Conclusie
1.Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid,
[eiseres]respectievelijk
Bpf Bouw,
O&O-fonds,
Aanvullingsfonds, en verweersters gezamenlijk als
bouwfondsen.
1.Inleiding
2.Feiten
[A]) is een zustervennootschap van [eiseres] . [A] , die eveneens op 1 mei 2014 is opgericht, is actief op het gebied van bouwkundige brandpreventie. [3] [A] houdt zich bezig met het inspecteren van gebouwen op brandveiligheid, het adviseren over te nemen maatregelen in het kader van brandpreventie en de uitvoering van die maatregelen. Ter uitvoering van die werkzaamheden worden zowel werknemers van [eiseres] ingeleend als externe arbeidskrachten, zoals uitzendkrachten en zzp’ers, ingezet. [A] heeft geen eigen personeel in dienst.
Verplichtstellingsbesluit).
cao bouw) en de cao Bedrijfstakeigen Regelingen [7] (hierna: de
cao BTER).
bouwfondsen. Het Verplichtstellingsbesluit, de cao bouw en de cao BTER worden hierna gezamenlijk aangeduid als de
bouwregelingen.
werkingssfeerbepaling. Daarin wordt bepaald dat werknemers in ondernemingen op het gebied van Bouw & Infra, zoals aldaar nader gedefinieerd, binnen de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen.
TBB) heeft van de bouwfondsen opdracht gekregen bij [eiseres] een ‘werkingssfeeronderzoek’ te verrichten. TBB heeft dit onderzoek uitbesteed aan APG, tevens de uitvoeringsorganisatie van Bpf Bouw. Dit onderzoek heeft zich gericht op de jaren 2012 tot en met 2014. Het doel ervan was om per sector vast te stellen of [eiseres] bedrijfsactiviteiten verricht die vallen onder de bouwregelingen.
omzetonderzocht. Volgens APG werd in 2012 48,51% van de omzet in de bouwnijverheid behaald, in 2013 was dat 77,94% en in 2014 75,57%. Voor de verdeling van de loonsom is uitgegaan van dezelfde percentages, waarbij door anderen dan werknemers uitgevoerde werkzaamheden buiten beschouwing zijn gelaten.
kantonrechter) voor recht verklaart dat [eiseres] niet onder de werkingssfeer van de bouwregelingen valt. In reconventie vorderden de bouwfondsen – samengevat – een verklaring voor recht dat [eiseres] vanaf 1 januari 2013 onder de werkingssfeer van de bouwregelingen valt en vorderden zij betaling van pensioenpremies aan elk van de fondsen vanaf genoemde datum.
hof). Bij arrest van 19 januari 2021 [10] (hierna:
eerste tussenarrest) heeft het hof – samengevat – het volgende geoordeeld:
tweede tussenarrest) is door het hof een deskundige benoemd en zijn vragen aan hem voorgelegd. (rov. 2.4 t/m 2.6) Die vragen gingen niet zozeer over het type activiteiten in een brandpreventietraject, maar over de zogeheten ‘loonsomvergelijking’: de berekende jaarlijkse loonsom van de werknemers die zich met bouwactiviteiten bezighouden vergeleken met de berekende jaarlijkse loonsom van de werknemers die zich niet met bouwactiviteiten bezighouden.
eindarrest) heeft het hof het eindvonnis van de kantonrechter vernietigd. Het hof heeft, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiseres] afgewezen en de vorderingen van de bouwfondsen toegewezen. Daartoe heeft het hof – zakelijk weergegeven – als volgt overwogen:
4.Juridisch kader
A). Dan ga ik in op rechtspraak over het begrip ‘onderneming’ in een cao of verplichtstellingsbesluit (
B). Tot slot analyseer ik de werkingssfeerbepaling in het Verplichtstellingsbesluit, die niet uitblinkt in duidelijkheid (
C).
De cao-norm
Het ondernemingsbegrip in verplichtstellingsbesluiten.
FNV/[…]uit 2016 ging het erom of verschillende groepsvennootschappen onder de cao voor de Gemaksvoedingsindustrie vielen hoewel maar één van die vennootschappen zich bezighield met de productie van gemaksvoeding. De Hoge Raad oordeelde dat ook indien sprake is van een groep of concern: [31]
Picnic. [32] Aan de orde was of de cao voor het levensmiddelenbedrijf alleen van toepassing is op een werkgever-rechtspersoon die een winkel exploiteert of dat daar ook rechtspersonen onder moeten worden geschaard waarvan de activiteiten samenhangen met het exploiteren van een (online) winkel binnen hetzelfde concernverband. De kantonrechter oordeelde dat de eerste (en dus de enge) opvatting juist was.
PFZW/Stichting Joyce-Housebestuurde een moederstichting twee dochters die dagverblijven voor gehandicapten exploiteerden. De dochters waren (verplicht) aangesloten bij PFZW. De moederstichting verrichtte alleen ondersteunende administratieve diensten. Bepaald was dat deelneming in het pensioenfonds verplicht was gesteld voor ‘werkgevers in de zorg’, te weten: entiteiten die vormen van zorg verleenden die waren opgenomen in het daar toepasselijke verplichtstellingsbesluit. Was de moederstichting ook een ‘werkgever in de zorg’? De kantonrechter oordeelde van wel en koos daarmee voor de ruime uitleg van het begrip ‘onderneming’: "
voor de reikwijdte van de verplichtstelling [moeten] de moeder en de beide dochters als één geheel (…) worden gezien.” [33] Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde anders. Volgens dat hof moeten de activiteiten van een werkgever bestaan uit het daadwerkelijk zelf verlenen van zorg, wat gevolg had dat de moederstichting
nietonder de verplichtstelling viel. Een ruime uitleg zou ook tot onduidelijkheid bij werkgevers kunnen leiden. Genoemd hof achtte dat onwenselijk. [34]
FNV/[…]overweegt de kantonrechter dat “
een beoordeling per juridische entiteit, in dit geval vennootschap, dient plaats te vinden.”
