Conclusie
1.Medinello Revalidatie Zorg B.V.
TZG c.s. respectievelijk het
Zorginstituut.
1.Inleiding en samenvatting
IMSRof korter:
MSR) bij patiënten met chronische pijn. In 2022 heeft het Zorginstituut het standpunt ingenomen dat IMSR voor patiënten met chronische pijn voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk en daarom voor vergoeding onder de basisverzekering in aanmerking kan komen. Eind 2024 heeft het Zorginstituut bekend gemaakt dat dit standpunt in het licht van recente ontwikkelingen niet kon worden gehandhaafd. Gebleken was dat twee van de studies waarop het positieve standpunt in 2022 was gebaseerd, later zijn ingetrokken. Zorgaanbieders (en hun organisaties) vrezen dat als gevolg van de nieuwe beoordeling de betrokken zorg niet langer behoort tot het verzekerde pakket en zij daarom aanzienlijke omzet zullen mislopen.
matched carepatiënten’ en ‘
last resortpatiënten’. De eerste groep zijn patiënten die IMSR krijgen zonder daaraan voorafgaand een (volledige) eerstelijnsbehandeling te hebben gehad. IMSR voor die categorie patiënten behoort volgens het concept-standpunt IMSR niet tot de stand van de wetenschap en praktijk. De tweede groep bestaat uit patiënten die wél eerstelijns revalidatiezorg in verschillende fasen hebben gehad (aangeduid als
steppedcare), maar bij wie dat onvoldoende heeft gewerkt. Voor hen is IMSR een ‘
last resort’. Voor deze categorie kon het Zorginstituut nog geen conclusie trekken of IMSR tot de stand van de wetenschap en praktijk behoort, omdat daarvoor nader onderzoek nodig was. Het Zorginstituut gaf echter aan dat IMSR voor deze groep vooralsnog ten laste van de basisverzekering kan worden vergoed. Vanuit de beroepsgroep is kritisch gereageerd op het concept-standpunt. Met de onderhavige kort gedingprocedure beogen eisers te voorkomen dat het Zorginstituut de zojuist kort samengevatte opvatting definitief vastlegt. De grondslag van de vorderingen is dat het Zorginstituut jegens eisers onrechtmatig handelt of dreigt te handelen door niet te handelen conform het wettelijk kader en het eigen beoordelingskader van het Zorginstituut. TZG c.s. vrezen dat het Zorginstituut als gevolg daarvan ten onrechte zal concluderen dat IMSR niet voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk.
2.Feiten
Zvw) de taak om een eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van de te verzekeren prestaties te bevorderen en kan het de zorgverzekeraars met het oog hierop richtlijnen geven. Het Zorginstituut geeft inhoud aan deze taken door onder meer de publicatie van rapporten en ‘standpunten’. Het Zorginstituut is een zelfstandig bestuursorgaan.
Standpunt 2022) gepubliceerd. Het Standpunt 2022 hield in dat IMSR voor patiënten met chronische pijn, zich uitend in het houdings- en bewegingsapparaat en met complexe samenhangende problematiek, voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk (hierna:
SWP).
VRA) de Richtlijn Chronische Pijnrevalidatie (hierna:
Richtlijn 2024) gepubliceerd, met een positieve aanbeveling voor IMSR bij patiënten als omschreven in het Standpunt 2022. In die richtlijn worden de resultaten van een systematisch literatuuronderzoek gepresenteerd.
onderstrepingen hier en in citaten hierna door mij toegevoegd; A-G):
Twee van de drie artikelen waar het positieve standpunt op is gebaseerd, zijn teruggetrokken door de betreffende tijdschriften. Aangezien beide artikelen van doorslaggevende betekenis waren, is hiermee de basis voor het positieve standpunt verdwenen.
