viskraam gelegen op de kruising [c-straat ] met de [d-straat] te [plaats] . Eveneens opvallend is dat in het verlengde van de bloemenkiosk de sportschool [A] aan de [d-straat] te [plaats] is gelegen. Deze sportschool wordt genoemd in één van de eerdergenoemde chatgesprekken als zijnde de sportschool waar de beoogde slachtoffer(s) zou(den) trainen. Vanaf de [c-straat ] waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ongeveer gestaan hebben is via de achterzijde van de bloemenkiosk de voorzijde van het gebouw, waarin de sportschool is gelegen, te zien.”

23. Het hof heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde verder onder meer het volgende overwogen:

“6.3.4. ARFORD

Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

6.3.4.1. De aangetroffen chats

Op 16 maart 2017 vindt er vanaf ongeveer 16.41 uur een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [bijnaam 2] ’, veredeld als [medeverdachte 1] , en ‘ [bijnaam 1] ’, veredeld als [betrokkene 4] . [betrokkene 4] stuurt een foto en zegt “die 2” en geeft als adres [a-straat 1] . Op een harde schijf die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen staan twee foto’s die op 16 maart 2017 om 19.07 uur en 19.08 uur van een mobiele telefoon zijn gemaakt. Via het genoemde adres komt de politie uit bij [slachtoffer 1] , mede omdat zijn vriendin en hun kind op dat adres woonden.
[slachtoffer 1] herkent zichzelf op een van de door [betrokkene 4] gestuurde foto’s. Zijn vriend [slachtoffer 2] herkent zichzelf van de andere foto. [betrokkene 4] geeft [medeverdachte 1] nog de volgende informatie: “vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje 2 a 3 jaar
”, “niet in die straat staan want hij ziet alles als hij thuis is
”, “rijdt meestal vanaf de [d-straat] de [g-straat] in na [h-straat] , dan verder na [a-straat] , komt vanaf de [c-straat ] meestal!
”, “hij woont op 3 hoog witte luxa flex daar kan hij heel stiekem door kijken zonder dat je het door hebt bro
”, “hij gaat meestal via die deur rechts als je in de straat komt rijden soort brandtrapje niet bij de hoofdingang
”, “hij traint ook bij die [A] bij [d-straat] is 3 min lopen van z’n huis!
”, “z’n vrouw werkt tot 3 uur
” en “weet ook waar ze eten in [stadswijk 1] , tussen 5 en 7 uur
”. [slachtoffer 1] herkent zichzelf in deze informatie als de persoon om wie het gaat.
Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] geeft aan dat er maar één persoon is die over al deze informatie beschikt. Het gaat om een persoon met wie zij tot voorheen dagelijks samen waren en die zij ‘ [betrokkene 5] ’ noemen. [slachtoffer 1] wijst [betrokkene 4] op een foto aan als de persoon die hij kent als die ‘ [betrokkene 5] ’.
[betrokkene 4] laat aan [medeverdachte 1] weten dat de prijs voor de twee mannen “140 allebei op snelheid 160
” is. [medeverdachte 1] mag deze personen ook een “drive by geven
”. Volgens [betrokkene 4] stapt “hij uit voor zijn deur
”, dan moet [medeverdachte 1] “hem pakken
”. Als ze “met z’n 3tjes zijn ook
”, dan “Pak je ze alle 3
”. [medeverdachte 1] mag hem ook pakken “als hij naar huis loopt van gym
”. [betrokkene 4] tipt nog dat ze “in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan, zie je iedereen erin of eruit rijden
”.
Het hof stelt op basis hiervan vast dat [betrokkene 4] via de chat een opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitzet, daarover inlichtingen aan [medeverdachte 1] verschaft en er een prijs van € 140.000,- of € 160.000,- tegenover zet.
Later in het chatgesprek laat [betrokkene 4] aan [medeverdachte 1] weten dat het als het “vandaag niks is dan morgen op scherp
” en dat “deze binnen nu en paar dagen max klaar moet zijn
”. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij het “morgen 200% doet
”, “als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog
”. Hij “laat ze morgen hele dag daar zijn
”. Ook noemt [medeverdachte 1] dat ze in een bus kunnen om te ‘timeren’ (observeren) en heeft hij het over een Clio.

6.3.4.2. De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen

Op 17 maart 2017 omstreeks 15.45 uur werden [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de ingang van [e-straat] aan de [c-straat ] tegenover de [A] aan de [d-straat] aangetroffen. Eerst enige tijd [medeverdachte 2] en [verdachte] en daarna ook [medeverdachte 3] hielden zich daar op en waren met elkaar aan het praten. Daarbij keken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geregeld in de richting van de bloemenkiosk, met in het verlengde daarvan zichtbaar de [A] aan de [d-straat] . Op een gegeven moment liepen zij naar een parkeerplaats en reden zij weg in een gestolen Renault Clio met valse kentekenplaten. De politie heeft hen vervolgens gecontroleerd en daarna aangehouden.
Tijdens de fouillering van [verdachte] werd een sleutel aangetroffen van een gestolen Volkswagen Caddy met valse kentekenplaten, die naast de Renault Clio op de parkeerplaats stond. Een Volkswagen Caddy is een bestelauto. In deze bestelauto bevonden zich meerdere wapens: twee automatische aanvalsgeweren (waarvan één met ontbrekende onderdelen) en twee pistolen, een geluidsdemper die op een van de pistolen paste en munitie voor de aanvalsgeweren en de pistolen. Daarnaast bevonden zich in de bestelauto een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine. Die omstandigheden hebben alle kenmerken van een voorgenomen liquidatie waarbij de vluchtauto in brand wordt gestoken om eventuele sporen te vernietigen en de opsporing van de daders te bemoeilijken. Op een deel van de goederen is het DNA van [verdachte] en [medeverdachte 2] aangetroffen. Ook werd er een tv in de bestelbus aangetroffen. Daarop zat een handafdruk van [medeverdachte 3] . De kroongetuige heeft verklaard dat leden van [motorclub] wapens in tv’s verstopten. Ook [medeverdachte 3] heeft dat verklaard. Hij heeft in dat verband ook verklaard dat hij zelf wapens inbouwde.
Tijdens de fouillering van [medeverdachte 2] is een PGP-toestel aangetroffen. Uit de uitgelezen data van dit toestel blijkt dat er op 17 maart 2017 164 berichten zijn gewisseld met een PGPaccount van [medeverdachte 1] . Er zijn ook vlak voor de aanhouding nog berichten gewisseld met dat account.
Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 bezig waren met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat zij daarbij in nauw contact stonden met [medeverdachte 1] , die de opdracht tot het liquideren van deze personen eerder van [betrokkene 4] had aangenomen. In dit verband is ook van belang dat de plek waar [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn aangetroffen precies de locatie is die [betrokkene 4] in de chat met [medeverdachte 1] noemt als de plek waar hij moet staan. Dat maakt ook andere aangevoerde scenario’s, waaronder de overdracht van wapens na een filmopname, onaannemelijk.
(…)

6.3.4.4. De rol van [medeverdachte 1]

(…)
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] de opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft aangenomen via [betrokkene 4] . Hij heeft met [betrokkene 4] besproken hoe en waar deze liquidatie het beste kon plaatsvinden. Hij heeft de opdracht vervolgens uitgezet bij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Daarbij heeft [medeverdachte 1] via een PGP-telefoon contact onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd.
(…)

6.3.4.7. De rol van [verdachte]

Aan [verdachte] is primair het medeplegen van een poging tot moord ten laste gelegd. Van een strafbare poging is pas sprake als er een begin is gemaakt met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Daarvoor is vereist dat er een handeling is verricht die direct was gericht op de voltooiing van het delict. Op het moment dat [verdachte] samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] werd aangehouden, was van een dergelijke handeling nog geen sprake. Dit betekent dat geen sprake is van een strafbare poging. [verdachte] wordt daarom vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [verdachte] bezig was met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij was samen met [medeverdachte 2] en - na enige tijd - ook met [medeverdachte 3] aanwezig op de door [medeverdachte 1] besproken plek. Ze hadden op dat moment de beschikking over gestolen voertuigen met valse kentekenplaten en vuurwapens met bijbehorende munitie. In de Volkswagen Caddy waren ook plastic flessen en een jerrycan met benzine voorhanden, die kunnen worden gebruikt om een vluchtauto in brand te steken.
[verdachte] heeft verklaard dat hem is gevraagd of hij de auto waarin later de wapens zijn aangetroffen naar [plaats] wilde rijden en op een parkeerplaats bij [e-straat] [het hof begrijpt: [f-straat]
] wilde neerzetten. Vervolgens moest hij richting de ingang van het park lopen waar iemand de sleutel zou komen ophalen. [verdachte] wist naar eigen zeggen niet waarom hij de auto daar moest neerzetten en dacht dat dit mogelijk te maken had met opnames voor een pilotfilm.
Het hof volgt [verdachte] hierin niet. De gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP-berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ laten geen andere conclusie toe dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden. In de chats tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] over de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt gezegd dat het “200%
” de bedoeling was dat het 17 maart 2017 zou gebeuren en dat [medeverdachte 1] ze daar de hele dag zou laten staan. Daarnaast waren alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig en stonden in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact met [medeverdachte 1] . Het hof betrekt hierbij ook nog dat [verdachte] , zoals is vastgesteld in het zaaksdossier Barbera , zich kort daarvoor samen met - onder meer - [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan het voorbereiden van eveneens een liquidatie.
Dat de aangetroffen wapens mogelijk ook voor een ander misdadig doel gebruikt hadden kunnen worden dan een liquidatie is, gelet op al het voorgaande, evenmin aannemelijk geworden. Het hof overweegt in dit licht nog dat op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk geworden om wat voor ander misdadig doel het dan wel zou gaan. Tot slot geldt ook dat niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm [naar het hof begrijpt die van [medeverdachte 1] ], alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] .
Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorbereiden van moord met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , met dien verstande dat hij wordt vrijgesproken van de in de tenlastelegging genoemde PGP-telefoons. Omdat niet is komen vast te staan dat deze PGP-telefoons bestemd waren tot het begaan van het misdrijf - de uitvoering van de voorgenomen liquidatie(s) - is niet voldaan aan het vereiste dat het object waarop een in artikel 46 van Pro het Wetboek van Strafrecht genoemde gedraging betrekking heeft, is bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (zie HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198).”

De bespreking van het tweede middel

24. Het middel berust op het uitgangspunt dat de bewijsvoering hoogstens grond biedt voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen gericht op de moord op [slachtoffer 1] omdat de locatie waar de verdachte op 17 maart 2017 aanwezig was immers de plek was waar slechts één van de beoogde slachtoffers kon komen en waar de liquidatie (enkelvoud) uitgevoerd kon worden. Voor zover al uit de omstandigheid dat [medeverdachte 1] op 16 maart 2017 ook de moord op [slachtoffer 2] heeft aangenomen en dat hij heeft aangegeven dat hij het “
morgen 200% doet” zou kunnen worden afgeleid dat het de bedoeling was om ook [slachtoffer 2] op 17 maart 2017 om het leven te laten brengen, kan hieruit niet worden afgeleid dat de opdracht hiertoe bij de verdachte en zijn medeverdachten was uitgezet en dat de voorhanden auto’s en wapens mede bestemd waren voor het plegen van de moord op [slachtoffer 2] .
25. Hoewel het hof ten aanzien van de rol van [medeverdachte 1] heeft overwogen dat “
via een PGP-telefoon contact (heeft) onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd”blijkt uit de weergegeven bewijsvoering dat niet alleen [slachtoffer 1] kon komen op de plek waar de verdachte en zijn medeverdachten op 17 maart 2017 aanwezig zijn geweest, maar dat ook [slachtoffer 2] daar aanwezig kon zijn. Immers gingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (soms) samen naar de sportschool [A] aan de [d-straat] . Dit is ook door [betrokkene 4] aan [medeverdachte 1] doorgegeven. Op grond van deze vaststellingen heeft het hof kennelijk geoordeeld dat het voorhanden hebben van de vuurwapens en auto’s op 16 en 17 maart 2017 door de verdachte en zijn medeverdachten, gezien hun kennelijke focus op die sportschool, ook voorbereidingshandelingen opleverden die strekten tot de moord op [slachtoffer 2] . Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
26. Het tweede middel faalt.

Het derde middel

27. Het derde middel komt met vier deelklachten op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [betrokkene 7] ( deelonderzoek Barbera ). In het bijzonder wordt het volgende aangevochten:
(a) de vaststelling dat
" [kroongetuige] heeft verklaard dat [verdachte] (veredeld als [verdachte] ), [betrokkene 8] (veredeld als [medeverdachte 2] ) en [betrokkene 9] (veredeld als [medeverdachte 3] ) de beoogde uitvoerders waren"en dat
"[d]e liquidatie [...] niet [is] doorgegaan omdat de uitvoerders te laat waren door de schuld van [verdachte] ( [verdachte] )";
(b) het oordeel dat de verklaring van de verdachte de verklaring van de kroongetuige bevestigt;
(c) de vaststelling dat een bestelbus voorwerp is geweest van de voorbereiding van de liquidatie van [betrokkene 7] en dat het de verdachte is geweest die de bestelbus als één van de ‘heads’ (uitvoerders) voorhanden heeft gehad met het oog op die liquidatie;
(d) het gebrek aan een (toereikende) respons op het alternatieve scenario over het verblijf van de verdachte in [plaats] op 9 maart 2017 en in [plaats] op 10 maart 2017.

