Conclusie
1.Inleiding
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
[A-G: ik begrijp 20-000859-20], waarin het hof heden eveneens arrest heeft gewezen, reeds bij de strafoplegging in matigende zin is betrokken.
4.Het eerste middel
voor zover die zijn voldaan, in mindering gebracht. [1]
5.Het tweede middel
en door middel van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn gegaan[cursivering A-G], een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten”.
anderestrafbare feiten die door de betrokkene zijn begaan.
6.Het derde middel
NJ2006/433, m.nt. P.A.M. Mevis) had het hof zijn verkorte arrest in het geheel niet aangevuld. Het middel berust op een onjuiste rechtsopvatting.