Marginale toetsstaat onder meer:
Zorgverzekeraars hebben laten weten de zorg per direct niet meer te zullen vergoeden als dit standpunt gehandhaafd blijft.
wat het Zorginstituut betreft dat IMSR bij patiënten met chronische pijn vooralsnog rechtmatig ten laste van de Zorgverzekeringswet vergoed kan worden door zorgverzekeraars, vanzelfsprekend mits de verzekerde redelijkerwijs op deze zorg is aangewezen."
.”
Concept-standpunt 2025. Dat was in wezen een licht herziene versie van het hiervoor in 2.14 genoemde consultatiedocument.
Dit heeft er onder andere toe geleid dat de patiëntengroep waar het standpunt uit 2022 betrekking op heeft is opgesplitst in twee groepen. Dit lichten we in paragrafen 1.2 en 1.3 nader toe. Voor beide doelgroepen kijken we in dit standpunt opnieuw naar de beschikbare evidence. (…)
Uit voorgaande paragraaf wordt duidelijk dat daar zowel patiënten die eerstelijns revalidatiezorg hebben gehad, maar bij wie dat niet heeft gewerkt (stepped care) als patiënten die geen of onvolledige behandeling in de eerste lijn hebben gehad (matched care) onder vallen. Partijen hebben aangegeven dat de nadruk zou moeten liggen op de groep patiënten die stepped care hebben doorlopen zonder succes. Het is volgens hen van belang dat voor deze groep IMSR beschikbaar blijft, omdat er voor hen geen andere behandelopties meer bestaan dan IMSR.
Deze groep wordt ook wel de ‘last resort groep’ genoemd. Wij hebben er daarom voor gekozen om de patiëntengroep waar het standpunt uit 2022 betrekking op heeft, o
p te splitsen in twee groepen: een groep die zonder succes stepped care heeft doorlopen en een groep die middels matched care rechtstreeks toegang heeft tot IMSR. Deze onderverdeling in twee groepen heeft gevolgen voor de beoordeling van de stand van de wetenschap en praktijk. Voor beide groepen gelden eigen overwegingen.
Daarmee is de effectiviteit van IMSR voor die patiënten(…) die via matched care direct toegang hebben tot IMSR onvoldoende aangetoond, en kan de conclusie uit 2022 niet gehandhaafd blijven. IMSR voldoet bij deze groep niet aan de stand van de wetenschap en praktijk bij deze indicatie.
de effectiviteit van IMSRin vergelijking met afwachtend beleid
bij patiëntenmet chronische pijn en complexe samenhangende problematiek
die alle stappen van stepped care hebben doorlopen zonder succes op de cruciale uitkomsten onzeker,
al wijzen de resultaten van de beschikbare studies wel de goede kant op. Het betreft een patiëntengroep met een hoge ziektelast die geen andere behandelopties meer heeft dan IMSR en bij wie gezien de duur en ernst van de klachten weinig of geen verbetering te verwachten valt door het natuurlijk beloop. Daarnaast is er brede steun onder de relevante beroepsgroepen, patiëntenverenigingen en zorgverzekeraars voor het beschikbaar houden van deze zorg voor last resort patiënten.
last resort patiënten doet het Zorginstituut op dit moment geen uitspraak. Vooralsnog kan de zorg voor patiënten met chronische pijn en complexe samenhangende problematiek die zonder succes de stappen van stepped care hebben doorlopen vergoed worden ten laste van de basisverzekering. Om passende zorg voor deze last resort patiënten te waarborgen, is van belang dat nadere indicatiecriteria en kwaliteitseisen worden overeengekomen en vastgelegd. Ook nader onderzoek en het beschikbaar zijn van multidisciplinaire eerstelijnsrevalidatie zijn daarbij van belang. (…)
Het Zorginstituut zal aan de hand van deze gegevens een beoordeling uitvoeren en uiterlijk in 2028 een standpunt innemen over de stand van wetenschap en praktijk van IMSR bij last resort patiënten.”
last resortpatiënten. Twee hoogleraren revalidatiegeneeskunde zijn bereid gevonden om dat onderzoek te gaan uitvoeren.
last resortpatiënten en patiënten die
stepped carenog niet hebben doorlopen) IMSR conform het standpunt uit 2022 vergoed zal blijven tot een definitief standpunt in werking zal treden (en dus niet slechts tot uiterlijk 1 juli 2025).
