Conclusie
1.Inleiding
Sense [3] van het Hof van Justitie is gewezen, is mijns inziens buiten redelijke twijfel dat – ook wanneer het gaat om beleidsstandpunten – het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel geen verdergaande bescherming mag bieden dan het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel om zo een met het Unierecht strijdig voordeel toe te kennen (7.28-7.43). Par. 7 Onderwijsbesluit is in strijd met art. 132(1)i Btw-richtlijn. Gezien het voorgaande is buiten redelijke twijfel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan worden toegewezen.
Sensevolgt verder dat het onder voorwaarden wel is toegestaan om op grond van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel een schadevergoeding toe te kennen. Een dergelijk verzoek zou – los van de vraag of het in de onderhavige procedure kan worden ingediend – mijns inziens echter reeds afstuiten op de omstandigheid dat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de onderhavige diensten geen onderwijsdiensten zijn (7.45-7.61). Ook bij gehonoreerd vertrouwen aangaande de erkenningsvoorwaarde zouden de diensten niet zijn vrijgesteld. Dat sluit mijns inziens ook uit dat bij belanghebbende dispositieschade zou kunnen ontstaan door op par. 7 Onderwijsbesluit af te gaan. Eventuele schade zou toch al zijn ontstaan doordat belanghebbende van een onjuiste rechtsopvatting betreffende het karakter van haar diensten uitging.
particulierdoor docenten worden gegeven. Het betoog is pas in cassatie voor het eerst gevoerd. Het betreft dus een novum in cassatie en kan reeds daarom niet tot een gegrond cassatieberoep leiden. Om die reden behoeft het betoog geen inhoudelijke behandeling.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
MDDP [9] . Verder wordt betoogd dat belanghebbende soortgelijke doeleinden nastreeft als publiekrechtelijke lichamen. Ook wijst zij op de toelichting op paragraaf 7 van het besluit Omzetbelasting, vrijstellingen, onderwijsvrijstelling (Onderwijsbesluit) [10] . Volgens de toelichting vallen de activiteiten van belanghebbende volledig binnen de kaders van dit besluit. Verder is art. 8(1)b Uitvoeringsbesluit mogelijk minder strikt dan de Europese regeling; in dat geval doet belanghebbende een beroep op de meer gunstige regeling. Niettemin valt de onderhavige situatie volgens de toelichting ook binnen de reikwijdte van de Europese regeling.
A & G Fahrschul Akademie GmbH [11] niet van toepassing en past de aard van het onderwijs binnen de kaders van art. 132(1)j Btw-richtlijn.
4.Kader onderwijsvrijstelling
1. Inleiding
Deze vrijstellingen hebben als zodanig geen basis in de richtlijn.Het onderhavige wijzigingsbesluit strekt ertoe de onderwijsvrijstelling te herzien. Met name door het vervallen van de vrijstellingen voor de als zodanig omschreven categorieën schriftelijk onderwijs en niet-winstbeogend onderwijs, en doordat de vrijgestelde categorieën onderwijs thans in meer inhoudelijke zin zijn omschreven, zullen de hiervoor aangegeven problemen worden opgelost c.q. tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt.
Commissie/Duitslandoverwogen dat dit begrip geen bijzonder strikte uitlegging vergt “aangezien de vrijstelling van diensten die nauw samenhangen met het universitair onderwijs, moet verzekeren dat het volgen van universitair onderwijs niet ontoegankelijk wordt vanwege de verhoogde kosten indien het onderwijs zelf, of de dienstverrichtingen en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen, aan BTW zouden worden onderworpen”. [29]
Horizon College [34] gaat het om een onderwijsinstelling die een aantal van haar leraren ter beschikking heeft gesteld aan andere onderwijsinstellingen, waar die leraren werkzaam waren onder verantwoordelijkheid van de inlenende instelling. Voor elke terbeschikkingstelling werd een overeenkomst gesloten tussen Horizon College, de betrokken leraar en de inlenende instelling. Daarin werd bepaald dat de inlenende instelling de taken van de betrokken leraar bepaalde, daarbij rekening houdend met de duur van de terbeschikkingstelling en de functie waarin de leraar bij Horizon College was benoemd. De inlenende instelling was bovendien verantwoordelijk voor de betaling van de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor de periode gedurende welke de betrokken leraar haar ter beschikking was gesteld. Het salaris van de leraar werd doorbetaald door Horizon College. De inlenende instelling diende dit salaris zonder opslag te vergoeden aan Horizon College, die geen btw in rekening heeft gebracht. De Hoge Raad heeft in deze zaak aan het Hof van Justitie de vraag voorgelegd of het verstrekken van onderwijs mede omvat het tegen vergoeding ter beschikking stellen van een leraar aan een onderwijsinstelling om aldaar onder verantwoordelijkheid van die onderwijsinstelling op tijdelijke basis onderwijs te verzorgen. Ik merk op dat Horizon College, blijkens het arrest van het Hof van Justitie, heeft betoogd dat de vraag bevestigend moet worden beantwoord omdat volgens haar de feitelijke overdracht van kennis en vaardigheden, die, ongeacht de juridische structuur waarin die overdracht geschiedt, rechtstreeks plaatsvindt tussen docent en studenten of leerlingen, de kern van de verstrekking van onderwijs vormt.
