Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:341

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
25/03398
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:194 lid 2 BWArt. 1:89 BWArt. 6:10 lid 2 BWArt. 21 RvArt. 24 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling huwelijksgemeenschap en vaststelling kinderalimentatie bij echtscheiding met buitenlandse woning en pensioenbeleggingsrekening

De zaak betreft een echtscheiding tussen een man met Nederlandse nationaliteit en een vrouw met Tsjechische nationaliteit, gehuwd in Tsjechië. De procedure draait om de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder de verkoopopbrengst van een woning in Tsjechië, een pensioenbeleggingsrekening en de vaststelling van de draagkracht van de man voor kinderalimentatie.

De rechtbank Den Haag had de echtscheiding uitgesproken en de verdeling van de gemeenschap en alimentatie vastgesteld. De man kwam in hoger beroep tegen de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning, de pensioenrekening en de draagkrachtberekening. Het hof vernietigde het alimentatiebesluit en stelde dit opnieuw vast, maar bekrachtigde verder de beschikking van de rechtbank.

De Hoge Raad bespreekt in cassatie onder meer de bewijslastverdeling rond de verkoopopbrengst van de woning, waarbij het hof de man de bewijslast oplegde om aan te tonen dat de opbrengst nog op een Tsjechische bankrekening aanwezig was. De conclusie is dat het hof ten onrechte niet heeft aangenomen dat de vrouw een verzwaarde motiveringsplicht had om relevante bankafschriften te verstrekken, aangezien deze gegevens zich in haar domein bevinden en de man er geen toegang toe had.

Verder wordt ingegaan op de pensioenbeleggingsrekening, waarbij het hof oordeelde dat de man onvoldoende had onderbouwd waarom een andere courante waarde dan door de rechtbank was vastgesteld, moest worden gehanteerd. Ook de draagkrachtberekening voor alimentatie wordt besproken, waarbij het hof rekening hield met de volledige schuldenlast, maar onterecht gevolgen verbond aan de aflossingen die de man namens de vrouw doet, wat buiten de rechtsstrijd viel.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het hofarrest en verwijzing, met name vanwege de onjuiste toepassing van de verzwaarde motiveringsplicht en het buiten-de-rechtsstrijd treden bij de draagkrachtberekening.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor hernieuwde beoordeling vanwege onjuiste toepassing van de verzwaarde motiveringsplicht en ontoelaatbare verrassingsbeslissing bij draagkrachtberekening.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/03398
Zitting27 maart 2026
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
[de man]
tegen
[de vrouw]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de man respectievelijk de vrouw.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
De rechtbank en het hof hebben in deze procedure de huwelijksgemeenschap verdeeld en hebben de hoogte van de door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld. In cassatie wordt opgekomen tegen de oordelen van het hof die verband houden met de verdeling van de verkoopopbrengst van een woning in Tsjechië (onderdelen 1 en 2), de verdeling van een pensioenbeleggingsrekening (onderdeel 3) en de vastgestelde draagkracht van de man voor de berekening van de kinderalimentatie (onderdeel 4).

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
(i) De man en de vrouw zijn gehuwd op 14 september 2013 te [Tsjechië] .
(ii) De man en de vrouw zijn de ouders van twee minderjarige kinderen, en oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
(iii) Volgens de Basisregistratie Personen heeft de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Tsjechische nationaliteit.
2.2
De vrouw heeft de rechtbank Den Haag verzocht om de echtscheiding uit te spreken. De vrouw heeft als nevenvoorzieningen verzocht om onder meer de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen conform een door haar opgesteld voorstel en om de door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen. De man heeft verweer gevoerd en heeft ook zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken. Daarnaast heeft de man verzocht om als nevenvoorzieningen onder meer de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen volgens een door hem opgesteld voorstel en om de te betalen kinderalimentatie op andere bedragen vast te stellen.
2.3
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 15 augustus 2024 [2] de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, [3] en heeft onder meer een verdeling van de gemeenschap van goederen vastgesteld en de hoogte van de door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld. Voor zover in cassatie van belang, heeft de rechtbank in haar beschikking samengevat het volgende overwogen:
-
Ten aanzien van de verdeling van een woning in Tsjechië:
De woning in Tsjechië is voorafgaand aan de peildatum verkocht en kan daarom niet verdeeld worden. Omdat de rechtbank niet kan vaststellen of de opbrengst van de woning nog ergens op een rekening staat, valt er voor de rechtbank ook niets te verdelen. De rechtbank merkt daarbij op dat op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro de echtgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoot verbeurt. (p. 20-21 van de beschikking)
-
Ten aanzien van de verdeling van een pensioenbeleggingsrekening:
Gebleken is dat de waarde van de pensioenbeleggingsrekening van de man op de peildatum € 37.072,96 bedroeg. De rechtbank zal deze rekening aan de man toedelen, onder de verplichting de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen. (p. 18 van de beschikking)
-
Ten aanzien van de draagplicht van de man voor de berekening van de kinderalimentatie:
De schuldenlast bedraagt in totaal € 1.224,-- per maand voor het aflossen van huwelijkse schulden bij DUO, ING en de kosten voor de financial lease van een auto. Deze schulden moeten slechts voor de helft worden meegenomen, omdat de vrouw ook voor de helft draagplichtig is voor deze schulden. De rechtbank zal aan de zijde van de man rekening houden met een bedrag van € 612,--. (p. 13 van de beschikking)
2.4
De man is op 8 november 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking, en heeft een incidentele vordering ex art. 843a (oud) Rv ingesteld. De vrouw heeft verweer gevoerd en incidenteel beroep ingesteld.
