Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:371

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
25/00929
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999Art. 25 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995Art. 149 RvArt. 151 lid 2 RvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onrechtmatige advisering door vergunningloze tussenpersonen in effectenleasezaak Dexia

In deze zaak staat centraal of Dexia Nederland B.V. onrechtmatig heeft gehandeld door effectenleaseovereenkomsten aan te bieden waarbij de afnemer door tussenpersonen zonder vereiste vergunning is geadviseerd. De afnemer vordert een verklaring voor recht dat Dexia tekort is geschoten en schadevergoeding. De rechtbank wees de vorderingen toe, het hof bekrachtigde dit oordeel. Dexia stelde cassatieberoep in tegen het oordeel dat zij onvoldoende had betwist dat de afnemer vergunningplichtig was geadviseerd.

De Hoge Raad bevestigt het juridisch kader dat een aanbieder van effectenleaseproducten volledig aansprakelijk is indien een tussenpersoon zonder vergunning een gepersonaliseerd advies gaf en de aanbieder hiervan wist of behoorde te weten. Het hof oordeelde dat de afnemer voldoende concrete stellingen had gedaan over advisering door Spaar Select en Alpha Emergo, en dat Dexia deze slechts in algemene zin betwistte. Dexia had nagelaten concreet te stellen en te onderbouwen dat in dit geval was afgeweken van de gebruikelijke werkwijze van de tussenpersonen.

De Hoge Raad wijst erop dat het hof terecht heeft geoordeeld dat Dexia onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de afnemer vergunningplichtig is geadviseerd. Het hof mocht de stellingen van de afnemer als vaststaand aannemen en hoefde niet toe te komen aan bewijslevering door Dexia. Het cassatieberoep faalt ook in het betoog dat het recht op een eerlijk proces is geschonden, omdat het recht op bewijs niet absoluut is en de rechter regels mag stellen aan bewijslevering. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt het oordeel van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Dexia wordt verworpen en het oordeel van het hof dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00929
Zitting10 april 2026
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
Dexia Nederland B.V. (hierna: Dexia)
tegen
[verweerder] (hierna: [verweerder])

1.Inleiding

1.1
Sinds het arrest B/Dexia is in efffectenleasezaken geprocedeerd over de toepassing van de voorwaarden waaronder de aanbieder van effectenleaseproducten 100% van de schade van de afnemer moet vergoeden. Deze voorwaarden houden, kort gezegd, in (i) dat een tussenpersoon (cliëntenremisier) zonder te beschikken over de daarvoor vereiste vergunning de afnemer heeft geadviseerd de overeenkomst met de aanbieder van een effectenleaseproduct aan te gaan en (ii) de aanbieder dit wist of behoorde te weten. [1] Het eerste vereiste is door de Hoge Raad uitgewerkt in de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [2] en een aantal arresten van 9 juni 2023. [3] Het tweede vereiste is aan bod gekomen in HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882 (Dexia/T).
1.2
De thans in cassatie aanhangige zaak (evenals de zaken 25/00882 en 25/00926, waarin grotendeels dezelfde cassatieklachten van Dexia aan de orde zijn en waarin ik vandaag eveneens concludeer) stelt het eerste vereiste aan de orde. Dexia klaagt, kort gezegd, dat het hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de afnemer van de betreffende effectenleaseovereenkomsten bij het aangaan van deze overeenkomsten door de betrokken tussenpersonen – Spaar Select en Alpha Emergo − is geadviseerd en dat aan bewijslevering aan de zijde van Dexia op dit punt niet wordt toegekomen.
1.3
[verweerder] meent dat de onderhavige zaak niet wezenlijk verschilt van eerdere zaken die door de Hoge Raad zijn beoordeeld. Volgens Dexia is wel sprake van een relevant verschil, kort gezegd, omdat zij in deze zaak ter betwisting van de stellingen van [verweerder] heeft gesteld dat bij [verweerder] geen huisbezoek heeft plaatsgevonden, dat niet is geïnformeerd naar zijn financiële situatie en doelen, dat Spaar Select en Alpha Emergo geen vaste werkwijze hadden, dat een eventuele gebruikelijk gang van zaken in dit geval niet is gevolgd en dat de werkzaamheden beperkt zijn gebleven tot toegestane cliëntremisewerkzaamheden. [4] Het cassatieberoep slaagt naar mijn mening niet.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [5]
(i) Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Dexia Bank Nederland, Bank Labouchere en Legio Lease. Waar gesproken wordt over Dexia, worden haar rechtsvoorgangsters daaronder begrepen.
(ii) [verweerder] heeft de volgende leaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) ondertekend waarop [verweerder] als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
[001]
02-06-1998
Maximaal Rendement Effect
180 mnd
€ 89.821,25
II.
[002]
02-06-1998
Maximaal Rendement Effect
180 mnd
€ 89.821,25
III.
[003]
02-06-1998
Maximaal Rendement Effect
180 mnd
€ 64.391,41
IV.
[004]
15-06-1999
Capital Effect
240 mnd
€ 27.299,52
V.
[005]
18-06-1999
Capital Effect
240 mnd
€ 27.153,84
(iii) Volgens opgave van Dexia heeft [verweerder] op grond van de leaseovereenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 54.277,97 aan maandtermijnen betaald. [verweerder] heeft in totaal € 12.178,65 aan dividenden ontvangen. Op 18 januari 2012 heeft Dexia een bedrag van in totaal € 51.690,28 aan [verweerder] uitgekeerd. Bij het einde van de overeenkomsten heeft Dexia de onderliggende effecten aan [verweerder] uitgeleverd, [verweerder] heeft in verband daarmee aan Dexia in totaal een bedrag van € 109.440,52 betaald, terwijl de restant hoofdsom € 108.079,18 bedroeg.
(iv) De gemachtigde van [verweerder], Leaseproces, heeft bij brief van 9 maart 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe nog andere gronden aan te voeren.
(v) [verweerder] heeft door middel van een zogenoemde ‘opt-out verklaring’ aangegeven niet gebonden te willen zijn aan de door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.