MDDP [40] is een Poolse regeling aan de orde die voorziet in een algemene vrijstelling van alle onderwijsdiensten, ongeacht de doelstelling van de organisaties die deze diensten verrichten. Het Hof van Justitie overweegt dat een dergelijke regeling zonder erkenningsvoorwaarde onverenigbaar is met art. 132(1)i Btw-richtlijn:
MDDPaan de orde is, is ook nog relevant. De verwijzende rechter vraagt namelijk of de belastingplichtige zich kan beroepen op het feit dat de nationale btw-vrijstelling onverenigbaar is met art. 132(1)i Btw-richtlijn om aanspraak te maken op het recht op aftrek van voldane voorbelasting en tegelijk voor de onderwijs- en beroepsopleidingsdiensten die hij verricht, in aanmerking te komen voor die vrijstelling. Dat kan niet, aldus het Hof van Justitie, maar een belastingplichtige kan zich mogelijk wel direct op art. 132(1)i Btw-richtlijn beroepen om te vermijden dat die vrijstelling op hem wordt toegepast. [41] Daartoe is vereist dat die bepaling inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is wat de vrijstelling van onderwijsdiensten van particuliere organisaties betreft. [42] Het Hof van Justitie overweegt dat de bepaling onvoorwaardelijk is, omdat lidstaten verplicht zijn de vrijstelling te verlenen. [43] Wel hebben lidstaten een zekere beoordelingsvrijheid bij het omschrijven van de particuliere organisaties die soortgelijke doelstellingen hebben als publiekrechtelijke lichamen en waarvan de onderwijsdiensten moeten worden vrijgesteld. [44] Niettemin zou een belastingplichtige de bepaling rechtstreeks kunnen inroepen indien de litigieuze dienstverrichting volgens objectieve aanwijzingen voldoet aan de criteria voor de vrijstelling. [45] Dat betekent ook dat de belastingplichtige in de omgekeerde situatie toepassing van de vrijstelling kan afwenden:
Happy Education, waarin het Hof van Justitie overweegt dat de onderwijsvrijstelling alleen van toepassing is op onderwijsdiensten die worden verricht “door publiekrechtelijke lichamen [...] of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend”: [46]
Haderervolgt dat het onderscheid tussen (thans) art. 132(1)i Btw-richtlijn en art. 132(1)j Btw-richtlijn kan worden gevonden in de vraag of de lessen ‘particulier’ door de onderwijzer worden gegeven. [47] De bewoordingen van art. 132(1)j Btw-richtlijn verzetten zich er niet tegen dat lessen die aan meerdere personen tegelijk worden gegeven, onder de bij die bepaling ingevoerde vrijstelling vallen. [48] Het Hof van Justitie overweegt verder dat de voorwaarde dat de lessen particulier worden gegeven niet noodzakelijkerwijs vereist dat er een rechtstreekse contractuele band bestaat tussen degenen aan wie de lessen worden gegeven en de docent die ze geeft. Een dergelijke contractuele band bestaat immers meestal met andere personen dan degenen aan wie de lessen worden gegeven, zoals de ouders van de leerlingen of studenten. [49] Evenwel moet voor toepassing van art. 132(1)j Btw-richtlijn de docent het onderwijs voor eigen rekening en risico verzorgen en dat leek in
Hadererniet het geval. Eerder was sprake van een (niet voor de vrijstelling in aanmerking komende) terbeschikkingstelling: [50]
Hadererdat de vrijstellingen die thans in art. 132(1)i Btw-richtlijn en art. 132(1)j Btw-richtlijn zijn opgenomen, (geparafraseerd) niet een gesloten systeem vormen in die zin dat btw-vrijstelling kan worden verleend voor activiteiten die niet voldoen aan de voorwaarden van de ene of de andere bepaling. [51]
Haderer(voetnoot niet overgenomen): [52]
Eulitz, waarin het Hof van Justitie overweegt dat het enkele feit dat geen arbeidsovereenkomst of een band van ondergeschiktheid bestaat tussen de verrichter van de dienst en de afnemer daarvan (de aanbieder van het onderwijs), nog niet betekent dat sprake is van het ‘particulier’ verrichten van onderwijs. [53] Verder staat in punt 2 van het dictum van
Eulitzdat “een persoon als Eulitz, die vennoot van verzoekster in het hoofdgeding is en als docent diensten verricht in het kader van door een derde instelling aangeboden opleidingen, in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet kan worden beschouwd als een docent die „particulier” in de zin van deze bepaling lesgeeft”.