PFZW/Stichting Joyce-Housede werkingssfeerbepaling voor het PFZW verruimd. In de tekst werd toegevoegd tekst dat het verplichtstellingsbesluit ook van toepassing is op gelieerde rechtspersonen binnen de groep waartoe de werkgever die zorg verleent behoort, “
inclusief de rechtspersoon die in een groepsverhouding is verbonden met en nagenoeg uitsluitend ten dienste staat aan een werkgever die zorg of hulp verleent (…).” [37] Van geval tot geval moet aan de hand van de tekst van de werkingssfeerbepaling worden bepaald op welke werknemers de verplichtstelling van toepassing is.
De werkingssfeerbepaling in het Verplichtstellingsbesluit
rechtspersoonis bedoeld. De werkingssfeerbepaling bevat daarvoor ook, indirect, een tekstuele aanwijzing. Bepaald is namelijk dat ook uitzendondernemingen binnen de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit vallen wanneer zij arbeidskrachten ter beschikking stellen en zij “
onderdeel zijn van eenconcern dat bestaat uit (een) onderneming(en)als bedoeld in A, 2 sub a en b onder 4 en 5”. Uit de door mij onderstreepte woorden blijkt dat in deze context ‘onderneming’ kennelijk niet synoniem is aan ‘concern’.
onderstrepingen toegevoegd, ook in de citaten hierna; A-G):
bouwwerken c.q. bouwactiviteiten, waarbij onder bouwwerken c.q. bouwactiviteiten wordt verstaan respectievelijk daarmee wordt gelijkgesteld:
A.2, sub a, onder 1, worden onder a t/m ff limitatief opgesomd de activiteiten die meebrengen dat een onderneming onder het begrip ‘ondernemingen op het gebied van het bouw- en infrabedrijf’ valt. Daarbij wordt geen minimumgrens gehanteerd
.Als een onderneming bijvoorbeeld slechts voor 10% van haar werkzaamheden bouwactiviteiten verricht, is zij reeds een onderneming als bedoeld in A.2, sub a, onder 1. Dit wil echter niet zonder meer zeggen dat de werknemers van die onderneming onder de verplichtstelling vallen. Als de onderneming in kwestie namelijk overwegend activiteiten op andere gebieden verricht, valt de onderneming niet onder de verplichtstelling en hoeven de werknemers van die onderneming zich dus niet bij het bedrijfstakpensioenfonds aan te sluiten. Dat geldt ook voor de individuele werknemers die worden ingezet op de 10% bouwactiviteiten.
A.2, sub a, onder 8aworden onder 1 t/m 22 de activiteiten opgesomd die kunnen meebrengen dat een onderneming die een of meer van die activiteiten verricht,
nietonder ‘de categorie ondernemingen op het gebied van het bouw- en infrabedrijf’ valt. Deze bepaling, die in de gedingstukken ook wordt aangeduid als de
uitzonderingsbepaling, luidt als volgt:
nietverstaan ondernemingen, waarvan het bedrijf
in overwegende mateis gericht op productie (respectievelijk dienstverlening) voor of aan derden op de hiernavolgende gebieden.
De overwegende productie wordt bepaald door een vergelijking van de in elke productie verloonde bedragen.
Isolatiebedrijfwaaronder wordt verstaan
het door de onderneming zelf aanbrenqen,herstellen, bekleden, afwerken en/of onderhouden
van isolerende materialen
tegen vuur, vocht, geluid en/of vibratie, (…)
Overige werkendie naar hun aard niet tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend."
in overwegende mate’de uitgezonderde activiteiten verrichten. Of aan die voorwaarde is voldaan wordt niet bepaald op basis van de met elk van de categorieën van activiteiten behaalde omzet maar op basis van de daarmee gemoeide loonsom. Er dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de loonsom die is toe te rekenen aan de bouwactiviteiten van een onderneming en de loonsom die is toe te rekenen aan activiteiten van die zelfde onderneming op andere gebieden (hierna:
loonsomvergelijking).
5.Bespreking van de in het cassatiemiddel aangevoerde klachten
Onderdeel 1bevat motiveringsklachten tegen oordelen dat bepaalde punten niet in geschil zijn.
Onderdeel 2voert rechts- en motiveringsklachten aan over de uitleg van de werkingssfeerbepaling.
Onderdeel 3richt klachten tegen de beslissing om het oordeel van de deskundige te volgen.
Onderdeel 4tot slot bevat een voortbouwklacht.
rov. 3.6 van het eerste tussenarresten
rov. 2.6 en rov. 2.10 van het eindarrest. Deze overwegingen luiden als volgt (
mijn onderstrepingen, ook in de citaten hierna, A-G):
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of (1) het aanbrengen van brandwerende voorzieningen aan plafonds en muren en/of het afdichten van brandwerende scheidingen onder de bouwregelingen vallen en of deze activiteiten, gegeven de daaraan toe te rekenen loonsom, (2) hoofdzakelijk onder de uitzondering voor het isolatiebedrijf vallen, of (3) naar hun aard niet onder de bouwregelingen vallen.(…) Volgens [eiseres] bestaat een brandpreventietraject in grote lijnen uit zes fasen. Fase 1 bestaat uit een opname van de locatie om de gebreken in de brandveiligheidseisen vast te stellen en advies uit te brengen ten aanzien van aan te brengen verbeteringen in het kader van brandpreventie. In fase 2 stelt [eiseres] een plan van aanpak op en in fase 3 stelt [eiseres] een opnamerapport samen. Dit opnamerapport wordt tijdens de uitvoeringsfase continue geactualiseerd aan de hand van de uitgevoerde verbeterpunten. In fase 4 stelt [eiseres] een voorstel op voor verbeterpunten.
