Conclusie
1.Overzicht
Papillon-fiscale eenheid die zij vormde met twee Nederlandse zustervennootschappen; alle drie waren levensverzekeraar met vergunning van DNB. Bij onherroepelijk geworden beschikking van 15 mei 2017 heeft de rechtbank Amsterdam een door DNB opgelegd overdrachtsplan ter zake van één van de gevoegde zusters goedgekeurd, dier overdrachtsregeling uitgesproken en verstaan dat de aandelen in die zuster onbezwaard tegen betaling van € 1 overgaan op een derde.
de Rechtbankwas in geschil (i) of de VVP mag worden gewaardeerd op basis van de DNB-toereikendheidstoets in plaats van op basis van het BWRV en, zo niet, (ii) of de hypothecaire vorderingen dan kunnen worden teruggezet op kostprijs. Ad (i) heeft de Rechtbank het BWRV toegepast omdat het haars inziens dwingend geldt voor de jaarwinstbepaling van verzekeraars, ongeacht of een verzekeraar in zwaar weer verkeert en gedwongen verkocht wordt, dus niet alleen
going concern. Ad (ii) achtte de Rechtbank terugkomen van de wijziging van het waarderingsstelsel voor de vorderingen niet mogelijk omdat de belanghebbende niet had onderbouwd waarom dat zou zijn toegestaan.
het Hofhet BWRV van toepassing op haar geval, nu het berust op formeel-wettelijke delegatie (art. 29(a) Wet Vpb) en dwingende regels stelt voor belastingplichtigen die het levensverzekeringsbedrijf uitoefenen. Noch de Wet Vpb noch het BWRV zelf biedt ruimte om zijn bepalingen buiten toepassing te laten. Het eigendomsrecht van art. 1 Protocol Pro I EVRM biedt daarvoor evenmin rechtsgrond omdat fiscale onderwaardering van de VVP geen aftrekweigering is en slechts temporele verschuiving van aftrekbare lasten meebrengt.
twee cassatiemiddelenvoor:
middel 1bestrijdt in twee onderdelen ‘s Hof oordeel dat het BWRV van toepassing is. Zij meent dat de VVP wél mag worden gewaardeerd op basis van de DNB-toereikendheidstoets, primair (a) omdat het BWRV haars inziens niet geldt als de toezichthouder overdracht van verzekerings-verplichtingen afdwingt, zoals in casu. Voor zulke gevallen geldt volgens haar goed koopmansgebruik, dat VVP-waardering op actuele grondslagen toestaat omdat actuele grondslagen passen bij zo’n overdracht. Daarbij passen niet de historische grondslagen die art. 2(1) BWRV voorschrijft. Subsidiair (b) acht de belanghebbende toepassing van art. 2(1) BWRV in casu zozeer in strijd met het evenredigheidsbeginsel dat zij achterwege moet blijven. Die toepassing belet dat het latente verlies in de VVP wordt genomen in 2016, toen de zuster nog deel uitmaakte van de fiscale eenheid, terwijl de belanghebbende dat verlies niet in latere jaren alsnog kan afzetten tegen ‘eigen’ latente winsten door omstandigheden buiten haar macht, nl. de gedwongen aandelenoverdracht. Art. 2(1) BWRV heeft dus onredelijk bezwarende gevolgen voor de belanghebbende.
(a)is de keuze voor marktwaardering van de vorderingen onlosmakelijk verbonden met de keuze voor hogere VVP-waardering. Nu het Hof die laatste keuze niet heeft toegestaan, mag de belanghebbende ook terugkomen van de eerste. Subsidiair
(b)verplicht goed koopmansgebruik tot samenhangende waardering van de vorderingen en de VVP: het realiteitsbeginsel staat in de weg aan het nemen van winst op vorderingen die in werkelijkheid niet is behaald omdat er een even groot verlies op de VVP tegenover staat. Meer subsidiair
(c)geldt het vereiste van ontbreken van onherroepelijke fiscale gevolgen niet bij herziening van een waarderingsstelsel, en ook als dat anders zou zijn, heeft het Hof ten onrechte de belanghebbende een nieuw vereiste tegengeworpen zonder de bewijslast bij de Inspecteur te leggen en zonder haar gelegenheid te bieden navraag naar de fiscale gevolgen te doen bij (de koper van de aandelen in) de ontvoegde zuster; het Hof had (één van) beide wel moeten doen.