2.5
Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 18 juni 2025 [4] de beschikking van de rechtbank vernietigd wat betreft de vastgestelde kinderalimentatie en deze opnieuw vastgesteld. Voor het overige heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“De woning in Tsjechië en de verkoopopbrengst
5.2
Het hof overweegt met betrekking tot de woning in Tsjechië dat de vrouw heeft gesteld dat zij deze onder een uitsluitingsclausule van haar grootmoeder geschonken heeft gekregen. Deze stelling is door de man gemotiveerd betwist. Door de vrouw is een akte in de Tsjechische taal in het geding gebracht. De vrouw heeft slechts een gedeelte van de akte laten vertalen. Primair is het hof van oordeel dat het op de weg van de vrouw had gelegen om een complete beëdigde vertaling van de akte in het geding te brengen. Nu zij dit niet heeft gedaan komt dat voor haar rekening en risico aangezien het ook voor de vrouw duidelijk moet zijn dat het hof en de wederpartij de Tsjechische taal niet machtig zijn en de voertaal in gerechtelijke procedures in Nederland Nederlands is. Naar het oordeel van het hof volgt niet uit de beperkte vertaling dat er sprake is van een schenking onder een uitsluitingsclausule, en wel in die zin dat het geschonken onroerend goed niet valt in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen waarin de vrouw met de man is gehuwd. Ook een redelijke uitleg van de bewoordingen ‘exclusief eigendom' geeft geen antwoord op de vraag of het onroerend goed onder een uitsluitingsclausule is geschonken. Nu de woning door de vrouw is verkocht valt in beginsel de verkoopopbrengst van de woning te Tsjechië in de huwelijksgoederengemeenschap.
5.3
Voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap is bepalend of de opbrengst van de woning op de peildatum van de ontbinding nog in de huwelijksgemeenschap aanwezig was. Door de vrouw is aangegeven dat de gelden zijn uitgegeven en dat zij geen bankrekening meer heeft in Tsjechië. Nu de vrouw ontkent dat er nog een bankrekening is in Tsjechië en de vrouw ontkent dat nog een deel van de opbrengst van de woning resteert, rust op de man de bewijslast om aan te tonen dat er nog steeds sprake is van een bankrekening in Tsjechië met een resterend saldo. Op basis van hetgeen de man heeft gesteld, kan het hof dit niet vaststellen. Naar het oordeel van het hof zijn er geen gronden aanwezig om de bewijslast in deze om te keren. Bewijsnood komt voor rekening en risico van de man. Nu de vrouw niet meer de beschikking heeft over de bankrekening in Tsjechië kan zij de man derhalve geen saldo laten zien van de rekening op de peildatum.
5.4
De grief van de man treft geen doel. Er is eveneens geen grond voor een verzoek ex artikel 843a Rv aangezien dit te ongespecificeerd is mede bezien het verweer van de vrouw met betrekking tot de bankrekening.
De pensioenbeleggingsrekening
5.5
Het hof overweegt. Een geschilpunt tussen partijen is het saldo met betrekking tot de pensioenbeleggingsrekening. Uit het petitum onder 2 van de man volgt dat hij toedeling wenst van de pensioenbeleggingsrekening en dat hij de helft van de courante waarde aan de vrouw dient te voldoen. Door de vrouw is verweer gevoerd. Vast staat tussen partijen dat de beleggingsrekening tot de huwelijksgemeenschap behoort en derhalve in de verdeling dient te worden betrokken. In randnummer 41 van zijn beroepschrift stelt de man dat hij het hof verzoekt om uit te gaan van de courante waarde van deze rekening. In de visie van de man is dat het bedrag dat daadwerkelijk wordt uitbetaald als de rekening wordt opgezegd. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof verwijst naar de randnummers 26 tot en met 31 van haar verweerschrift. Daaruit volgt onder meer dat de rechtbank het verzoek van de man heeft toegewezen op basis van de door de man aangeleverde cijfers en wel een waarde van de pensioenbeleggingsrekening van € 37.072,69. Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd waarom in hoger beroep van een ander bedrag moet worden uitgegaan dan hetgeen de rechtbank in de bestreden beschikking heeft gesteld. Het had op de weg van de man gelegen om een concrete onderbouwing te geven van wat de hoogte is van de courante waarde. Nu dit ontbreekt heeft de man niet aan zijn stelplicht voldaan.
(…)
Aflossing op schulden
5.16
Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met een last van in totaal € 1.224,- per maand voor het aflossen van de huwelijkse schulden bij DUO en bij ING en met betrekking tot de financial lease van de auto. De rechtbank heeft rekening gehouden met 50% van deze lasten, omdat de vrouw de andere helft van deze lasten moet betalen. De man vindt dat met de volledige last aan zijn kant rekening moet worden gehouden, omdat het volledige bedrag maandelijks op zijn draagkracht rust. Het hof zal rekenen met de volledige last, maar dit heeft wel tot gevolg dat de man namens de vrouw aflost en dus niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling.”
2.6
De man heeft op 17 september 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld, en heeft daarbij het voorbehoud gemaakt om het cassatieberoep aan te vullen vanwege het niet tijdig kunnen beschikken over het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep. [5] De man heeft op 21 oktober 2025 een aanvullende procesinleiding ingediend. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
De procesinleiding bestaat uit vijf onderdelen.
3.2
Onderdeel Iricht zich tegen oordeel van het hof in r.o. 5.3 met betrekking tot de verkoopopbrengst van de woning in Tsjechië. Het hof heeft in r.o. 5.3. onder meer geoordeeld dat, nu de vrouw ontkent dat er nog een bankrekening is in Tsjechië en de vrouw ontkent dat nog een deel van de opbrengst van de woning resteert, op de man de bewijslast rust om aan te tonen dat er nog steeds sprake is van een bankrekening in Tsjechië met een resterend saldo.