In fase 5 voert [eiseres] de verbeterpunten uit, bestaande uit het (doen) aanbrengen van brandwerende voorzieningen.Ten slotte doet [eiseres] in fase 6 een voorstel voor kwaliteitsborging.
Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden in fase 5 bouwactiviteiten zijn.Partijen zijn het er (uiteindelijk) ook over eens dat uitbesteding door [eiseres] van de activiteiten in fase 5 aan [A] niet ter zake doet, nu het daarvoor benodigde personeel in dienst is van [eiseres] . [eiseres] stelt daarbij dat zij ook werkzaamheden verricht in fase 1 tot en met 4 zonder dat [eiseres] of [A] betrokken is bij fase 5 en 6. De bouwfondsen stellen zich op het standpunt dat de werkzaamheden in fase 1 tot en met 4 noodzakelijke voorbereidingen zijn voor het uitvoeren van de bouwactiviteiten in fase 5. Die werkzaamheden vallen of rechtstreeks onder de werkingssfeer van de bouwregelingen (als Uitvoerend, Technisch of Administratief werk), of betreffen “andere dienstverlening”, dan wel zijn dienstbaar aan fase 5. Hoe dan ook is het onmogelijk om de werkzaamheden in fase 5 uit te voeren zonder de voorbereiding in fase 1 tot en met 4. De loonsom voor de werkzaamheden in alle voorbereidingsfasen en in fase 5 en 6 moet dus in aanmerking worden genomen, aldus de bouwfondsen.”
alsmede het oordeel dat de fase 5 activiteiten bouwactiviteiten zijn.Het hof is aan deze oordelen die als eindbeslissingen hebben te gelden, gebonden. Van uitzonderlijke omstandigheden die dit anders maken, is geen sprake.
In aanmerking genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat de werkzaamheden in fase 5 bouwactiviteiten zijn - zie hiervoor rov. 3.6 van het tussenarrest van 19 januari 2021 - betekent dit dat [eiseres] in 2014 in overwegende mate bouwactiviteiten verricht en daarmee onder de bouwregelingen valt.Bij dit oordeel zijn niet eens meegenomen de activiteiten vallend in fase 1 tot en 4 voor zover die hebben geleid tot activiteiten in fase 5, hoewel ingevolge de tussenarresten van 19 januari 2021 en 1 juni 2021 ook die activiteiten zouden moeten worden betrokken. Hetzelfde geldt voor de activiteiten in fase 6.”
ten eerstezo omdat die beslissing niet strookt met de overweging dat partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag of het aanbrengen van brandwerende voorzieningen onder de bouwregelingen vallen, of dat zij daarvan zijn uitgezonderd (rov. 3.6, eerste zin, eerste tussenarrest).
Ten tweedeblijkt uit de gedingstukken dat [eiseres] wel degelijk heeft betwist dat werkzaamheden in fase 5 bouwactiviteiten zijn, althans dat die werkzaamheden dat in hun geheel zijn.
eerste argumentdat het onderdeel aanvoert gaat niet op. Het hof overweegt dat tussen partijen in geschil is of fase 5 activiteiten
onder de bouwregelingen valt. Dat is niet strijdig met het bestreden oordeel dat niet in geschil is dat fase 5 activiteiten
bouwactiviteiten zijn. De kwalificatie als ‘bouwactiviteit’ betekent immers niet zonder meer dat die activiteit ook onder de bouwregelingen valt. [41]
tweede argumentgaat wel op. Uit de gedingstukken blijkt dat de (primaire) stelling van [eiseres] was dat het aanbrengen van brandwerende voorzieningen (in het geheel) géén bouwactiviteit is. In eerste aanleg is deze stelling [42] door de bouwfondsen ook in die zin begrepen en betwist. [43] In rov. 3 van het eindvonnis overweegt de kantonrechter dat [eiseres] heeft gesteld sedert 2014 geen bouwactiviteiten meer te verrichten. In hoger beroep heeft [eiseres] dit standpunt niet gewijzigd. [44]
rov. 3.6 (eerste zin) van het eerste tussenarrestzo moet worden begrepen dat [eiseres] volgens het hof (enkel) heeft gesteld dat het aanbrengen van brandwerende voorzieningen valt onder de ‘isolatie-uitzondering’ (punt 16) of onder de ‘overige-uitzondering’ (punt 22), het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken heeft gegeven. [eiseres] heeft zich namelijk ook beroepen op de uitzondering voor schilderen en afwerken (punt 6) en de uitzondering voor het stukadoors-, afbouw- en terrazzo-/vloerenbedrijf (punt 8). Ik verwijs naar 4.21 hiervoor.
onder 17) tegen het in
rov. 3.6 van het eerste tussenarrestvervatte oordeel dat partijen het (uiteindelijk) ook erover eens zijn dat uitbesteding door [eiseres] van de activiteiten in fase 5 aan [A] niet ter zake doet, nu het daarvoor benodigde personeel in dienst is van [eiseres] . Ten eerste heeft [eiseres] , in processtukken ná het eerste tussenarrest, (herhaaldelijk) gesteld dat [eiseres] en [A] niet over één kam moeten worden geschoren. Ten tweede valt uit de gedingstukken niet af te leiden dat partijen het hierover eens zijn. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 maart 2020 rept daar ook niet over.