Staatssecretarismeent dat
middel 1(
a) faalt omdat de overdracht van de aandelen in de zuster wel degelijk
going concernis geschied. Het BWRV regelt bovendien eenduidig de waardering van een VVP en een belastingplichtige valt daar dus niet buiten enkel vanwege zwaar weer. Onderdeel
bfaalt zijns inziens omdat het pas in cassatie beroep op evenredigheid doet en daarvoor feitelijk onderzoek nodig is waarvoor in cassatie geen plaats is. Hij acht ook
middel 2ongegrond, onderdeel
aomdat niet valt in te zien dat de waardering van de vorderingen onlosmakelijk zou zijn verbonden met die van de VVP; onderdeel
bomdat het pas in cassatie de noodzaak van samenhangende waardering stelt en daarvoor feitelijk onderzoek nodig is waarvoor in cassatie geen plaats is; en onderdeel
comdat het Hof terecht het ontbreken van onherroepelijke fiscale gevolgen heeft geëist, terecht de bewijslast ter zake daarvan bij de belanghebbende heeft gelegd en op toereikende gronden heeft geoordeeld dat zij dat bewijs niet heeft geleverd.
middel 1(a): volgens art. 2(1)
jo. art. 1(2)(a)-(d) BWRV wordt de VVP berekend naar historische grondslagen bij belastingplichtigen die het levensverzekeringsbedrijf uitoefenen. Het staat de gedelegeerde wetgever vrij om winstbepalingsregels te stellen die kunnen leiden tot een ander resultaat dan waartoe goed koopmansgebruik zou kunnen leiden. Dan is beslissend of de belanghebbende en haar zuster het levensverzekeringsbedrijf uitoefenden zoals bedoeld in art. 1(2) BWRV. In het BWRV en diens toelichting wordt ‘levensverzekeringsbedrijf’ niet omschreven; wél in de toelichting bij het Besluit reserves verzekeraars (BRV), dat dezelfde terminologie gebruikt als het latere BWRV. Daaruit volgt dat bepalend is of de belastingplichtige is onderworpen aan DNB-toezicht op het levensverzekeringsbedrijf. De belanghebbende en haar zuster hadden een vergunning van DNB tot uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf en waren onderworpen aan DNB-toezicht, zodat zij beiden levensverzekeraars waren in de zin van het BRV en daardoor mijns inziens ook in de zin van het BWRV. Dat wordt niet anders door de door DNB afgedwongen aandelenoverdracht, die juist bevestigt dat de belanghebbende en haar zuster aan DNB-toezicht op het levensverzekeringsbedrijf waren onderworpen en dus levensverzekeraars waren. Middelonderdeel a strandt daarom mijns inziens.
bstrandt omdat het pas in cassatie concrete toetsing van art. 2(1) BWRV aan het evenredigheidsbeginsel vraagt, die bij de feitenrechter niet in geschil was en daarmee buiten de cassatiecontrole valt omdat beoordeling ervan feitelijk onderzoek vergt.
middel 2(a)heeft de belanghebbende mijns inziens geen belang omdat slechts in drie gevallen teruggekomen kan worden van de marktwaardering van de vorderingen (zie 5.1 hieronder) en in geen van die drie gevallen ter zake doet of die keuze al dan niet onlosmakelijk is verbonden met de VVP-waarderingskeuze. Overigens bieden de vastgestelde feiten mijns inziens geen grond voor de veronderstelling dat beide waarderingen
fiscaalrechtelijkonlosmakelijk verbonden zijn; het ging kennelijk om een commerciële keuze.
bstrandt omdat samenhangende waardering van de vorderingen en de VVP niet gesteld is bij de Rechtbank of het Hof en er in cassatie niet op ingegaan kan worden omdat er feitelijk onderzoek naar samenhang voor nodig zou zijn. Overigens voert onderdeel b mijns inziens alleen omstandigheden aan die niet tot samenhangende waardering nopen omdat zij niet meebrengen dat voldaan wordt aan de correlatiecriteria in uw overzichtsarrest HR
BNB2025/74 (zie 5.2 hieronder).