2.2
In deze procedure vordert [verweerder], kort gezegd, een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekort geschoten jegens [verweerder] en een verklaring voor recht dat [verweerder] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [verweerder] te vergoeden. Ook vordert [verweerder] dat Dexia zal worden veroordeeld tot voldoening aan [verweerder] van al datgene dat [verweerder] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente.
2.3
Dexia heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen en een tegenvordering ingesteld, inhoudende een (zogenaamde negatieve) verklaring voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [verweerder] gesloten overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en daarom niets meer aan [verweerder] verschuldigd is.
2.4
De rechtbank heeft in conventie de vorderingen van [verweerder] toegewezen en in reconventie de vorderingen van Dexia afgewezen.
2.5
Dexia is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 17 december 2024 [6] het vonnis van de rechtbank – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – bekrachtigd.
2.6
Dexia heeft bij procesinleiding van 13 maart 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep is niet afzonderlijk toegelicht. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. Dexia heeft hierop bij repliek gereageerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen.
Onderdelen 1 en 2klagen over het oordeel dat Dexia onvoldoende heeft betwist dat [verweerder] voor het sluiten van de overeenkomsten door Spaar Select respectievelijk Alpha Emergo is geadviseerd
.Onderdeel 3bevat een veegklacht.
Inleiding op onderdelen 1-2 [7]
3.2.1
In zijn arresten van 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889, heeft de Hoge Raad in vijf zaken het juridisch kader voor de schadeverdeling in geval van niet-toegestane advisering door een tussenpersoon en voor de beoordeling of sprake is van dergelijke advisering, als volgt weergegeven: [8]
“3.2.1. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt de enkele omstandigheid dat de aanbieder in strijd met art. 41 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (oud) – dan wel het daarmee materieel overeenkomende art. 25 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1995 (oud) – een effectenleaseovereenkomst heeft gesloten met een afnemer terwijl de aanbieder wist of behoorde te weten dat de afnemer tot het aangaan van die overeenkomst advies had gekregen van een tussenpersoon die niet beschikte over de daarvoor vereiste vergunning, mee dat de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de afnemer reeds betaalde rente, aflossing en kosten.
3.2.2.
Van een niet-toegestane advisering door een tussenpersoon is sprake indien de tussenpersoon, zonder over een vergunning te beschikken, in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product heeft gedaan. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden, is van belang of de tussenpersoon al dan niet (i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer, (ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product, (iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product heeft geadviseerd. Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
3.2.3.
Indien de tussenpersoon zonder vergunning advies in de hiervoor bedoelde zin heeft gegeven aan een afnemer en de aanbieder dit wist of behoorde te begrijpen, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft. Daarbij is de inhoud van het advies of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct niet meer van belang. Ook niet van belang zijn daarbij de wijze waarop de tussenpersoon zijn advies heeft verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonlijk financieel plan, en de omstandigheid dat (i) de afnemer had kunnen begrijpen dat de tussenpersoon met name een bepaald effectenleaseproduct wenste te verkopen, (ii) de tussenpersoon zich presenteert als deskundige op het gebied van financiële advisering, (iii) de tussenpersoon ongevraagd contact heeft gezocht met de afnemer, dan wel dat de afnemer uit eigen beweging contact heeft gezocht met de tussenpersoon, (iv) er voordien geen contact was geweest tussen de afnemer en de tussenpersoon, dan wel dat tussen hen al een relatie bestond, (v) de tussenpersoon de afnemer thuis heeft bezocht voor een gesprek, dan wel alleen telefonisch of schriftelijk contact met de afnemer heeft gehad.”
3.2.2
In deze vijf zaken ging het kort gezegd om het volgende. In de bestreden arresten gaf het hof Arnhem-Leeuwarden de stellingen van de afnemer weer en stelde het vast dat die stellingen door Dexia werden betwist. Vervolgens oordeelde het hof dat de afnemers onvoldoende hadden onderbouwd dat sprake was van advisering zoals bedoeld in de arresten B/Dexia en T/Dexia, [9] ook als veronderstellenderwijs zou worden uitgegaan van de juistheid van de door de afnemers gestelde feitelijke gang van zaken. Het hof wees de vorderingen die erop waren gebaseerd dat sprake was van dergelijke advisering, daarom af. De Hoge Raad vernietigde de arresten van het hof, omdat het hof had miskend dat in de stellingen van de afnemers besloten lag dat de verschillende adviseurs de producten hadden voorgesteld als geschikt voor de situatie van de afnemers en dat deze stellingen voldoende waren voor het oordeel dat sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling waarvoor een vergunning vereist is. [10]
3.3
In de zaak Dexia/T, waarin de Hoge Raad eveneens op 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:882) arrest wees, ging het niet alleen om de vraag of voldoende was gesteld om aan te nemen dat de afnemer door de tussenpersoon (Spaar Select) was geadviseerd, maar ook om de vraag of het hof kon aannemen dat Dexia bekend was of behoorde te zijn met de omstandigheid dat de tussenpersoon (Spaar Select) de afnemer had geadviseerd.