eerste argumentgaat niet op. Nu de klacht zich enkel richt tegen het eerste tussenarrest doen stellingen die daarna zijn aangevoerd niet ter zake.
tweede argumentgaat wel op. Uit de gedingstukken blijkt niet dat partijen het erover eens zouden zijn dat de fase 5 activiteiten worden uitgevoerd door (personeel in dienst van) [eiseres] . Volgens [eiseres] hebben haar medewerkers zich in de in jaren 2013 en 2014 slechts voor 16% respectievelijk 17% van de totale arbeidsduur bezig gehouden met het feitelijk aanbrengen van brandwerende voorzieningen en dus met fase 5 activiteiten. Die werkzaamheden worden voor de rest uitgevoerd door uitzendkrachten of zzp’ers. [50] In haar memorie van antwoord [51] en in haar pleitnota in appel [52] herhaalt [eiseres] dat standpunt.
rov. 2.10 van het eindarrest, alsmede tegen de overwegingen waarop die overweging is gestoeld (rov. 3.6 t/m 3.8 eerste tussenarrest, rov. 2.1, 2.2 en 2.6 tweede tussenarrest, en rov. 2.1, 2.2, 2.5 t/m 2.9 eindarrest). In aanvulling op de in 5.3 reeds geciteerde rov. 3.6 van het eerste tussenarrest en de rov. 2.6 en 2.10 van het eindarrest citeer ik de volgende overwegingen:
De isolatie-uitzondering
[eiseres]geen beroep toe op de isolatie-uitzondering, omdat met de vaststelling dat maar een beperkt deel
van haar bedrijfsactiviteitenhieronder valt niet is voldaan aan het vereiste dat het bedrijf in overwegende mate is gericht op het gebied van het isolatiebedrijf. In zoverre slaagt grief 3.
naar hun aard niet tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend. […].”
Vraagstelling
uitgangspuntheeft te gelden dat onder
bouwactiviteiten van [eiseres]waaronder begrepen de aan dochteronderneming [A] uitbestede werkzaamheden die worden verricht door werknemers van, of door of in opdracht van, of via, [eiseres] ingeleende werknemers - moet worden verstaan werkzaamheden die vallen onder fase 5 (…).”
betekent dit dat [eiseres] in 2014 in overwegende mate bouwactiviteiten verricht en daarmee onder de bouwregelingen valt.Bij dit oordeel zijn niet eens meegenomen de activiteiten vallend in fase 1 tot en 4 voor zover die hebben geleid tot activiteiten in fase 5, hoewel ingevolge de tussenarresten van 19 januari 2021 en 1 juni 2021 ook die activiteiten zouden moeten worden betrokken. Hetzelfde geldt voor de activiteiten in fase 6.”
per ondernemingmoeten worden beoordeeld en dus niet voor de gehele groep. Over dit uitgangspunt lijken partijen het
eenste zijn. [54] De tekst van de bouwregelingen laat inderdaad zien dat binnen een concern meerdere ondernemingen actief kunnen op het gebied van bouw & infra. [55] Hieruit kan in ieder geval worden afgeleid dat het gaat om de activiteiten van
eenonderneming, niet om de activiteiten van een
groepvan ondernemingen. Ik verwijs ook naar wat ik hierover in algemene zin heb opgemerkt in het juridisch kader (hoofdstuk 4, onder B).
[eiseres]in 2014 in overwegende mate bouwactiviteiten heeft verricht. De enige bouwactiviteiten die dat jaar binnen de groep zijn verricht waren de fase 5- activiteiten en die werden volledig door
[A]verricht. [56] Het hof heeft echter vastgesteld dat ter uitvoering van de werkzaamheden van [A] – onder meer – medewerkers van [eiseres] werden ingehuurd (rov. 2.2 eerste tussenarrest). Deze werkzaamheden kunnen worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of de
werknemersvan [eiseres] onder het Verplichtstellingsbesluit vallen, maar niet bij de beantwoording van de daaraan voorafgaande vraag of [eiseres] (in de zin van [eiseres] B.V.) een
ondernemingis met activiteiten op het gebied van het bouw- en infrabedrijf. Dit heeft het hof miskend. Als een onderneming door werknemers uit te lenen aan een andere – al dan niet-gelieerde – onderneming faciliteert, heeft dit niet tot gevolg dat de eerste onderneming (de uitlener) activiteiten verricht waarop de verplichtstelling betrekking heeft. [57]
onder 25is geformuleerd voor het geval het hof niet zou hebben miskend dat per onderneming moet worden vastgesteld of die onderneming onder het begrip ‘ondernemingen op het gebied van het bouw- en infrabedrijf’ valt. Dat geval doet zich niet voor, gelet op mijn bespreking van de vorige klacht.
onder 26met een rechts- en motiveringsklacht dat het hof in rov. 2.1, 2.2 en 2.6 van het eindarrest [58] ten onrechte heeft overwogen dat [A] een dochter van [eiseres] is. Dit is in strijd met de vaststelling van het hof in rov. 2.2 van het eerste tussenarrest dat [A] een zusteronderneming van [eiseres] is.