3.3
Onderdeel I.1klaagt dat het hof in r.o. 5.3 heeft miskend dat het verweer van de vrouw, dat er geen bankrekening meer in Tsjechië is, een bevrijdend verweer is en dat de bewijslast op de vrouw rust. Voor het geval het hof dit niet heeft miskend, voert het onderdeel aan dat het oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. [6]
3.4
In deze procedure heeft de vrouw onder meer verzocht om nevenvoorzieningen vast te stellen. Een van die nevenvoorzieningen betrof het verzoek om de verdeling van de gemeenschap vast te stellen, conform een door de vrouw opgesteld voorstel. [7] In dit voorstel heeft de vrouw de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning in Tsjechië niet betrokken, omdat volgens haar de woning exclusief aan haar was geschonken. [8] Ook de man heeft om verdeling van de gemeenschap verzocht, en wel conform een door hem zelf opgesteld voorstel. [9] De man heeft daarbij wél verzocht om tot verdeling van de verkoopopbrengst van de woning in Tsjechië over te gaan. [10] In hoger beroep heeft de man, met een beroep op art. 3:194 lid 2 BW Pro, verzocht om toedeling van de volledige verkoopopbrengst van de woning. [11]
3.5
In cassatie dient, gelet op het oordeel van het hof in r.o. 5.2, tot uitgangspunt dat de woning in Tsjechië door de vrouw is verkocht en dat de verkoopopbrengst van de woning in beginsel in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Volgens de stellingen van de vrouw heeft de verkoop van de woning in 2016 [12] plaatsgevonden en ‘gaat zij ervan uit’ dat dit voor een bedrag van omgerekend € 88.500,-- is gebeurd. [13] Tussen partijen is niet in geschil dat de verkoopopbrengst aanvankelijk op een bankrekening van de vrouw in Tsjechië is gestort. De man maakt zoals gezegd aanspraak op de verkoopopbrengst van de woning
,en dus ook op verdeling van het saldo van de op de bankrekening aanwezige verkoopopbrengst. Door de vrouw is echter gesteld dat de gelden zijn uitgegeven (zij acht het waarschijnlijk dat een deel van ongeveer € 34.000,-- is aangewend om de voormalige echtelijke woning te kopen; [14] de rest zou zij aan haar ouders hebben gegeven) en dat zij geen bankrekening meer heeft in Tsjechië. [15]
3.6
Ik meen dat het in beginsel aan de man is, nu hij verdeling van de verkoopopbrengst van de woning wenst, om te stellen en te bewijzen dat de verkoopopbrengst nog aanwezig is op de bankrekening in Tsjechië. De vrouw stelt echter dat de verkoopopbrengst niet meer aanwezig is, en stelt ter onderbouwing daarvan – kort gezegd – dat de gelden zijn uitgegeven en dat de bankrekening is opgeheven. Dit betoog van de vrouw is naar mijn mening niet aan te merken als een zelfstandig (bevrijdend) verweer, nu de vrouw hiermee slechts gemotiveerd betwist dat de verkoopopbrengst nog op de bankrekening aanwezig is. Dit betekent dat deze klacht niet slaagt. [16]
3.7
Hoewel voornoemde klacht niet opgaat, meen ik dat het oordeel van het hof om andere redenen niet in stand kan blijven.
3.8
Onderdeel I.2klaagt er naar mijn mening namelijk terecht over dat het hof – door te oordelen dat op de man de bewijslast rust om aan te tonen dat er nog steeds sprake is van een bankrekening in Tsjechië met een resterend saldo – van de man een onderbouwing vergt, terwijl de voor die onderbouwing benodigde gegevens zich in het domein van de vrouw bevinden en de man daartoe geen toegang had. [17] Niet in geschil is dat de vrouw de woning heeft verkocht en dat de verkoopopbrengst op haar bankrekening in Tsjechië is gestort. De vrouw zal als (voormalig) rekeninghouder bankafschriften kunnen opvragen, terwijl de man dit als derde niet kan. In beginsel kan alleen de vrouw door middel van bankafschriften, waaronder ook te verstaan een afschrift van een bericht dat de rekening is opgeheven, duidelijkheid bieden over de vraag wat er met de verkoopopbrengst is gebeurd en of de bankrekening daadwerkelijk is opgeheven. Daarbij dient er in cassatie veronderstellenderwijs van uit te worden gegaan dat de man ook op andere wijze geen toegang had tot die gegevens. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat de man reeds over de bankafschriften beschikt omdat hij de beschikking zou hebben over de administratie, maar dit is door hem bestreden en het hof heeft dit verder in het midden gelaten. [18] De man kon bovendien niet via een verzoek ex art. 843a Rv aan de bankafschriften komen, nu dit verzoek door het hof is afgewezen. De man kon in deze procedure dan ook niet veel meer doen, terwijl de vrouw op betrekkelijk eenvoudige wijze duidelijkheid had kunnen bieden door de bankafschriften te verstrekken.
3.9
Gelet op het voorgaande ligt het veeleer op de weg van de vrouw om in het kader van haar betwisting zodanige feitelijke gegevens te verstrekken dat zij de man aanknopingspunten verschaft voor een eventuele nadere onderbouwing van zijn stelling. Indien het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Een en ander ook in het licht van de in de procesinleiding en aanvullende procesinleiding genoemde stellingen van de man dat het aan de vrouw is om meer informatie over de verkoopopbrengst op de desbetreffende bankrekening te verschaffen.
3.1
Over het voorgaande zou mogelijk wél anders kunnen worden gedacht als het verzoek van de man ex art. 843a Rv om bankafschriften te overleggen zou zijn toegewezen. In dat geval is de man, ervan uitgaande dat de vrouw de relevante bankafschriften toont, wél in staat om te laten zien dat de bankrekening nog bestaat (of is opgeheven), en naar wie de verkoopopbrengst is overgemaakt.