De bewezenverklaring en bewijsvoering inzake deelonderzoek Barbera

28. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

in de periode van 7 maart 2017 tot en met 9 maart 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op die man uit [plaats] ( [betrokkene 7] ) (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht oplevert), opzettelijk een vervoermiddel, te weten
- een bestelbus
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;”
29. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [betrokkene 7] , doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest, [5] waarvan in het bijzonder de volgende:

5.1. De chatberichten en telecomgegevens van 4 maart 2017 tot en met 12 april 2017
(…)

Proces-verbaal van bevindingen van 7 juni 2020, (…)

Naar aanleiding van de aangetroffen PGP-chatberichten van 9 maart 2017 zijn de historische verkeersgegevens telefonie van de volgende verdachten geanalyseerd en is er een schema van contacten tussen 4 en 10 maart 2017 opgenomen. De PGP-berichten en de andere telefonische contacten worden hieronder chronologisch weergegeven.

9.maart 2017

Tijdstip
Afzender
Manier
Ontvanger
Bericht
0.22
[medeverdachte 2] (0852)
voicebericht
[verdachte] (3742)
Hé ben je er al? Gozer zeg me als ie er bent.
0.4
[medeverdachte 2] (0852)
voicebericht
[verdachte] (3742)
Hé broer heb ik je die sleutel ook gegeven? Die sleutel?
1.26
[verdachte] (3742)
Appt
[medeverdachte 2] (0852)
G i have the key
1.26
[verdachte] (3742)
voicebericht
[medeverdachte 2] (0852)
Hé broer ik kijk nu pas op mijn telefoon.
Ik was al langer dan een uur geleden in [plaats] . ja toch. Die sleutels heb ik... alles... ja toch.
Ik ben thuis.
Ik spreek je, ja toch.
Hood night.
(…)
8.5
[medeverdachte 2] (0852)
Appt
[verdachte] (3742)
Als er gevraagd word I got the key
(…)
10.38
[medeverdachte 2] (0852)
Voicebericht
[verdachte] (3742)
Hé G, je kan gewoon voor parkeren, weetje.
Mij appen als je er bent, gewoon daar bij die eh. ..
Nee... gewoon parkeren en naar me toekomen. Even naar me toekomen
(…)
20.42
[medeverdachte 1] (1974)
belt
[medeverdachte 2] (0852)
WhatsApp call 32 sec
(…)
20.43
[medeverdachte 1] (1974)
belt
[medeverdachte 2] (0852)
WhatsApp call 45 sec
(…)
20.49
[medeverdachte 1] (1974)
belt
[medeverdachte 2] (0852)
WhatsApp call 0 sec
20.52
[medeverdachte 1] (1974)
belt
[medeverdachte 2] (0852)
WhatsApp call 2.11 min
(…)
20.54
[bijnaam 2]
PGP
[bijnaam 3]
Veel popo
20.55
[bijnaam 2]
PGP
[bijnaam 3]
Broer ze rijden heen en weer
(…)
20.55
[bijnaam 2]
PGP
[bijnaam 3]
Reden langzaam bij bus net
(…)
21
[bijnaam 2]
PGP
[bijnaam 3] .
Ze kunnen niet te lang meer staan broer. Scotoe is a twee x Iangsgereden pfffff
(…)
21
[medeverdachte 1] (1974)
belt
[medeverdachte 2] (0852)
WhatsApp call 0 sec
(…)
21.01
[medeverdachte 1] (1974)
belt
[medeverdachte 2] (0852)
WhatsApp call 0 sec
(…)
21.08
[bijnaam 3] .
PGP
[bijnaam 2]
(…)
Stuur is foto van ingang van café
(…)
21.09
[bijnaam 2]
PGP
[bijnaam 3] .
Ze zitten ervoor in bus bradda
(…)
21.1
[medeverdachte 1] (1974)
belt
[medeverdachte 2] (0852)
WhatsApp call 0 sec
(…)
21.14
[medeverdachte 2] (8552)[het hof begrijpt: 0852]
belt
[medeverdachte 1] (1974)
WhatsApp call 0 sec
(…)
21.17
[medeverdachte 1] (1974)
belt
[medeverdachte 2] (0852)
WhatsApp call 2.02 min
(…)
21.18
Vriendin [medeverdachte 2] (5502)
belt
[medeverdachte 2] (3582)
Basisstation: [j-straat 1] [plaats]
6 sec
(…)
Op 10 maart 2017 te 01.27 uur maakte [verdachte] gebruik van het basisstation [k-straat 1] te [plaats] .
Het basisstation [k-straat 1] te [plaats] bevindt zich nabij het verblijfadres van [medeverdachte 1] , [l-straat 1] te [plaats] .
(…)
5.4.
De bestelbus in bezit van [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017

Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 8 maart 2017, (…)

Plaats delict : [plaats]
Pleegdatum/tijd : Tussen dinsdag 7 maart 2017 te 23.00 uur en woensdag 8 maart 2017 te 06.45 uur
Op 8 maart 2017 (...) deed bij mij, verbalisant, telefonisch aangifte, een persoon die mij opgaf te zijn:
Achternaam : [aangever]
Voornamen : [aangever]
Hij deed aangifte en verklaarde het volgende (...):
Ik ben eigenaar van een bedrijfsauto van het merk Volkswagen, type Caddy, (...) zilver van kleur, voorzien van [kenteken 3] .
Op dinsdag 7 maart 2017 omstreeks 23:00 uur heb ik de bedrijfsauto geparkeerd (...) te [plaats] op een openbare weg.
Toen ik op woensdag 8 maart 2017 omstreeks 06:45 uur de bedrijfsauto weer in gebruik wilde nemen zag ik dat deze door onbekende(n) was weggnomen.

Bijlage goederen

Voertuig : Bestelauto
Merk/type : Volkswagen Caddy
Kleur : Zilverkleurig
Chassisnummer : […]

Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 3017, (…)

Op 17 maart 2017 (...) bevonden wij, verbalisanten, ons (...) te [plaats] .

Omstreeks 15.45 uur hoorden wij, verbalisanten, dat er drie personen op [f-straat] in een zwarte Renault Clio zijn gestapt en wegreden in de richting van de [c-straat ] .
Wij hebben het voertuig (...) een stopteken gegeven.
Ik (...) maakte contact met de bestuurder [medeverdachte 3] .
Ik (...) trok middels mijn diensttelefoon de persoonsgegeven van [medeverdachte 3] (...) na (…).
De bijrijder bleek als volgt te zijn genaamd:
[verdachte] .
De persoon welke achter de bijrijder zat bleek als volgt te zijn genaamd:
[medeverdachte 2] .
(…)
Tijdens de insluitingsfouillering van [verdachte] trof ik (...) een autosleutel van het merk Volkswagen aan.

Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2017, (…)

Ik, verbalisant, had op 17 maart 2017 (...) een onderzoek ingesteld op een parkeerplaats aan [f-straat] te [plaats] .

Wel zag ik een grijze Volkswagen Caddy met [kenteken 4] achteruit ingeparkeerd staan (...). Dit voertuig stond geparkeerd naast het voertuig met [kenteken 2] , waar de drie verdachten eerder in weggereden waren.
Op 17 maart 2017 (...) hoorde ik (...) dat er tijdens de veiligheidsfouillering van verdachte [verdachte] een Volkswagen sleutel aangetroffen was.
Ik (...) legde meteen de link aan de Volkswagen Caddy met [kenteken 4] , welke geparkeerd stond op het parkeerterrein [f-straat] . Ik ben onmiddellijk (...) naar het parkeerterrein [f-straat] gereden.
Ik zag dat het voertuig reageerde op het indrukken van de sleutelknop.
Ter plaatse heeft collega (...) het chassisnummer […] van de genoemde Volkswagen Caddy, welke zichtbaar was vanuit de voorruit, gecontroleerd (…).

Proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2017, (…)

Op 22 maart 2017 heb ik, verbalisant, (...) een onderzoek verricht aan het hierna genoemde inbeslaggenomen voertuig.

Merk/type: Volkswagen Caddy
Chassisnummer: […]
Ik (...) zag dat het voertuig was voorzien van een geïntegreerd multimedia- en navigatiesysteem (...). Ik zag dat in het navigatiesysteem ingevoerde bestemmingen waren opgeslagen en dat het mogelijk was om door deze lijst te scrollen/bladeren.
De lijst met ingevoerde bestemmingen is bijgevoegd aan dit proces-verbaal als ‘bijlage 1’. De laatst ingevoerde bestemming staat in deze lijst bovenaan.

Bijlage 1

Ingevoerde bestemmingen uit het navigatiesysteem (...)

NEDERLAND
[plaats]
[m-straat]

Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 29 maart 2017, (…)

Op 29 maart 2017 (...) verscheen voor mij, verbalisant, (...) een persoon die mij opgaf te zijn:

Achternaam : [aangever]
Voornamen : [aangever]
Hij deed aangifte en verklaarde het volgende (...):
Mijn bedrijfsauto voorzien van [kenteken 3] was op 8 maart 2017 gestolen en is door u teruggevonden.
U laat mij twee lijsten zien met hierop ingevoerde bestemming van het navigatiesysteem van mijn auto. Eigenlijk kan ik mij op de eerste lijst alleen de eerste bestemming [m-straat] in [plaats] niet herinneren. De andere heb ik ingevoerd.

Proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2018, (…)

Café [B] is gevestigd aan de [m-straat 1] te [plaats] .

Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 15 januari 2018, (…)

A: Van [betrokkene 10][het hof begrijpt: [betrokkene 10] ]
heb ik gehoord dat hij foto’s moest maken van café [C] of [B] aan de [m-straat] te [plaats] .
A: Ik heb er toen lange tijd niets over gehoord. Daarna heb ik [medeverdachte 1] een keer gevraagd waarom [betrokkene 10] foto’s moest maken. [medeverdachte 1] zei dat ze iemand gelokt hadden daarheen voor een liquidatie. Dat was mis gegaan. De mensen van [medeverdachte 1] waren te laat gekomen. Daarna had [betrokkene 10] foto’s gemaakt en die hadden ze gebruikt om aan te tonen dat het slachtoffer niet was komen opdagen.
Later ben ik vast komen te zitten in [plaats] en toen kwam ik [betrokkene 11] tegen. Hij beaamde mij toen dat ze een liquidatie moesten doen (...) en dat ze te laat waren gekomen door zijn schuld. [betrokkene 11] was toen met [betrokkene 8] en [betrokkene 9] .

Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 7 mei 2019, (…)

V: Wat legde [medeverdachte 1] jou dan uit?
A: Ja, toentertijd hadden wij een gesprek, ik weet niet meer precies, toen vertelde hij mij, dat er een liquidatie moest plaatsvinden.
V: Moest die nog plaatsvinden?
A: Ja, daar zou op dat moment een liquidatie moeten plaatsvinden, alleen die jongens waren laat. Maar eigenlijk is de liquidatie niet doorgegaan, wat ik dan begrepen heb, vanuit meerdere mensen uiteindelijk, is dat ze gewoon te laat waren.
V: Want jij zegt, daar heb ik naar gevraagd bij hem?
A: Ja, daar heb ik het met hem over gehad. En ik heb het ook van ehh... ja... hoe heet hij nou... van [verdachte] . .. [verdachte] heb ik ook nog een keer gesproken in detentietijd en die vertelde mij, dat ze te laat waren door hém. En dat daardoor die liquidatie niet plaatsgevonden had.
V: Hoe reageerde [medeverdachte 1] daarop?
A: (...) en toen heeft hij mij verteld, van exact... er was een liquidatie bezig, alleen die jongens waren te laat en er waren al wat foutjes gemaakt, zei-die, met vorige acties, waar ze mee bezig waren, dus hij zegt, het kwam niet sterk over, dus we moesten laten zien, dat we er waren en dus heb ik het verhaal gedraaid, dat die persoon zeg maar, niet op is komen dagen, maar eigenlijk waren ze gewoon te laat.
V: Wie waren te laat?
A: Nou ja, hij heeft mij nooit verteld wie... alleen ik heb zelf van [verdachte] begrepen, dat hij te laat was, dat het door hém kwam. En wat ik van hem begrepen heb, was dat met [betrokkene 9] en [betrokkene 8] .
V: En dat heb je weer van [verdachte] ?
A: Dat heb ik van [verdachte] ja.
Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2021, waarin is opgenomen als verklaring van verdachte [verdachte] :
De oudste rechterbevraagt verdachte [verdachte] (…).
Heeft u ooit met de kroongetuige gesproken over dat u te laat was in [plaats] ?
Ja, dat was bij het eerste gesprek met [kroongetuige] in de PI.
Hoe ging dat gesprek?
Hij begon ermee van heb je het gehoord of gezien. Ik weet niet precies hoe hij dat heeft benoemd, maar over die moord op de [bijnaam 4] in het café. Ik zei daar weer terug op, waar heb je het over, welke [bijnaam 4] , wie, wat. Hij zei tegen mij, doe nou niet alsof je het niet weet, ik heb het al gehoord jongen, jij was toch degene die daar te laat was. En ik zei toen tegen hem, ja, [betrokkene 12] ik was degene die te laat was.
30. Het hof heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde verder onder meer het volgende overwogen:

“6.3.3. BARBERA

Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.
Anders dan de rechtbank laat het hof bij dit deelonderzoek de verklaringen van [kroongetuige] niet volledig buiten beschouwing. Het hof zal echter uitsluitend die onderdelen uit de verklaringen van [kroongetuige] voor het bewijs gebruiken die in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
[kroongetuige] is niet zelf betrokken geweest bij dit misdrijf en heeft zijn wetenschap daarvan alleen van horen zeggen. Ook blijkt [kroongetuige] niet van alles volledig en juist op de hoogte te zijn. Zo geeft hij in zijn verklaringen aan dat het beoogde doelwit “De [bijnaam 4]
” was, met wie het latere [slachtoffer 3] (onderzoek Lis ) wordt bedoeld, terwijl het in deze zaak (zoals hierna wordt besproken) gaat om [betrokkene 7] als het beoogde slachtoffer. Dat [kroongetuige] zich op sommige onderdelen vergist of dingen door elkaar haalt, doet echter zonder meer niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen op andere onderdelen.