27-29klaagt [eiseres] dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling ten aanzien van de uitzonderingsgronden waarop [eiseres] zich heeft beroepen. In
rov. 3.7-3.8 van het eerste tussenarrestoverweegt het hof het volgende:
De isolatie-uitzondering [nr. 16]
Aldus komt [eiseres] geen beroep toe op de isolatie-uitzondering, omdat met de vaststelling dat maar een beperkt deel van haar bedrijfsactiviteiten hieronder valt niet is voldaan aan het vereiste dat het bedrijf in overwegende mate is gericht op het gebied van het isolatiebedrijf. In zoverre slaagt grief 3.
door een vergelijking van de verloonde bedragen.(…).”
samenmaken dat “
het bedrijf in overwegende mate is gericht op de productie voor en/of dienstverlening aan derden op de hieronder genoemde gebieden” [60] , dat wil zeggen: de uitgezonderde gebieden. [61]
het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten”. Daar wordt niet gepreciseerd hoe gedeeltelijk ‘gedeeltelijk’ kan zijn. Er is, anders gezegd, niet voorzien in een ‘hoofdzaakcriterium’ dat bepaalt dat een onderneming of onderdeel daarvan zich voor meer dan 50% bezig houdt met die specifieke activiteiten. Ervan uitgaande (i) dat ‘in overwegende mate’ moet worden uitgelegd als ‘meer dan 50%’, (ii) de andere activiteiten dan bouwactiviteiten voor de loonsomvergelijking samen moeten worden genomen (zie daarover hieronder), en (iii) die andere activiteiten ook samen minder dan 50% van de loonsom genereren, zal de uitkomst zijn dat meer dan 50% van de loonsom aan bouwactiviteiten kan worden toegerekend. In die optiek wordt feitelijk dus ook voor bouwactiviteiten het criterium ‘in overwegende mate’ toegepast. In deze zijn ofwel de bouwactiviteiten goed voor meer dan 50% van de totale loonsom van de onderneming, ofwel de andere activiteiten zijn dat met elkaar.
elkeproductieafzonderlijk. [62]
een vergelijking van de in elke productie en/of dienstverlening verloonde bedragen” zou zijn bedoeld een vergelijking per uitzonderingsgebied te maken, dan had een formulering voor de hand gelegen die dat expliciet tot uitdrukking brengt. Bovendien was dan een alternatieve opsomming van de uitzonderingen, dus met het voegwoord ‘of’, passender geweest.
overige werken die naar hun aard niet tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend’ (nr. 22). Voor de overige 40% verricht de onderneming bouwactiviteiten. Bij die verdeling is in de opvatting van de bouwfondsen wél sprake van een onderneming waarvan het bedrijf ‘in overwegende mate’ is gericht op productie op een ander gebied dan bouwactiviteiten. De aansluitplicht zou dan niet gelden, hoewel het percentage bouwactiviteiten met 40% hoger is dan in het vorige voorbeeld (30%).
andere activiteiten gezamenlijkde 50% overschrijdt om buiten de werkingssfeer te vallen. Indien dat het geval is, dan is de aansluitplicht niet van toepassing. Indien de andere activiteiten gezamenlijk minder dan 50% uitmaken van de totale loonsom, dan is de aansluitplicht wel van toepassing op de werknemers in dienst van de betrokken onderneming, ook op werknemers die niet voor de bouwactiviteiten worden ingezet.
rov. 2.10 van het eindarrestdat [eiseres] onder de bouwregelingen valt, behoeft geen afzonderlijke bespreking.
rov. 3.7 van het eerste tussenarrest(zie 5.24). Het beroep van [eiseres] op de isolatie-uitzondering wordt daar verworpen omdat slechts een klein deel van de activiteiten van [eiseres] onder de isolatie-uitzondering kan worden gebracht. Volgens [eiseres] zou het hof zich daarbij hebben gebaseerd op haar memorie van antwoord (nr. 41). Met wat zij op die plaats heeft aangevoerd, is volgens [eiseres] echter bedoeld dat isolatie-werkzaamheden afgezet tegen
haarkernactiviteiten van brandveiligheid en -preventie (zie rov. 2.1 eerste tussenarrest) een ondergeschikt karakter hebben. Omdat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] niet onder de bouwregelingen vallen, had het hof moeten beoordelen of de isolatie-activiteiten van de andere vennootschap, [A] , al dan niet een ondergeschikt onderdeel van de bedrijfsactiviteiten zijn van [A] zijn.
Organisatie van [eiseres]
aanbrengen van brandwerende voorzieningen.Op die manier ontstaan brandveilige appartementen.
De werkzaamheden die [A] verricht met betrekking tot het aanbrengen van brandwerende voorzieningen, vallen onder de uitsluitingsgrond van art. 2 lid 5 cao Pro Bouwnijverheid en BTER onder 6, 8, 16 en/of 22.(…) De aard van de activiteiten is gericht op brandpreventie. [eiseres] is geen bouwonderneming in de zin va[n] de Regelingen.
de activiteiten van [eiseres] deels bestaan uit de groothandel in producten ten behoeve van brandbeveiliging, zoals onderhoud, reparatie, controle en verkoop van brandblusapparatuur, alsmede het aanbrengen van voorzieningen om brand te bestrijden en het verzorgen van cursussen.Partijen zijn het er over een dat deze werkzaamheden niet vallen onder de regelingen.
Daarnaast richt [eiseres] zich, al dan niet in opdracht van [A] B.V., op werkzaamheden als het afdichten van brandwerende scheidingen en het aanbrengen van brandwerende voorzieningen aan plafonds en muren.Dat deze werkzaamheden elders dan in industrieën worden verricht, is niet goed denkbaar. Althans door de fondsen is onvoldoende onderbouwd dat buiten de industrie - in de algemene zin van het woord - de activiteiten worden verricht, terwijl uit de omschrijving van de KvK van de activiteiten van [eiseres] volgt, dat deze voor de industrie werkzaam is. Geoordeeld wordt dat deze werkzaamheden vallen onder de uitsluiting van artikel 2A.2.a.8a Verplichtstellings-besluit en artikel 2 lid 5 CAO Pro, namelijk het door de onderneming zelf aanbrengen, (…), van isolerende materialen tegen vuur.