3.Procesverloop
een mono-of multidisciplinaire zorg in de eerste lijn of anderhalve lijn door paramedische zorgverleners (zoals fysio- en oefentherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten), psychologen, maatschappelijk werkers, huisarts en/of praktijkondersteuners" (de 'C' in de PICO die beschreven wordt in de Marginale toets c.q. het Consultatiedocument);
Zorginstituut gebiedt om in geval van een nieuw duidingstraject dat ziet op MSR bij chronische pijn het brede wettelijke toetsingskader toe te passen, wat concreet betekent dat het Zorginstituut bevolen wordt om in geval van een nieuw duidingstraject:
niet langer als vertrekpunt te nemen dat MSR bij chronische pijn niet voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk, tenzij voldoende wetenschappelijk bewijs gevonden wordt ('Nee, tenzij'), maar - vanwege de bestendige praktijk en brede consensus in de praktijk - als uitgangspunt te nemen dat MSR bij chronische pijn voldoet aan SWP tenzij voldoende overtuigend bewijs gevonden wordt dat deze interventie niet effectief is ('Ja, tenzij');
niet alleen bewijs in de vorm van RCT's (of systematische reviews van RCT's), maar ook bewijs van lagere orde en de praktijk/consensus (zoals neergelegd in richtlijnen en standaarden vanaf 2012) in de beoordeling te betrekken, waarbij de 'praktijk' gewaardeerd moet worden op basis van haar consistentie en niet alleen betekenis dient te krijgen wanneer deze voldoende evidence based is;
bij de beoordeling van wetenschappelijke literatuur geen onderscheid te maken tussen de 'matched care groep' en de 'last resort groep’, althans niet voordat ondubbelzinnig uit wetenschappelijke literatuur of richtlijnen is gebleken dat een dergelijk onderscheid zeggingskracht heeft voor wat betreft de effectiviteit van MSR bij chronische pijn;
Zorginstituut verbiedt in afwachting van de totstandkoming van een nieuw standpunt (vastgesteld op basis van toetsing aan het bredere wettelijke kader als bedoeld onder B) een (al dan niet voorlopig) standpunt in te nemen dat MSR bij chronische pijn niet voldoet aan de SWP.
matched caredirect toegang heeft tot de IMSR behandeling en de patiëntengroep die alle stappen van
stepped carezonder succes heeft doorlopen (rov. 4.14);
matched careIMSR kan zijn, doet daar niet aan af (rov. 4.15);
randomized controlled trials) en dat richtlijnen van vóór 2022 buiten beschouwing zijn gelaten. Gelet op het aanvullend literatuuronderzoek van het Zorginstituut, de geboden mogelijkheid voor overlegpartijen om bewijs in te brengen en de omstandigheid dat al het gevonden en aangedragen bewijs in het rapport is beschreven, wordt geconcludeerd dat het Zorginstituut naast bewijs van de hoogste bewijskracht ook heeft gekeken naar bewijs van lagere orde, zonder beperking in de tijd (rov. 4.16);
matched caregroep in de beoordeling te worden betrokken, ondanks de daartegen geuite bezwaren (rov. 4.17);
4.Juridisch kader
Smits en Peerbooms [24] relevant voor de invulling van het SWP-criterium, zo blijkt uit de toelichting bij het Besluit zorgverzekering. In dat arrest heeft het Hof van Justitie zich uitgelaten over het gebruikelijkheidscriterium uit de Ziekenfondswet. Op basis van dat criterium was aan twee (ziekenfonds)verzekerden, die zich hadden laten behandelen in een andere EU-lidstaat zonder voorafgaande toestemming van het ziekenfonds, de vergoeding van die behandeling onthouden. Een toestemmingsvereiste als in de zaak
Smits en Peerboomsaan de orde was volgens het Hof van Justitie toelaatbaar, mits het criterium ‘gebruikelijkheid’ van een behandeling zo wordt uitgelegd dat toestemming
nietkan worden geweigerd als de betreffende behandeling door de internationale medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden. [25]
ruimeris dan het criterium van het Hof van Justitie, aangezien het gaat om de stand van de wetenschap
enpraktijk. [26] In de toelichting staat daarna het volgende:
Beoordelingskader 2023). In zijn reeds genoemde arrest van 30 maart 2018 heeft de Hoge Raad de beoordelingswijze van het Zorginstituut – destijds nog het CVZ – omschreven en geoordeeld dat die in overeenstemming is met wat de wetgever met het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ voor ogen heeft gestaan. De Hoge Raad beoordeelde de methodiek van het Zorginstituut als een deugdelijke manier om aan het criterium te toetsen. [38]
5.Bespreking van het cassatiemiddel
matched careen
last resortbetreffen.