cvan middel 2 daarentegen komt mij gegrond voor. Rechtskundig onjuist lijkt mij de opvatting dat de marktwaardering van de vorderingen al onherroepelijke fiscale gevolgen heeft gehad enkel doordat de ontvoegde zuster die waardering heeft voortgezet in een later jaar ter zake waarvan de aanslag onherroepelijk vaststaat. Uit HR
BNB1980/156 leid ik af dat die enkele omstandigheid daarvoor niet volstaat. De keuze voor een waarderingsstelsel heeft pas onherroepelijke gevolgen nadat zij heeft geleid tot een andere winstbepaling in een later jaar én de aanslag voor dat latere jaar onherroepelijk is. ’s Hofs oordeel lijkt daarmee rechtskundig onjuist. Is het Hof wél van het juiste criterium van HR
BNB1980/156 uitgegaan, dan is zijn uitspraak mijns inziens onvoldoende gemotiveerd, nu hij niet heeft onderbouwd dat marktwaardering van de vorderingen heeft geleid tot een andere winstbepaling (dan bij kostprijswaardering) bij de ontvoegde zuster in een later jaar. Ook lijkt mij de bewijslast onjuist verdeeld: het Hof heeft van de belanghebbende negatief bewijs verlangd (dat iets
nietgebeurd is), terwijl de inspecteur ook overigens de meest gerede partij lijkt om aannemelijk te maken of de waarderingskeuze toen de zuster nog gevoegd was, onherroepelijke fiscale gevolgen (een andere winstbepaling dan bij kostprijswaardering) heeft gehad voor die zuster in een later jaar waarin de band met de belanghebbende was doorgesneden.
nonstarter, gegeven de inmiddels verstreken tijd, zelfs als aan de zuster uitstel is verleend voor de aangifte 2017. Mogelijkheid (ii) lijkt mij nog minder realistisch, mede omdat de zuster is gefailleerd op 8 december 2020. Mogelijkheid (iii) biedt mijns inziens evenmin gezichtspunten omdat het geen ‘fout’ is dat de vorderingen in enige periode op hogere marktwaarde gewaardeerd worden en in een andere periode op lagere kostprijs. Beide stelsels lijken mij te stroken met het BWRV, dat alleen waardering van vastrentende beleggingen
benedenkostprijs verbiedt. Dan rest mogelijkheid (iv). De toelichting bij art. 15aj(5) Wet Vpb leert slechts dat de zuster na ontvoeging de gedragslijn van de fiscale eenheid tot ontvoeging moet volgen bij de waardering van activa en passiva die zij voortzet. Uit die toelichting valt niet op te maken of art. 15aj(5) Wet Vpb ertoe verplicht om de gedragslijn te volgen die de fiscale eenheid
achterafop dat tijdstip zou blijken te hebben gehad doordat de ex-moeder nadien vorderingen terugstelt op kostprijs. Uit HR
BNB2001/258, over de voorloper van art. 15aj(5) Wet Vpb (standaardvoorwaarde 11) volgt mijns inziens dat de ontvoegde dochter verplicht was om de gedragslijn van de moeder (in casu: marktwaardering) te handhaven, zelfs als die waardering onjuist zou zijn. Dan geldt dat mijns inziens
a fortiorials marktwaardering wél juist was, maar bij de ex-moeder wordt vervangen door een andere, even aanvaardbare waardering op kostprijs. De vervanging van de oude standaardvoorwaarde 11 door art. 15aj(5) Wet Vpb heeft dat niet anders gemaakt. Art. 15aj(5) bevestigt mijns inziens eerder dat bij de ontvoegde zuster de marktwaardering en daarmee de balansdiscontinuïteit niet meer gecorrigeerd kan worden, nu het nog verder gaat dan standaardvoorwaarde 11 door niet slechts voortzetting van activa- en passivawaardering voor te schrijven, maar volledige indeplaatsstelling te fingeren.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Papillon-fiscale eenheid tussen haar, [B] en [C] .
going concern-gevallen en overigens volgt uit de feiten dat [C] in 2016 nog
going concernwas, aldus de Rechtbank. Verplichte waardering van de VVP volgens het BWRV tast volgens de Rechtbank het eigendomsgrondrecht van de belanghebbende ex art. 1 Protocol Pro I EVRM niet aan. Ad (ii) heeft de Rechtbank overwogen dat de belanghebbende niet heeft onderbouwd waarom zij zou mogen terugkomen van haar herwaarderingskeuze.