6.3.3.1. Het uitlokken van een liquidatie

Op 5 maart 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [bijnaam 2] ’, veredeld als [medeverdachte 1] , en het account ‘ [bijnaam 3] ’, veredeld als [betrokkene 13] . [betrokkene 13] vraagt aan [medeverdachte 1] of “ze die man in [plaats] willen doen
”. [medeverdachte 1] antwoordt hierop bevestigend. [betrokkene 13] geeft [medeverdachte 1] te kennen dat hij het gaat opzetten. [medeverdachte 1] laat aan [betrokkene 13] weten dat ze klaarstaan. Het hof stelt op basis van dit chatgesprek vast dat ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 3] ’ bezig zijn geweest met een voorgenomen liquidatie, waarvan het beoogde slachtoffer “die man in [plaats]
” was. Het hof gaat er, zoals hierna nog wordt overwogen, van uit dat het hierbij gaat om [betrokkene 7] . De liquidatie heeft niet plaatsgevonden.
Op 9 maart 2017 vanaf 21.42 uur neemt ‘ [bijnaam 1] ’, veredeld als [betrokkene 4] , [betrokkene 13] aan het PGPchatgesprek, op het moment dat duidelijk is dat de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 7] is mislukt. Het hof leidt uit de inhoud van deze en daarna gevoerde chats af dat [betrokkene 4] samen met [betrokkene 13] de opdracht heeft gegeven tot de liquidatie van [betrokkene 7] .
Allereerst blijkt uit het chatgesprek dat op 9 maart 2017 vanaf 21.42 uur wordt gevoerd dat [betrokkene 4] op de hoogte is van de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 7] . [betrokkene 4] zegt tegen [medeverdachte 1] dat het niet mis mag gaan. [medeverdachte 1] antwoordt hierop dat [betrokkene 4] “[bijnaam 3]
” het moet laten uitleggen. [medeverdachte 1] stuurt vervolgens naar [betrokkene 13] dat hij het “[bijnaam 1]
” moet uitleggen. [medeverdachte 1] laat nog wel aan [betrokkene 4] weten dat hij vindt dat de “[bijnaam 5]
” het niet goed heeft gedaan en hij vraagt zich af hoe dat kan terwijl “jullie
” hem betalen. [medeverdachte 1] geeft vervolgens aan naar de “heads
” te gaan om ze te bedaren.
Een paar uur na de mislukte liquidatie vraagt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 13] wat hij de “heads
” kan zeggen. [betrokkene 13] antwoordt hierop dat er morgen wat “pap
” [het hof begrijpt: geld\ wordt gestuurd voor de moeite en dat [medeverdachte 1] dat dan kan delen. [medeverdachte 1] vindt dit goed. In de nacht van 10 op 11 maart 2017 vraagt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 4] wat het adres is. [betrokkene 4] antwoordt hierop: “[n-straat] kruising [o-straat] op de brug
”. [medeverdachte 1] zegt tegen [betrokkene 4] dat hij iemand stuurt en geeft dat adres vervolgens via WhatsApp aan [betrokkene 14] door. [betrokkene 4] vraagt aan [medeverdachte 1] of het klopt dat “[bijnaam 3]
” “35” heeft afgesproken. [medeverdachte 1] antwoordt hierop: “Ja ik zei voor jullie 21500. Geef ik heads de rest
”. [medeverdachte 1] laat aan [betrokkene 4] weten dat de persoon die hij heeft gestuurd er staat. [betrokkene 4] antwoordt om 00.25 uur dat hij het al heeft gegeven. [betrokkene 14] is die nacht om 00.05 uur door de politie op de [n-straat] in [plaats] gecontroleerd.
In hetzelfde gesprek vraagt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 4] of [betrokkene 4] het redelijk vindt. [betrokkene 4] antwoordt dat dit de eerste keer is en “die man heeft nog niet van je gehoord maar zodra er progres volgt zal je zien heb het je al eens verteld geef me 2 snel en je zal geen geld problemen hebben broer!
”. Vervolgens antwoordt [medeverdachte 1] : “Dank voor het gebaar mijn broer. We staan aan je zij. Sorry dat we je niet konden geven watje hoorde te krijgen, maar ik hoop dat er nog een kans volgt om deze voor u naar Satan te sturen.. gr mijn broer
”.
Uit een chatbericht tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] van 18 februari 2017 blijkt dat er voor een geslaagde liquidatie € 70.000,- aan [medeverdachte 1] wordt betaald door de organisatie waar [betrokkene 4] deel van uitmaakte. Uit het feit dat [medeverdachte 1] in het deelonderzoek Barbera geld krijgt voor de moeite, leidt het hof af dat [medeverdachte 1] ook voor de moord op het beoogde slachtoffer een geldbedrag in het vooruitzicht is gesteld.
Het hof leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [betrokkene 13] en [betrokkene 4] gezamenlijk [medeverdachte 1] hebben geprobeerd te bewegen tot het liquideren van het beoogde slachtoffer door [medeverdachte 1] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen. Uit wat het hof hierna overweegt over de uitvoering van de liquidatie, blijkt dat in het kader van de uitlokking ook aan [medeverdachte 1] is verteld waar het slachtoffer op het moment van de voorgenomen liquidatie zou zijn, dat het over een Marokkaanse man uit [plaats] gaat die [betrokkene 7] heet, dat hij lang en kaal is en dat hij in een Mazda rijdt.

6.3.3.2. Het beoogde slachtoffer

In de politiesystemen gaven de zoektermen ‘ [betrokkene 7] ’, ‘ [plaats] ’ en ‘Mazda’ een hit op [betrokkene 7] . [betrokkene 7] heeft van 24 januari 2017 tot en met 26 november 2018 een Mazda op naam gehad. In 2017 was hij kaal en hij is 1.80 m lang. [betrokkene 7] heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit en wordt in verband gebracht met de handel in harddrugs. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat [betrokkene 7] het doelwit van de beoogde liquidatie op 9 maart 2017 was. Dat [betrokkene 7] niet heeft verklaard of hij op 9 maart 2017 in [plaats] is geweest, doet daaraan niet af.

6.3.3.3. De plaats van de voorgenomen moord

Op 4 maart 2017 heeft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 15] gevraagd wat het adres is van café [B] en of dit café nog open is voor publiek. Café [B] was gelegen aan de [m-straat 1] in [plaats] . In dit café werden tot januari 2017 de clubbijeenkomsten van de afdeling [plaats] van [motorclub] gehouden.
In de avond van 9 maart 2017 heeft [medeverdachte 1] contact met [betrokkene 10] . Om 19.33 uur laat [betrokkene 10] aan [medeverdachte 1] weten dat hij thuis is op de [p-straat 1] in [plaats] en dat dat vlakbij het café is. [betrokkene 10] vraagt aan [medeverdachte 1] wat ze rijden en of hij thuis of bij het café moet wachten. [medeverdachte 1] antwoordt hierop dat [betrokkene 10] ze vanzelf ziet en dat hij thuis op ze moet wachten. Om 20.42 uur vraagt [betrokkene 10] aan [medeverdachte 1] of hij al wat weet. [medeverdachte 1] antwoordt hierop om 20.45 uur dat [betrokkene 10] moet wachten. Daarna zijn er tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 10] nog (al dan niet gemiste) telefoonoproepen waarvan de inhoud niet bekend is geworden.
Uit de hierna te bespreken chatberichten tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 13] blijkt dat het beoogde doelwit bij een café zou komen. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat het de bedoeling was dat [betrokkene 7] op de avond van 9 maart 2017 in of in de buurt van café [B] in [plaats] zou worden geliquideerd.

6.3.3.4. De voorbereidingshandelingen voor de (mislukte) liquidatie

(…)

6.3.3.4.2. Beoogde uitvoerders van de moord en gebruik bestelbus

Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [medeverdachte 1] ten tijde van het ter plaatse komen van het doelwit en het hierover chatten met [betrokkene 13] voornamelijk telefonisch contact had of probeerde te hebben met [medeverdachte 2] . Dit is het geval om 20.42 uur, 20.43 uur, 20.49 uur, 20.52 uur, 21.01 uur, 21.10 uur, 21.14 uur en 21.17 uur. Om 21.18 uur straalde een toestel van [medeverdachte 2] aan op de mast [j-straat 1] in [plaats] .

In het chatgesprek van 9 maart 2017 stuurt [betrokkene 13] om 21.08 uur: “Stuur is foto van ingang van cafe
”. [medeverdachte 1] antwoordt met “Ze zitten ervoor in bus
”. Op 17 maart 2017, acht dagen na het moment van deze mislukte liquidatie, worden [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] aangehouden. [verdachte] heeft dan een sleutel van een Volkswagen Caddy, een bestelbus, bij zich. Deze auto is in de nacht van 7 op 8 maart 2017, twee dagen vóór de mislukte liquidatie van [betrokkene 7] , in [plaats] gestolen. In het geïntegreerde navigatiesysteem van deze Volkswagen Caddy stond het adres [m-straat] in [plaats] als de laatst ingevoerde bestemming. De eigenaar heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij dit adres heeft ingevoerd. De andere in het navigatiesysteem aangetroffen bestemmingen heeft hij (wel) ingevoerd.
In de nacht van 8 op 9 maart 2017 hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] whatsappcontact met elkaar. Het gaat erover of [medeverdachte 2] een sleutel aan [verdachte] heeft gegeven. [verdachte] geeft aan de sleutel te hebben. [medeverdachte 2] noemt nog dat als [verdachte] ernaar wordt gevraagd, hij moet zeggen dat [medeverdachte 2] de sleutel heeft. Over de inhoud van deze berichten hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] geen aannemelijke verklaring afgelegd. Gelet op alle overige feiten en omstandigheden in dit dossier, in onderlinge samenhang bezien, gaat het hof er daarom van uit dat het hier gaat om de sleutel van de Volkswagen Caddy.
Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] in de ochtend met elkaar hebben afgesproken. [verdachte] appt om 10.09 uur naar [medeverdachte 2] dat hij nu de deur uit is. Om 10.38 uur laat [medeverdachte 2] aan [verdachte] weten dat [verdachte] “gewoon voor kan parkeren
” en dat hij dan naar [medeverdachte 2] toe moet komen. Om 18.35 uur straalt een toestel van [verdachte] aan op de mast [j-straat 1] in [plaats] . Zoals al gezegd, straalt een telefoon van [medeverdachte 2] kort na het moment van de beoogde liquidatie ook op deze mast aan. Op 10 maart 2017 om 01.27 uur straalde een telefoon van [verdachte] aan op de mast [k-straat 1] in [plaats] . Deze mast bevindt zich in de nabije omgeving van de woning van [medeverdachte 1] aan de [l-straat 1] in [plaats] . Nu niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 2] en [verdachte] een ander adres hebben bezocht, gaat het hof ervan uit dat zij toen in [plaats] een ontmoeting met [medeverdachte 1] hebben gehad.
Uit de telecomgegevens die zich in het dossier bevinden blijkt niet dat [medeverdachte 2] en [verdachte] zich op de avond van 9 maart 2017 op enig moment in de nabijheid van café [B] hebben bevonden. De raadslieden van [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben gesteld dat dit tot vrijspraak zou moeten [plaats] . In dat verband hebben zij aangevoerd dat [verdachte] en [medeverdachte 2] ook op andere avonden in maart 2017 in [plaats] waren waarbij hun telefoons de zendmast aan de [j-straat 1] aanstraalden. Uit het enkele feit dat zij ook op de avond van 9 maart 2017 in [plaats] waren, kan dus geen betrokkenheid bij het tenlastegelegde worden afgeleid, aldus de verdediging.
Het hof acht op basis van de telecomgegevens van (het tijdstip van) de contacten tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , de feiten en omstandigheden met betrekking tot de Volkswagen Caddy en het gegeven dat [medeverdachte 2] en [verdachte] op 9 maart 2017 na de mislukte liquidatie samen naar [medeverdachte 1] zijn gereden, in samenhang met het feit dat zij die avond in [plaats] waren, wettig en overtuigend bewezen dat zij betrokken waren bij de uitvoering van het plan om [betrokkene 7] van het leven te beroven. Dat zij op andere avonden in die periode ook in [plaats] waren en dat niet blijkt dat hun telefoons zich in de directe nabijheid van café [B] hebben bevonden, staat een bewezenverklaring niet in de weg. Die gegevens sluiten niet uit dat de liquidatie niet is doorgegaan omdat de beoogde schutters niet op tijd ter plaatse – bij café [B] – waren.
Het hof gaat ervan uit dat [medeverdachte 2] en [verdachte] de beoogde schutters voor de liquidatie van [betrokkene 7] waren en dat zij de genoemde bestelbus voorhanden hebben gehad om te gebruiken bij de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 7] . Het hof heeft daarbij gelet op het gegeven dat [medeverdachte 1] op het moment van de beoogde liquidatie veelvuldig chatcontact had met [betrokkene 13] en later ook met [betrokkene 4] over de uitvoering van de liquidatie en dat [medeverdachte 1] op datzelfde moment met zijn normale telefoontoestel continu contact zocht of heeft gehad met [medeverdachte 2] .
Het hof gebruikt in dit verband ook de verklaring van [kroongetuige] voor het bewijs. [kroongetuige] heeft op verschillende momenten zowel bij de politie als op de zitting verklaard dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord over een liquidatie die is voorbereid. [kroongetuige] heeft verklaard dat [verdachte] (veredeld als [verdachte] ), [betrokkene 8] (veredeld als [medeverdachte 2] ) en [betrokkene 9] (veredeld als [medeverdachte 3] ) de beoogde uitvoerders waren. De liquidatie is niet doorgegaan omdat de uitvoerders te laat waren door de schuld van [verdachte] ( [verdachte] ). Ook [verdachte] zou tegen hem hebben gezegd dat er een liquidatie mislukt was omdat ze te laat waren. Dat gesprek zou hebben plaatsgevonden in de PI. Dat een dergelijk gesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, vindt steun in de verklaring van [verdachte] . [verdachte] heeft bevestigd dat [kroongetuige] en hij elkaar in de PI ( [plaats] ) hebben gesproken en dat het erover ging dat [verdachte] te laat was. [verdachte] heeft dat tegenover [kroongetuige] bevestigd. Dat hij dat alleen sarcastisch zou hebben bedoeld omdat hij het gesprek wilde afkappen om ervan af te zijn, acht het hof in het licht van de overige bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden. Dat, aldus zowel [kroongetuige] als [verdachte] , [kroongetuige] het tijdens dit gesprek over ‘een [bijnaam 4] ’ had, maakt ook niet dat de verklaring van [kroongetuige] op dit punt niet betrouwbaar is. Vast staat dat [kroongetuige] in zijn verklaringen de zaken Barbera ( [m-straat] ) en Lis (liquidatie van de [bijnaam 4] [slachtoffer 3] ) door elkaar haalt, terwijl het te laat zijn van [verdachte] uitsluitend betrekking kan hebben op de nietgelukte liquidatie in de zaak Barbera en niet op de zaak Lis .
(…)