Volgens [eiseres] is dit overigens voor een kleiner deel. Ook deze werkzaamheden kunnen derhalve niet leiden tot aansluiting van [eiseres] bij de fondsen.”
Aard van het geschil, feiten en omstandigheden
wordt de suggestie gewekt dat [eiseres] zich vooral richt op het aanbrengen van brandwerende voorzieningen aan plafonds en muren en het afdichten van brandwerende scheidingen en daarmee valt te vergelijken met een ‘bouwbedrijf’.Het standpunt van de bouwfondsen is dat [eiseres] in hoofdzaak activiteiten verricht die wél vallen onder de bouwregelingen.
En daarover verschillen partijen van mening.
[eiseres] stelt dat zij in hoofdzaak activiteiten verricht dienietonder de bouwregelingen vallen.Zij is dan ook niet tot premieafdracht aan de bouwfondsen gehouden en dat is door de rechtbank in eerste aanleg terecht vastgesteld.
is dat nog steeds een ondergeschikt onderdeel van de activiteiten van [eiseres] en zeker van de activiteiten die door haar eigen werknemers worden uitgevoerd. Als [A] B.V. brandwerende voorzieningen aanbrengt, wordt dat slechts in beperkte mate uitgevoerd door eigen werknemers van [eiseres](16% van alle arbeidsuren binnen de hele onderneming van [eiseres] in 2013 en 17% in 2014, zie de producties 15a, 15b, 16a en 16c [bedoeld zal zijn 16b, A-G] bij de dagvaarding in eerste aanleg). Meestal huurt [eiseres] daarvoor derden in, zoals ZZP’ers.
Haar isolatieactiviteiten vormen een ondergeschikt onderdeel van haar core business: brandpreventie- en veiligheid.
Zij stelt enkel dat een (beperkt deel) van haar bedrijfsactiviteiten onder de isolatie uitzondering kunnen worden gebracht.Deze isolatie uitzondering gaat immers over type activiteiten. De rechtbank heeft [eiseres] daarin gelijk gegeven. (…).”
zelfweinig tot geen isolatiewerkzaamheden verricht, maar dat zusteronderneming [A] dat wel doet. Het is dan ook ten aanzien van de werkzaamheden van [A] dat [eiseres] zich in de inleidende dagvaarding (onder 24, zie citaat hierboven) heeft beroepen op de isolatie-uitzondering. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is dit nog eens benadrukt in de pleitnota zijdens [eiseres] onder 3:
en dan gaat het om [A]: het aanbrengen van brandwerende voorzieningen aan plafonds en muren en het afdichten van brandwerende scheidingen. (…).”
geen belangheeft. Zij heeft namelijk zelf benadrukt dat het beroep op de isolatie-uitzondering enkel is gedaan voor [A] (en niet voor haar zelf), terwijl dit geschil erover gaat of zij, [eiseres] (en niet [A] ), onder het Verplichtstellingsbesluit valt. Nu de stelling van [eiseres] dat dit niet zo is niet is gebaseerd op de isolatie-uitzondering, heeft het oordeel van het hof dat [eiseres] zich niet met vrucht op die uitzondering kan beroepen geen gevolgen voor de eindbeslissing dat [eiseres] binnen de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit valt.
onder 31richt [eiseres] haar pijlen op
rov. 2.10 van het eindarrest. Het hof volgt daarin de deskundige die heeft vastgesteld dat [eiseres] onder de bouwregelingen valt omdat volgens hem 54,54% van de activiteiten van ‘ [eiseres] ’ [64] is gerelateerd aan de fase 5 activiteiten (en dus aan bouwactiviteiten). Volgens het middel getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof daarmee heeft miskend dat het begrip ‘verloonde bedragen’ uit de bouwregelingen zo moet worden uitgelegd dat het gaat om premieplichtig (bruto)loon dat de onderneming c.q. werkgever zelf moet betalen. [65] Het begrip omvat daarom alleen het loon van werknemers en niet tevens inkomen van zelfstandigen, onderaannemers, uitzendkrachten en/of aannemers die worden ingezet bij het verrichten van bouwactiviteiten.
Ook het hiervoor onder 2.4 vermelde betoog van [eiseres] dat inleenkrachten (D), zzp’ers en onderaannemers (E) alsmede uitzendkrachten en aannemers (F) niet moeten worden meegenomen bij de loonsomvergelijking, gaat niet op. Het gaat er immers niet om of die groepen arbeidskrachten wel of niet onder de bouwregelingen vallen, maar om de vraag of [eiseres] met haar activiteiten die zij door eigen werknemers of derden zoals voormelde arbeidskrachten laat verrichten onder de bouwregelingen valt. Voor de beantwoording van die vraag doet het er niet toe wie - werknemers in loondienst van [eiseres] of derden die door of vanwege [eiseres] worden ingehuurd - de activiteiten verrichten. Het hof verwerpt tevens het betoog van [eiseres] dat ingeleende werknemers niet moeten worden meegenomen bij het vaststellen van de loonsom omdat dit deel van de loonsom onbekend zou zijn. Naar de deskundige terecht heeft opgemerkt zou het buiten beschouwing laten van de ingeleende werknemers - enkel vanwege het feit dat deze lonen niet exact bekend zijn - afbreuk doen aan een correcte beantwoording van de vragen van het hof.