Subonderdeel 1.1klaagt over het gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing van dit onderscheid.
Subonderdeel 1.2ziet op de benadeling van zorgaanbieders en hun patiënten door het onderscheid tussen patiënten die via
matched care(direct) toegang hebben tot IMSR en
last resortpatiënten die zonder gunstig resultaat eerstelijnszorg hebben doorlopen.
matched careen
last resortniet wetenschappelijk is onderbouwd (rov. 4.15) en de overweging dat uit het Concept-standpunt 2025 niet blijkt dat het Zorginstituut het wettelijk toetsingskader niet helder voor ogen heeft gehad (rov. 4.16) tegenstrijdig en daarmee onbegrijpelijk zijn. Het (door het hof vooropgestelde) wettelijk kader houdt in dat moet worden getoetst aan de stand van de wetenschap. Zonder nadere argumentatie valt niet in te zien hoe het hof heeft kunnen oordelen dat het Zorginstituut helder voor ogen heeft gehad dat het mede aan de stand van de wetenschap dient te toetsen, aldus het subonderdeel. [44]
matched caregroep en een
last resortgroep. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom het uitgangspunt om dit onderscheid niet te hanteren niet zou voortvloeien uit het wettelijk kader, nu het onderscheid naar de vooropstellingen van het hof zelf geen wetenschappelijke basis heeft. Het wettelijk kader houdt immers ook in dat moet worden getoetst aan de stand van de wetenschap, aldus het subonderdeel. [45]
dat de voorshands terechte stellingvan TZG c.s.
dat dit onderscheid in patiëntengroepen niet wetenschappelijk is onderbouwd,
het Concept standpunt 7 april 2025 nog niet zonder meer onrechtmatig maakt. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat dit onderscheid is ingegeven vanuit de maatschappelijke wens om tenminste een deel van de patiënten in aanmerking te laten komen voor vergoeding van IMSR. In dat kader is niet aannemelijk geworden dat TZG c.s. of hun patiënten door dit onderscheid benadeeld zullen worden. Ter zitting is bevestigd dat ook revalidatieartsen ervan uitgaan dat IMSR niet aangewezen is voor patiënten voor wie in de eerste lijn nog reële behandelmogelijkheden bestaan. Daar komt bij dat, naar door het Zorginstituut ter zitting is verklaard, thans nog overleg plaatsvindt met de overlegpartijen, waaronder de VRA, over de verdere afbakening van de groepen. Dat TZG c.s. het niet eens zijn met de door het Zorginstituut gehanteerde vergelijkingen, brengt op zichzelf, mede in het licht van dit overleg, niet mee dat het handelen van het Zorginstituut in dit stadium als onrechtmatig moet worden beschouwd. Dat in de nabije toekomst op basis van deze benadering onrechtmatig zal worden gehandeld jegens TZG c.s. en hun patiënten valt op dit moment ook niet met voldoende zekerheid te verwachten. Het op zich tussen partijen vaststaande gegeven dat het aan de revalidatiearts en niet aan het Zorginstituut is om, bij de individuele patiënt, een indicatie te stellen en dat die ook bij matched care IMSR kan zijn doet daaraan niet af. Als de revalidatiearts meent dat de patiënt redelijkerwijs is aangewezen op zorg die niet voldoet aan de stand der wetenschap en praktijk, ontstaat door die indicatie geen recht op verzekerde zorg.