6.3.3.6. De rollen van [betrokkene 4] , [betrokkene 13] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte]

Met de rechtbank overweegt het hof dat uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] zich in [plaats] bevonden ter uitvoering van het plan om [betrokkene 7] van het leven te beroven. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid dat zij al tot een strafbaar begin van uitvoering waren gekomen. Zij zullen daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord.
(…)

6.3.3.6.1. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte]

Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor moord, wat aan [medeverdachte 1] meer subsidiair is ten laste gelegd en aan [medeverdachte 2] en [verdachte] subsidiair is ten laste gelegd.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de (bestel)bus waarvan [medeverdachte 2] en [verdachte] die avond gebruikmaakten, bestemd was tot de uitvoering van de voorgenomen liquidatie. Daarmee is ten aanzien van die auto voldaan aan het vereiste dat het object waarop een voorbereidingshandeling betrekking heeft, moet zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (zie HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198 en HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:1380). Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , waarbij de bijdrage van ieder van hen van voldoende gewicht is geweest voor de kwalificatie medeplegen, kan het voorhanden hebben van deze bus ook aan [medeverdachte 1] worden toegerekend.
Uit het dossier blijkt ook dat [medeverdachte 1] die avond een PGP-telefoon voorhanden heeft gehad, waarmee hij rond het tijdstip van de geplande liquidatie met [betrokkene 13] en [betrokkene 4] communiceerde over de uitvoering daarvan. Hiermee is ook voor deze PGP-telefoon voldaan aan het hiervoor genoemde bestemmingsvereiste. Niet is gebleken dat [medeverdachte 2] en/of [verdachte] die avond een PGP-telefoon voorhanden hebben gehad, zodat zij van het voorhanden hebben daarvan worden vrijgesproken.
Dat de andere mobiele telefoons die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en/of [verdachte] die avond voorhanden hebben gehad waren bestemd tot de uitvoering van de voorgenomen liquidatie, als bedoeld in de hiervoor aangehaalde rechtspraak, is niet gebleken. Het voorhanden hebben van deze telefoons kan daarom zonder meer niet als een voorbereidingshandeling worden gekwalificeerd, zodat ook van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

De bespreking van het derde middel

Deelklacht (a): een onjuiste uitleg van de verklaringen van [kroongetuige]
31. De klacht over ’s hofs uitleg van de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [kroongetuige] faalt naar mijn inzicht. [kroongetuige] heeft volgens het hof onder meer verklaard:
“ [medeverdachte 1] zei dat ze iemand gelokt hadden daarheen voor een liquidatie. Dat was mis gegaan. De mensen van [medeverdachte 1] waren te laat gekomen”,
“ [verdachte] heb ik ook nog een keer gesproken in detentietijd en die vertelde mij, dat ze te laat waren door hem. En dat daardoor die liquidatie niet plaatsgevonden had”en
“alleen ik heb zelf van [verdachte] begrepen, dat hij te laat was, dat het door hem kwam. En wat ik van hem begrepen heb, was dat met [betrokkene 9] en [betrokkene 8] ”.De hierop gebaseerde gevolgtrekking dat de kroongetuige heeft verklaard dat [verdachte] , [medeverdachte 2] ( [betrokkene 8] ) en [medeverdachte 3] ( [betrokkene 9] ) de beoogde uitvoerders waren van de liquidatie, acht ik niet onbegrijpelijk. Het geval waarin het hof zich heeft beroepen op feiten en omstandigheden die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, dan wel in zijn overwegingen niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend, doet zich niet voor. Wat de stellers van het middel aanvoeren over de verklaringen van de kroongetuige ter terechtzitting doet aan het voorgaande niet af.
32. Deelklacht (a) van het derde middel faalt.
Deelklacht (b): denaturering van de verklaring van de verdachte
33. Het hof heeft de verklaring van de verdachte voor het bewijs gebruikt voor zover deze inhoudt dat hij met de [kroongetuige] heeft gesproken over een (beoogde) moord in een café en dat hij heeft bevestigd dat hij degene was die te laat was. De stellers van het middel bestrijden niet dat de verdachte dit heeft verklaard. Geklaagd wordt dat het hof deze verklaring heeft gedenatureerd omdat de verdachte óók heeft verklaard dat
“hij sowieso niet snapte waar de kroongetuige het over had”en dat hij op een sarcastische manier beaamde dat hij te laat was.
34. Deze klacht faalt. Het is het hof niet ontgaan dat de verdachte heeft toegelicht dat zijn erkenning dat hij degene was die te laat was, alleen sarcastisch was bedoeld. Het hof heeft dat laatste echter niet aannemelijk geacht. Door de verklaring van de verdachte voor het bewijs te gebruiken op de wijze als het hof heeft gedaan, is deze niet gedenatureerd, maar nou juist letterlijk genomen. Aan de toelichting die de verdachte op zijn verklaring heeft gegeven, mocht het hof voorbijgaan. Zodoende vindt de verklaring van de kroongetuige wel degelijk ondersteuning in de verklaring van de verdachte.
Deelklacht (c): de onbegrijpelijke vaststelling dat de verdachte een bestelbus voorhanden had
35. De stellers van het middel voeren aan dat gezien de vaststellingen van het hof moet worden uitgegaan van één van twee scenario’s, te weten (i) dat 'de heads' conform de aan het PGP-bericht van [medeverdachte 1] ontleende vaststelling om 21:09 uur voor café [B] in een bus zaten en kort daarna in die bus door de wijk reden om het doelwit te zoeken, ofwel (ii) dat de uitvoerders te laat waren en dat [medeverdachte 1] in de PGP-chats tegen zijn opdrachtgever heeft
verzonnendat ‘de heads’ op dat moment in een bus voor het café zaten. In het scenario onder (ii) is niet begrijpelijk dat het hof vaststelt dat een bestelauto als voorbereidingsmiddel betrokken is geweest bij de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 7] omdat de betrokkenheid van de bus volgt uit het PGP-bericht van [medeverdachte 1] aan [betrokkene 13] met de tekst
“Ze zitten ervoor in bus”, terwijl die mededeling – en dus die bus – verzonnen is.
36. De bewijsvoering wijst uit dat het voornemen bestond om [betrokkene 7] op 9 maart 2017 in de omgeving van café [B] te liquideren, maar dat die liquidatie niet is doorgegaan omdat de uitvoerders, waartoe het hof de verdachte rekent, te laat waren. Het hof is dus niet uitgegaan van het scenario onder (i). Anders dan de stellers van het middel aannemen, betekent dat echter niet dat de bestelbus door [medeverdachte 1] is ‘verzonnen’. In de bewijsvoering ligt besloten dat de verdachte en [medeverdachte 2] op 9 maart 2017 wel degelijk de genoemde Volkswagen Caddy voorhanden hadden om te gebruiken bij de voorgenomen liquidatie, maar dat zij met die bestelbus niet op het correcte tijdstip bij het café aanwezig waren. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
37. Deelklacht (c) van het derde middel faalt
Deelklacht (d): het passeren van een alternatief scenario
38. De stellers van het middel voeren aan dat de verdediging in hoger beroep een alternatief scenario heeft geschetst omtrent de aanwezigheid van de verdachte in [plaats] en [plaats] op 9 respectievelijk 10 maart 2017. Daarbij wordt onder meer verwezen naar de pleitnota in hoger beroep. Deze houdt onder meer in:

4.6.2 De aanwezigheid van cliënt in [plaats] - en whatsapp-chats met betrekking tot 9 maart 2017
Dat cliënt op 9 maart 2017 in ieder geval vanaf het begin van de avond in [plaats] is geweest kan volgen uit de telecomgegevens van client.
De eerste aanstraling in [plaats] op deze 9 maart 2017 is om 18:35 uur. Daarna om 22:17 uur, om 22:24 uur, om 22:25 uur en als laatste om 22:29 uur.
Hieruit valt in de basis niet meer uit op te maken dan dat cliënt in ieder geval tussen 18:35 uur en 22:29 uur op deze 9 maart in [plaats] is geweest.
Het is echter natuurlijk niet strafbaar om in [plaats] te zijn. Het openbaar ministerie dient dus voldoende overtuigend bewijs te leveren voor het feit dat cliënt die avond in [plaats] was met de misdadige intentie die zag op een liquidatie.
Client was in die periode met regelmaat in [plaats] . Van de twee telefoonnummers die destijds aan cliënt konden worden toegeschreven zijn de telecomgegevens bekend en op basis daarvan kunnen we het volgende vaststellen.

4.6.2.1 Nummer […]

Op basis van de telecomgegevens van dit nummer is cliënt op 12 maart 2017 in [plaats] geweest, in ieder geval tussen 20:15 uur en 20:29 uur.
En ook op de avond van 14 maart 2017, in ieder geval tussen 21:28 uur en 00:56 uur de volgende dag (dit was een dinsdagavond en dus clubavond).