3.Het geding in cassatie
Middel 1bestrijdt in twee onderdelen dat het BWRV van toepassing is op haar geval, waarin haars inziens de VVP niet op de historische grondslagen genoemd in art. 2(1) BWRV moet worden gewaardeerd , maar op de actuele grondslagen van de DNB-toereikendheidstoets, die bovendien strookt met goed koopmansgebruik. Daartoe betoogt onderdeel
adat het BWRV niet ziet op gevallen waarin de toezichthouder overdracht van verzekeringsverplichtingen afdwingt. Voor die gevallen bevat het BWRV geen regels, maar alleen voor
going concern-gevallen. Noch uit de ontstaansgeschiedenis van, noch uit de toelichting op het BWRV volgt dat art. 2(1) BWRV ziet op gevallen zoals dat van de belanghebbende. Historische grondslagen passen niet bij (gedwongen) overdracht van verzekeringsverplichtingen; daarbij past de toereikendheids-toets, die uitgaat van actuele grondslagen en de VVP stelt op het bedrag dat een verzekeraar aan een polisovernemer zou moeten betalen als zij de verplichtingen zou overdragen aan die overnemer. Die toets leidt ertoe dat een verlies moet worden genomen in het jaar waarin de toezichthouder heeft besloten tot afdwingen van overdracht van de verzekerings-verplichtingen; daartoe leidt ook goed koopmansgebruik. Het Hof heeft dus ten onrechte het BWRV van toepassing geacht, aldus de belanghebbende.
bdat toepassing van art. 2(1) BWRV in dit geval zozeer het evenredigheidsbeginsel schendt dat die toepassing achterwege moet blijven. Art. 2(1) belet de belanghebbende de negatieve latentie in de VVP te realiseren in 2016, i.e. het laatste jaar waarin [C] tot haar fiscale eenheid behoorde. In latere jaren kan de belanghebbende die negatieve latentie niet meer afzetten tegen positieve latenties in activa want na 2016 is [C] ontvoegd door een omstandigheid buiten belanghebbendes macht en invloed, nl. de gedwongen overdracht. Daardoor zou zij het fiscale verlies in de VVP-onderwaardering definitief kwijtraken. Dat is onredelijk bezwarend.
adat die keuze onlosmakelijk was verbonden met de VVP-waardering op basis van de DNB-toereikendheidstoets. Aangezien het Hof die laatste waardering niet heeft toegestaan, had hij de belanghebbende moeten toestaan om daartegenover ook terug te komen van de marktwaardering van de vorderingen.
bdat goed koopmansgebruik verplicht tot samenhangende waardering van de hypothecaire vorderingen en de VVP. Het realiteitsbeginsel belet dat winst wordt genomen die in werkelijkheid niet is behaald omdat er een gelijk verlies tegenover staat, net zoals het belet dat een verlies wordt genomen dat in werkelijkheid niet is geleden omdat er een gelijke winst tegenover staat. De gedingstukken laten volgens de belanghebbende geen andere gevolgtrekking toe dan dat de VVP en de vorderingen in samenhang moeten worden gewaardeerd. Ook daarom had het Hof haar moeten toestaan terug te komen van haar marktwaarderingskeuze.
cdat het Hof ten onrechte van belang heeft geacht of die keuze heeft geleid tot onherroepelijke fiscale gevolgen. Zulke gevolgen beletten wel wijziging van etikettering van vermogensbestanddelen, maar volgens de belanghebbende nietwijziging van een waarderingsstelsel. Zou dit anders zijn, dan heeft het Hof haar achteraf een nieuw vereiste tegengeworpen zonder haar vooraf de gelegenheid te bieden navraag te doen bij (de koper van) [C] naar dier waardering van hypothecaire vorderingen in latere jaren. Zonder dier medewerking kon de belanghebbende daar niets over zeggen. Mede daarom heeft het Hof ook de bewijslast verkeerd verdeeld door die niet bij de Inspecteur te leggen.
ad 1dat onderdeel
afaalt omdat de overdracht van [C]
going concerngeschiedde. Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat [C] het levensverzekeringsbedrijf uitoefende in 2015 en latere jaren en de belanghebbende heeft niet weersproken dat zij premies inde, polissen beheerde en uitbetaalde ook na 1 januari 2015 en dat DNB met de overdracht juist de continuïteit van [C] wilde waarborgen in het belang van de polishouders. Hoe dan ook is de waardering van de VVP geregeld in het BWRV, waar de belanghebbende niet buiten valt doordat [C] in zwaar weer verkeerde. Onderdeel
bfaalt zijns inziens omdat een beroep op het evenredigheidsbeginsel niet pas in cassatie kan worden gedaan, nu beoordeling ervan feitelijk onderzoek vergt naar bijzondere omstandigheden bij de belanghebbende, waarvoor in cassatie geen plaats is.