3.11
Voornoemde verplichting om – ondanks dat de stelplicht en bewijslast niet op diegene rust – voldoende feitelijke gegevens te verstrekken wordt ook wel aangeduid als de ‘verzwaarde motiveringsplicht’. De rechtspraak hierover is aanvankelijk tot stand gekomen in zaken over beroepsfouten, waarin de beroepsbeoefenaar geacht wordt te beschikken over gegevens die voor de bewijslevering van belang kunnen zijn. [19] De Hoge Raad beperkt deze rechtspraak niet tot het terrein van aansprakelijkheid voor beroepsfouten. [20] Dit blijkt bijvoorbeeld uit een arrest van 8 juli 2022, [21] een zaak die (kort gezegd) ging over het verschaffen van informatie over ontvangen en te ontvangen subsidies. Het toepassingsbereik van deze ‘figuur’ is (nog) niet geheel duidelijk. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan in ieder geval afgeleid worden dat het aannemen van een verzwaarde motiveringsplicht afhankelijk is van de bijzondere omstandigheden van het geval. Ook lijkt ervan uitgegaan te kunnen worden dat er alleen aanleiding is een verzwaarde motiveringsplicht aan te nemen als het gegevens betreft waarover de partij, op wie niet de stelplicht en de bewijslast rust, beschikt of wordt geacht te beschikken [22] en die gegevens van belang zijn voor de beoordeling van de stellingen van de partij met de stelplicht en de bewijslast. [23] Er wordt ook wel bepleit dat de verzwaarde motiveringsplicht slechts terughoudend moet worden toegepast, en dat enkele bewijsnood niet voldoende zou moeten zijn. [24]
3.12
Naar aanleiding van het zojuist in 3.11 genoemde arrest uit 2022 vragen Beenders en Interfurth [25] zich af of de Hoge Raad met deze uitspraak een algemene regel heeft willen formuleren over de zogenoemde ‘domeinleer’, hetgeen – in hun ogen – een substantiële uitbreiding van de actieradius en toepassing van de verzwaarde motiveringsplicht zou betekenen, of dat de Hoge Raad slechts in het concrete geval recht heeft willen doen (
Einzelfallgerechtigkeit). Zij concluderen dat er onvoldoende aanleiding is om te kunnen spreken van een nieuwe lijn in de jurisprudentie waarin de verzwaarde motiveringsplicht in het algemeen gemakkelijker zou worden aangenomen. A-G Hartlief geeft ook aan dat er geen sprake is van een algemene regel. [26] Of sprake is van een algemene regel, of niet, is deels een kwestie van semantiek. Of aan de bewijsnood van degene op wie de bewijslast rust tegemoet gekomen moet worden, [27] zal afhangen van de bijzondere omstandigheden van het geval. [28] Ik denk dat je niettemin wel kunt zeggen dat sprake is van een ‘algemene regel’ die meebrengt dat onder bijzondere omstandigheden, als de benodigde gegevens zich bevinden in het domein van de wederpartij en voldoende duidelijk is dat degene op wie de bewijslast rust niet zelf die gegevens kan genereren, aan de bewijsnood tegemoet moet worden gekomen, althans dat de rechter moet uitleggen waarom er onder die omstandigheden in concreto toch geen aanleiding is om een verzwaarde motiveringsplicht aan te nemen. [29] Wat daar ook van zij, ik meen dat in onderhavige zaak de bijzondere omstandigheden reeds aanleiding geven voor het aannemen van een verzwaarde motiveringsplicht. Als gezegd, is niet in geschil dat de verkoopopbrengst op de rekening van de vrouw in Tsjechië is gestort en duidelijk is dat de gegevens met betrekking tot die bankrekening zich in het domein van de vrouw bevinden. Zij kan, als ze niet over de administratie beschikt, die gegevens op redelijk eenvoudige wijze opvragen. De man kan die gegevens niet opvragen, waardoor de man zijn stellingen niet nader kan onderbouwen of bewijzen en in zoverre afhankelijk is van de vrouw.
3.13
Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof de waarheidsplicht van art. 21 Rv Pro heeft miskend, slaagt die klacht niet. Op zichzelf lijkt mij juist dat de waarheidsplicht van art. 21 Rv Pro een verplichting voor alle betrokken procespartijen meebrengt om alle voor de beslissing relevante gegevens aan te voeren. [30] Wanneer een procespartij niet voldoet aan deze verplichting, kan de rechter daaruit op de voet van art. 21 Rv Pro ‘de gevolgtrekking maken die hij geraden acht’. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter. [31] Over hetgeen ter discretie staat van de rechter die over de feiten oordeelt, kan in cassatie niet worden geklaagd. Hierop stuit de klacht af. [32]
3.14
Voordat ik aan een bespreking van onderdeel I.3 toekom, zie ik aanleiding om eerst
onderdeel IIte bespreken. Zoals hiervoor al vermeld, heeft de man in hoger beroep bij incident namelijk ook een verzoek gedaan ex art. 843a Rv om te bepalen dat de vrouw afschriften van de bankrekeningen verstrekt waarin de geldstromen na verkoop van de woning in Tsjechië inzichtelijk worden gemaakt. Het hof heeft in r.o. 5.4 geoordeeld dat er eveneens geen grond is voor een verzoek ex artikel 843a (oud) Rv [33] aangezien dit te ongespecificeerd is, mede bezien het verweer van de vrouw met betrekking tot de bankrekening.
Onderdeel II.1 en II.2richten tegen dit oordeel een rechtsklacht en een motiveringsklacht.
3.15
De man heeft, gelet op het verweer van de vrouw dat de verkoopopbrengst is uitgegeven (waarbij een deel zou zijn besteed aan de aankoop van de echtelijke woning en zij de rest aan haar ouders zou hebben gegeven [34] ) en zij ook geen bankrekening meer heeft in Tsjechië, in hoger beroep verzocht om ex art. 843a Rv te bepalen dat de vrouw afschriften van de bankrekeningen verstrekt waarin de geldstromen na verkoop van de woning in Tsjechië inzichtelijk worden gemaakt. Daarbij heeft hij aangevoerd dat de verkoopopbrengst is uitbetaald op een Tsjechische bankrekening van de vrouw. [35] Ook heeft de man gesteld dat sprake is van een rechtmatig belang, sprake is van bepaalde bescheiden en de man partij is bij de rechtsbetrekking. [36] Hoewel de man dit wellicht nog specifieker had kunnen maken, kunnen naar mijn mening de stellingen van de man niet anders begrepen worden dan dat de man ten behoeve van de verdelingsprocedure (en de eventuele vernietiging van de schenking ex art. 1:89 BW Pro, zie hierna onderdeel I.3) deze bankafschriften wenste te krijgen, met het oog op het kunnen leveren van bewijs wat er met de verkoopopbrengst is gebeurd en of er nog geld op de bankrekening in Tsjechië staat om te verdelen. De vrouw heeft dit verzoek overigens ook zo begrepen. [37] De man heeft dan ook onderbouwd gesteld dat hij aan de voorwaarden van art. 843a Rv heeft voldaan, namelijk dat hij bij dit verzoek een rechtmatig belang (leveren bewijs in verdelingsprocedure/vernietiging) had, het om bepaalde bescheiden (bankafschriften) gaat en de man partij is bij de rechtsbetrekking (huwelijksgemeenschap). Daarmee heeft de man voldoende gesteld om aan de voorwaarden van art. 843a Rv te kunnen voldoen. Waarom dit verzoek onvoldoende gespecificeerd zou zijn, heeft het hof (behalve onder verwijzing naar het verweer van de vrouw met betrekking tot de bankrekening) niet toegelicht.