4.6.2.2 Nummer […] (…)

Op basis van de telecomgegevens van dit nummer is cliënt op 7 maart 2017 in [plaats] geweest, in ieder geval 19:30 uur en 23:25 uur (dit was een dinsdagavond en dus clubavond).
Ook op de avond van 8 maart 2017, in ieder geval om 22:07 uur.
En ook op 10 maart 2017, in ieder geval tussen 15:16 uur en 18:31 uur.
Kortom, cliënt is tussen 7 en 14 maart 2017 (dit betreffen acht dagen) zes dagen in [plaats] geweest. Namelijk, 7, 8, 9, 10, 12 en 14 maart. Hier zaten twee clubavonden bij, te weten 7 en 14 maart.
Dat betekent dus dat cliënt vier dagen – zo goed als achter elkaar— in [plaats] is geweest in die periode. En toch wordt het gegeven dat cliënt überhaupt in [plaats] is op 9 maart als een belastend gegeven beoordeeld. Dat is alleen al gelet op de hiervoor benoemde telecomgegevens al onjuist.
Zoals de verdediging ook in het kader van deeldossier Charon heeft bepleit; iets kan eventueel pas als belastend worden beoordeeld als het afwijkt van de norm, dan wel in het geval dat er daarnaast ook sterk ander bewijs is. Beide is hier echter niet het geval.
Maar er is meer dat het zogenaamd ‘belastende bewijs’ eerder tot een contra-indicatie maakt voor de betrokkenheid van cliënt bij dit feit.
Op 9 maart 2017 straalt de telefoon van cliënt dus op vijf tijdstippen een zendmast aan in [plaats] , te weten om:
- 18:35 uur;
- 22:17 uur;
- 22:24 uur;
- 22:25 uur;
- 22:29 uur.
In alle gevallen is dit op dezelfde zendmast. De zendmast aan de [j-straat] in [plaats] . De [j-straat] ligt hemelsbreed zo’n 4 km van café [B] af ( [m-straat 1] ).
Qua absolute afstand klinkt dit misschien niet enorm ver. Dit is echter wel gewoon 10 minuten rijden met de auto. En het zijn echt totaal andere delen van de stad. De [m-straat] ligt in [stadswijk 2] en de [j-straat] in [stadswijk 3] .
En er liggen dan ook meerdere zendmasten veel dichter bij de [m-straat] dan de zendmast aan de [j-straat] (…).
Om precies te zijnzestien (16)stuks leden van het hof!!! Zestien zendmasten liggen dichter bij de [m-straat] dan de zendmast van de [j-straat] . Op basis hiervan kan dan ook echt onmogelijk worden gesteld dat cliënt op in ieder geval de aangestraalde momenten op of zelfs maar in de buurt van de [m-straat] was.
En u zult het toch met de verdediging eens zijn dat als cliënt die dag al in [plaats] was op verzoek van [medeverdachte 1] (nog los van de vraag of hij dan wist waarvoor precies en zo ja, is cliënt dan ook de werkelijke reden verteld?) en bezig was met voorbereidingshandelingen bij [B] , dan moet hij toch in ieder geval in of zeer nabij de [m-straat] zijn geweest.
Want wanneer [bijnaam 3] . aan [medeverdachte 1] stuurt “laat ze ready staan
”, stuurt [medeverdachte 1] terug “staan ze al tijd
” en “ze zitten ervoor in buss bradda
”.
Naast dat de telecomgegevens de visie van het openbaar ministerie dus aantoonbaar niet ondersteunen, biedt het dan ook alle ruimte voor alternatieve scenario ’s. En op dit alternatieve scenario komt de verdediging straks terug.
Hoe dan ook kan de enkele vaststelling dat cliënt in de avond van 9 maart 2017 in [plaats] was in de basis en op zich zelf staand op geen enkele manier als belastend bewijs dienen jegens cliënt.
4.6.3 De aanwezigheid van cliënt in [plaats] in nacht van 9 op 10 maart 2017
Op grond van een aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 29 november 202179 heeft het openbaar ministerie gesteld dat [medeverdachte 2] en [verdachte] wel de ’heads’ geweest moeten zijn waar in de PGP-gesprekken over wordt gesproken.
In de ogen van de verdediging blijft deze stelling echter hangen onder de minimale bewijsstandaard en blijft het dus een – in theorie mogelijke stelling, maar mist het verdere enige ondersteunend en/of een meer robuust bewijsmiddel. Sterker nog er is gelet op de hierna te bespreken tijdstippen in dit kader eerder een contra-indicatie voor deze stelling.
Het openbaar ministerie kijkt ten aanzien van dit deeldossier enkel zeer oppervlakkig en naar de grote lijnen. Nu stelde de verdediging in eerste aanleg dat dit in een zaak met zulke grote belangen ronduit gevaarlijk is, omdat hierdoor het risico op de loer ligt dat iemand, in dit geval cliënt, zo mogelijk onrecht wordt veroordeeld. En dit gevaar is inmiddels bevestigd, geachte leden van het hof. Want de rechtbank is hierin meegegaan.
Zonder echt kritisch te kijken, meegegaan in de grote lijnen en client op basis daarvan veroordeeld.
Want het scenario van het openbaar ministerie is op geen enkel punt concreet, mist precisie qua locatie en ook qua tijdlijn past hun scenario niet bij de PGP-chats.
Daarnaast heeft cliënt een bij de feiten en omstandigheden welke volgen uit het dossier, passende verklaring afgelegd, die niet door deze feiten kan worden uitgesloten en dus ook niet zonder meer aan voorbij kan worden gegaan. Iets dat de rechtbank dus wel heeft gedaan, maar daarin haar zorgvuldigheid zichtbaar is verloren.
Er is daarnaast ook enkel gekeken naar de telefoondata van [medeverdachte 2] en cliënt. Waarom niet naar die van alle andere contacten van [medeverdachte 1] ?

4.6.3.1 Te weinig concreet en precies

Wat er uit het hiervoor benoemde proces-verbaal van bevindingen volgt is het volgende:
- De telefoon van client straalt op 9 maart om 23:43 uur een zendmast aan in [plaats] (zijn ‘thuiszendmast’ aan de Hooftskade);
- Dan om 00:30 uur een zendmast bij [plaats] ;
- Om 01:32 uur een zendmast in [plaats] ;
- Om 00:35 uur een zendmast in [plaats] ;
- Om 00:57 uur een zendmast in [plaats] ;
- Om 01:27 uur een zendmast in [plaats] ;
- En om 03:52 uur weer zijn ‘thuiszendmast’ aan de Hooftskade in [plaats] ).
Het openbaar ministerie en ook de rechtbank hebben op basis hiervan gesteld dat dient en [medeverdachte 2] dus bij [medeverdachte 1] zijn geweest.
Maar dat, geachte leden van het hof, is natuurlijk niet wat uit deze data volgt. Er blijkt alleen dat mijn cliënt vanaf 00:57 tot in ieder geval een half uur later in [plaats] is geweest. Maar niet op welk adres en/of bij wie in [plaats] !
Client en [medeverdachte 2] zijn overigens pas bijna vijf jaar later met deze telecomgegevens geconfronteerd en van hen wordt dan een bewijsbare verklaring verlangd. Client heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij na zoveel jaar echt niet meer weet waarom hij die nacht in [plaats] is geweest en dit ook met zoveel woorden gezegd ter terechtzitting van uw hof. En dat is ook alleszins logisch, aangezien dit voor cliënt geen bijzondere dag en/of nacht was, waardoor hij actieve herinneringen aan deze dag en/of nacht heeft.
Maar cliënt gaf wel toen al aan dat het misschien o is geweest dat hij samen met [medeverdachte 2] bij de dochter en/of schoonzoon van [medeverdachte 2] is geweest. Want die wonen ook in [plaats] .
(…)
En dat is op het eerste gezicht een reëel en bestaanbare verklaring. Zeker als we het adres van deze dochter en schoonzoon in ogenschouw nemen, te weten de [s-straat 1] in [plaats] (…).
Dit adres ligt hemelsbreed 1 kilometer van dat van [medeverdachte 1] , te weten [l-straat 1] in [plaats] en het adres van de dochter en schoonzoon van [medeverdachte 2] valt ook nog eens binnen dezelfde dekking als de genoemde zendmast ( [k-straat 1] [plaats] ).
En ook gelet op de overige feiten die voorliggen kan het door cliënt benoemde alternatieve scenario simpelweg niet worden uitgesloten. Dit zou mogelijk anders zijn wanneer deze adressen ver uit elkaar zouden liggen, maar het zijn bijna buren.
En nu de bewijslast bij het openbaar ministerie ligt en het niet aan cliënt is om zijn onschuld daadwerkelijk te bewijzen, kunnen deze telecomgegevens dus niet zonder meer en zonder enige ondersteuning als belastend bewijs dienen.
Maar dan toch maar voor de zekerheid en ter illustratie ook hier de ‘maar stelt u zich eens voor variant’.
Dus geachte leden van het hof, stelt u zich eens voor dat cliënt die nacht wel naar het adres van [medeverdachte 1] is gereden. Heeft hij [medeverdachte 1] dan ook zelf gesproken of moest hij iemand ophalen of afzetten. Dat was tenslotte iets dat hij vaak deed en/of moest doen. En heeft hij [medeverdachte 1] überhaupt zelf wel gezien en/of gesproken?

4.6.3.2 Tijdsbestek niet passend bij PGP-chats

Om 21:30 uur stuurt stuurt [medeverdachte 1] aan [bijnaam 3] .: “heads zijn ziek nu
” en om 21:43 uur: “Ik ga heads even bedaren
” en “Leg aub [bijnaam 1] voor me uit ik ben even met hun (
heads, advocaat) bezig
”.
Oké, laten we de woorden van [medeverdachte 1] , zoals het woordje ‘nu’ niet extreem letterlijk nemen. Client is pas drie uur later (00:57 uur) in [plaats] !!! Drie uur later dan het tijdstip waarop [medeverdachte 1] dit stuurt aan [bijnaam 3] .
Op basis van dit aanzienlijke verschil in tijd kan toch niet meer worden gesteld dat er nog sprake is van een zuiver verband tussen deze berichten van [medeverdachte 1] en de aanwezigheid van cliënt in [plaats] drie uur later die nacht.
Zoals bekend is mijn cliënt om 22:59 uur nog in [plaats] en straalt zijn telefoon dan de zendmast aan de [j-straat] aan. Gelet op ook de eerdere aanstraling daar die avond, geeft dit qua uiterlijke verschijningsvorm een beeld van iemand die ergens op zijn gemak, zonder tijdsdruk op bezoek is.
En cliënt zou dan eerst nog naar huis gaan en dan vervolgens drie uur later alsnog naar [medeverdachte 1] , terwijl [medeverdachte 1] al uren daarvoor bezig is om de ‘heads te bedaren’, omdat deze ziek zouden zijn. Maar als dit echt over cliënt en [medeverdachte 2] zou gaan dan heeft het daar gelet op deze data in ieder geval geen enkele schijn van.
En ook blijkt niet uit het overzichtsproces-verbaal met betrekking tot alle telecom van die avond, dat er na 21:00 uur contact is geweest tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] en/of [medeverdachte 2] . En als [verdachte] en [medeverdachte 2] die avond de vermeende heads waren en [medeverdachte 1] ze wilde bedaren en/of ze die nacht zelfs nog bij [medeverdachte 1] zouden zijn geweest, dan moet er toch iets van communicatie hebben plaatsgevonden, zoals dat de gehele dag en avond gaande was tussen allerlei personen. Maar dit blijkt dus niet uit het dossier.
Hoe dan ook kan de enkele vaststelling dat cliënt in de nacht van 9 op 10 maart 2017 in [plaats] is geweest, zonder enig redengevend, concreet en specifiek steunbewijs, op geen enkele manier als belastend bewijs dienen jegens cliënt.
(…)
4.6.5 Overige onduidelijkheden en opvallende zaken met betrekking tot Barbera
(…)
En ook de telefoonactiviteit van cliënt die avond wat [plaats] aangaat is enkel op de [j-straat] en zowel cliënt als [medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij die avond samen waren.
En waar cliënt eerder niet wilde (lees: moreel gezien niet kon) zeggen waar zij die avond wel waren, mede in de verwachting en hoop dat [medeverdachte 2] dit wel zou verklaren, heeft cliënt dit in hoger beroep wel verklaard, aangezien [medeverdachte 2] hierop inmiddels ook antwoord had gegeven tijdens zijn getuigenverhoor.
De bespreking van deelklacht (d): het passeren van een alternatief scenario
39. Het hof is ingegaan op dit verweer. In lijn met dit verweer heeft het hof vastgesteld dat uit de telecomgegevens die zich in het dossier bevinden niet blijkt dat de verdachte en [medeverdachte 2] zich op de avond van 9 maart 2017 op enig moment in de nabijheid van café [B] hebben bevonden en dat het telefoontoestel van [medeverdachte 2] om 21.18 uur aanstraalde op de mast [j-straat 1] in [plaats] . Het hof heeft in die omstandigheden echter geen aanleiding gezien om de verdachte van het ten laste gelegde vrij te spreken en daartoe overwogen dat het op basis van de telecomgegevens van (het tijdstip van) de contacten tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , de feiten en omstandigheden met betrekking tot de Volkswagen Caddy en het gegeven dat de verdachte en [medeverdachte 2] op 9 maart 2017 na de mislukte liquidatie samen naar [medeverdachte 1] zijn gereden, in samenhang met het feit dat zij die avond in [plaats] waren, wettig en overtuigend bewezen acht dat zij betrokken waren bij de uitvoering van het plan om [betrokkene 7] van het leven te beroven. Bovendien heeft het hof overwogen dat de omstandigheid dat zij op andere avonden in die periode ook in [plaats] waren en dat niet blijkt dat hun telefoons zich in de directe nabijheid van café [B] hebben bevonden, aan een bewezenverklaring niet in de weg staat omdat die gegevens niet uitsluiten dat de liquidatie niet is doorgegaan omdat de beoogde schutters niet op tijd ter plaatse waren. Wat betreft het bezoek aan [plaats] op 10 maart 2017 heeft het hof overwogen dat de door de verdachte op die dag aangestraalde mast zich in de nabije omgeving van de woning van [medeverdachte 1] bevond en dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte en [medeverdachte 2] een ander adres hebben bezocht.
40. Met deze overwegingen heeft het hof gemotiveerd onderbouwd dat en waarom het verweer van de verdediging niet in de weg stond aan een bewezenverklaring. Die onderbouwing acht ik niet onbegrijpelijk en ook toereikend. Daarbij wijs ik in het bijzonder op de door het hof vastgestelde telefonische contacten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rond het tijdstip waarop de liquidatie plaats had moeten vinden. Het verweer van de verdediging bevat geen aannemelijke verklaring voor deze contacten. Bovendien is het ‘alternatieve scenario’, zeker voor wat betreft de omstandigheid dat de verdachte en [medeverdachte 2] zich op 9 maart 2017 op de [j-straat] in [plaats] bevonden, niet onverenigbaar met de bewezenverklaring zodat het verweer in ieder geval niet gekwalificeerd kan worden als een Meer-en-Vaartverweer waarop het hof diende te reageren.
41. Deelklacht (d) faalt, en daarmee het gehele derde middel.