middel 2in alle onderdelen ongegrond:
aomdat hij niet ziet hoe de marktwaardering van de vorderingen onlosmakelijk zou zijn verbonden met VVP-waardering op basis van de DNB-toereikendheidstoets. De ene keuze impliceert geenszins de andere;
bomdat beroep op samenhangende waardering zijns inziens niet pas in cassatie kan worden gedaan, nu het feitelijk onderzoek vergt of de risico’s van waardeontwikkeling van de VVP en van hypothecaire vorderingen in hoge mate zijn gecorreleerd. Bij het Hof heeft de belanghebbende slechts de blote stelling ingenomen dat DNB de VVP en de hypothecaire vorderingen als pakket zou hebben aangemerkt. Overigens staat goed koopmansgebruik volges hem niet in de weg aan winstneming als er een even groot verlies tegenover staat;
comdat het Hof volgesn de Staatssecretaris terecht heeft beoordeeld of de marktwaardering onherroepelijke fiscale gevolgen heeft gehad; uit HR
BNB1983/194 [8] volgt dat die maatstaf ook geldt bij wijziging van een waarderingsstelsel. Het Hof heeft zijns inziens terecht de bewijslast van het ontbreken van onherroepelijke fiscale gevolgen bij de belanghebbende gelegd en toereikend gemotiveerd geoordeeld dat zij dat bewijs niet heeft geleverd. [D] heeft de gedragslijn van [C] ter zake van de waardering van de hypothecaire vorderingen voortgezet en dier aanslagen staan al onherroepelijk vast.
repliceertad middel
1(a)dat gedwongen overdracht van verzekerings-verplichtingen op korte termijn zozeer overeenkomt met overdracht van die verplichtingen tegen de waarde in het economische verkeer dat goed koopmansgebruik haar toestaat of zelfs verplicht de VVP te waarderen op basis van de toereikendheidstoets. De ontstaansgeschiedenis van of de toelichting op het BWRV bevat geen aanwijzingen voor het tegendeel. Ad onderdeel
brepliceert zij dat haar beroep op het evenredigheidsbeginsel bij het Hof besloten lag in haar beroep bij het Hof op art. 1 Protocol Pro I EVRM. Subsidiair betoogt zij dat het de rechter onmogelijk is gemaakt om te beoordelen of het BWRV strookt met het evenredigheidsbeginsel doordat het BWRV onzorgvuldig is voorbereid en gebrekkig is gemotiveerd. Ad
middel 2herhaalt zij ad onderdeel
bdat goed koopmansgebruik zich verzet tegen winstneming bij een even groot verlies en stelt zij dat ruimschoots feitelijke grondslag voorhanden is voor de samenhang in waardeontwikkeling van de hypothecaire vorderingen met de VVP. Als extra argument tegen marktwaardering van de vorderingen stelt zij dat die waardering gebaseerd was op daling van de marktrente en dat, gelet op HR
BNB2004/163 [9] , zo’n rentedaling geen hogere waardering van een schuld rechtvaardigt. Hetzelfde geldt haars inziens dan in geval van een hogere waarde van een vordering door marktrentedaling. De belanghebbende persisteert ad onderdeel
cdat het Hof ten onrechte het al dan niet ontbreken van onherroepelijke fiscale gevolgen als beslissend criterium heeft beschouwd voor de vraag naar herroepbaarheid van haar marktwaarderingskeuze, nu HR
BNB1983/194 niet relevant is voor haar geval, waarin zij terug wil komen van een keuze in haar aangifte. U kunt volgens haar geen acht slaan op de door de Staatssecretaris gestelde status van aan [D] opgelegde aanslagen, nu die status in de feitelijke instanties niet is aangevoerd.
4.Middel 1: de waardering van de VVP
(a) is art. 2(1) BWRV van toepassing?
going concernstatus relevant is voor die toepasselijkheid en het Hof heeft overigens feitelijk en mijns inziens niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het levensverzekeringsbedrijf bleef draaien en dat DNB’s ingreep daar ook juist op gericht was. Onderdeel a strandt mijns inziens.
5.Middel 2: terugkomen van de marktwaardering van de hypothecaire vorderingen
(a) onlosmakelijk verband tussen VVP-waardering en vorderingenwaardering?
fiscaalrechtelijkonlosmakelijk met elkaar verbonden zouden zijn; het ging kennelijk om een commerciële keuze (zie r.o. 4.10 Hof).