3.4.1
Het hof ’s-Hertogenbosch had in de zaak Dexia/T onder meer geoordeeld dat Dexia onvoldoende gemotiveerd had betwist dat Spaar Select de afnemer had geadviseerd om de overeenkomst met Dexia aan te gaan. Daartoe (i) gaf het hof de stellingen van de afnemer weer (rov. 3.11), (ii) overwoog het hof dat, gelet op de concrete en specifieke stellingen van de afnemer en mede gelet op de kennis van Dexia over de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en de betrokkenheid van Dexia daarbij, het op de weg van Dexia had gelegen om de stellingen van de afnemer concreet en gemotiveerd te betwisten en (iii) oordeelde het hof dat gelet op de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en de betrokkenheid van Dexia daarbij, en aangezien de concrete stellingen van de afnemer over hoe Spaar Select in zijn geval heeft gehandeld aansluiten bij die gebruikelijke werkwijze, het op de weg van Dexia lag om concreet toe te lichten dat en waarom in het geval van de afnemer is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze en dat Dexia dat niet heeft gedaan (rov. 3.12). [11]
3.4.2
De tegen deze overwegingen gerichte klachten van Dexia zijn door de Hoge Raad verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro. Deze klachten hielden onder meer in:
(i) dat de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niets zegt over de vraag of in het geval van de afnemer sprake is geweest van een advies in de zin van het arrest B/Dexia; en
(ii) dat de vaststelling dat de stellingen van de afnemer aansluiten bij de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, zonder enige verdere staving aan de hand van stukken, niet als grondslag kan dienen voor het oordeel dat Dexia de stellingen van de Afnemer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, waarbij er door het middel op werd gewezen (a) dat de beweerde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niet altijd is gevolgd, (b) deze in het geval van de afnemer niet is gevolgd nu bij hem geen sprake is van een Persoon Financieel Plan en planning en (c) dat sprake is van blote stellingen die de afnemer pas na 16 jaar voor het eerst naar voren heeft gebracht. [12]
3.5
Ook de klachten die waren gericht tegen het oordeel van het hof over de wetenschap van Dexia werd verworpen. Daartoe overwoog de Hoge Raad in het arrest Dexia/T:
“3.1 De onderdelen 2.2 en 2.3 van het middel klagen dat het hof zijn oordeel (in rov. 3.17) dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select voorafgaand aan het sluiten van de effectenleaseovereenkomst [de afnemer] had geadviseerd, niet heeft kunnen baseren op de gebruikelijke werkwijze en nauwe samenwerking met Spaar Select. Volgens de onderdelen zien de producties waarop het hof dit oordeel baseert, niet op enige wetenschap van Dexia ten aanzien van de relatie tussen Spaar Select en [de afnemer], en zijn de daarin gehanteerde termen te onbepaald.
3.2
Dexia heeft als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst jegens [de afnemer] onrechtmatig gehandeld indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [de afnemer] een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering van [de afnemer] door Spaar Select is daarvoor dus niet vereist. [De afnemer] heeft stukken overgelegd waaruit het hof (in rov. 3.14) – in cassatie onbestreden – heeft afgeleid dat Dexia in de periode dat [de afnemer] de overeenkomst sloot, nauw samenwerkte met Spaar Select bij de verkoop van de producten van Dexia door Spaar Select en in dat kader ermee bekend was dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het hof dit gegeven heeft beschouwd als een voldoende onderbouwing van de stelling van [de afnemer] dat Dexia ook in zijn geval bekend was of behoorde te zijn met de advisering van hem door Spaar Select. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor het oordeel (in rov. 3.17) dat in het licht daarvan de betwisting door Dexia dat zij op het moment dat Spaar Select [de afnemer] als cliënt bij Dexia aanbracht, van deze advisering op de hoogte was of behoorde te zijn onvoldoende is. Daarop stuiten de klachten van de onderdelen 2.2 en 2.3 af.”
3.6
Tegen deze achtergrond bespreek ik hierna de klachten van het cassatiemiddel. Ik geef eerst de relevante overwegingen van het hof weer.
De in cassatie bestreden overwegingen van het hof
3.7
De klachten van het cassatiemiddel richten zich tegen rov. 4.10, 4.11 en 4.18-4.20. In rov. 4.9 heeft het hof de stellingen van [verweerder] over zijn contacten met Spaar Select en Alpha Emergo weergegeven. In rov. 4.9 overwoog het hof onder meer:
“4.9 In de onderhavige zaak heeft de afnemer onder “De feitelijke gang van zaken” het volgende in de dagvaarding aangevoerd.
“[verweerder] is in 1998 voor het eerst in contact gekomen met Spaar Select. Naar aanleiding van dit contact is vervolgens een afspraak gemaakt met een financieel adviseur van Spaar Select voor een huisbezoek. Er hebben vervolgens meerdere adviesgesprekken plaatsgevonden met de financieel adviseur van Spaar Select, te weten (…) (hierna te noemen: ‘adviseur’).”
"Tijdens het gesprek heeft de adviseur geïnformeerd naar de financiële situatie en de financiële wensen. De belangrijkste wens was om vermogen op te bouwen voor de toekomst van zijn drie kinderen. Volgens de adviseur had hij een geschikt product om voor deze doelstelling vermogen op te bouwen. De adviseur begon over de aanwezige overwaarde op de woning van [verweerder]. Volgens de adviseur zou [verweerder] er goed aan doen om gebruikte maken van zijn overwaarde. Hij kon zijn overwaarde via een tweede hypotheek op nemen en dit bedrag gebruiken als vooruitbetaling in drie Maximaal Rendement Effect producten van Bank Labouchere.”
(…)
“Ongeveer een jaar later, in 1999, is [verweerder] telefonisch benaderd door de tussenpersoon Alpha Emergo. (…) De adviseur heeft [verweerder] meerdere malen thuis bezocht.”
““In dit gesprek heeft de adviseur geïnformeerd naar de financiële situatie en de financiële wensen. De wens van [verweerder] om vermogen op te bouwen voor de toekomst van de kinderen is tevens weer ter sprake gekomen. Ook is uitgebreid gesproken over de eerder afgesloten overeenkomsten. Volgens de adviseur zou het goed gaan met de eerder afgesloten Maximaal Rendement Effect overeenkomsten en zou [verweerder] er goed aan doen om nog twee Capital Effect overeenkomsten af te sluiten.” (…)
Aansluitend overwoog het hof:
“4.10. Dexia heeft de stellingen van de afnemer slechts in algemene zin betwist. Volgens haar volgt uit diverse door haar overgelegde producties dan wel verklaringen dat de werkwijze van Spaar Select en Alpha Emergo veelvuldig was beperkt tot het doen van algemene aanprijzingen.
4.11.