Het vierde middel

42. Het vierde middel bevat klachten over de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie. Het middel valt in twee deelklachten uiteen.

De bewijsvoering

43. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven. [6] In dit verband heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“6.3.5. CRIMINELE ORGANISATIE (140 SR)

6.3.5.1. De criminele organisatie

(…)
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in de diverse deelonderzoeken en wat daarover in het kader van de verschillende deelonderzoeken is overwogen, en ook op grond van de aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie en bijlage 3 bij dit arrest (veredelingen en identificaties) komt het hof tot de conclusie dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat zich gedurende meer dan een jaar in wisselende samenstelling maar met een vaste kern, heeft beziggehouden met het plegen van liquidaties dan wel voorbereidingen daartoe, alsmede het bezit van vuurwapens en munitie.
Sleutelfiguur van de criminele organisatie was [medeverdachte 1] . Hij organiseerde liquidaties en maakte daarvoor gebruik van personen uit zijn netwerk. Veel van die personen waren op een of andere manier verbonden met [motorclub] . Toch kan [motorclub] niet met de criminele organisatie worden vereenzelvigd. Aan de criminele organisatie werd ook deelgenomen door personen die niet of nauwelijks met [motorclub] te maken hadden. Andersom was niet elk lid van [motorclub] bij de activiteiten van de criminele organisatie betrokken.
De opdrachten tot liquidatie werden verstrekt door meerdere opdrachtgevers. Drie van de vijf in het dossier Eris behandelde moordonderzoeken zijn uitgevoerd in opdracht van één organisatie. Vanuit diezelfde organisatie zijn ook tal van opdrachten verstrekt tot het vermoorden van andere personen. Deze opdrachten hebben niet geleid tot voltooide liquidaties, maar wel tot voorbereidingen dan wel pogingen daartoe. Ook is er opdracht gegeven tot het beschieten van een huis in [plaats] .
(…)
Veelzeggend over het professionele karakter van de criminele organisatie zijn de woorden van [medeverdachte 1] tegen [betrokkene 4] in februari 2017 over de overname van de liquidatiewerkzaamheden van [betrokkene 16] : “Ik zei geef die bv over”. In december 2017 spraken [medeverdachte 1] en [betrokkene 13] over het verder professionaliseren van hun organisatie, de taakverdeling en de vergroting van de efficiëntie van hun bedrijfsplan in 2018.
De leden van de organisatie maakten gebruik van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Ook maakten zij gebruik van (automatische) vuurwapens, (gestolen) voertuigen, valse kentekenplaten en lokkers, zoals in de afzonderlijke deelonderzoeken bewezen is verklaard. Verder werden wapens en auto’s ten behoeve van liquidaties verborgen in een loods in [plaats] en werden wapens ingebouwd in elektronische apparatuur. Ook werden er bij liquidaties gebruikte auto’s in brand gestoken.
Dat het oogmerk van de organisatie niet alleen zag op moord en de voorbereiding daarvan, maar ook op het bezit van vuurwapens en munitie, volgt al uit het feit dat voor liquidaties wapens en munitie noodzakelijk zijn. Hierbij roept het hof in herinnering dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad tot het oogmerk van de organisatie ook moet worden gerekend het naaste doel dat de organisatie nastreeft. Het plegen van liquidaties heeft als noodzakelijk en daarmee door de organisatie gewild gevolg dat ook overtredingen van de Wet wapens en munitie worden begaan. Een aantal delicten wordt niet in de tenlastelegging genoemd als doel van de organisatie, maar het plegen daarvan kan wel bijdragen aan het verwezenlijken van het in de tenlastelegging genoemde doel van de organisatie. Zo is het gebruik van gestolen auto’s en kentekenplaten en het in brand steken van auto’s na een liquidatie bedoeld om de opsporing van de daders te bemoeilijken. Daardoor kan de organisatie haar activiteiten voortzetten.

6.3.5.2. De deelnemers aan de criminele organisatie

(…)

6.3.5.2.1. De rol van [verdachte]

De verdediging van [verdachte] heeft geconcludeerd tot vrijspraak van dit feit, omdat [verdachte] geen wetenschap van het oogmerk van de criminele organisatie had.

Het hof volgt de verdediging hierin niet. Dat [verdachte] heeft deelgenomen aan de criminele organisatie en dat hij wist dat de organisatie het plegen van liquidaties en aanverwante misdrijven tot oogmerk had, volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam uit wat hiervoor is overwogen in de deelonderzoeken Barbera en Arford . Ook heeft het hof de hiervoor opgenomen overwegingen met aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie in zijn oordeel betrokken.
Het hof acht bewezen dat [verdachte] in de periode van 1 maart 2017 ( deelonderzoek Barbera ) tot en met 17 maart 2017 (aanhouding [verdachte] in deelonderzoek Arford ) heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. [verdachte] heeft als deelnemer aan de voorbereiding van de liquidaties van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [betrokkene 7] een belangrijke bijdrage geleverd aan de doelstelling van de criminele organisatie. Hij heeft hierbij nauw samengewerkt met [medeverdachte 2] . Hoewel uit het deelonderzoek Charon blijkt dat [verdachte] sinds begin februari 2017 rechtstreeks onder [medeverdachte 1] viel en klussen voor hem deed zoals het in brand steken van de vluchtauto na de liquidatie op [slachtoffer 4] , kan hieruit niet worden afgeleid dat hij op dat moment al wetenschap had van de organisatie. Die wetenschap blijkt wel uit de dossiers Barbera en Arford . Het ging hierbij om professionele voorbereidingen voor liquidaties, met onder meer vluchtauto’s en wapens en met een sturende rol van [medeverdachte 1] . Dat [verdachte] wellicht niet van alle details op de hoogte werd gesteld, doet daaraan niet af. [verdachte] is niet uit eigen beweging gestopt, maar omdat hij werd aangehouden en twee jaren gedetineerd is geweest.”
Het juridisch kader: deelneming aan de in artikel 140 Sr Pro bedoelde criminele organisatie
44. Onder een (criminele) ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr Pro wordt een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen minstens twee personen verstaan. Het kan daarbij gaan om (een combinatie van) natuurlijke personen en rechtspersonen. Een persoon ‘neemt deel ’ aan een dergelijke organisatie indien hij behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van het plegen van misdrijven. [7] Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, is niet vereist dat komt vast te staan dat die persoon heeft samengewerkt, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. [8] De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijkere rol vervulden dan de betrokkene. [9]
45. Voor ‘deelneming’ is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. [10] Niet vereist is dus dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door criminele organisatie beoogde concrete misdrijven. [11] Als de deelnemer in de context van de organisatie misdrijven pleegt, wordt aan het opzetvereiste doorgaans voldaan. [12] Ook het hebben van een aandeel in en het ondersteuning geven aan de misdrijven veronderstellen opzet. [13]

De eerste deelklacht van het vierde middel

46. De eerste deelklacht houdt in dat het hof bij zijn oordeel over het bewijs van verdachte’s opzet
“de overwegingen zoals hiervoor opgenomen met aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie”heeft betrokken, niet begrijpelijk is, omdat niet duidelijk is wat de algemene overwegingen over de criminele organisatie zeggen over de wetenschap van de verdachte.

De bespreking van de eerste deelklacht van het vierde middel

47. Het hof heeft aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegd dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband – in wisselende samenstelling, maar met een vaste kern – tussen zowel leden van de [motorclub] als personen daarbuiten. Deze organisatie had volgens het hof het oogmerk gericht op het plegen van misdrijven, namelijk het plegen en voorbereiden van liquidaties, alsook het bezit van vuurwapens en munitie. [14] De leden van de organisatie communiceerden heimelijk met elkaar via PGP-toestellen, en maakten gebruik van (automatische) vuurwapens, (gestolen) voertuigen, valse kentekenplaten en lokkers, zoals in de afzonderlijke deelonderzoeken (waaronder de deelonderzoeken Charon , Arford en Barbera ) bewezen is verklaard.
48. Het hof heeft omtrent de deelneming door de verdachte aan de organisatie in aanmerking genomen dat de verdachte als deelnemer aan de voorbereiding van de liquidaties van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [betrokkene 7] ( deelonderzoek Arford en Barbera ) een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de doelstelling van de criminele organisatie en dat de verdachte hierbij nauw heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] . Het hof overweegt in het bijzonder dat de wetenschap van de verdachte van de organisatie uit de dossiers Barbera en Arford blijkt omdat het hierbij ging om professionele voorbereidingen voor liquidaties, met onder meer vluchtauto’s en wapens en met een sturende rol van [medeverdachte 1] . Bij de bespreking van de rol van de verdachte overweegt het hof daarnaast dat het de overwegingen zoals daarvoor opgenomen met aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie in zijn oordeel heeft betrokken.
49. Ik begrijp deze overweging van het hof aldus dat het de betrokkenheid van de verdachte, zoals die blijkt uit de deelonderzoeken Charon , Arford en Barbera , (slechts) heeft geplaatst binnen de algemene overwegingen en bewijsmiddelen over het bestaan van de criminele organisatie en dat het met die overweging niet heeft beoogd tot uitdrukking te brengen dat die overwegingen en bewijsmiddelen (direct) redengevend zijn voor het bewijs dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Aldus verstaan is deze overweging niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is in zoverre dus toereikend gemotiveerd.
50. De eerste deelklacht van het vierde middel faalt.

De tweede deelklacht van het vierde middel

51. De tweede deelklacht betreft een voorwaardelijke klacht, waarbij als voorwaarde is gesteld dat één of meer van de middelen die klagen over (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereiding van moord op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [betrokkene 7] (deelonderzoeken Arford en Barbera ) slagen.

De bespreking van de tweede deelklacht van het vierde middel

52. Onder randnummers 11-19, 24-26 en 31-41 heb ik uiteengezet dat en op welke gronden de omtrent de deelonderzoeken Arford en Barbera voorgestelde middelen falen. Indien de Hoge Raad mij volgt, wordt de gestelde voorwaarde niet vervuld. Daarmee kan aan deze klacht voorbij worden gegaan.

Het vijfde middel

Inleiding
53. Het middel komt op tegen het oordeel over de rechtmatigheid van de met de kroongetuige gesloten overeenkomst en tegen de verwerping van een daarmee verband houdend niet-ontvankelijkheidsverweer. Geklaagd wordt dat het OM bij het bepalen van de strafeis is uitgegaan van een gevangenisstraf van
twintigjaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van
vierentwintig jaren stond vermeld.
Klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis
54. De door de rechter-commissaris rechtmatig bevonden overeenkomst hield in dat het OM zonder de afspraken met de kroongetuige een gevangenisstraf zou hebben geëist van vierentwintig jaren en dat die strafeis zou worden verminderd met 50% wanneer de kroongetuige zijn afspraken onverkort zou nakomen. De verlaging van de basisstrafeis van vierentwintig naar twintig jaren brengt, aldus de stellers van het middel, met zich dat deze afspraak is komen te vervallen. De gewijzigde afspraak is niet onderworpen geweest aan toetsing door de rechter-commissaris. Dit betekent dat de gewijzigde afspraak niet kan gelden als een rechtmatige afspraak tussen het OM en een kroongetuige als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr.
55. De wijziging van de vi-regeling die ingevolge de Wet straffen en beschermen is ingetreden, kan niet worden aangemerkt als een omstandigheid die een afwijking van de door de rechter-commissaris getoetste afspraak rechtvaardigt omdat die wijziging (naar het oordeel van de Hoge Raad) geen verzwaring oplevert van de straf die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was (als bedoeld in artikel 7 EVRM Pro en artikel 15 IVBPR Pro), maar slechts een wijziging van de executie ervan. De vermindering van de geëiste straf met méér dan de helft van de basisstrafeis van vierentwintig jaar, was dan ook ontoelaatbaar. ‘s Hofs andersluidende oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
56. Bovendien heeft het hof bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de gewijzigde overeenkomst niet betrokken of de extra korting van vier jaar gevangenisstraf (nog) proportioneel is. De extra korting past niet binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het OM toekomt en het (impliciete) oordeel van het hof dat die strafeis niet zodanig onbegrijpelijk laag is dat zij moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
57. Ook het oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige door het verlagen van de basisstrafeis zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad, achten de stellers van het middel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De wetsgeschiedenis wijst uit dat een verklaring die is opgenomen na de totstandkoming van een als rechtmatig bestempelde afspraak door de zittingsrechter als bewijsmiddel terzijde moet worden geschoven wanneer “
de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of […] hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.

