Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
B/Dexia [1] is in effectenleasezaken geprocedeerd over de toepassing van de voorwaarden waaronder Dexia 100% van de schade van de afnemer van een effectenleaseproduct dient te vergoeden. Deze voorwaarden houden, kort gezegd, in dat (i) een tussenpersoon (cliëntenremisier) zonder te beschikken over de daarvoor vereiste vergunning de afnemer heeft geadviseerd de overeenkomst met de aanbieder van een effectenleaseproduct aan te gaan en (ii) de aanbieder dit wist of behoorde te weten.
Dexia/Y. [2] Deze vraag speelt ook in de zaken 21/04416, 21/04417, 21/04419 en 21/04420, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Dexia/Yvolgt het kader om te beoordelen of in een concreet geval sprake is van de hiervoor bedoelde advisering. Bepalend is of sprake is van door een tussenpersoon verboden advisering in de zin van het financiële toezichtrecht. De Hoge Raad overwoog daaromtrent onder meer:
specifieke effectenleaseovereenkomstof ander specifiek financieel product aanbeveelt;
geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
gepersonaliseerde aanbevelingvan een specifieke effectenleaseovereenkomst is volgens de uitspraak in
Dexia/Ydus sprake als deze:
- hetzij is voorgesteld als
geschiktvoor deze afnemer;
-hetzij berust op een
afweging van de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer.
Voor de beoordeling van dit laatste – een afweging van de persoonlijke omstandigheden − kan van belang zijn of de tussenpersoon al dan niet (i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer, (ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product en (iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd. (rov. 2.10.16)
Dexia/Yniet van belang:
- de inhoud van het advies;
- het eventueel eigen inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product;
- dat de afnemer had kunnen begrijpen dat de tussenpersoon met name een bepaald effectenleaseproduct wenste te verkopen;
- dat de tussenpersoon zich presenteert als deskundige op het gebied van financiële advisering;
- dat de tussenpersoon ongevraagd contact heeft gezocht met de afnemer, dan wel dat de afnemer eigener beweging contact heeft gezocht met de tussenpersoon;
- dat er voordien geen contact was geweest tussen de afnemer en de tussenpersoon, dan wel dat tussen hen al een relatie bestond, bijvoorbeeld in verband met hulp bij belastingaangiften of bemiddeling of advies met betrekking tot verzekeringen of financieringen;
- dat de tussenpersoon de afnemer thuis heeft bezocht voor een gesprek, dan wel alleen telefonisch of schriftelijk contact met de afnemer heeft gehad;
- de wijze waarop de tussenpersoon zijn advies heeft verstrekt, al dan niet in de vorm van een ‘persoonlijk financieel plan’ of tijdens het adviesgesprek gemaakte schriftelijke aantekeningen, dan wel uitsluitend mondeling bij overhandiging van een brochure. (rov. 2.10.19)
Dexia/Yblijkt dat het bij de toepassing van de schadeverdelingsregel van het arrest
B/Dexiagaat om een op het financiële toezichtrecht afgestemd toetsingskader om te beoordelen of sprake is van advisering. Daarmee verwierp de Hoge Raad de zogenaamde privaatrechtelijke benadering, waarin de afbakening van het toepassingsbereik van de schadeverdelingsregel van het arrest
B/Dexiamoet worden bepaald aan de hand van het bestaan van een adviesrelatie in privaatrechtelijke zin. [10] Ik meen dat hier sprake is van een precisering of althans verduidelijking van de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad. Dit moet worden bedacht bij het kennisnemen van oudere rechtspraak.
Dexia/Yberust mede op het Unierechtelijke toezichtrecht van onder meer Richtlijn 2004/39/EG van 21 april 2004 (MiFID) en de daarop gebaseerde Uitvoeringsrichtlijn 2006/73/EG van 10 augustus 2006. In dit verband overwoog de Hoge Raad dat betekenis kan toekomen aan de in 2010 door het Comité van Europese Effectentoezichthouders (CESR) gepubliceerde ‘Questions & Answers. Understanding the definition of advice under MiFID’, CESR/10-293 (hierna: Q&A). (rov. 2.10.13- 2.10.14)
geschiktvoor deze afnemer als wanneer sprake is van een
afweging van de persoonlijke omstandighedenvan de afnemer – kan hoe dan ook pas sprake zijn als de tussenpersoon de nodige informatie heeft ingewonnen over de kennis en ervaring van de (potentiële) cliënt op beleggingsgebied met betrekking tot de specifieke soort product of dienst, zijn financiële situatie en zijn beleggingsdoelstellingen,
alvorensde aanbeveling te doen, zodat hij een financieel instrument
had kunnenaanbevelen dat voor de cliënt geschikt is. [11]
Could the presentation of a financial instrument as suitable for an investor constitute advice even if the firm is aware that it is not suitable for that investor?
Kortom, wanneer de adviseur informatie heeft ingewonnen en tegen beter weten in een onjuiste aanbeveling doet, dan is nog steeds sprake van advisering. [13] Het gaat erom dat de adviseur een financieel instrument als geschikt voor de belegger heeft aanbevolen. In dat verband is niet relevant of de adviseur al dan niet de daarvoor benodigde informatie bij de belegger heeft ingewonnen dan wel zich al dan niet bewust was van de onjuistheid van het advies.