Voorop staat dat de door de afnemer geschetste betrokkenheid van Spaar Select en Alpha Emergo bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, indien deze komt vast te staan, in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022 moet worden gekwalificeerd als advisering. Het hof verwerpt daarmee het verweer van Dexia, zoals zij dat onder verwijzing naar de door haar bij akte uitlaten jurisprudentie en memorie van grieven overgelegde opinie heeft gevoerd, dat de door de afnemer gestelde betrokkenheid niet als advisering in de zin van artikel 41 Nadere Pro Regeling 1999 kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van het hof volgt uit de door de afnemer overgelegde producties, zoals die hierna zijn weergegeven, voldoende dat Spaar Select en Alpha Emergo een gebruikelijke werkwijze hadden die aansluit bij de concrete stellingen van de afnemer over hoe Spaar Select en Alpha Emergo in zijn geval hebben gehandeld. Daarmee heeft de afnemer zijn stelling dat er is geadviseerd voldoende gemotiveerd onderbouwd. Het had op de weg van Dexia gelegen om concreet te stellen en toe te lichten dat en op welke wijze in onderhavig geval is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze. Het in algemene bewoordingen geformuleerd verweer dat Spaar Select zich in veel zaken onthield van het geven van advies, is daartoe onvoldoende. De stelling van Dexia dat hiermee een verzwaarde stelplicht op Dexia komt te liggen, waaraan zij onmogelijk zou kunnen voldoen, wordt door het hof verworpen. Zoals hierna wordt overwogen, was Dexia er destijds mee bekend dat Spaar Select en Alpha Emergo standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die Spaar Select en Alpha Emergo als remisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. Het had daarom in het kader van de verplichtingen van Dexia ingevolge artikel 41 Nadere Pro Regeling 1999 op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij Spaar Select en Alpha Emergo wat de aard van de betrokkenheid van Spaar Select en Alpha Emergo was geweest. Zo had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de effectenleaseovereenkomst met de afnemer kon en mocht aangaan. Anders dan Dexia betoogt, kon het inwinnen van deze informatie redelijkerwijs van haar verlangd worden zodat deze zich wel degelijk in haar domein bevond. Dexia heeft een dergelijk onderzoek kennelijk niet verricht, althans zij heeft hieromtrent niets gesteld. De gevolgen van dit nalaten, dat meebrengt dat Dexia in onderhavige zaak nu kennelijk niet meer in staat is om gemotiveerd te onderbouwen dat er in onderhavige zaak geen advies is verleend, komen voor risico van Dexia.
Bovendien heeft Dexia niet uitgelegd op basis waarvan zij in haar memorandum van 25 maart 2007 (zie citaten hierna) tot de conclusie is gekomen dat de werkzaamheden van tussenpersonen zelden beperkt zijn gebleven tot het aanbrengen van een klant, maar dat doorgaans daarnaast sprake is geweest van het geven van beleggingsadvies. Evenmin heeft zij uitgelegd hoe deze conclusie − en het onderzoek dat daaraan kennelijk vooraf is gegaan − zich verdraagt met haar stelling dat het voor haar niet mogelijk is na te gaan in welke gevallen wel of niet is geadviseerd. Uit het memorandum volgt niet, zoals Dexia stelt, dat slechts is verondersteld dat door tussenpersonen beleggingsadviezen zijn gegeven.
Dexia heeft dan ook niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat de afnemer voorafgaand aan het sluiten van de effectenleaseovereenkomst een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van die overeenkomst heeft gekregen van Spaar Select en Alpha Emergo in de uitoefening van hun bedrijf. Dit neemt het hof dan ook als vaststaand aan. Dit betekent dat de afnemer de effectenleaseovereenkomst is aangegaan na advies door Spaar Select en Alpha Emergo die daarbij de reikwijdte van hun vrijstelling van de vergunningplicht hebben overschreden.
(…)”
In rov. 4.12 heeft het hof de stellingen van [verweerder] over de werkwijze van Spaar Select en van Alpha Emergo en de wetenschap daarvan van Dexia weergegeven. In rov. 4.13-4.17 heeft het hof de verweren van Dexia ter zake beoordeeld. Het hof concludeerde vervolgens:
“4.18. Alles overziend, komt het hof in deze zaak tot het volgende oordeel. Dexia was ermee bekend dat in het kader van de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en Alpha Emergo advies werd verleend aan potentiële klanten. Gezien die gebruikelijke werkwijze had het op de weg van Dexia gelegen, zoals hiervoor is overwogen, om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij Spaar Select en Alpha Emergo om te beoordelen of er al dan niet was geadviseerd. Indien Dexia al niet wist dat de afnemer door Spaar Select en Alpha Emergo was geadviseerd, dan had zij dus behoren te weten dat zij de afnemer hadden geadviseerd, in de zin dat deze een gepersonaliseerde aanbeveling had gekregen van hen tot het aangaan van de effectenleaseovereenkomst. Voor bewijslevering op dit punt is dan ook geen plaats.
4.19.
Gelet op het voorgaande heeft Dexia bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer in strijd gehandeld met artikel 41 van Pro de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer1999. Het hof ziet voorgaande overwegingen en conclusies bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:882 (Dexia/T. en ECLI:NL:HR:2023:885 (Dexia/S.) In dit geval eist de billijkheid daarom dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, voor zowel de (eventuele) restschuld van de afnemer als voor de door deze betaalde rente, aflossing en kosten. Het beroep op eigen schuld gaat dan ook niet op.
4.20.
Uit het voorgaande volgt dat als gevolg van de onvoldoende gemotiveerde betwisting door Dexia van de stellingen van de afnemer voor bewijslevering geen plaats is. Grief 3 waarin Dexia betoogt dat de kantonrechter haar bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd, wordt daarom verworpen. (…).”
Onderdeel 1
3.8
Onderdeel 1bevat klachten in de
subonderdelen 1.1-1.3en richt zich tegen rov. 4.10, 4.11 en 4.18-4.20. Het onderdeel bestrijdt het oordeel van het hof dat Dexia onvoldoende heeft betwist dat [verweerder] voor het sluiten van de overeenkomsten door Spaar Select respectievelijk Alpha Emergo is geadviseerd.
3.9
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof in rov. 4.11 en 4.18 onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat [verweerder] een gepersonaliseerde aanbeveling zou zijn gedaan en dat hij vergunningplichtig zou zijn geadviseerd. Deze oordelen zijn volgens het subonderdeel gebaseerd op louter blote stellingen van [verweerder] (rov. 4.11) en de constatering van het hof dat Dexia heeft afgezien van controle van de aard van de betrokkenheid van de tussenpersonen (rov. 4.11 en 4.18). Volgens het subonderdeel valt niet in te zien hoe de afwezigheid van een dergelijke controle van invloed kan zijn op de mate waarop [verweerder] voldoende feitelijke omstandigheden moet stellen voor zijn stelling dat hij vergunningplichtig is geadviseerd.