A & G Fahrschul-Akademieoverweegt AG Szpunar dat art. 132(1)j Btw-richtlijn uitsluitend van toepassing is op diensten verricht door natuurlijke personen (voetnoten niet overgenomen, met mijn cursivering): [54]
Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, kan een activiteit die weliswaar wordt verricht door een natuurlijke persoon, maar via bemiddeling van een derde, niet onder de in deze bepaling neergelegde vrijstelling vallen. Het zou derhalve onlogisch zijn nu te concluderen dat die derde zelf van die vrijstelling kan profiteren.
Horizon College(via een verwijzing naar
Brockenhurst College [58] ). Verder is relevant dat de Hoge Raad overweegt dat het weliswaar niet nodig is dat de afnemer van een nauw met onderwijs samenhangende prestatie zelf een erkende onderwijsinstelling is [59] , maar dat die voorwaarde wel geldt voor de verrichter van de prestatie:
met in begrip van diensten en goederenleveringen die daarmee nauw samenhangen, dat deze handelingen worden verricht door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend. Dat geldt volgens de HR dus ook voor de diensten bedoeld in art. 8 lid 2 Uitv Pro.besl. OB. De bv heeft in eerste en tweede aanleg niet gesteld dat zij een organisatie is die als lichaam met soortgelijke doeleinden wordt erkend. Zij voert deze stelling in cassatie voor het eerst aan. Omdat een onderzoek naar de juistheid van die stelling een feitenonderzoek zou vergen waarvoor in cassatie geen plaats is, oordeelt de HR dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de bv evenmin een organisatie is die als lichaam met soortgelijke doeleinden wordt erkend.”
5.Vallen de diensten van belanghebbende onder art. 132(1)j Btw-richtlijn?
particulierdoor docenten worden gegeven. Het betoog is ook pas in cassatie voor het eerst gevoerd. Het betreft dus een novum in cassatie en kan reeds daarom niet tot een gegrond cassatieberoep leiden. Om die reden behoeft het betoog geen inhoudelijke behandeling.
docentenworden gegeven. Er is iets te zeggen voor het betoog van A-G Szpunar (4.32) dat art. 132(1)j Btw-richtlijn alleen ziet op diensten verricht door natuurlijke personen, althans als art. 132(1)i-j Btw-richtlijn in samenhang aldus moet worden opgevat dat onderdeel i op rechtspersonen ziet en onderdeel j op natuurlijke personen. Die opvatting is echter niet door het Hof van Justitie bevestigd. Tegen die opvatting spreekt mogelijk dat het Hof van Justitie in het kader van de fiscale neutraliteit vrijstellingen niet zo pleegt uit te leggen dat deze zijn beperkt tot rechts- dan wel natuurlijke personen (vergelijk bijvoorbeeld het arrest
Gregg [69] ). Zie bijvoorbeeld ook dat in een zaak als
VDP Dental [70] de toepassing van de vrijstelling van thans art. 132(1)e Btw-richtlijn (de door tandtechnici in het kader van de uitoefening van hun beroep verrichte diensten, alsmede de levering van tandprothesen door tandartsen en tandtechnici) niet reeds afstuit op de grond dat de belanghebbende een rechtspersoon is en daarom bijvoorbeeld geen tandarts kan zijn.