aan de stand van de wetenschap en praktijk. [46]
nietconform het wettelijk kader heeft gehandeld. Deze overwegingen zijn opgenomen onder het kopje ‘Criterium stand der wetenschap en praktijk’. TZG c.s. hebben in dat verband niet aangevoerd dat het Zorginstituut zich geen rekenschap heeft gegeven van ‘de wetenschap’ in het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’. TZG c.s. hebben (onder meer) wél aangevoerd dat het Zorginstituut onvoldoende aandacht heeft besteed aan ‘de praktijk’ (zie hierna, subonderdeel 2.1).
last resortpatiënten geen reële behandelmogelijkheden meer bestaan en het Zorginstituut
last resortpatiënten vooralsnog wel in aanmerking wil laten komen voor vergoeding van IMSR, worden TZG c.s. en hun patiënten niet benadeeld door het onderscheid tussen
matched carepatiënten en
last resortpatiënten. [51] Volgens het subonderdeel ligt in deze redenering besloten dat het hof ervan uitgaat dat patiënten voor wie in de eerste lijn nog reële behandelmogelijkheden bestaan
last resortpatiënten zijn in de betekenis die het Zorginstituut daaraan heeft gegeven. De aldus gegeven interpretatie is echter onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel.
ten eersteonbegrijpelijk in het licht van de onderliggende processtukken. Daaruit blijkt namelijk dat partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag wanneer nog reële (behandel)mogelijkheden in de eerste lijn bestaan. TZG c.s. hebben ook herhaaldelijk benadrukt dat partijen het op dit punt oneens zijn. De interpretatie van het Zorginstituut wat betreft de vraag of er nog reële behandelopties in de eerste lijn bestaan is anders (namelijk ruimer) dan de interpretatie die TZG c.s. én revalidatieartsen daarvan geven. Volgens TZG c.s. heeft het Zorginstituut ten onrechte de indruk gewekt dat introductie van de subgroep
last resortpatiënten tegemoet komt aan zorgen uit de beroepspraktijk. TZG c.s. hebben meermaals benadrukt dat dit niet het geval is. [52]
ten tweedeonbegrijpelijk in het licht van de door het hof aangehaalde uitlating van de namens TZG c.s. sprekende revalidatiearts (in combinatie met de onderliggende stellingen in de processtukken van TZG c.s.). Uit bedoelde uitlating kan niet redelijkerwijs worden afgeleid dat de groep patiënten voor wie nog reële behandelmogelijkheden in de eerste lijn bestaan overeenkomt met
last resortpatiënten. Evenmin kan daaruit begrijpelijkerwijs worden afgeleid dat met reële behandelmogelijkheden is gedoeld op alle feitelijk nog niet gezette stappen in de eerste lijn, in plaats van op de stappen die naar het oordeel van de revalidatiearts nog zinvol kunnen zijn. Dit maakt ook het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is dat TZG c.s. of hun patiënten niet worden benadeeld door het onderscheid in de twee patiëntengroepen, onbegrijpelijk. Uit de stellingen van TZG c.s. volgt namelijk dat er een groep patiënten is voor wie volgens zorgaanbieders geen reële behandelmogelijkheden (meer) bestaan in de eerste lijn, maar die volgens het Zorginstituut (toch) niet in aanmerking komt voor vergoeding van IMSR. Het hof had ten minste inzichtelijk moeten maken waarom desalniettemin niet aannemelijk is dat zorgaanbieders en patiënten door het onderscheid in de twee patiëntengroepen worden benadeeld. [53]
last resort’ is gebruikt waar klaarblijkelijk ‘
matched care’ is bedoeld. [54] Bedoeld is dus dat uit de processtukken en uit de door het hof aangehaalde uitlating van de revalidatiearts niet redelijkerwijs kan worden afgeleid dat de groep patiënten voor wie nog reële behandelmogelijkheden bestaan gelijk staat aan de groep
matched carepatiënten in de door het Zorginstituut daaraan gegeven betekenis. Mij lijkt dat zonder meer duidelijk. Er kan daarover geen misverstand bestaan.