3.16
Het voorgaande betekent dat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt ten aanzien van de maatstaf van art. 843a Rv, nu het daaraan te strenge eisen heeft gesteld, dan wel dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het oordeel van het hof dat de man, gelet op het verweer van de vrouw, zijn verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd is niet voldoende begrijpelijk, nu de vrouw in reactie hierop slechts naar voren heeft gebracht dat zij het ‘waarschijnlijk acht’ dat een deel van € 34.000,- is aangewend om de echtelijke woning te kopen en dat zij de rest aan haar ouders heeft gegeven, zonder dit verder te onderbouwen. [38] Waarom de man, gelet op die reactie, zijn stellingen nader diende te onderbouwen is niet duidelijk. Het onderdeel slaagt dus.
3.17
Dan kom ik nu toe aan
onderdeel I.3. De man klaagt dat het hof had moeten beslissen op zijn beroep op vernietiging van de gift door de vrouw aan haar vader.
3.18
De man heeft in hoger beroep gesteld dat bij gebrek aan de door de man gegeven toestemming de vernietiging van de schenking ex art. 1:89 BW Pro wordt ingeroepen, voor het geval, althans zo begrijp ik het, de vrouw met een onderbouwing van de door haar gestelde gift aan haar vader komt. Nu dit laatste niet is gebeurd, [39] is de door de man zelf gestelde voorwaarde niet vervuld, en kan de klacht niet slagen.
3.19
Daarbij komt dat uit art. 1:89 BW Pro volgt dat een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging of een rechtsvordering tot vernietiging gericht dient te worden aan de wederpartij van de handelende echtgenoot. Een eventuele vernietiging kan door de man dus niet (alleen) jegens de vrouw worden ingeroepen, maar had gericht moeten worden aan de vader [40] (of als de gelden aan de ouders zijn geschonken, aan de ouders) van de vrouw aan wie de gelden zijn geschonken. Door de man is niet gesteld dat dit is gebeurd. De man heeft ook gelet hierop geen belang bij deze klacht. De klacht slaagt dus niet.
3.2
Voor zover het onderdeel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof ‘dat het geld is uitgegeven’, omdat dit niet op een eventuele schenking zou zien maar impliceert dat het in het huishouden is opgegaan, kan deze klacht niet slagen. Het hof vat de stelling van de vrouw dat een deel van het geld is gebruikt voor de voormalige echtelijke woning en dat zij de rest aan haar ouders heeft gegeven, samen als ‘dat het geld is uitgegeven’ zonder precies te vermelden wat er met de gelden is gebeurd. Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk.
3.21
Onderdeel IIIheeft betrekking op de verdeling van de pensioenbeleggingsrekening. De rechtbank had deze rekening aan de man toegedeeld, onder de verplichting de helft van de waarde van € 37.072,96, zijnde € 18.536,48, aan de vrouw te voldoen.
3.22
Ik begrijp
onderdeel III.1zo dat erover wordt geklaagd dat het hof miskent dat door de man is aangevoerd dat een opname van gelden van de pensioenbeleggingsrekening fiscale gevolgen heeft, en dat de rechtbank daar ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. Daarop zou het hof ten onrechte niet zijn ingegaan.
3.23
Het oordeel van het hof in r.o. 5.5 komt er op neer dat de man in hoger beroep weliswaar verzocht heeft om de pensioenbeleggingsrekening aan hem toe te delen onder betaling van de helft van de courante waarde aan de vrouw, maar dat de man onvoldoende heeft toegelicht waarom in hoger beroep van een andere waarde uitgegaan moet worden en dat het op de weg van de man had gelegen om een concrete onderbouwing te geven van wat dan de hoogte van de courante waarde is. Ik begrijp dit oordeel van het hof zo dat – met name nu de man geen concrete onderbouwing heeft gegeven van de hoogte van de courante waarde – de man onvoldoende heeft gesteld wat de hoogte van de ‘courante waarde’ is en daarom met de ‘courante waarde’ geen rekening kan worden gehouden. [41] Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Het hof onderkent dus wel degelijk dat de man de fiscale gevolgen van een opname van gelden van de pensioenbeleggingsrekening aan de orde heeft gesteld en dat volgens de man de rechtbank daar ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. Het hof geeft de man op dit punt, bij gebrek aan een concrete onderbouwing, echter geen gelijk. De klacht kan dus niet slagen.