Eulitzin 0. Voor zover enig ‘particulier lesgeven’ van de voor belanghebbende werkzame docenten er al toe zou kunnen leiden dat belanghebbende van de vrijstelling zou kunnen profiteren – maar dat is niet zo [72] – geldt dus dat van ‘particulier lesgeven’ geen sprake is. Overigens: voor zover docenten wél ‘particulier’ zouden lesgeven, moeten die diensten aan die docenten worden toegerekend en niet aan belanghebbende – zij geven dan immers voor eigen rekening en risico les – en is dus ook in dat geval en in zoverre uitgesloten dat de diensten van belanghebbende onder art. 132(1)j Btw-richtlijn kunnen worden geschaard.
Horizon College(0). Ook volgt uit
MDDPnog eens dat een implementatie van de onderwijsvrijstelling waarbij deze op algemene wijze geldt voor alle onderwijsdiensten, ongeacht de doelstelling van de particuliere organisaties die deze diensten verrichten, onverenigbaar is met art. 132(1)i Btw-richtlijn (4.25).
éclairédat die bepaling zo moet worden uitgelegd dat de onderwijsvrijstelling alleen van toepassing is op onderwijsdiensten die worden verricht “door publiekrechtelijke lichamen [...] of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend”. [73]
Pfeiffer e.a.geschetste kader omtrent richtlijnconforme uitleg: [75]
contra legemvan het nationale recht. [77] Dat is overigens een ander leerstuk dan de regel dat een richtlijn niet direct tegen een belastingplichtige ten nadele van hem kan worden ingeroepen. [78] Het Hof van Justitie laat de nationale rechter redelijk vrij in het bepalen wanneer sprake is van een
contra legem-situatie. [79] Wel heeft het Hof van Justitie de
contra legem-uitzondering op een aantal punten begrensd. Zo kan de rechter zich niet op de
contra legem-uitzondering beroepen indien het
contra legem-zijn enkel voortkomt uit de uitleg van de nationale bepaling in de nationale jurisprudentie en de rechter deze jurisprudentie kan wijzigen. [80]
Wagner Miret [82] . Ik citeer een aantal overwegingen uit dit arrest:
In dit verband verdient opmerking dat zelfs wanneer de wetgever bij de totstandkoming van hoofdstuk VI van de Wet blijkens de toelichting daarop een bepaalde uitleg aan de Wet heeft gegeven die in strijd met de Energiebelastingrichtlijn blijkt te zijn, zoals middel 2 betoogt, niet vanwege die totstandkomingsgeschiedenis met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel kan worden afgezien van de hiervoor in 3.2.2 omschreven verplichting tot richtlijnconforme uitleg, indien - zoals in dit geval - de wetgever heeft beoogd de richtlijn om te zetten en de tekst van de wettelijke regeling ook een richtlijnconforme uitleg toelaat.(…)”
contra legemvan het nationale recht, een tweetrapsraket. Eerst moet worden beoordeeld of de tekst van de uit te leggen bepaling in lijn met de richtlijn kan worden uitgelegd. Is dat zo, dan moet de bepaling richtlijnconform worden uitgelegd, tenzij in de toelichting of de parlementaire stukken expliciet is opgenomen dat bewust van de richtlijn is afgeweken.
Björnekulla, waarin het Hof van Justitie overweegt dat richtlijnconform dient te worden geïnterpreteerd “niettegenstaande uit de voorstukken van de nationale regel gegevens voor een andersluidende uitlegging kunnen voortvloeien”. [87] Ik heb overigens niet kunnen vinden dat het Hof van Justitie deze zinsnede later nog heeft herhaald [88] , maar bij gebreke van een afwijking moet ervan worden uitgegaan dat het geldend recht is.