Het juridisch kader: de kroongetuigeregeling

58. In HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604 (
Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende:

3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
De verdachte aan wie een toezegging wordt gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om als getuige een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte, wordt in het vervolg van deze voorafgaande beschouwing aangeduid als 'de getuige'.
3.4.
Art. 44a Sr, waarnaar wordt verwezen in art. 226g, eerste lid, Sv, houdt in dat de rechter in de strafzaak tegen de getuige op vordering van de officier van justitie na een op grond van art. 226h, derde lid, Sv gemaakte afspraak de straf die hij overwoog op te leggen, kan verminderen. Het tweede lid van art. 44a Sr omschrijft waarin deze strafvermindering kan bestaan. Het gaat bij een onvoorwaardelijke tijdelijke vrijheidsstraf om een vermindering met maximaal de helft. De rechter houdt bij de strafvermindering ermee rekening dat door het afleggen van een getuigenverklaring een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven.
Het Wetboek van Strafvordering bevat voorts voorschriften met betrekking tot onder meer de rechtsbijstand aan de getuige (art. 226h, eerste lid, Sv), de toetsing door en de beschikking van de rechter-commissaris (art. 226h, tweede en derde lid, Sv en art. 226i Sv), het horen van de getuige in de strafzaak tegen de andere verdachte (art. 226j Sv) en de maatregelen tot bescherming van de getuige (art. 226l Sv). Deze voorschriften komen, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, hieronder nader aan de orde.
(…)
3.12.
De rechterlijke toetsing van afspraken die met de getuige worden gemaakt omvat enerzijds de toetsing door de rechter-commissaris en anderzijds de toetsing door de zittingsrechter.
3.13.
Art. 226g, derde lid, Sv houdt in dat de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van de in het tweede lid bedoelde afspraak toetst. Het gaat daarbij om de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde door de officier van justitie voorgenomen afspraak die overeenkomstig de (vorm)voorschriften van art. 226g, tweede lid, Sv op schrift is gesteld. De rechtmatigheidstoets die de rechter-commissaris uitvoert, omvat allereerst een beoordeling of de afspraak in overeenstemming is met de in het eerste lid van art. 226g Sv genoemde voorwaarden. Bij de beoordeling of het maken van de afspraak voorts voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, houdt de rechter-commissaris rekening met de dringende noodzaak en het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring (art. 226h, derde lid eerste volzin, Sv). De rechter-commissaris geeft een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige nadat hij deze heeft gehoord (art. 226h, derde lid tweede volzin, Sv).
De officier van justitie is gehouden de rechter-commissaris de gegevens te verschaffen die laatstgenoemde voor zijn beoordeling nodig heeft (art. 226g, derde lid, Sv). Tot die gegevens behoort ook, voor zover daarvan in het concrete geval sprake is, het proces-verbaal dat de officier van justitie heeft opgemaakt op grond van art. 226g, vierde lid, Sv. Tevens dient, zoals onder 3.10 is vermeld, de rechter-commissaris in het door art. 226g, eerste lid, Sv bestreken geval te zijn geïnformeerd over de eventuele totstandkoming en de inhoud van een schikking als bedoeld in art. 511c Sv met de getuige.
De rechter-commissaris legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand.
3.14.
Ook in zaken waarin een verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv bij de processtukken is gevoegd, geldt dat het is voorbehouden aan de (zittings)rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Ten aanzien van deze beslissing gelden, indien die verklaring voor de bewijsvoering wordt gebruikt, geen andere wettelijke bewijs(motiverings)voorschriften dan de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde.
Evenmin gelden in cassatie met betrekking tot de toetsing van de beslissing inzake de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal bijzondere regels. Dat betekent dat in cassatie kan worden onderzocht of door de feitenrechter de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde voorschriften zijn nageleefd, maar niet of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden, ook voor zover deze zijn ontleend aan de verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv, juist zijn. Dat laatste geldt tevens voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die op grond van de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht (vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001: AD3530).
3.15.
Op grond van art. 360, tweede en vierde lid, Sv behoort de rechter, indien hij de verklaring van de getuige met wie op grond van art. 226h, derde lid, Sv een afspraak is gemaakt voor het bewijs gebruikt, dat gebruik nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht.
De in art. 360, tweede lid, Sv bedoelde motiveringsverplichting strekt zich niet uit tot de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv. In het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de getuige met wie de afspraak is gemaakt, ligt al besloten dat de rechter niet tot een andersluidend oordeel ter zake van de rechtmatigheid is gekomen dan in de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 226h, derde lid, Sv is vervat. (Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:64.)
De rechter is bovendien gehouden, indien hij afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ertoe strekt dat vanwege onregelmatigheden bij de totstandkoming van de afspraak de verklaring van de getuige niet betrouwbaar kan worden geacht, in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Indien het verweer van de verdachte ertoe strekt dat sprake is van een vormverzuim – waaronder ook kan worden begrepen een schending van art. 6 EVRM Pro – waaraan één van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen moet worden verbonden, is de rechter eveneens gehouden een met redenen omklede beslissing te geven, mits door of namens de verdachte duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden .

Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof

59. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een
“Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken”van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in:

2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.
2.3
Indien de resultaten van nader onderzoek aanleiding geven tot het vaststellen van een lagere basisstrafeis dan 24 jaren, bijvoorbeeld omdat een feit naar het oordeel van de zaaksofficier van justitie niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, dan zal de officier van justitie bij onverkorte nakoming door de getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, de strafeis navenant verminderen door de bijgestelde basisstrafeis te matigen met 50%.
60. Het hof heeft, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen:

“5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst

Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [kroongetuige] , omdat de overeenkomst met [kroongetuige] niet rechtmatig zou zijn.
Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [kroongetuige] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [kroongetuige] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [kroongetuige] in het deelonderzoek Langenhorst . Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [kroongetuige] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op Wessels, omdat [kroongetuige] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [kroongetuige] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging.
Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [kroongetuige] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen.
Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk?
Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [kroongetuige] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Het hof stelt vast dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [kroongetuige] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie.
Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst?
Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de (fictieve) datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Omdat de verklaringen al lang daarvoor zijn afgelegd, kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst, aldus het openbaar ministerie.
Het hof bespreekt het verweer over de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, aan het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. De Staat neemt ook een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze persoon op zich door zijn medewerking aan de opsporing te vragen.
Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat ten aanzien van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter geen toetsende rol is toebedeeld. De totstandkoming van de afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de specifieke maatregelen voor de bescherming van de getuige zijn juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk is geworden dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat hoe de kroongetuige de specifieke maatregelen voor zijn feitelijke bescherming ervaart en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke, toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook nu nog geen grond. Het openbaar ministerie is niet gehouden de processenverbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van de bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. Het hof wijst er overigens in dit verband op dat [kroongetuige] de kluisverklaringen al heeft afgelegd voordat met hem de in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde afspraak is gemaakt, dus zonder dat hij wist of de afspraak zou worden gemaakt en, zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de toegezegde feitelijke maatregelen voor de bescherming van [kroongetuige] nóg later, pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf worden bepaald. Er is dus geen aanwijzing dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst, laat staan dat onder invloed van verboden toezeggingen in strijd met de waarheid zou zijn verklaard.
Ook overigens is niet gebleken van verboden toezeggingen.
Overeenkomst proportioneel?
Het hof zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [kroongetuige] en het afzien van vervolging van de vader van [kroongetuige] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [kroongetuige] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen.
Bij requisitoir heeft het openbaar ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [kroongetuige] niet te vervolgen in het deelonderzoek Langenhorst ruim na het sluiten van de overeenkomst door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek is genomen en dat daarbij niet het opportuniteitsbeginsel is toegepast, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het openbaar ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het openbaar ministerie gelegen in het gegeven dat [kroongetuige] – in tegenstelling tot de andere verdachten – heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Zijn verklaringen hierover acht het openbaar ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen.
In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l van het Wetboek van Strafvordering. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van de Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten.
Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is, spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een niet toelaatbare toezegging in de zin van de Aanwijzing.
Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [kroongetuige] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [kroongetuige] is meegedeeld.
Ook is niet gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [kroongetuige] voor zijn handelingen in het deelonderzoek Langenhorst is te duiden als een niet toelaatbare toezegging. Artikel 226g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in de op schrift gestelde afspraak met de kroongetuige wordt vastgelegd voor welke strafbare feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor op dat moment al voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of waarvoor in ieder geval geldt dat de mogelijkheid van voldoende bewijs na verder onderzoek reëel is. Als het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of vervolging zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou volgens die interpretatie ernstig worden aangetast.
Het openbaar ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [kroongetuige] ontbrak. Het hof constateert dat ook medeverdachte [betrokkene 10] niet is vervolgd in de zaak Langenhorst en dat er aanwijzingen zijn dat [betrokkene 10] en [kroongetuige] zich in aanloop naar de liquidatie hebben teruggetrokken. Men kan er over twisten of daardoor het opzet niet is te bewijzen of dat er sprake is van vrijwillige terugtred, maar het hof acht de beoordeling van de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd van vervolging voor bepaalde feiten af te zien en het achterwege laten van vervolging, achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen.
Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het openbaar ministerie besloten dat de vader van de kroongetuige, E. [kroongetuige] , niet zal worden vervolgd voor mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten in het dossier Eris. Maar voor een toezegging aan [kroongetuige] dat zijn vader niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris, is geen aanwijzing gevonden.
Netto strafeis disproportioneel?
Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de strafeis niet disproportioneel laag is. Het openbaar ministerie heeft in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [kroongetuige] , toegezegd om 50% hiervan, dus twaalf jaren gevangenisstraf, als straf te eisen.
Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor de door de kroongetuige af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.
Het hof kan de rechtmatigheid van de basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die aan [kroongetuige] zijn ten laste gelegd. Zoals gezegd, gaat het om het medeplegen van moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat. Daarbij zijn ook de feiten in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie betrokken. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de andere omstandigheden van het geval en in aanmerking genomen zijn ruime beoordelingsvrijheid, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis kunnen komen. Die basisstrafeis, van 24 jaren gevangenisstraf, is niet zo laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Daarom acht het hof de overeenkomst met [kroongetuige] ook op dit punt niet onrechtmatig.
Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dat is ook gebeurd. De reden was dat sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel nog een nettostraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [kroongetuige] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan, aldus het openbaar ministerie. Uitgaande van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een nettostraf van tien jaren. De inhoud van de overeenkomst bood volgens het openbaar ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten. In eerste aanleg is daarom niet 24 jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaren (in plaats van twaalf jaren) gevangenisstraf.
Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in afwijking van de tekst van de overeenkomst met de kroongetuige een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Er zijn geen aanwijzingen dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd. Het openbaar ministerie heeft de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis gemotiveerd en de rechtbank heeft die motivering beoordeeld en de strafeis overgenomen. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige of de uitvoering daarvan onrechtmatig te achten. Er is geen reden om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad.
(…)
Samenvatting en conclusie
De overeenkomst met [kroongetuige] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [kroongetuige] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [kroongetuige] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [kroongetuige] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet.

De bespreking van het vijfde middel

61. Het hof heeft de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst beoordeeld en daarbij onder meer vastgesteld dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hadden op misdrijven als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv. Tevens heeft het hof geoordeeld dat het OM het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot de overeenkomst te komen. Een en ander wordt in cassatie niet bestreden.
62. Het hof heeft op het punt van de wijziging van de basisstrafeis vastgesteld dat het OM bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft aangekondigd een lagere straf te zullen eisen dan in de overeenkomst is toegezegd, en dat het OM daadwerkelijk in afwijking van de overeenkomst een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Het hof heeft vastgesteld dat het OM als reden daarvoor heeft opgegeven dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen het vorderen van een gevangenisstraf van twaalf jaren (50% van de in de overeenkomst opgenomen basisstrafeis) voor [kroongetuige] zou leiden tot een netto gevangenisstraf van tien jaren, terwijl de netto gevangenisstraf ten tijde van het sluiten van de overeenkomst acht jaren zou bedragen. Het OM legde de overeenkomst volgens het hof zo uit dat de inhoud van de overeenkomst ruimte bood om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren gevangenisstraf moest ondergaan. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd, dat het OM de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis heeft gemotiveerd en dat de rechtbank die motivering heeft beoordeeld en de strafeis heeft overgenomen. Gelet op deze gang van zaken heeft het hof geoordeeld dat er geen aanleiding is (a) om de kroongetuigeovereenkomst onrechtmatig te achten, en (b) om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad.
63. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het hof, anders dan de stellers van het middel, er niet van uitgaat dat de kroongetuigeovereenkomst van 13 november 2018 is komen te vervallen, maar dat de door de rechter-commissaris als rechtmatig beoordeelde overeenkomst nog steeds geldt. Deze vaststelling acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het betoog van het OM kennelijk aldus opgevat dat het van oordeel was dat gewijzigde omstandigheden – i.c. de wijziging van de vi-regeling die door de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen is ingegaan – reden gaven om uit te gaan van een andere basisstrafeis. De aangepaste basisstrafeis strekt ertoe dat de getuige onder de vigerende vi-regeling eenzelfde gevangenisstraf ondergaat als waartoe de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren (onder de vi-regeling die gold ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst) strekte, te weten effectief acht jaren gevangenisstraf. [15] Het OM heeft zich dus geconformeerd aan ‘de geest’ van de overeenkomst. Het hof acht dit toelaatbaar. Het OM mocht van het hof aan de overeenkomst een uitleg gegeven die strookt met de bedoelingen van de partijen zoals die naar buiten toe zijn gebleken. [16] Ik meen dat zulks niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
64. Aan het voorgaande doet niet af dat de Hoge Raad – volgens de stellers van het middel – zou hebben geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling “
geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “
zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.” [17]
65. Voor zover het middel berust op de opvatting dat geen sprake meer is van een afspraak tussen het OM en een kroongetuige, als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr, die aan een rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris is onderworpen geweest, faalt het derhalve.
66. Ook faalt het middel voor zover wordt aangevoerd dat de vermindering van de gevorderde straf met méér dan de helft niet toelaatbaar zou zijn. Immers, er is geen sprake van een vermindering van de basisstrafeis met meer dan 50%: het OM is uitgegaan van een lagere basisstrafeis die het vervolgens met 50% heeft verminderd om tot de strafeis in de zaak van de kroongetuige te komen. Ik wijs erop dat het de rechter – en dus ook het OM – vrijstaat om bij de strafoplegging c.q. de eis rekening te houden met de manier waarop de straf ten uitvoer zal worden gelegd. [18]
67. In de overwegingen van het hof ligt verder besloten dat het heeft geoordeeld dat de gewijzigde basisstrafeis niet zo laag is dat deze niet anders kan worden beschouwd dan als een ‘verkapte tegenprestatie’ voor het afleggen van verklaringen. In aanmerking genomen dat het oordeel van het hof dat de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren niet disproportioneel was, in cassatie niet is bestreden en gelet op de omstandigheid dat de gewijzigde basisstrafeis als gevolg van de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen leidt tot eenzelfde netto-detentietijd die de kroongetuige moest ondergaan, is dat oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Ik merk daarbij bovendien op dat de gewijzigde basisstrafeis zonder 50% korting als gevolg van de gewijzigde vi-regeling zelfs tot een langere netto-detentietijd zou leiden dan de oorspronkelijke basisstrafeis (achttien jaren ten opzichte van zestien jaren).
68. Gelet op het voorgaande was ten slotte geen nadere motivering vereist van ’s hofs oordeel dat er geen reden was om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. Alle klachten van het vijfde middel falen.