3.24
Voor wat het waard is, op zichzelf valt aan te nemen dat als de waarde van een pensioenbeleggingsrekening vervroegd wordt opgenomen, daar inderdaad fiscale gevolgen (en kosten) aan verbonden zijn. Als de man de helft van het bedrag van € 37.072,69 moet opnemen om uit te kunnen keren aan de vrouw, dan zal de ‘courante waarde’, waarmee de man kennelijk bedoelt de waarde die na betaling van inkomstenbelasting en boeterente overblijft, [42] lager liggen dan € 18.536,35 (de helft van € 37.072,69). Dit wil echter niet automatisch zeggen dat betaling van die courante waarde aan de vrouw tot het meest gelijke resultaat leidt. De man kan er namelijk óók voor kiezen om de volledige waarde op de pensioenbeleggingsrekening te laten staan en op andere wijze voor betaling aan de vrouw te zorgen. De man heeft dan het voordeel dat de volledige waarde op de pensioenbeleggingsrekening blijft staan, en dat de genoemde negatieve financiële gevolgen zich niet voor doen. Aan de andere kant zie ik ook in dat als de vrouw de helft van de waarde ontvangt, zij meer ontvangt dan als zij zelf tot afkoop was overgegaan. Het is gelet op het voorgaande maar de vraag of toedeling van de rekening aan de man en betaling door de man van alleen de helft van de courante waarde aan de vrouw de meest gelijke wijze van verdeling is. Een gelijkere verdeling zou mogelijk kunnen zijn dat, zoals de man ook heeft voorgesteld, [43] de helft van de waarde van € 37.072,69 van de pensioenbeleggingsrekening over te boeken naar een nieuwe pensioenbeleggingsrekening die op naam staat van de vrouw. In cassatie wordt echter niet geklaagd dat het hof die verdeling had moeten toepassen.
3.25
Onderdeel III.2klaagt dat het hof niet is ingegaan op de stelling van de man dat hij de courante waarde niet kan onderbouwen, omdat dit van diverse factoren afhankelijk is. In dat kader voert hij aan te hebben aangevoerd dat de rekening een echte pensioenrekening is, dat hij informatie heeft opgevraagd over de courante waarde, maar dat dit ook afhankelijk is van wie het geld uit de pensioenrekening haalt en dat het een optie is dat de vrouw dit zelf doet, en dat de vrouw ook andere opties kan kiezen.
3.26
Hoewel in de stellingen van de man besloten ligt dat de courante waarde afhankelijk is van wie het geld uit de pensioenrekening haalt, heeft hij wél gesteld dat hij aan de maatschappij informatie heeft gevraagd over de werkelijke courante waarde en dat hij deze later in het geding zal kunnen brengen. [44] Het is dus niet zo dat de man heeft gesteld de courante waarde niet te kunnen onderbouwen. De klacht mist dan ook feitelijke grondslag.
3.27
Onderdeel IVziet op de vaststelling van de draagkracht van de man ten behoeve van de kinderalimentatie. De rechtbank heeft aanvankelijk rekening gehouden met de helft van de schuldenlast van € 1.224,-- per maand, omdat de vrouw ook draagplichtig is voor deze schulden. De man heeft in hoger beroep gesteld dat rekening gehouden moet worden met het volledige bedrag, omdat dit bedrag maandelijks volledig op zijn draagkracht rust. Het hof heeft gelet hierop geoordeeld dat het zal rekenen met de volledige last, maar dat dit wel tot gevolg heeft dat de man namens de vrouw aflost en dus niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling.
3.28
In
onderdeel IV.1wordt geklaagd dat het hof met dit oordeel in strijd met art. 24 Rv Pro buiten het debat van partijen is getreden, en een ontoelaatbare verassingsbeslissing heeft gegeven door te oordelen dat het rekenen met de volledige last tot gevolg heeft dat de man namens de vrouw aflost en niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling. [45]
3.29
De man voert in de procesinleiding terecht aan, dat de man [46] noch de vrouw [47] heeft betoogd dat wanneer gerekend wordt met de volledige last, dit tot gevolg heeft dat de man namens de vrouw aflost en hij dus niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling. Voordat ik inga op de gevolgen hiervan, schets ik eerst graag wat (juridische) context.
3.3
In eerste aanleg werd, ondanks dat de man de schulden aflost, bij de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden met de
helftvan die schulden. De rechtbank benoemde hierbij de draagplicht van de vrouw, wat een regresrecht van de man jegens haar impliceert. Rekening houden met de helft van de schulden resulteert erin dat de man maandelijks meer aan de vrouw moet betalen, omdat zijn draagkracht hoger wordt bepaald, dan wanneer zou worden gerekend met het volledige bedrag van de schulden. Houdt men – zoals het hof doet – bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening met het feit dat hij maandelijks de volledige hoofdelijke schuld voor zijn rekening neemt, dan daalt zijn draagkracht, wat naar alle waarschijnlijkheid zal ‘doorwerken’ in een lagere te betalen maandelijkse alimentatie. Ik kan begrijpen dat het hof vervolgens heeft gezocht naar een manier om te voorkomen dat men uitkomt bij een situatie waarin kan worden gezegd dat de man van twee walletjes eet (want:
you can’t have your cake and eat it). Het hof heeft kennelijk tot uitdrukking willen brengen, dat de vrouw als het ware twee keer zou opdraaien voor de gezamenlijke schuld(en) als ze én nu minder alimentatie ontvangt én later nog kan worden aangesproken op grond van een regresvordering. De weg die het hof heeft gevolgd, is kennelijk een vertegenwoordigingsroute. Het hof “zal rekenen met de volledige last, máár dit heeft wel tot gevolg dat de man
namensde vrouw aflost en dus niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling” (mijn cursivering, A-G). Daarover kan men zeggen dat het op zichzelf juist kan zijn dat
alsde man
namensde vrouw heeft betaald, hij inderdaad geen regresvordering op de vrouw heeft. Dan heeft hij mogelijk zelf niet meer betaald dan hem in de interne verhouding aangaat (vgl. art. 6:10 lid 2 BW Pro). Of dat daadwerkelijk het geval is, hangt (mede) af van andere factoren op basis waarvan bepaald kan worden of hij de schuld heeft gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem in de interne verhouding aangaat. Uit het feit dat iemand (mede) namens een ander een schuld betaalt, volgt niet automatisch dat op die ander geen regresvordering kan ontstaan.