Björnekullamijns inziens niet onverenigbaar. Het Hof van Justitie overweegt in
Björnekullaimmers slechts dat bij richtlijnconforme interpretatie niet relevant is dat uit de voorstukken van de nationale regel een andere uitleg kan voortvloeien. Dat betekent niet meer dan dat
alsrichtlijnconform kan worden uitgelegd, de richtlijnconforme uitlegging voorgaat op een eventuele andersluidende wetshistorische uitleg van de nationale bepaling. Daarvan gaat de Hoge Raad ook uit (6.16). De uitzondering in het Vierdaagse-arrest heeft mijns inziens echter vooral betrekking op het voorschrift dat de rechter ervan uit moet gaan dat de wetgever de bedoeling heeft gehad ten volle uitvoering te geven aan de uit de betrokken richtlijn voortvloeiende verplichtingen (6.12). Volgens de Hoge Raad kan de rechter daarvan niet uitgaan wanneer uit uitlatingen van de wetgever ondubbelzinnig en expliciet het tegendeel blijkt, en in dat geval kan als uitgangspunt niet richtlijnconform worden uitgelegd. Dat het bedoelde voorschrift slechts een uitgangspunt vormt dat weliswaar zeer zwaarwegend is, maar niet onaantastbaar is, vindt ook steun in de literatuur. [89]
nieteen voorwaarde is voor toepassing ervan. Gelukkig maar, want het alternatief komt de lees- en bruikbaarheid niet ten goede. Reëel gezien moet mijns inziens als uitgangspunt worden genomen dat als in de tekst van een vrijstellingsbepaling niet is bepaald dat ‘iets’ een voorwaarde is voor toepassing ervan, dat ‘iets’ dus inderdaad niet een voorwaarde is voor toepassing van die vrijstelling. Dat wordt ondersteund door de omstandigheid dat, indien een erkenningsvoorwaarde zou gelden bij toepassing van art. 8(1)b Uitvoeringsbesluit, die bepaling zinledig zou zijn (6.3). Dat geen erkenningsvoorwaarde is opgenomen in de teksten van art. 11(1)o.2° Wet OB en art. 8(1)b Uitvoeringsbesluit pleit daarom in zekere zin tegen de toelaatbaarheid van een uitlegging van deze bepalingen in overeenstemming met de Btw-richtlijn (waarin die voorwaarde wel staat).
Wagner Miret, waarin het ontbreken van een verwijzing in het Spaanse werknemersstatuut naar een besluit dat zag op waarborgen voor hoger leidinggevend personeel eraan in de weg stond dat het nationale recht richtlijnconform werd uitgelegd. Met andere woorden: wat er niet staat, is niet zonder betekenis.
contra legemzou zijn (6.13), moet mijns inziens worden geconcludeerd dat de Hoge Raad niet een
contra legem-situatie aan de orde achtte. Mijns inziens moet dan hetzelfde gelden voor de onderhavige bepalingen, en strekt de richtlijnconforme uitleg van art. 8(2) Uitvoeringsbesluit in samenhang met art. 11(1)o.2° Wet OB in het arrest van 17 september 2021 zich in beginsel uit tot art. 8(1)b Uitvoeringsbesluit.
Björnekullaexpliciet ten opzichte van een mogelijk afwijkende wetshistorische uitleg geldt. Indien de wetshistorische uitleg toch een rol van betekenis zou spelen bij de beoordeling of de
contra legem-uitzondering aan de orde is, zou dat het primaat van de richtlijnconforme uitlegging uithollen.
7.Beroep op par. 7 Onderwijsbesluit
contra legemzou achten, betekent dat dat die bepalingen kennelijk aldus moeten worden uitgelegd dat zij de voorwaarde stellen dat de dienstverrichter een erkende onderwijsinstelling moet zijn. Dat betekent op zijn beurt weer dat par. 7 Onderwijsbesluit – waarin het tegendeel staat –
contra legembeleid vormt.
contra legembeleid om te gaan. Onder meer in mijn conclusies van 27 december 2024 [91] en 25 juli 2025 [92] stond ik stil bij deze materie vanuit nationaalrechtelijk perspectief, zijnde bij het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Bij de uitleg van een beleidsregel moet ervan worden uitgegaan dat belastingplichtigen deze hebben moeten begrijpen zoals zij naar de objectieve beschouwing van de rechter redelijkerwijze moeten worden opgevat. [93] Het gaat in dit geval onmiskenbaar om wetsinterpreterend beleid: par. 7 Onderwijsbesluit is immers een parafrasering van de toelichting op art. 8(1)b Uitvoeringsbesluit. Er zijn geen aanwijzingen dat de gever van het Onderwijsbesluit bij het geven daarvan middels een goedkeuring een rechtsgevolg heeft willen bewerkstelligen in afwijking van een wettelijk voorschrift; integendeel, het wettelijk voorschrift wordt uitgelegd. Reeds uit het arrest van de Hoge Raad van 4 juni 1980 [94] over de uitleg van de Leidraad Successiewet 1956 volgt dat als over de uitlegging van een beleidsregel kan worden getwijfeld in die zin dat zowel een uitlegging in overeenstemming met de wet als in strijd met de wet verdedigbaar is, de rechter aan een uitlegging in overeenstemming met de wet de voorkeur behoort te geven. Deze regel geldt volgens Happé alleen voor wetsinterpreterende beleidsregels en niet voor goedkeurende beleidsregels. [95]
contrade nationale wet, maar ook
contrade Btw-richtlijn. De vraag is of dat laatste ertoe leidt dat belanghebbende toch geen beroep kan doen op het Onderwijsbesluit.