3.10.1
Deze klacht dient naar mijn mening te falen.
3.10.2
Het hof heeft (in rov. 4.11) overwogen dat [verweerder] concrete stellingen heeft ingenomen over hoe Spaar Select en Alpha Emergo in zijn geval hebben gehandeld en dat hij zijn stellingen voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Het hof heeft overwogen dat de door [verweerder] geschetste betrokkenheid van Spaar Select en Alpha Emergo bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, indien deze komt vast te staan, moet worden gekwalificeerd als advisering. Het hof heeft daarbij getoetst aan de door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 geformuleerde criteria.
Voorts heeft het hof overwogen dat Dexia deze stellingen slechts in algemene zin heeft betwist (rov. 4.10), dat uit de door [verweerder] overgelegde producties voldoende volgt dat Spaar Select en Alpha Emergo een gebruikelijke werkwijze hadden die aansluit bij de concrete stellingen van de afnemer over hoe Spaar Select en Alpha Emergo in zijn geval hebben gehandeld, dat het op de weg van Dexia had gelegen om concreet te stellen en toe te lichten dat en op welke wijze in onderhavig geval is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze, en dat daartoe onvoldoende is het in algemene bewoordingen geformuleerde verweer dat Spaar Select zich in veel zaken onthield van het geven van advies (rov. 4.11).
3.10.3
Uit rov. 4.11 volgt dat het hof de stellingen van [verweerder] niet heeft aangemerkt als ‘louter blote stellingen’. Uit rov. 4.11 blijkt dat naar het oordeel van het hof de stellingen van [verweerder], kort gezegd, duiden op advisering. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefden geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
Anders dan het subonderdeel veronderstelt, berusten deze oordelen niet op de omstandigheid dat Dexia heeft afgezien van controle. Deze omstandigheid speelt geen rol bij de beoordeling in rov. 4.11 van de vraag of [verweerder] voldoende feiten heeft gesteld ter adstructie van zijn stelling dat hij is geadviseerd, maar enkel bij de beoordeling of Dexia de door [verweerder] naar voren gebrachte feiten voldoende gemotiveerd heeft betwist. In zoverre berust het subonderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag
3.11
Subonderdeel 1.2klaagt dat het oordeel van het hof dat Dexia de stellingen van [verweerder] slechts in algemene zin zou hebben betwist (rov. 4.10, 4.11 en 4.18) onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen van Dexia in feitelijke aanleg. [verweerder] heeft gesteld dat hij tijdens huisbezoeken door Spaar Select en Alpha Emergo vergunningplichtig zou zijn geadviseerd en een gepersonaliseerde aanbeveling zou hebben gekregen. Hiertegenover heeft Dexia aangevoerd dat:
(i) (ook bij gebreke van de gebruikelijke schriftelijke afspraakbevestiging) niet is komen vast te staan dat een huisbezoek heeft plaatsgevonden, althans dat [verweerder] daartoe onvoldoende heeft gesteld en aangetoond;
(ii) sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022 standaard zijdens afnemers wordt gesteld dat de tussenpersoon zou hebben geïnformeerd naar de financiële situatie en de financiële doelen van de afnemers, maar dat uit de gedingstukken niet blijkt dat in de onderhavige zaak ook daadwerkelijk zou zijn geïnformeerd naar de financiële situatie en de financiële doelen van [verweerder];
(iii) Spaar Select en Alpha Emergo geen vaste werkwijze hanteerden waarbij afnemers standaard een gepersonaliseerde aanbieding ontvingen;
(iv) in de onderhavige zaak ook daadwerkelijk geen vergunningplichtig advisering heeft plaatsgevonden, zodat in zoverre in de kwestie [verweerder] ook is afgeweken van een eventuele gebruikelijke gang van zaken.
Onder verwijzing naar deze stellingen voert het subonderdeel aan dat Dexia uitdrukkelijk heeft betwist dat [verweerder] tijdens een eventueel huisbezoek is gevraagd naar zijn financiële situatie en zijn financiële doelen en dat aan hem een gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan, dat Spaar Select en Alpha Emergo een vaste werkwijze zouden hebben gehanteerd waarbij een dergelijke bevraging van en een aanbeveling aan de betreffende afnemer werd gedaan, en dat een eventuele bij de betreffende tussenpersonen bestaande gebruikelijk werkwijze bij [verweerder] niet is gevolgd, omdat geen vergunningplichtig advisering heeft plaatsgevonden.
3.12
Ik stel voorop dat de beoordeling of bepaalde stellingen voldoende (gemotiveerd) zijn betwist, in beginsel is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. [13]
3.13
De hiervoor in 3.11 onder (iii) bedoelde stelling van Dexia betreft naar zijn aard een algemene stelling. Het hof heeft deze stelling beoordeeld (in rov. 4.14-4.17) en geoordeeld (in rov. 4.18) dat in het kader van de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en Alpha Emergo advies werd verleend aan potentiële klanten.
Het hof verwijst hiernaar in rov. 4.11. Het lag volgens het hof op de weg van Dexia om concreet te stellen en toe te lichten dat en op welke wijze in dit geval is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze (en om navraag te doen bij Spaar Select en Alpha Emergo naar de aard van hun betrokkenheid, welk onderzoek Dexia kennelijk niet heeft verricht). In het licht hiervan heeft het hof kennelijk de hiervoor in 3.11 onder (i), (ii) en (iv) bedoelde stellingen van Dexia beoordeeld.
3.14
De onder (ii) en (iv) bedoelde stellingen van Dexia hielden niet zozeer in wat er concreet, in afwijking van de gebruikelijke werkwijze, dan wél was voorgevallen tussen [verweerder] en de tussenpersonen. Die stellingen kwamen er in de kern op neer dat [verweerder] onvoldoende concrete omstandigheden had gesteld om aan te nemen dat hij was geadviseerd (zie met name de memorie van grieven nrs. 37-41 en 47). [14] Dit laatste heeft het hof echter verworpen door (in rov. 4.11) te overwegen dat [verweerder] zijn stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd.