Voor de beantwoording van die vraag doet het er niet toe wie - werknemers in loondienst van [eiseres] of derden die door of vanwege [eiseres] worden ingehuurd - de activiteiten verrichten.” Hoewel het er voor de loonsomvergelijking uit kan maken of de relevante werkzaamheden worden verricht door eigen werknemers of door ingehuurde derden, vecht [eiseres] het andersluidende oordeel van het hof niet aan.
Ad a: deze werknemers nemen niet deel aan de fase 5 werkzaamheden, in casu de enige bouwactiviteiten. Vaststaat dat die werkzaamheden alleen door [A] worden verricht.
Ad b: deze werknemers moeten in de berekening van de loonsom voor bouwactiviteiten worden meegenomen. Indien dat anders zou zijn, zou de voor de loonsomvergelijking in aanmerking te nemen loonsom kunstmatig kunnen worden verkleind.
Ad c: extern ingehuurde werkenden horen niet tot de relevante onderneming. Niet valt in te zien dat zij daar een pensioen moeten opbouwen en ook niet dat hun werkzaamheden, ook als die dezelfde zijn als de werkzaamheden van de werknemers, eraan zouden moeten bijdragen dat de werknemers verplicht moeten worden aangesloten bij de bouwfondsen. Dit alles voor zover uit de tekst van het Verplichtstellingsbesluit niet anders volgt.
rov. 2.7 van het eindarrestbestreden. Die zin luidt:
alternatievemethode die als
bijlage (12)bij het rapport is gevoegd. Dit blijkt uit paragraaf 8 van het eindrapport van 11 december 2023, waar de reactie van de deskundige is opgenomen op opmerkingen en verzoeken van partijen naar aanleiding van het conceptrapport van 17 april 2023. Op p. 19-20 van het rapport staat (vette letters en cursivering in origineel, onderstreping van mij; A-G):
8.4 De loonsom van de ingeleende werknemers
Het aantal uur dat Werknemers en Inleenkrachten bij [eiseres] hebben gewerkt, staat vast. Ook is de loonsom van de Werknemers bekend. De loonsom van de Inleenkrachten is onbekend.
schilderwerkzaamheden”. Daarvan valt niet af te leiden wat het loon van de arbeidskracht is die de werkzaamheden heeft uitgevoerd.
Derhalve heeft de deskundige gekozen voor de gebruikte en toegelichte methodiek.
Tijdens de bijeenkomst van 31 mei 2023 is derhalve afgesproken voor het vaststellen van de loonsom de gewerkte uren van door [eiseres] ingeleende arbeidskrachten (al dan niet uitgevoerd door ZZP’er of werknemers in dienst bij opdrachtnemers) een fictieve loonsom ten hoogte van het minimumloon wordt meegenomen als alternatief en separaat wordt toegevoegd aan het rapport.Hiervoor wordt het overzicht met onderverdeling loonsom fase 5/ Loonsom overig/ loonsom UTA gebruikt, waarbij de daadwerkelijke salarissen van medewerkers rechtstreeks in dienst leidend zijn.
Voor ingeleende arbeidskrachten wordt een fictief loon ter hoogte van het wettelijk minimumloon toegepast. Vanzelfsprekend is een fictieve loonsom gebaseerd op het minimumloon discutabel. Immers, er kan ook worden uitgegaan van een gemiddeld loon dat werknemers rechtstreeks in dienst bij [eiseres] die fase 5 werkzaamheden verrichten ontvangen of het gemiddelde/laagste cao-loon. Derhalve is deze alternatieve methode slechts als bijlage toegevoegd.(Bijlage 12)”
nietde methode die in het deskundigenbericht wordt gebruikt en waarop de conclusie steunt dat 54,54% van de loonsom in 2014 is toe te rekenen aan bouwactiviteiten en waarop het hof vervolgens zijn eindoordeel heeft gebaseerd. [eiseres] heeft daarom geen belang bij deze klacht.
rov. 2.6 van het eindarrest. [66] Deze overweging (die ik in 5.3 al gedeeltelijk heb geciteerd) luidt:
De onder A tot en met C in haar memorie na deskundigenbericht vermelde bezwaren van [eiseres] strekken ertoe het hof te laten terugkomen van in de tussenarresten van 19 januari 2021 en 1 juni 2021 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen.Die oordelen betreffen de overweging van het hof onder 3.8 van het tussenarrest van 19 januari 2021 dat voor de overwegende productie niet alleen de uren maar vooral de loonsomgegevens van belang zijn met dien verstande dat het daarbij gaat om zowel de uren en loonsomgegevens van fase 5 als die van fase 1 tot en met 4 voor zover die werkzaamheden hebben geleid tot werkzaamheden vallend onder fase 5
en voorts dat voor de omvang van de bouwactiviteiten ook de uren en loonsommen van personeel dat ondersteunend is geweest bij de echte bouwwerkzaamheden dienen te worden betrokken.Verder betreffen de bedoelde oordelen de formulering van de aan de deskundige voor te leggen vragen waaronder het in vraag 1 vervatte uitgangspunt dat onder bouwactiviteiten van [eiseres] mede moet worden begrepen de aan dochteronderneming [A] uitbestede werkzaamheden, die niet alleen worden verricht door werknemers van [eiseres] maar ook door of vanwege [eiseres] ingeleende werknemers. Hetzelfde geldt voor de vergelijking van de loonsom van de werknemers binnen [eiseres] die zich bezighouden met fase 5 activiteiten en die werknemers die zich bezighouden met niet-fase 5 activiteiten alsmede het oordeel dat de fase 5 activiteiten bouwactiviteiten zijn.
Het hof is aan deze oordelen die als eindbeslissingen hebben te gelden, gebonden. Van uitzonderlijke omstandigheden die dit anders maken, is geen sprake.”
Ten eersteheeft het hof miskend dat geen sprake is van uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen.