rechtzoveel mogelijk uitleggen conform de richtlijn (zie punt 113 van
Pfeifferin 6.12), en dat is ruimer dan de nationale
wet. [98] In ieder geval naar nationaal recht valt een beleidsregel als de onderhavige onder ‘recht’ in de zin van art. 79(1)b Wet RO. [99] Ik zie geen aanleiding om vanuit Unierechtelijk perspectief een engere definitie te hanteren.
contrade nationale wet. Ervan uitgaande dat het in beginsel (6.13) het domein van de nationale rechter is om te bepalen of richtlijnconforme uitleg
contra legemzou gaan – hij is immers als enige bevoegd het nationale recht uit te leggen – zou het nationaalrechtelijk dus wel passen dat binnen deze beoordeling het Onderwijsbesluit op zichzelf wordt beschouwd. Ik acht het rechtskundig fundament onder deze benadering sterker dan bij de meer materiële benadering en deze heeft dan ook mijn voorkeur. Deze benadering heeft echter wel tot gevolg dat richtlijnconforme uitlegging wordt geblokkeerd, omdat de bewoordingen van par. 7 Onderwijsbesluit daaraan evident in de weg staan (4.14, 6.14 en verder).
contrarichtlijn-beleidsregels. De Hoge Raad laat zich ook niet met zoveel woorden uit over welk vertrouwensbeginsel, de Unierechtelijke of de nationaalrechtelijke variant, hij toepast. [105]
contra legemvan het eerste. [106] Vooral daarom zou het Unierechtelijke beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen minder gunstig zijn voor justitiabelen. [107] Als met ‘
contra legem’ wordt bedoeld ‘in strijd met een strikte wetstoepassing’, lijkt deze bewering zich echter niet soepel te verhouden tot het arrest in de zaak
Elmeka [108] . Nu kan men daarin aanleiding zien het arrest in de zaak
Elmekaals ‘vreemde eend in de bijt’ of de bewering als onjuist te beschouwen, maar ook om te onderzoeken of de aan ‘
contra legem’ toegedichte betekenis juist is.
Maizena,
Thyssen,
Krückenen
Agroferm [109] geduid, waar het aankomt op de vraag of vertrouwen
contra legemmoet worden gehonoreerd. [110] Ik kom daarin tot de conclusie dat deze arresten niet zonder meer uitsluiten dat het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel het onder geen beding kan winnen van strikte wetstoepassing. In de zaak
Maizenais niet meer beslist dan dat een autoriteit naar de toekomst toe haar opvattingen kan wijzigen. Dit zegt niets over de mogelijkheid voor die autoriteit om met terugwerkende kracht op haar opvattingen terug te komen. In de zaak
Thyssengaat het over een beweerdelijke toezegging de wettelijke regels niet toe te passen, maar dat is wezenlijk iets anders dan een toezegging over de uitleg van een bepaling die voor meer dan één uitleg vatbaar is. En ook de frase uit de arresten in de zaken
Krückenen
Agrofermdat “het vertrouwensbeginsel niet tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling kan worden aangevoerd, en dat een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale autoriteit bij een marktdeelnemer geen gewettigd vertrouwen op een met het Unierecht strijdige behandeling kan wekken” [111] steunt naar mijn idee niet zonder meer de bewering dat het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel het onder geen beding kan winnen van strikte wetstoepassing. Dat zit in het woord ‘duidelijke’. Overigens is mijns inziens buiten redelijke twijfel dat de
contra legem-limiet van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel ziet op toepassing van het vertrouwensbeginsel
contraUnierechtelijke bepalingen en niet reeds elke
contra legemtoepassing van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel uitsluit enkel omdat deze op de omzetbelasting betrekking heeft [112] . [113] Daarvan gaat de Hoge Raad volgens mij ook uit (zie het arrest van 18 februari 2022, 7.15).