3.15
Wat betreft de onder (i) bedoelde stelling, heeft Dexia in de memorie van grieven nr. 7, kort gezegd, niet zozeer besteden dat er een huisbezoek was geweest, maar dat er was geadviseerd. In de memorie van grieven nr. 19 heeft Dexia onder meer betwist dat er een huisbezoek heeft plaatsgevonden en zij heeft daarbij opgemerkt dat van haar niet kan worden verwacht dat zij dit nader motiveert omdat zij niet betrokken was bij de contacten tussen [verweerder] en de tussenpersonen. Dit laatste heeft hof verworpen met zijn hiervoor In 3.13) bedoelde oordelen.
3.16.1
Wat betreft de onder (i) bedoelde stelling heeft Dexia voorts in de memorie van grieven nr. 41 gesteld dat niet is komen vast te staan dat Spaar Select/Alpha Emergo heeft geïnformeerd naar de financiële situatie en doelen van [verweerder]; dat in recente vonnissen is aangenomen dat als een huisbezoek is aangetoond er – behoudens aanwijzingen van het tegendeel – vanuit zou moeten worden gegaan dat de tussenpersoon ook heeft geïnformeerd naar de financiële situatie en doelen; dat in die zaken het bestaan van een huisbezoek is afgeleid uit een schriftelijke afspraak bevestiging, die in deze zaak echter ontbreekt; en dat blijkens de prejudiciële beslissing een huisbezoek geen relevante omstandigheid is.
3.16.2
De stellingen van Dexia op dit punt (in de memorie van grieven nrs. 7, 19 en 41) komen dus niet zozeer neer op een betwisting van de stelling dat er huisbezoek heeft plaatsgevonden, als wel op betwisting van de relevantie van een huisbezoek voor de aanname dat er sprake is geweest van advisering.
Voor zover Dexia heeft betwist dat er huisbezoeken bij [verweerder] hebben plaatsgevonden met het argument dat in deze zaak een afspraakbevestiging ontbreekt, is deze betwisting algemeen van aard in de zin dat het door Dexia gebruikte argument a-contrario is ontleend aan redeneringen in andere zaken. Het hof kon daaraan overigens voorbijgaan, omdat de afwezigheid van een afspraakbevestiging niet de mogelijkheid uitsluit dat een huisbezoek heeft plaatsgevonden.
3.17
In het licht van het voorgaande is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat Dexia de stellingen van [verweerder] slechts in algemene zin heeft betwist. Voor zover de klachten veronderstellen dat het hof niet is ingegaan op de in
subonderdeel 1.2bedoelde stellingen van Dexia, [15] berusten zij op een onjuiste lezing van het arrest en falen zijn het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
In het licht van het voorgaande faalt ook de klacht (in
nr. 29van de procesinleiding) dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat Dexia uitdrukkelijk heeft betwist dat huisbezoeken hebben plaatsgevonden en het hof die betwisting niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken.
3.18
Subonderdeel 1.3klaagt
in de eerste plaats(in
nrs. 31-32) dat indien en voor zover het hof van oordeel is geweest dat Dexia nog meer had moeten stellen ter onderbouwing van haar betwisting dan zij gedaan heeft, dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Van Dexia mocht niet meer worden verwacht dan dat zij concreet de stellingen van [verweerder] betwistte, hetgeen Dexia ook heeft gedaan. Van Dexia mocht niet worden verlangd dat zij haar verweer al zou onderbouwen met bewijsstukken, omdat de levering van het tegenbewijs door Dexia zal moeten plaatsvinden door middel van het horen van getuigen, waaronder de betrokken medewerkers van de tussenpersonen van Dexia in deze zaak en door het horen van [verweerder] zelf.
3.19
Voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van Dexia, [16] faalt het naar mijn mening in het voetspoor van
subonderdeel 1.2. Het hof heeft in rov. 4.11 overwogen dat Dexia, gelet op de gemotiveerde stellingname van [verweerder], onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [verweerder] voorafgaand aan het sluiten van de effectenleaseovereenkomst een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van de overeenkomst heeft gekregen van Spaar Select en Alpha Emergo. Dit is een aan het hof als feitenrechter voorbehouden afweging.
Voor zover het subonderdeel uit de overwegingen van het hof opmaakt dat van Dexia een onderbouwing met bewijsstukken werd verlangd, faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof overweegt (in rov. 4.11) dat, gelet op de omstandigheid dat uit de door [verweerder] overgelegde producties voldoende volgt dat Spaar Select en Alpha Emergo een gebruikelijke werkwijze hadden die aansluit bij de concrete stellingen van [verweerder] op dit punt, het op de weg van Dexia had gelegen om “concreet te stellen en toe te lichten dat en op welke wijze in het onderhavige geval is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze”. Van Dexia werd – anders dan het subonderdeel betoogt – dan ook niet verlangd dat zij haar stellingen zou onderbouwen met bewijsstukken.
3.2
Subonderdeel 1.3klaagt
in de tweede plaats(in
nrs. 33-34) dat rechtens onjuist is dat het hof de omvang van de betwistplicht van Dexia heeft ingevuld op basis van informatie waarover zij niet daadwerkelijk beschikt, maar volgens het hof zou hebben beschikt als zij aan een bepaalde (en vermeende) materiële rechtsplicht uitvoering had gegeven, namelijk om destijds bij Spaar Select en Alpha Emergo onderzoek te doen naar hetgeen was voorgevallen in het verkeer met [verweerder]. Bij beantwoording van de vraag of een partij de stellingen van haar wederpartij voldoende gemotiveerd betwist heeft, mag volgens de klacht slechts belang toekomen aan de informatie waarover eerstgenoemde partij daadwerkelijk of beschikt of moet beschikken, dat laatste in die zin dat het niet anders kan dan dat die partij over die informatie beschikt.
Het nalaten van het destijds inwinnen van dergelijke informatie wordt door het hof bestraft met het voor waar aannemen van de stellingen van [verweerder]. Dit verzuim behoort volgens de klacht niet tot gevolg te hebben dat een procespartij het recht wordt ontzegd de ware toedracht boven water te halen.