SWP-toetsing). Het hof had dit volgens het subonderdeel wel (kenbaar) in de beoordeling moeten betrekken, aangezien het hof voorop heeft gesteld dat het onderscheid tussen de patiëntengroepen geen wetenschappelijke basis heeft en TZG c.s. gemotiveerd hebben gesteld dat en hoe het onderscheid in hun visie resulteert in een ongefundeerd en daarom voor hen nadelig oordeel over de stand van de wetenschap en praktijk. Volgens het subonderdeel is de overweging dat nog overleg plaatsvindt met de overlegpartijen over de verdere afbakening van de groepen ondeugdelijk, omdat daarmee niet inhoudelijk wordt gereageerd op de stellingen van TZG c.s. en omdat TZG c.s. gemotiveerd hebben gesteld dat alle stukken betreffende het overleg tonen dat de beroeps- en brancheverenigingen zich zijn blijven verzetten tegen het onderscheid tussen
matched careen
last resortpatiënten. [55]
matched carepatiënten en de groep
last resortpatiënten en heeft niet overwogen dat de groep patiënten voor wie in de eerste lijn nog reële behandelmogelijkheden bestaan
last resortpatiënten zijn zoals in de definitie van het Zorginstituut. Ook als van de bij repliek geïntroduceerde lezing wordt uitgegaan, (waarbij als gezegd een kennelijke schrijffout in de procesinleiding is recht gezet) kan de klacht niet slagen. Het hof heeft namelijk niet geoordeeld dat de groep patiënten voor wie in de eerste lijn nog reële behandelmogelijkheden bestaan
matched carepatiënten zijn in de betekenis die het Zorginstituut daaraan geeft.
matched careen
last resortgeen wetenschappelijke basis heeft. Vanaf rov. 4.6 stelt het hof het een en ander voorop met betrekking tot het wettelijk kader. In rov. 4.12 geeft het hof een korte samenvatting van zijn oordeel en in de daarop volgende rechtsoverwegingen volgt een toelichting op dat oordeel. Rov. 4.15 begint niet met een vooropstelling, maar met het oordeel dat de voorshands terechte stelling van TZG c.s. dat het onderscheid in patiëntengroepen niet wetenschappelijk is onderbouwd, het Concept-standpunt 2025 niet zonder meer onrechtmatig maakt.
stepped carehebben doorlopen zijn niet te vinden en zijn ook lastig te realiseren; [62]
matched caregroep wordt vergeleken) de standaardbehandeling is; [64]
matched caregroep (ten onrechte) of MSR meerwaarde heeft ten opzichte van een behandeling in de eerste lijn, maar voorziet dit niet van een deugdelijke onderbouwing; [65]
Subonderdeel 2.1betreft de plaats van bewijs van lagere orde binnen de toetsing aan de stand van de wetenschap en praktijk.
Subonderdeel 2.2ziet op de keuze van de PICO-vragen en de door het Zorginstituut gemaakte vergelijkingen in het kader van de beoordeling van de stand van de wetenschap en praktijk. Onderdeel 2 is voorzien van een aantal inleidende opmerkingen over het juridisch kader en over de juridische vooropstellingen in het bestreden arrest. [69] Deze inleidende opmerkingen bevatten nog geen klachten. Daaruit blijkt wel dat de klachten zich niet richten tegen de juridische vooropstellingen op zichzelf, maar zien op de concrete toepassing daarvan. [70]
Criterium stand der wetenschap en praktijk
rechtsklachtstelt de vraag aan de orde of geoordeeld kan worden dat een bepaald type zorg of een bepaalde behandeling voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk als sprake is van (mogelijk) consistent bewijs van lagere orde (waaronder de praktijk), maar niet van (voldoende) wetenschappelijk bewijs.