Het zesde middel

69. Het middel is gericht tegen de beslissing om te volstaan met de constatering van vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan ‘elektronische gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken’ (hierna kortweg: gegevensdragers) [19] en het vorderen van verkeers- en locatiegegevens bij aanbieders van elektronische-communicatiediensten (telecomproviders). De constatering van vormverzuimen heeft te maken met een aantal relatief recente uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), onder meer in de zaken
Prokuratuur [20] en
Landeck [21] .

De overwegingen van het hof

70. Het arrest bevat de volgende overwegingen:

“5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens

In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan.
Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens.
Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/680. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan.
Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens.
Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens).
In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte.
De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4).
Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM Pro – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.
Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken.
Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.)
In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding.
Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden, zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving.
Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd.
De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.
Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan.

Een nadere omschrijving van het zesde middel

71. Het middel komt met (voornamelijk) motiveringsklachten op tegen drie onderdelen van de beslissing van het hof om als reactie op de vastgestelde vormverzuimen te volstaan met de (ambtshalve) constatering ervan. Dat betreft de volgende oordelen:
(a). de vormverzuimen leveren in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting op;
(b). in geval van toegang tot PGP-toestellen is de kans om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken gering, omdat het voornamelijk gaat om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven;
(c). aangenomen wordt dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en naar verkeers- en locatiegegevens toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd.
72. De stellers van het middel tekenen tot slot aan dat het feit dat ter zitting op dit punt geen verweer is gevoerd, niet aan de verdediging kan worden tegengeworpen, omdat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad pas ná het bestreden arrest is gewezen.

Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck

73. De afgelopen jaren hebben zich op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens in het Unierecht ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de normering van bepaalde opsporingsbevoegdheden in het Nederlandse strafprocesrecht. [22] Het Hof van Justitie heeft een aantal uitspraken gedaan over Richtlijn 2002/58/EG, [23] onder andere in de zaak
Prokuratuur. [24] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [25] over Richtlijn 2016/680. [26]
74. In een arrest van 5 april 2022 ging de Hoge Raad in op de gevolgen van de rechtspraak van het Hof van Justitie over Richtlijn 2002/58/EG. [27] Het arrest van de Hoge Raad ziet op de uitleg van de bepalingen die gaan over de bevoegdheid van de officier van justitie tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens) [28] bij de aanbieder van een communicatiedienst (een telecomprovider, bedoeld in artikel 138g Sv). De Hoge Raad oordeelde dat de rechtspraak van het Hof van Justitie meebrengt dat de officier van justitie die van een telecomprovider verkeers- en locatiegegevens wil vorderen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, gehouden is éérst een schriftelijke (bij spoed: mondelinge) machtiging van de rechter-commissaris te verkrijgen. Bij zijn beslissing over de daartoe strekkende vordering beoordeelt de rechter-commissaris of daarmee wordt voldaan aan de wettelijke eisen en aan maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit. [29]
75. De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [30] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [31] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [32]
76. Verder is van belang dat Hoge Raad naar aanleiding van het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [33] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [34]
77. Uitgangspunt bij toepassing van de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen is dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot (1) de aard, (2) de ernst en (3) de gevolgen van het vormverzuim (d.w.z. het daardoor teweeggebrachte nadeel). [35] Dit betekent dat bewijsuitsluiting slechts plaatsvindt om een schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen of onder bijzondere omstandigheden als rechtstatelijke waarborg bij ernstige schendingen van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. [36] Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door een voldoende ernstig vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat het vormverzuim concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast en dat strafvermindering vanwege het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. [37] De rechter die ambtshalve een vormverzuim constateert en beslist om met die constatering te volstaan, moet dit motiveren. [38]
78. Als het vormverzuim bestaat uit het uitoefenen van een opsporingsbevoegdheid zonder machtiging van de rechter-commissaris, kan de rechter bij zijn beslissing over toepassing van artikel 359a Sv meewegen dat de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk wel een machtiging zou hebben afgegeven als hem dat tijdig zou zijn gevraagd. Dat zegt immers iets over de aard, ernst en gevolgen van het verzuim. [39] Verder komt bij die beoordeling betekenis toe aan wat de verdachte en zijn advocaat naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over het wel of niet concreet geleden nadeel. [40]
79. Dat brengt mij tot slot op de stelling dat niet in het nadeel van de verdachte mag of had mogen werken dat over de (ambtshalve geconstateerde) vormverzuimen geen verweer als bedoeld in artikel 359a Sv is gevoerd. De stellers van het middel voeren daartoe aan dat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad d.d. 18 maart 2025 dateert van ná de bestreden uitspraak d.d. 12 februari 2025.
80. In dit verband merk ik op dat de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie al op 20 april 2023 concludeerde in de zaak
Landeck. [41] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [42] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [43]

De bespreking van het zesde middel

81. In deze zaak is het hof ambtshalve ingegaan op de (on)rechtmatigheid van het door de politie verrichte onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens. Het hof overweegt dat ermee rekening moet worden gehouden dat in het opsporingsonderzoek Eris [44] door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar gegevensdragers in beslag zijn genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin opgeslagen gegevens, zonder dat de rechter-commissaris daarvoor een schriftelijke machtiging had afgegeven, terwijl een kans bestond dat daarbij nauwkeurige conclusies over iemands privéleven zouden (kunnen) worden getrokken. Ook gaat het hof ervan uit dat onderzoek is gedaan van verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) die de officier van justitie heeft gevorderd zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie. Waar deze situaties zich hebben voorgedaan in het voorbereidend onderzoek van de strafzaak tegen de verdachte is volgens het hof sprake van onherstelbare vormverzuimen wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan in het vervolg moet worden uitgegaan.
82. Het hof komt vervolgens tot de beslissing om aan die vormverzuimen géén rechtsgevolg(en) te verbinden. Voor die beslissing geeft het hof de volgende redenen:
(i). De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting. Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager opgeslagen gegevens als dit een kans geeft om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
(ii). Waar onderzoek is gedaan aan gegevens in PGP-toestellen gaat het voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-toestellen alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om op basis daarvan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken, is gering.
(iii). In het onderzoek Eris stonden verdenkingen van zeer ernstige strafbare feiten centraal. Het onderzoeken van de inhoud van de in beslag genomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden waren niet voorhanden. Gelet op de aard en de ernst van die verdenkingen waren de privacy-schendingen gerechtvaardigd en moet worden aangenomen dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens voorafgaande toestemming zou hebben verleend, als de officier van justitie deze had gevorderd.
(iv). De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.
83. Het onder (i) genoemde oordeel dat de vormverzuimen die aan de orde zijn in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting opleveren, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (zie mijn opmerkingen onder randnummers 76 en 77). In de afwezigheid van een verweer waarmee het tegendeel is bepleit, vind ik de onder (ii) weergegeven overwegingen van het hof evenmin onbegrijpelijk. Deze getuigen bovendien niet van een onjuiste rechtsopvatting. [45] Datzelfde geldt voor de onder (iii) en (iv) beschreven overwegingen van het hof (zie in het bijzonder nog randnummers 78, 79 en 80).
84. Het hof heeft daarmee toereikend gemotiveerd dat kan worden volstaan met de (ambtshalve) constatering van de genoemde vormverzuimen. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
85. Het zesde middel faalt.

Slotsom

86. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
87. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
88. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/gerechtshoven/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/nieuws/in-hoger-beroep-drie-keer-levenslang-in-onderzoek-eris.
2.Dit betreft de bewezenverklaring in deelonderzoek Arford . Zie arrest, bijlage 4 (p. 109-134).
3.In citaten laat ik de voetnoten weg.
4.Dit betreft de bewezenverklaring in deelonderzoek Arford . Zie arrest, bijlage 4 (p. 109-133).
5.Dit betreft de bewezenverklaring in deelonderzoek Barbera . Zie arrest, bijlage 4 (p. 87-108).
6.Arrest, p. 53.
7.Vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858,
8.Vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470; HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134,
9.Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969,
10.Vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858,
11.Vgl. HR 8 oktober 2002,
12.Zie A.N. Kesteloo, ‘Het bijzondere opzetvereiste bij deelneming aan een criminele organisatie: wetenschap (in de zin van onvoorwaardelijk opzet)’,
13.Vgl. J.M. ten Voorde,
14.Arrest, p. 49. Het hof heeft zijn oordeel gegrond op de inhoud van de bewijsmiddelen in de diverse deelonderzoeken en wat daarover in het kader van de verschillende deelonderzoeken is overwogen, en ook de aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie en bijlage 3 bij zijn arrest (veredelingen en identificaties).
15.Ik merk daarbij op dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen voorwaardelijke invrijheidstelling niet meer van rechtswege wordt verleend, maar dat deze kan worden verleend op basis van een individuele beoordeling van de veroordeelde, zie
16.Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158,
17.HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119,
18.Zie de conclusie van a-g Harteveld voor HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902,
19.Zie voor een bespreking van de definitie van ‘elektronische gegevensdrager en geautomatiseerde werken’: J.W. van den Hurk & S.J. de Vries,
20.HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (
21.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
22.Zie daarover o.m. K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’,
23.Voluit: Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie.
24.Die uitspraken zijn:
25.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
26.Voluit: Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.
27.De procureur-generaal stelde cassatieberoep in het belang der wet in om de Hoge Raad de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Dat deed de Hoge Raad in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475,
28.‘Verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens)’ betreffen kort gezegd gegevens
29.HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.8.1-6.8.3, 6.10.3-6.10.4 en 6.13.
30.Het oorspronkelijke kader komt uit HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584,
31.Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409,
32.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
33.Reden voor deze toelichting is “
34.In de zaken
35.Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
36.Zie nader HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889,
37.Zie HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889,
38.HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1277,
39.Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
40.Wil een op art. 359a Sv gestoeld verweer kunnen leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, dan zal bijvoorbeeld over de aard en de gevolgen van een vormverzuim als bedoeld in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, meer moeten worden aangevoerd dan de enkele stelling dat de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelangen respectievelijk in zijn recht op een persoonlijke levenssfeer is geschaad. Met name dient de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou zijn geschonden en het daardoor daadwerkelijk geleden nadeel, te worden geconcretiseerd. Vgl. in dat kader HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:241, rov. 2.4.2.
41.In de literatuur werd (de waarschijnlijke uitkomst van) de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck over het vereiste van voorafgaande rechterlijke toetsing bij onderzoek aan gegevensdragers ook al gesignaleerd. Zie P. Verrest, ‘De invloed van het Handvest op het Nederlandse strafrecht’, in: J.H. Gerards e.a.,
42.Conclusie a-g Sánchez-Bordona 20 april 2023, C-548/21, ECLI:EU:C:2023:313 (
43.Dat in alle zaken in Eris vóór oktober 2024 al pleidooi, dupliek en laatste woord hadden plaatsgevonden, maakt dat niet anders. In cassatie is niet aangevoerd dat de verdediging het hof nadien nog heeft verzocht om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in
44.Dat omvat alle deelonderzoeken die het hof noemt in het arrest onder 1.3.
45.Hier is immers de rechtsregel van toepassing dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet een belang is dat bij schending nadeel in de zin van art. 359a lid 2 Sv oplevert (zie o.m. HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673,