Indien en voor zover Dexia al gehouden zou zijn om het door het hof in rov. 4.11 en 4.18 bedoelde onderzoek naar de aard van de betrokkenheid van Spaar Select en Alpha Emergo te doen, dan ligt voor de hand dat Dexia te horen zou hebben gekregen dat er geen gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan. Dexia had dan ook niet anders of meer kunnen doen dan de door [verweerder] gestelde feiten te betwisten op de wijze waarop zij dat thans heeft gedaan. Daarmee was de betwisting voldoende, aldus het subonderdeel.
3.21
Het hof heeft in rov. 4.11 overwogen dat Dexia ermee bekend was dat Spaar Select en Alpha Emergo destijds standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven en dat het in het kader van de verplichtingen van Dexia ingevolge art. 41 NR Pro op haar weg had gelegen om bij Spaar Select en Alpha Emergo navraag te doen naar hun betrokkenheid.
3.22
Anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt, heeft het hof hiermee geen rechtsregel geschonden. De eisen die aan de betwisting van de stellingen van de wederpartij kunnen worden gesteld, zijn afhankelijk van de omstandigheden, zoals de mate waarin de wederpartij haar stellingen heeft geconcretiseerd en eventueel reeds heeft onderbouwd. [17] In dat kader kan ook relevant zijn in hoeverre Dexia redelijkerwijs in staat was om haar betwisting nader te motiveren en te onderbouwen. [18]
3.23
Anders dan het subonderdeel betoogt, heeft het hof niet aan het verzuim van Dexia om bepaalde informatie in te winnen de sanctie verbonden van de aanname dat die informatie, als zij was ingewonnen, een voor de afnemer gunstige inhoud zou hebben gehad. Het hof heeft ook geen oordeel gegeven over wat Dexia te horen zou hebben gekregen indien zij destijds navraag had gedaan bij Spaar Select en bij Alpha Emergo. Hetgeen de klacht op deze punten aanvoert, mist feitelijke grondslag in de bestreden uitspraak. Het hof heeft in rov. 4.11 alleen uiteengezet waarom het voor risico en rekening van Dexia komt dat zij, naar zij stelt, haar betwisting niet kan concretiseren.
3.24
De klachten van
subonderdeel 1.3slagen niet.
Onderdeel 2
3.25
Onderdeel 2richt in de
subonderdelen 2.1 tot en met 2.4klachten tegen rov. 4.11, 4.18 en 4.20
3.26
Ik stel het volgende voorop. Het hof heeft in rov. 4.11 geoordeeld dat Dexia onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de afnemer voorafgaand aan het sluiten van de effectenleaseovereenkomst een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van die overeenkomst heeft gekregen van Spaar Select en van Alpha Emergo. Het hof heeft dat daarom als vaststaand aangenomen. Het hof heeft hiermee toepassing gegeven aan art 149 Rv Pro. [19] Voor (tegen)bewijslevering was daarom geen plaats. In rov. 4.18 en 4.20 is het hof tot vergelijkbare oordelen gekomen ten aanzien van het door [verweerder] gestelde bestaan van een gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en van Alpha Emergo en de wetenschap van Dexia daarvan.
3.27
Volgens
subonderdeel 2.1, samengevat, volgt uit het in onderdeel 1 gestelde dat Dexia voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de stellingen van [verweerder] dat hij tijdens huisbezoeken op basis van de bij hem opgevraagde financiële situatie en doelen een gepersonaliseerd aanbod heeft ontvangen en dat sprake zou zijn van een vaste werkwijze van de betrokken tussenpersonen. Dat is voldoende om te worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Het hof heeft dat volgens het subonderdeel miskend, althans is diens oordeel onbegrijpelijk.
3.28
Deze klacht bouwt voor op onderdeel 1 en deelt het lot van dat onderdeel. De klacht slaagt daarom niet.
3.29
Subonderdeel 2.2klaagt dat voor zover het hof bedoeld heeft te beslissen dat Dexia haar bewijsaanbod (nader) moest specificeren, een dergelijk oordeel uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs mag niet de eis van specificatie worden gesteld.
Subonderdeel 2.3klaagt dat voor zover in de oordelen van het hof besloten zou liggen dat op grond van een waardering van de in de processtukken reeds aanwezige bewijsstukken [verweerder] vergunningplichtig zou zijn geadviseerd en een gepersonaliseerd aanbod zou hebben ontvangen, geldt dat het hof alsdan heeft miskend dat daartegen ingevolge art. 151 lid 2 Rv Pro tegenbewijs openstaat, voordat de definitieve waardering van de bewijsmiddelen wordt gegeven.
3.3
Deze klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij uitgaan van een verkeerde lezing van de oordelen van het hof in rov. 4.11, 4.18 en 4.20 (zie hiervoor in 3.26).
Subonderdeel 2.2verwijst nog naar rov. 4.23, maar die overweging ziet in het algemeen op hetgeen in het arrest aan de orde is gekomen en doet niet af aan de oordelen van het hof in rov. 4.11, 4.18 en 4.20.
3.31
Subonderdeel 2.4klaagt dat doordat Dexia onjuist en/of onbegrijpelijk niet is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, ook het recht van Dexia op een eerlijk proces is geschonden. Met de onjuiste/onbegrijpelijke oordelen dat (i) vergunningplichtig is geadviseerd en/of (ii) Dexia de door [verweerder] gestelde feiten onvoldoende heeft betwist, werd Dexia niet toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Daarmee is haar ten onrechte de mogelijkheid onthouden om het hof te overtuigen dat er in dit concrete geval niet vergunningplichtig is geadviseerd en/of dat van een eventuele gebruikelijke werkwijze is afgeweken.