Ten tweedeheeft het hof miskend dat het aan de gegeven oordelen niet gebonden is als die berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, teneinde te voorkomen dat het op een ondeugdelijke grondslag een uitspraak zou doen, aldus de klacht.
eerste argumentgaat niet op. De rechter bepaalt in beginsel zelf of zijn eerder gegeven beslissing een eind- of tussenbeslissing is. [67] Het hof heeft hiermee een eerder in deze procedure zaak gewezen eigen arrest uitgelegd. Daarmee heeft het hof een feitelijk oordeel gegeven, dat in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. [68]
tweede argumentleidt niet tot een andere beoordeling. Uit het arrest blijkt niet dat het hof heeft miskend dat het op een bindende beslissing kan terugkomen indien zou zijn gebleken dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. [69] Dat dit niet letterlijk in het arrest is terug te lezen (zie de door mij onderstreepte finale zin in het laatste citaat) is onvoldoende reden voor cassatie.
.”
ter zitting van 4 maart 2020 eens zijn geworden datvoor de overwegende productie niet alleen de uren maar vooral de loonsomgegevens van belang zijn met dien verstande dat het daarbij gaat om zowel de uren en loonsomgegevens van fase 5 als die van fase 1 tot en met 4 voor zover die werkzaamheden hebben geleid tot werkzaamheden vallend onder fase 5.
Partijen zijn het echter niet eens geworden dat en in hoeverre voor de omvang van de bouwactiviteiten ook de uren en loonsommen van personeel dat ondersteunend is geweest bij de als bouwactiviteiten gekwalificeerde werkzaamheden dienen te worden betrokken.”
rov. 2.6 van het eindarrestvermelde beslissingen met betrekking tot de formulering van de aan de deskundige voor te leggen vragen, [70] waaronder de volgende uitgangspunten: (i) onder bouwactiviteiten van [eiseres] vallen ook de aan [A] uitbestede werkzaamheden, die worden verricht door werknemers van [eiseres] en door of vanwege [eiseres] ingeleende werknemers, (ii) de vergelijking van de loonsom van de werknemers binnen [eiseres] die zich bezighouden met fase 5 activiteiten en die werknemers die zich bezighouden met andere en dus niet-fase 5 activiteiten, alsmede (iii) het oordeel dat de fase 5 activiteiten bouwactiviteiten zijn.
rov. 2.9 en rov. 2.10 van het eindarrest. Deze overwegingen luiden, in context, als volgt:
Uitgangspunt bij de beoordeling van een deskundigenbericht is, aldus (rov. 3.4.5 van) HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR 2011:BT2921, dat voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn bericht is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het deskundigenbericht geformuleerde conclusies af te wijken. Ingeval partijen, door zich te beroepen op de uiteenlopende zienswijzen van de door hen geraadpleegde deskundigen, voldoende gemotiveerde standpunten hebben ingenomen en voldoende duidelijk hebben aangegeven waarom zij het oordeel van een door de rechter benoemde deskundige al dan niet aanvaardbaar achten, geldt het volgende. Indien de rechter in een geval waarin de opinie van andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundige op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, de zienswijze van deze deskundige volgt, zal de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze. Volgt de rechter echter de zienswijze van de door hem benoemde deskundige niet, dan gelden in beginsel de gewone motiveringseisen en dient hij zijn oordeel dan ook van een zodanige motivering te voorzien, dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken (zie voor een en ander HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74, HR 19 oktober 2007, LJN BB5172 en HR 8 juli 2011, LJN BQ3519).
de wijze waarop hij zijn onderzoek heeft verrichtvooraf met partijen besproken en in dat kader met hen afspraken gemaakt en een plan van aanpak opgesteld welke eveneens met partijen is besproken. Het onderzoek heeft aanvankelijk geresulteerd in een concept deskundigenbericht dat aan partijen is voorgelegd.
De thans ingebrachte bezwaren van [eiseres] (met daarbij het commentaar van NPB Legal op het deskundigenbericht) komen in de kern neer op een herhaling van de bezwaren die [eiseres] heeft geuit tegen het concept deskundigenbericht.Naar aanleiding van de concept-rapportage van de deskundige heeft [eiseres] diverse bezwaren daartegen naar voren gebracht.
De deskundige heeft die bezwaren vervolgens besproken en daarbij op overtuigende wijze toegelicht dat en waarom de bezwaren van [eiseres] geen reden zijn tot aanpassing van het deskundigenbericht.
eerste plaatsheeft de deskundige niet alle bezwaren van [eiseres] (A t/m F) geadresseerd. In de
tweede plaatsvalt niet in te zien waarom dat op overtuigende wijze zou zijn gedaan. Voor wat betreft het bezwaar over het betrekken van de uren van externe inleenkrachten/zzp’ers laat het deskundigenrapport zich niet anders verstaan dan aldus dat de deskundige die bezwaren niet materieel heeft besproken, maar heeft volstaan met de constatering dat hij heeft aangesloten bij de vraagstelling van het hof.
de wijze waaropde deskundige zijn onderzoek heeft verricht (zie rov. 2.9 eerste zin, en ook rov. 2.8 eerste zin). Verder volgt uit het enkele feit dat de deskundige niet alle bezwaren heeft geadresseerd die in de memorie na het deskundigenbericht zijn geuit (zie rov. 2.4, eerste zin), nog niet dat de reactie van de deskundige op bezwaren geuit op het conceptdeskundigenbericht niet overtuigend kan zijn. Tot slot acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof zich aansluit bij een reactie van de deskundige waarin (ondanks partijbezwaren) wordt vastgehouden aan de vraagstelling van het hof.