hedgevereist, wat betekent dat een afdekking van risico’s is beoogd en bewerkstelligd: een
hedgeis zeer effectief voor zover (i) twee vermogensbestanddelen samenhangen doordat is beoogd hun waardeontwikkelingsrisico’s tegen elkaar te laten wegvallen en (b) zulks ook is bewerkstelligd doordat op balansdatum is te verwachten dat hun waardeontwikkelingen hoogstwaarschijnlijk tegengesteld zullen correleren binnen een bandbreedte van 80% tot 125%. Aangezien de waardeontwikkeling van een vermogensbestanddeel afhangt van verschillende factoren en dus van verschillende risico’s, moeten beide vereisten worden beoordeeld per specifiek risico. Dit volgt uit uw overzichtsarrest HR
BNB2025/74 [30] :
a) vermogensbestanddelen samenhangen, en wel
In een dergelijk geval verzet het tot goed koopmansgebruik behorende realiteitsbeginsel zich tegen een afzonderlijke waardering. Deze verplichting tot een samenhangende waardering strekt ertoe te voorkomen dat verliezen op bepaalde vermogensbestanddelen tot uitdrukking worden gebracht die in werkelijkheid niet zijn geleden omdat zij tegenover (vrijwel) gelijke winsten op andere vermogensbestanddelen staan. In het licht hiervan is het niet van belang of het gaat om gerealiseerde dan wel ongerealiseerde winsten of verliezen. [31]
Aan het aannemen van de hiervoor bedoelde samenhang staat niet in de weg de omstandigheid dat vermogensbestanddelen of contracten een verschillende levensduur of looptijd kennen. [33]
hedgebeoogd of effectief bewerkstelligd te hebben, laat staan ter zake van welk(e) risico(‘s). Met de Staatssecretaris meen ik daarom dat middelonderdeel 2(b) niet tot cassatie kan leiden.
hedgezou hebben bewerkstelligd. Zij voerde slechts aan dat (a) de vorderingen dienden tot dekking van haar verzekeringsverplichtingen en dus tegenover de VVP stonden, (b) de VVP-waardering op basis van de DNB-toereikendheidstoets de aanleiding was voor de opwaardering van de vorderingen, en (c) haar polishouders door winstdeling hebben gedeeld in het rendement op de vorderingen. Daarin valt mijns inziens geen beoogde, laat staan een bewerkstelligde effectieve
hedgete ontwaren. Dat een actief in die zin tegenover een passief staat dat het verhaal biedt, impliceert geen effectieve waardeontwikkelingscorrelatie. Dat een lelijke passiefkant commercieel aanleiding is om de actiefkant van de balans te verfraaien, impliceert eerder dat géén feitelijke correlatie bestaat maar dat het om een (commerciële) keuze gaat. En als het vorderingrendement feitelijk toekomt aan polishouders, zoals zij stelt, treft het waardeontwikkelingsrisico feitelijk hen en niet haar.
BNB1998/114 [36] lijkt mij niet ter zake. Dat in die zaak de polissen van een verzekeraar in samenhang moeten worden bezien met het beleggings-contract tot dekking van de polisverplichtingen was slechts bepalend voor de vraag naar welke rentevoet de VVP moest worden berekend omdat belegd werd tegen een gegarandeerde vaste rente en de polisuitkering dezelfde rente droeg minus 1%-punt voor kosten en winst.
BNB1983/194 [37] volgt het uitgangspunt dat dat mag zolang die keuze nog geen onherroepelijke fiscale gevolgen heeft gehad. Die zaak betrof een BV die in 1975-1978 een product (een detector) had ontwikkeld, aanvankelijk gewaardeerd op de daarmee gemoeide kosten. In 1977 wilde zij die kosten ten laste van de winst brengen. U achtte beide stelsels in overeenstemming met goed koopmansgebruik en stond aftrek toe zolang de activering nog niet had geleid tot onherroepelijke fiscale gevolgen. U overwoog:
expensen; PJW], terwijl het Hof voorts heeft geoordeeld dat in het midden kan blijven of ten tijde van de stelselwijziging het standpunt van belanghebbende met betrekking tot eerdere jaren in haar verhouding tot de fiscus reeds tot onherroepelijke gevolgen had geleid, waarop niet meer kan worden teruggekomen;
BNB1980/156 [38] . In die zaak maakte een tuinder in 1972 een boekwinst op de verkoop van grond en opstallen. In de aangifte 1972 gaf hij de boekwinst deels aan onder de landbouwvrijstelling en voegde hij hem deels toe aan een vervangingsreserve. In zijn aangifte 1973 wilde hij alsnog de gehele boekwinst onder de vrijstelling brengen met het oog op hogere afschrijving op de vervangende tuinbouwopstallen, maar de aanslag 1972 stond toen al onherroepelijk vast. Daarmee stond volgens u echter slechts vast
datde boekwinst niet in de heffing was betrokken, maar nog niet