Ministru Kabinets [114] , maar ook de arresten
Elmekaen
Salomie en Olteantenderen daarnaar. Zie ook het vanaf 7.28 besproken arrest
Sense [115] . Dan treft de
contra legem-limiet enkel uitkomsten die vrij evident in strijd met de wetgeving zijn. Dat lijkt mij ook juist en wenselijk. In die gevallen mag iemand in een rechtstaat immers in redelijkheid niet erop rekenen dat zijn verwachtingen uitkomen. Het voorgaande sluit aan op het volgende wat Prechal e.a. schrijven: [116]
onjuistheidvan de informatie of het besluit
redelijkerwijs had moeten ontdekken.”
Maizena,
Krücken,
Agrofermen
Erzeugerorganisation Tiefkühlgemüse eGenen
Ministru Kabinets. Het is voorstelbaar dat het Hof van Justitie beducht is in dergelijke zaken al te snel een beroep op het vertrouwensbeginsel te honoreren uit een zeker wantrouwen ten opzichte van de lidstaten bij het uitkeren van gelden uit de Unieschatkist aan de eigen onderdanen. [118]
Salomie en Olteanhetgeen voorzichtig en bezonnen is, lijkt te laten afhangen van de omstandigheden van het geval, terwijl nationaalrechtelijk wel degelijk ook een zekere objectivering plaatsvindt.
op zichzelf bezienslechts voor één uitleg vatbaar: in art. 132(1)i Btw-richtlijn staat dat voor de daarin opgenomen vrijstelling is vereist is dat de dienstverrichter – kort gezegd – een erkende onderwijsinstelling is, en enige twijfel die daaromtrent nog bestond is in ieder geval met
Horizon College(2007) weggenomen. Een discrepantie tussen nationaalrechtelijk beleid en het Unierecht, zoals in deze zaak aan de orde, komt denkelijk vaker voor bij richtlijnen, die hooguit verplichtingen aan de lidstaten opleggen en eerst moeten worden omgezet voordat verplichtingen voor burgers ontstaan. Dat leidt eerder tot discrepanties die mogelijk relevant zijn voor het vertrouwensbeginsel dan bij de rechtstreeks werkende verordeningen die veelal in de jurisprudentie van het Hof van Justitie over het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel aan de orde zijn (7.22). Toch lijkt het er niet op dat het Hof van Justitie een andere maatstaf hanteert voor deze limiet wanneer het gaat om richtlijnen. [120]
Sense [123] van het Hof van Justitie is gewezen naar aanleiding van prejudiciële vragen van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Het arrest
Sensegaat ook over toezeggingen, maar de rechtsoverwegingen in het arrest zijn dusdanig algemeen geformuleerd dat deze mijns inziens ook op beleidsstandpunten kunnen en moeten worden toegepast.
Senseoverigens niet om een schadevordering waarin een verzoeker het beginsel van overheidsaansprakelijkheid wegens schending van het Unierecht inroept. [125]
Sensealleen ruimte biedt voor vergoeding van dispositieschade die is geleden doordat de belastingplichtige op basis van de aan hem gedane toezegging iets heeft gedaan of nagelaten dat hem in een nadeliger positie brengt dan hij geweest zou zijn als die toezegging niet was gedaan (voetnoten niet overgenomen): [131]
Sensealleen ruimte laat om dispositieschade te vergoeden op grond van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel, en dat niet zonder meer het bedrag mag worden vergoed dat bij honoreren van het vertrouwen in de fiscale procedure zou worden vergoed (voetnoten niet overgenomen): [132]
Sensein beginsel uitsluit dat een nationaalrechtelijk vertrouwensbeginsel verdergaande bescherming biedt dan op basis van het Unierecht is toegestaan, waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor de op het nationaal recht gebaseerde schadevergoeding die aan de drie genoemde voorwaarden voldoet. Ik kan me theoretisch gezien voorstellen dat andere toepassingen van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel ook toelaatbaar zijn mits deze geen afbreuk doen aan de voorrang, de doeltreffendheid en de eenvormige toepassing van het Unierecht in alle lidstaten, de financiële belangen van de Unie niet schaden en niet leiden tot verstoring van de mededinging tussen de lidstaten.