Dexia/Yhebben het hof Arnhem-Leeuwarden en het hof ’s-Hertogenbosch in vergelijkbare zaken arresten gewezen en gepubliceerd, waarin het door de Hoge Raad gegeven beoordelingskader wordt toegepast. [14]
subonderdelen 1.a, 1.b, 1.c en 1.e(subonderdeel 1.d ontbreekt), klaagt over rov. 5.8.
Dat dit de afgelopen jaren meer is geweest spreekt voor zich maar ook toendertijd is al een berekening verstrekt van rond de 12%. Uiteindelijk is het veel meer geworden”.
Subonderdeel 1.cklaagt dat het oordeel onbegrijpelijk is voor zover dit steunt op de overweging dat de effectenleaseovereenkomsten van de Afnemer c.s. geen deel uitmaken van “een grotere financiële constructie of totaalplan”, en dat de aanwezigheid van een “grotere financiële constructie of totaalplan” geen rechtens relevant vereiste is voor het aannemen van een op de persoon toegesneden advies als bedoeld in het arrest
B/Dexia.
subonderdelen 1.a-1.cslagen. De stellingen van de Afnemer c.s. houden mede in dat de met adviseur van [A] de financiële situatie van de Afnemer is besproken (de bestaande financiële ruimte, lopende pensioenvoorzieningen en de vaste lasten (o.a. hypotheeklasten, lease auto)), de Afnemer zijn financiële doelen aan de adviseur bekend heeft gemaakt (onder meer het opbouwen van meer vermogen om meer financiële ruimte te hebben), en dat de adviseur in verband daarmee een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft genoemd (het Profit Effect van (de rechtsvoorganger van) Dexia met een looptijd van tien jaren), dat (beter) paste bij zijn doelen.
Dit is door het hof in rov. 5.8 aldus gekwalificeerd dat de medewerker van [A] de Afnemer in algemene zin heeft aangegeven dat het product Profit Effect
geschiktwas om de door de Afnemer gewenste vermogensopbouw te realiseren (al is daarmee volgens het hof nog geen sprake van een advies). Het hof heeft de in rov. 5.5 bedoelde stellingen van de Afnemer c.s. dus zo opgevat dat de medewerker van [A] het genoemde product als geschikt voor de situatie van de Afnemer heeft voorgesteld. Het is daarom niet nodig om nader in te gaan op het betoog van Dexia (in haar schriftelijke toelichting nrs. 27-28), voor zover daar wordt betoogd dat uit de in
subonderdeel 1.bgenoemde stellingen niet volgt dat [A] het Profit Effect als geschikt voor de Afnemer heeft voorgesteld.
geschiktvoor hem en zijn echtgenote en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling als bedoeld in het arrest
B/Dexia. Niet relevant is of de effectenleaseovereenkomsten onderdeel uitmaakten van “een grotere financiële constructie of totaalplan”.
Van een algemeen advies waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze gespecificeerde, effectenleaseovereenkomst te sluiten, is geen sprake. Uit de stellingen van de Afnemer c.s. volgt immers dat [A] een specifiek product van een specifieke aanbieder heeft aanbevolen.
Met zijn andersluidende oordeel in rov. 5.8 heeft het hof – in zijn arrest dat dateert van vóór de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad in de zaak
Dexia/Y− het beoordelingskader uit die beslissing miskend.
subonderdelen 1.a-1.cslagen, behoeft
subonderdeel 1.egeen bespreking meer.
subonderdelen 1.a-1.cslagen, moet het bestreden arrest worden vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beoordeling worden verwezen naar een ander gerechtshof.
Vernietiging door de Hoge Raad van het bestreden arrest brengt in beginsel mee dat de door het hof gegeven proceskostenveroordeling komt te vervallen en dat hetgeen ter uitvoering van die veroordeling is betaald, onverschuldigd is betaald. [17] Over de proceskosten dient na cassatie en verwijzing opnieuw geoordeeld te worden. Een verwijzingshof is gehouden de proceskosten van het hoger beroep opnieuw te begroten, zowel wat betreft de proceshandelingen die aan de vernietiging zijn voorafgegaan, als die welke na verwijzing zijn verricht. [18] Een afzonderlijk te beantwoorden vraag is of de Hoge Raad in cassatie een veroordeling kan uitspreken als verzocht door eisers tot cassatie. De procesinleiding verwijst naar rechtspraak van de Hoge Raad waarin is overwogen dat het strookt met de eisen van een goede rechtspleging de mogelijkheid aan te nemen dat in hoger beroep met het oog op het verkrijgen van een executoriale titel aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis een vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie wordt verbonden. [19] Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is in cassatie echter alleen plaats voor een veroordeling tot terugbetaling van hetgeen waartoe een partij in de in cassatie bestreden uitspraak is veroordeeld, indien de Hoge Raad die uitspraak vernietigt en zelf, op de voet van artikel 420 Rv Pro, het geding afdoet door de in die uitspraak toegewezen vordering alsnog af te wijzen. [20] Dit betreft ook de proceskostenveroordeling. [21] Deze situatie doet zich in dit geval niet voor als de Hoge Raad, zoals in deze conclusie wordt voorgesteld, het bestreden arrest vernietigt en de zaak naar een ander gerechtshof verwijst.