3.31
Ondanks het voorgaande meen ik, met enige aarzeling, dat de cassatieklachten slagen. Uitgangspunt is dat de rechter bij het vaststellen van de financiële middelen waarover een alimentatieplichtige kan beschikken een zelfstandige taak heeft. Daarbij zal hij rekening moeten houden met alle omstandigheden die voor de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige in redelijkheid van belang kunnen zijn. [48] In dit geval oordeelt het hof dat het zal rekenen met de volledige last, maar voegt daaraan toe dat dit wel tot gevolg heeft dat de man namens de vrouw aflost en dus niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling. Hoewel het hof kennelijk zocht naar een oplossing om de man niet te bevoordelen (zie hiervoor 3.30), en de beslissing in zoverre te begrijpen is, meen ik dat de rechter niet de vrijheid had om dat op deze wijze te doen. Met voornoemde beslissing geeft het hof niet alleen een oordeel over de draagkracht, maar verbindt het tegelijkertijd ook gevolgen aan de aflossingen die de man doet. Ik meen dat dit de zelfstandige rol van een rechter bij het vaststellen van de financiële middelen waarover een alimentatieplichtige kan beschikken te buiten gaat. Nu deze gevolgen (de man betaalt namens de vrouw en verkrijgt daardoor geen regresvordering) niet onderdeel waren van het processuele debat van partijen, kom ik tot de conclusie dat het hof hiermee in strijd met art. 24 Rv Pro buiten de grenzen van de rechtsstrijd treedt, dan wel dat sprake is van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing. De klachten slagen.
3.32
Ik heb mij bij het voorgaande nog afgevraagd of het onderdeel daadwerkelijk opkomt tegen een dragende overweging van het hof. Heeft het hof zijn oordeel dat de last volledig in de berekening wordt meegenomen wel afhankelijk gesteld van het gevolg “dat dat de man namens de vrouw aflost en dus niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling”? Of kan dit meer worden beschouwd als een overweging ten overvloede? De eerste lezing lijkt mij het meest waarschijnlijk, zodat een en ander niet tot een andere conclusie leidt.
3.33
Onderdeel IV.2voert aan dat het hof miskent dat er geen rechtsregel is die bepaalt dat wanneer met een schuld in het kader van de draagkracht rekening gehouden wordt, daarmee een regresrecht vervalt. Gelet op het slagen van onderdeel IV.1 behoeft deze klacht geen bespreking meer. Overigens zou ik de klacht wel zien slagen. Er is
weleen rechtsregel die meebrengt dat er geen regresvordering ontstaat indien de man de helft van de betaling aan de schuldeisers doet
namensde vrouw én daaruit volgt dat de man niet meer betaalde dan hij intern draagplichtig was; die rechtsregel is te vinden art. 6:10 lid 2 BW Pro (ik verwijs naar wat ik heb opgemerkt in 3.30). Maar ik zie niet in welke rechtsregel zou meebrengen dat het volledig meenemen van de schulden (die de man ook aflost) in de berekening van de
draagkrachtvan de man steeds tot gevolg zou hebben dat de man
namensde vrouw aflost en
daaromniet bij de vrouw kan aankloppen met een regresvordering.
3.34
Ook klaagt
onderdeel IV.3dat het hof miskent dat het betalen van schulden volledig meetelt voor de draagkrachtberekening, omdat het de draagkracht op dat moment verlaagt. Dit zou onder meer volgen uit een arrest van de Hoge Raad van 8 maart 2024 [49] .
3.35
Deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen, nu het hof vaststelt dat de schulden wél volledig meetellen. Overigens volgt uit het genoemde arrest van de Hoge Raad niet dat de betaling van schulden van belang is voor de vraag of met de schulden rekening moet worden gehouden. De Hoge Raad oordeelt in die zaak namelijk dat volgens vaste rechtspraak bij het bepalen van de draagkracht rekening dient te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige, ook met schulden waarop niet wordt afgelost, maar dat de rechter wel redenen aanwezig kan oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen (welk oordeel dan gemotiveerd moet worden).
3.36
In de aanvullende procesinleiding wordt onder 1.5 nog geklaagd dat het oordeel van het hof, dat de man ‘niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling’, onbegrijpelijk is gelet op het verweer van de vrouw waaruit blijkt dat zij weldegelijk over vermogen beschikte. Ook deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen. Voor het oordeel van het hof dat de man niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling, heeft het hof immers niet van belang geacht of de vrouw over vermogen beschikt.
3.37
Onderdeel 5betreft een voortbouwklacht die verder geen behandeling behoeft.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vergelijk de beschikking van het hof Den Haag van 18 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1913, onder 2.
2.Rechtbank Den Haag 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18010.
3.De echtscheiding is op 6 december 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4.Gerechtshof Den Haag 18 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1913.
5.In de procesinleiding wordt dit het proces-verbaal “in hoger beroep van de zitting van 28 maart 2025” genoemd. Uit r.o. 2.7 van de bestreden beschikking volgt echter dat de zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 april 2025, en van die zitting is ook een proces-verbaal afgegeven. Het voorbehoud in de procesinleiding ziet dan ook kennelijk op het proces-verbaal van die zitting.
6.In de procesinleiding voert de man aan dat hij onder 10 van zijn beroepschrift heeft gesteld dat het een bevrijdend verweer is.
7.Verzoekschrift van de vrouw d.d. 19 april 2023, p. 4; verweerschrift tevens aanvullend verzoekschrift van de vrouw d.d. 7 augustus 2023, p. 25 en productie 26.
8.Verweerschrift tevens aanvullend verzoekschrift van de vrouw d.d. 7 augustus 2023, p. 21 bovenaan.
9.Verweerschrift tevens akte nadere stukken c.q. vermeerdering van eis van de man d.d. 17 mei 2024, p. 7-10.
10.Verweerschrift tevens akte nadere stukken c.q. vermeerdering van eis van de man d.d. 17 mei 2024, p. 9 en beschikking rechtbank Den Haag 15 augustus 2024, p. 20-21.
11.Hoger beroepschrift van de man d.d. 7 november 2024, onder 27-38 en onder I van het petitum.
12.Uit productie 42 bij de brief van mr. De Jong van 24 mei 2024, en uit productie 22 bij het hoger beroepschrift van de man d.d. 7 november 2024 volgt dat de woning op 20 juni 2016 is verkocht.