3.32
Deze klacht slaagt niet. In de zaak Dombo/Nederland heeft het EHRM overwogen dat het in art. 6 EVRM Pro verankerde recht op een eerlijke proces impliceert dat elke partij een redelijke gelegenheid moet krijgen om zijn zaak, inclusief zijn bewijs, te presenteren onder omstandigheden die hem niet wezenlijk te benadelen ten opzichte van zijn wederpartij. [20] Het recht op een eerlijk proces impliceert als zodanig reeds dat de rechter de stellingen en bewijsaanbiedingen van een partij serieus neemt [21] en dus respondeert op een verzoek om tot bewijslevering te worden toegelaten. [22] Het recht op bewijs is echter niet absoluut of onvoorwaardelijk. Het is aan het nationale recht en de nationale rechter om regels te stellen aan de toelaatbaarheid van het bewijs en de wijze waarop het bewijs beoordeeld moet worden. [23] Op grond van art. 149 Rv Pro kan – ingeval een van de partijen (in dit geval [verweerder]) aan zijn stelplicht heeft voldaan – pas aan (eventuele) bewijslevering worden toegekomen, indien de wederpartij (in dit geval Dexia) de naar voren gebrachte feiten voldoende gemotiveerd heeft betwist. [24] Van voldoende gemotiveerde betwisting aan de zijde van Dexia was volgens het hof geen sprake, zodat het hof aan de bewijslevering aan de zijde van Dexia niet is toegekomen. Ik zie dan ook geen reden om aan te nemen dat het hof het recht van Dexia op een eerlijk proces heeft geschonden.
Onderdeel 3; slotsom
3.33
De veegklacht van
onderdeel 3, inhoudende dat met het slagen van bovenstaande klachten ook rov. 4.12 en 4.18, alsmede rov. 4.19-4.20, 4.22 en 4.24-4.25 en het dictum geen stand kunnen houden, faalt in het spoor van bovenstaande klachten.
3.34
De slotsom is dat geen van de voorgestelde onderdelen doel treft, zodat het cassatieberoep dient te worden verworpen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.

Voetnoten

1.Zie HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, NJ 2017/9 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2016/274 m.nt. C.W.M. Lieverse (B/Dexia), rov. 5.7 en 6.2.3. Zie ook HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, NJ 2019/98 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2018/305 m.nt. C.W.M. Lieverse (T/Dexia), rov. 3.6.4.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, NJ 2022/342 m.nt. M. Haentjens, JOR 2022/177 m.nt. C.W.M. Lieverse, AB 2022/328 m.nt. R. Stijnen, rov. 2.10.13-2.10.16
3.HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889, rov. 3.2.1-3.2.3.
4.Zie hiervoor bijvoorbeeld de schriftelijke repliek nr. 8.
5.Zie het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zaak/rolnummer: 9394152 EL 21-45, rov 2.1-2.6 (niet gepubliceerd), waarvan het hof s-Hertogenbosch in zijn in cassatie bestreden arrest (in rov. 4.1) is uitgegaan.
6.Hof ’s-Hertogenbosch 17 december 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:4038 (deze uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
7.De inhoud van nrs. 3.2.1-3.5 is overgenomen uit de nrs. 3.3.1 e.v. van mijn conclusies (ECLI:NL:PHR:2024:332 en 333) voor HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:715 en 716.
8.HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889 (Afnemers/Dexia), rov. 3.2.1-3.2.3 (voetnoten weggelaten). Zie reeds HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, NJ 2022/342 m.nt. M. Haentjens, JOR 2022/177 m.nt. C.W.M. Lieverse, AB 2022/328 m.nt. R. Stijnen, rov. 2.10.13-2.10.16 (Dexia/Y). Voor een meer uitgebreide weergave van het juridisch kader verwijs ik naar mijn conclusies van 24 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:236-240, nrs. 3.2-3.8.
9.Zie HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 (
10.Zie HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889, rov. 3.3.
11.Zie de conclusie voor het arrest
12.Zie de conclusie voor het arrest
13.Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/157; A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De toetsing in cassatie’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, 2020, nr. 68-69.
14.Hetzelfde geldt voor de stellingen in de conclusie van antwoord nrs. 24-25 en de conclusie van dupliek nrs. 18. 19, 21 en 22, waarnaar de klacht verwijst. De stellingen in de memorie van grieven nrs. 49, 69 en 70, waarnaar de klacht ook verwijst, betreffen met name de wetenschap van Dexia en een bewijsaanbod. Het bewijsaanbod in memorie van grieven nrs. 69-70 wordt geciteerd in de schriftelijke repliek nr. 4.
15.Zie bijvoorbeeld de schriftelijke repliek nrs. 18-20.
16.Zie ook bijvoorbeeld de procesinleiding nr. 7 en de schriftelijke repliek nrs. 6-8 en 21-24.
17.Vgl. V. van den Brink, ‘Stellen, betwisten, bewijzen – een handleiding, TvPP 2008/4, par. 4.1-4.2; M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis 2020, par. 3.4.2, 3.4.4, 3.5.2 en 11.7.1; B.T.M. van der Wiel, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk 2025, p. 86-93; D.J. Beenders, T&C Rv, art. 149 Rv Pro, aant. 2c (actueel tot en met 1 oktober 2025); G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv Pro, aant. 3 (actueel t/m 16-01-2026). Zie voorts de conclusie van A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2020:453 onder 3.5-3.8.
18.Vgl. ook mijn conclusie nrs. 3.17.2 en 3.19.2 voor HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:715.
19.Zie ook de schriftelijke toelichting namens [verweerder] nrs. 6 en 12.
20.Zie onder meer EHRM 27 oktober 1993, nr. 14448/88,
21.Zie onder meer EHRM 19 april 1994, nr. 16034/90, NJ 1995/462 m.nt. E.A. Alkema (Van de Hurk/Nederland), rov. 59; EHRM 12 juni 2003, no. 35968/97, EHRC 2003/61 m.nt. J.H. Gerards (Van Kück/Duitsland), rov. 48.
22.Vgl. EHRM 3 mei 2007, nr. 7577/02 (Bochan/Oekraïne), rov. 82.
23.Zie onder meer EHRM 12 juli 1988, nr. 10862/84, NJ 1988.851 m.nt. E.A. Alkema (Schenk/Zwitserland), rov. 46; EHRM 21 januari 1999, nr. 30544/96, JB 1999/42 m.nt. A.W. Heringa (Garcia Ruiz/Spanje), rov. 28; EHRM 1 juni 2023, nr. 19750/13 (Grosham/Tsjechië), rov. 131-134.
24.Zie ook P. Smits, Artikel 6 EVRM Pro en de civiele procedure;, 2008, p.132-133.