welkdeel was vrijgesteld dan wel toegevoegd aan een reserve. Die verdeling had pas fiscaal gevolg voor de omvang van de afschrijving in 1973. Daarom stond u de tuinder herziening van diens keuze toe. U overwoog:
BNB1957/33 [39] betrof een NV die in 1950-1951 verlies leed en in 1952 winst maakte. Ingevolge het Besluit op de inkomstenbelasting 1941 zette zij de verliezen eerst af tegen een nieuwe onbelaste reserve (NOR) en voor het restant tegen de winst, waardoor voor alle genoemde jaren een aanslag uitbleef. Nadat zij aangifte 1953 had gedaan, wilde zij op andere wijze vervroegd afschrijven in de genoemde jaren met het oog op een hogere afschrijving in latere jaren. De inspecteur weigerde dat omdat hij de belanghebbende al had kennisgegeven dat de NOR volgens hem nihil was. U zag echter geen rechtsgevolg van die kennisgeving voor (de omvang van) de NOR; reden om de NV haar keuzeherziening toe te staan als haar eerdere keuze niet had moeten leiden tot een aanslag voor de genoemde jaren. U overwoog:
BNB1980/156 (zie 5.8 hierboven), is beslissend of waardering op kostprijs in een later jaar tot een andere fiscale-winstvaststelling zou hebben geleid dan waardering op marktwaarde. Dat arrest betreft een keuze in de aangifte voor een eerder jaar, maar dat lijkt mij niet anders voor een keuze in de aangifte voor het huidige jaar (zie HR
BNB1957/33 in 5.9 hierboven), zoals in casu. Als de andere waarderingswijze niet leidt tot een ander winstbedrag, mag de belanghebbende mijns inziens net als de tuinder in HR
BNB1980/156 nog terugkomen van haar keuze. Dan doet het er niet toe dat een aan [C] opgelegde aanslag voor een later jaar definitief is geworden. Als het Hof meende dat dat wél beslissend was, is die opvatting mijns inziens rechtskundig onjuist.
BNB1957/33 in 5.9). Het Hof heeft op dat punt niets vastgesteld en evenmin ter zake van andere gevolgen voor [C] ’ winstbepaling door waardering op marktwaarde.
nietgebeurd is, lijkt mij daarom in casu de inspecteur de meest gerede partij om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit volgt dat de keuze van de moeder wél onherroepelijke fiscale gevolgen heeft gehad bij de ontvoegde dochter of een eventuele nieuwe fiscale eenheid waarin die ontvoegde dochter na haar ontvoeging uit die van de belanghebbende gevoegd is. Nu het Hof het negatieve bewijs van de belanghebbende heeft verlangd (zie r.o. 4.15 Hof), heeft hij mijns inziens de bewijslast onjuist verdeeld.
6.Maar leidt dat ook tot cassatie?
BNB2001/258 [54] bent u ingegaan op standaardvoorwaarde 11, de voorganger van art. 15aj(5) Wet Vpb. Een BV had de materiële vaste activa in haar biscuitfabriek niet langer op kostprijs minus afschrijvingen gesteld, maar op lagere bedrijfswaarde. Die afwaardering reduceerde de fiscale winst van de moeder van de fiscale eenheid waartoe de BV behoorde in 1991 of 1992. In 1993 was de BV zelfstandig belastingplichtig. In 1994 behoorde zij vervolgens tot een fiscale eenheid met een andere moeder (moeder 2). Moeder 2 wilde meer kunnen afschrijven op de materiële vaste activa van de BV. Zij betoogde dat de boekwaarde van die activa op de eindbalans bij moeder 1 niet voor haar gold als de afwaardering onjuist was en dat die afwaardering inderdaad onjuist was geweest. Het hof had de BV gebonden geacht aan standaardvoorwaarde 11 die gold voor de fiscale eenheid tussen moeder 1 en de BV, en moeder 2 en de BV gebonden geacht aan standaardvoorwaarde 1 voor de fiscale eenheid tussen moeder 2 en de BV. Volgens die standaardvoorwaarde 1 hadden activa en passiva op de beginbalans van een fiscale eenheid dezelfde waarde als op de eindbalans van een maatschappij vóór voeging. Het hof trok uit beide voorwaarden het gevolg dat de afwaardering ook gold bij de waardering van die activa bij moeder 2. U verwierp het cassatieberoep daartegen:
zelfsals die gedragslijn onjuist zou zijn geweest. Moeder 2 had aangevoerd dat de afwaardering onjuist was, maar het hof had dat in het midden gelaten. Mijn toenmalig ambtgenoot Van Kalmthout concludeerde [55] dat daarom in cassatie verondersteld moest worden dat de afwaardering onjuist was. Ook verwierp u expliciet de opvatting in het cassatiemiddel dat voortzetting van de gedragslijn alleen verplicht zou zijn als de afwaardering juist was. Kortom: noch moeder 2, noch de BV mocht afwijken van de gedragslijn van moeder 1,
ongeachtof die gedragslijn (on)juist was.