Sensewederom gaat om een verordening en niet om een richtlijn, kan de vraag worden gesteld of zij zonder meer in dezelfde mate gelden wanneer het om een richtlijn gaat. Waar het de (aanvullende) toepassing van een nationaalrechtelijk vertrouwensbeginsel betreft, is het gevaar van een conflict op basis van het door het Hof van Justitie genoemde voorrangsbeginsel bij een richtlijn mijns inziens niet zo groot. Vergelijk hetgeen A-G Kokott concludeert in de zaak
Herst, over de verhouding tussen de verplichtingen die voortvloeien uit de Btw-richtlijn en het Tsjechische constitutionele beginsel van
in dubio mitius(bij twijfel, uitleg in het voordeel van de belastingplichtige): [133]
acte clairis dat ook op andere beleidsterreinen dan die van de ‘Unierechtelijk geregelde geldbedragen’ alleen nog het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel moet worden toegepast (voetnoot niet overgenomen): [140]
Agrofermook geldt buiten het rechtsterrein van de Unierechtelijk geregelde geldbedragen zou het Hof dus eerst met zoveel woorden moeten vaststellen.”
Sensede vraag open of een beroep op een nationaalrechtelijk vertrouwensbeginsel kan worden gedaan als een nationale instantie een onduidelijke Unierechtelijke bepaling heeft uitgelegd. [143]
Sense– dat mijns inziens ook op beleidsstandpunten van toepassing is – geen enkel voorbehoud maakt ten aanzien van de omstandigheid dat het gaat om een verordening. Het is naar mijn mening buiten redelijke twijfel dat in het onderhavige geval, waarin het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel belanghebbende niet kan helpen omdat par. 7 Onderwijsbesluit strijdt met het Unierecht, aan belanghebbende een met het Unierecht strijdig voordeel wordt toegekend (7.32) indien op grond van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel de onderwijsvrijstelling op de onderhavige dienst van toepassing wordt geacht. Een dergelijke (aanvullende) bescherming mag het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel in een geval als het onderhavige niet bieden, aldus het arrest
Sense. Ook het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel biedt belanghebbende dus geen soelaas, omdat het wordt beperkt door het Unierecht.
Horizon College(4.20-0). Verder is het door belanghebbende aangevoerde argument dat sprake is van een gestructureerde kennisoverdracht tussen docent en leerling die volledig past binnen het reguliere onderwijs – en dat daarom sprake is van een onderwijsdienst – reeds gewogen door het Hof van Justitie in
Horizon College(4.20). Dat argument is op zichzelf bezien onvoldoende geacht, en dit betekent dat zelfs als haar docenten een onderwijsprestatie leveren, dat niet wil zeggen dat belanghebbende dat ook doet.
Horizon Collegegeformuleerde maatstaf volgt dat relevant is voor wiens verantwoordelijkheid het onderwijs wordt verricht. Ik heb in het dossier geen andere aanknopingspunten gevonden die mij doen twijfelen aan het oordeel van de Rechtbank dat geen sprake is van een onderwijsdienst, welk oordeel uitgaat van een juiste rechtsopvatting, begrijpelijk is en voldoende is gemotiveerd.
Sense. Omdat de in geschil zijnde diensten geen onderwijsdiensten zijn, is het mijns inziens uitgesloten dat belanghebbende een schadevergoeding wordt toegekend op basis van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel (ook niet in een eventuele civiele procedure). Zie ook wat ik in 7.59 schrijf: ook bij gehonoreerd vertrouwen aangaande de erkenningsvoorwaarde zou de dienst niet vrijgesteld zijn. Dat sluit mijns inziens ook uit dat bij belanghebbende dispositieschade zou kunnen ontstaan door op par. 7 Onderwijsbesluit af te gaan. Eventuele schade zou toch al zijn ontstaan doordat belanghebbende van een onjuiste rechtsopvatting betreffende het karakter van haar diensten uitging.
8.Beoordeling van de middelen
particulierdoor docenten worden gegeven. Het betoog is pas in cassatie voor het eerst gevoerd. Het betreft dus een novum in cassatie en kan reeds daarom niet tot een gegrond cassatieberoep leiden. Om die reden behoeft het betoog geen inhoudelijke behandeling.