13.Verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van de vrouw d.d. 5 februari 2025, onder 20 en 22.
14.In eerste aanleg had de vrouw nog gesteld dat een deel is besteed aan een overgangskrediet. Zie proces-verbaal van de zitting van 20 juni 2024, p. 12.
15.Verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van de vrouw d.d. 5 februari 2025, onder 20 en 22.
16.Vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:852,
17.HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058,
18.Proces-verbaal van de zitting van 11 april 2025, p. 6. Het hof oordeelt in r.o. 5.3 van de bestreden beschikking ook dat bewijsnood voor rekening en risico van de man komt.
19.Zie R.J.B. Boonekamp, W.L. Valk & F.J.P. Lock,
20.R.J.B. Boonekamp, W.L. Valk & F.J.P. Lock,
21.HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058,
22.Van een partij zonder stelplicht en bewijslast mag immers niet het onmogelijke worden gevergd, zie o.a. B.T.M. van de Wiel,
23.Zie HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469,
24.M.J.A.M. Ahsmann,
25.D.J. Beenders en J.P.C. Interfurth in
26.Conclusie A-G Hartlief onder 3.27 (ECLI:NL:PHR:2024:324) voor HR 24 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:744.
27.Daarvoor komen verschillende ‘technieken’ in aanmerking, de verzwaarde motiveringsplicht is er daar een van.
28.HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1510, r.o. 3.4.
29.Vgl. voor gezichtspunten bij de toepassing van deze regel de conclusie van A-G Hartlief, ECLI:PHR:2025:1238, onder 3.26 e.v. (die daarbij teruggrijpt op A-G Wuisman). In de dynamiek van het proces kan van de partij op wie de bewijslast rust worden verlangd dat zij duidelijk maakt waarom zij meent dat aan haar bewijsnood tegemoet moet worden gekomen, omdat zeer aannemelijk is dat de wederpartij over documentatie beschikt of kan beschikken die voor haar bewijsvoering noodzakelijk is. Zij zal dus in elk geval aannemelijk moeten maken dat ze niet zelf die gegevens kan genereren en ook dat de wederpartij wel over die gegevens kan beschikken. Hieruit volgt al terughoudendheid, zou ik menen, want het gaat er niet om dat het voor de wederpartij veel eenvoudiger of goedkoper is dan voor haar zelf om die gegevens te verstrekken, maar om situaties waarin de bewijsnood van dien aard is dat degene op wie de bewijslast rust daaraan (nagenoeg) onmogelijk kan voldoen zonder dat hij hulp krijgt van haar wederpartij. Het is daarom dat wordt gezegd dat de bewijslevering zonder de tegemoetkoming ‘zo zwaar zou worden dat zij illusoir zou zijn’ (aldus samengevat Asser in
30.Parl. Gesch. Herziening burgerlijk procesrecht, 2002, p. 147 en 152-153; R.H. de Bock,
31.Parl. Gesch. Herziening burgerlijk procesrecht, 2002, p. 147; HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706, r.o. 3.5.1.; HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:154,
32.Uit HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144,
33.Dit artikel is per 1 januari 2025 in gewijzigde vorm ondergebracht in artikelen 194, 195 en 195a Rv. Uit art. XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht volgt dat ten aanzien van de verdere behandeling door een rechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van de wet met een dagvaarding aanhangig zijn dan wel met een verzoekschrift zijn ingediend, het recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing blijft. Zie ook HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201, r.o. 3.6.
34.In eerste aanleg heeft de vrouw aangevoerd dat zij het geld aan haar ouders heeft gegeven en een deel is gebruikt als overbruggingskrediet voor een woning (proces-verbaal van de zitting van 20 juni 2024, p. 12 en 13). In hoger beroep neemt de vrouw de stelling in dat zij het op basis van enkele oude stukken uit de administratie, welke administratie in volle omvang in het bezit van de man zou zijn, waarschijnlijk acht dat ongeveer € 34.000,- is aangewend om de voormalige echtelijke woning te kopen, en dat zij de rest van het bedrag aan haar ouders heeft gegeven.
35.Hoger beroepschrift van de man d.d. 7 november 2024, onder 15. De vrouw heeft dit niet betwist.
36.Hoger beroepschrift van de man d.d. 7 november 2024, onder 1 en 2.
37.Verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van de vrouw d.d. 5 februari 2025, onder 6.
38.Verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van de vrouw d.d. 5 februari 2025, onder 9 en 22.
39.Door de vrouw is in haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van de vrouw d.d. 5 februari 2025 op p. 4 slechts bloot gesteld: “de rest heeft zij aan haar ouders gegeven”.
40.De vrouw stelt dat de gelden aan haar ouders zijn geschonken. Proces-verbaal van de zitting van 20 juni 2024, p. 12 en 13, verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van de vrouw d.d. 5 februari 2025, onder 9 en 22.
41.De vrouw heeft in haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van de vrouw d.d. 5 februari 2025, onder 29 ook aangevoerd “De man lijkt thans te willen stellen dat de door hem in eerste aanleg genoemde waarde onjuist is, doch laat na aan te tonen wat dan wel de juiste waarde is.”
42.Daarmee wordt hier dus kennelijk bedoeld de waarde die na betaling van inkomstenbelasting en boeterente overblijft.
43.Hoger beroepschrift van de man d.d. 7 november 2024, onder 42.
44.Hoger beroepschrift van de man d.d. 7 november 2024, onder 40.
45.Aan het slot van onderdeel IV.1. wordt ook nog aangevoerd dat het hof ‘art. 23, 14 en 6 EVRM’ heeft miskend, echter hierin lees ik niet een afzonderlijke klacht nu niet wordt toegelicht wat het hof dan precies heeft miskend (in de aanvullende procesinleiding onder 1.5. wordt de klacht van onderdeel IV.1. door de man ook niet zo weergegeven).
46.Hoger beroepschrift van de man d.d. 7 november 2024, onder 61 t/m 65.
47.Verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van de vrouw d.d. 5 februari 2025, onder 56.
48.Zie hierover
49.HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:340,