BNB2001/258c* lijkt te impliceren dat de betrokken belastingplichtigen gehouden waren de op basis van Standaardvoorwaarde 1 en Standaardvoorwaarde 11 vastgestelde fiscale boekwaarden aan te houden, ongeacht of deze boekwaarden rechtens juist zijn. Hoewel de Hoge Raad dit in afwijking van het hof niet expliciet in zijn rechtsoverwegingen tot uitdrukking brengt, ligt aan deze beslissing mogelijk mede het volgende ten grondslag: de door belanghebbende voorgestane benadering zou tot gevolg hebben gehad dat ter zake van bepaalde activa ten onrechte twee maal een boekverlies in aanmerking was genomen.”
BNB2025/96 in 6.9), ook als die onjuistheid in cassatie slechts verondersteld wordt (zie 6.18). In de conclusie voor HR
BNB2001/258 betoogde A-G Van Kalmthout dat het hof had moeten onderzoeken of onjuiste afwaardering had kunnen worden hersteld met de foutenleer (of navordering of gewetensgeld), [58] maar u achtte het desbetreffende middel ongegrond met slechts verwijzing naar art. 101a (thans 81) Wet RO. Dat oordeel laat geen conclusie toe over de vraag waarom u noch de BV, noch moeder 2 toestond om met de foutenleer terug te komen van een eventueel onjuiste afwaardering door moeder en heeft dus aanleiding gegeven tot discussie in de literatuur, [59] maar voor ons geval doet die discussie mijns inziens niet ter zake omdat de balansdiscontinuïteit bij terugkeer door de belanghebbende naar kostprijswaardering hoe dan ook niet met de foutenleer valt te voorkomen (zie 6.10-6.11).
BNB2001/258 zou nemen voor de toepassing van art. 15aj(5) Wet Vpb: [60]
BNB2001/258c
*na 1 januari 2003 hetzelfde zal luiden: de afwaardering tijdens fiscale eenheid 1 is een omstandigheid die op de voet van art. 15aj lid 5 Wet VPB 1969 maatgevend wordt voor de ontvoegde dochtermaatschappij A BV, terwijl de fictieve toerekening op de voet van art. 15 lid 1 of Pro 2 Wet VPB 1969 betekent dat fiscale eenheid 2 rekening zal hebben te houden met de indertijd door fiscale eenheid 1 in aanmerking genomen en na haar ontvoeging A BV aangaande afwaardering op bedrijfswaarde.”
BNB2001/258 zijn belang heeft behouden na 1 januari 2003, toen standaardvoorwaarde 11 is ingetrokken en art. 15aj(5) Wet Vpb in werking trad. Het wetsvoorstel waarbij art. 15aj(5) is ingevoerd, strekte er immers onder meer toe om de bestaande standaardvoorwaarden te uniformeren en te codificeren (zie 6.13). Art. 15aj(5) gaat zelfs nog verder door niet slechts de in standaardvoorwaarde 11 opgenomen plicht tot voortzetting voor de gedragslijn van waardering van activa en passiva te codificeren (zie 6.14 en 6.16), maar volledige indeplaatstreding te fingeren (zie 6.15).
BNB2001/258 impliceert dat [C] de waardering van de hypothecaire vorderingen op marktwaarde moest handhaven, zelfs als die waardering onjuist zou zijn (zie 6.18), en
a fortioridat zij daartoe verplicht was als die waardering wél juist was maar zou worden vervangen door een ander, eveneens juist waarderingsstelsel. Art. 15aj(5) Wet Vpb biedt dus evenmin als de foutenleer een basis voor correctie bij [C] als de belanghebbende de vorderingen zou terugstellen op kostprijs.
datgevolg is onherroepelijk. Bij [C] is navordering moeilijk denkbaar (zie 6.7). Hetzelfde geldt voor betaling van gewetensgeld (zie 6.8). De foutenleer en art. 15aj(5) Wet Vpb (zie 6.10-6.11 resp. 6.22) bieden evenmin correctie-mogelijkheden bij [C] . Die opvatting past mijns inziens bij HR
BNB2001/258 waarin u de afwaardering bij de moeder onherroepelijk achtte voor de stiefmoeder, denkelijk omdat anders de winst van de BV deels onbelast zou blijven (zie 6.19-6.20).