Smits en Peerbooms, inhoudende dat gebruikelijkheid als criterium alleen toelaatbaar is als het verwijst naar hetgeen door de
internationalemedische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden. Het begrip ‘stand van de wetenschap’ moet dus internationaal worden uitgelegd. Aan de hand van die maatstaf moet worden uitgemaakt of een bepaalde vorm van zorg door de betrokken beroepsgroep tot het aanvaarde arsenaal van medische onderzoeks- en behandelingsmogelijkheden wordt gerekend. Zowel de stand van de medische wetenschap als de mate van acceptatie in de medische praktijk zijn daarbij belangrijke graadmeters. In 2018 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de SWP-maatstaf overeenkomstig het voorgaande moet worden begrepen. [77] De beschreven elementen zijn gebaseerd op de toelichting op het Besluit zorgverzekering.
Smits en Peerboomsvan het Hof van Justitie. Het gaat namelijk om de stand van de wetenschap
en praktijk. Volgens de toelichting was de toevoeging ‘praktijk’ noodzakelijk teneinde het pakket niet te beperken tot enkel
evidence based medicine. [78] Dit gedeelte van de toelichting is niet opgenomen in het al genoemde arrest van de Hoge Raad uit 2018. In de literatuur wordt hier verschillend over gedacht. Sommige bronnen achten de toevoeging “en praktijk” noodzakelijk. [79] Anderzijds is ook betoogd dat de opmerking in de toelichting bij het Besluit zorgverzekering dat het element praktijk is toegevoegd aan de maatstaf omdat het verzekerde pakket anders beperkt zou zijn tot
evidence based medicineten onrechte suggereert dat alleen handelen op basis van medisch-wetenschappelijk onderzoek onder
evidence based medicinevalt. Daarmee zou zijn uitgegaan van een opvatting over
evidence based medicinedie niet bij de gangbare definitie daarvan aansluit. [80] Evidence based medicinewordt daarbij uitgelegd als het gebruiken van medisch-wetenschappelijke inzichten om het medisch handelen te ondersteunen en om de kwaliteit daarvan te verhogen. Het gaat niet om slechts het verlenen van bewezen werkzame en effectieve zorg. [81]
evidence based medicine. [83] Het Zorginstituut gaat in zijn beoordelingskader ook van deze benadering uit. [84] Het middel voert niets aan waaruit blijkt dat deze benadering onjuist zou zijn. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de beoordelingswijze van het Zorginstituut – die dus uitgaat van het principe van
evidence based medicine– aansluit bij wat de wetgever met het criterium stand van de wetenschap en praktijk voor ogen heeft gehad.
evidence based medicineleidend is. Bij ontbreken van studies van voldoende bewijswaarde kan het Zorginstituut het oordeel over de stand van de wetenschap en praktijk ook baseren op bewijs van ‘lagere orde’, in de zin van: lagere bewijskracht (maar nog steeds
evidence based). De mate van consistentie van de onderzoeken, dan wel publicaties is dan bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van voldoende onderbouwing van de effectiviteit van de betreffende zorg of behandeling. Dit laat zien dat bewijs van lagere orde onder omstandigheden dus tot een positief oordeel over SWP
kanleiden, afhankelijk van de mate van consistentie. Nu de Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit een deugdelijke manier is om aan het criterium te toetsen, moet ervan worden uitgegaan dat ook de Hoge Raad deze principes onderschrijft.
randomized controlled trials(RCT’s) bij aanvang een hoge kwaliteit van bewijs hebben, maar dat die kwaliteit ook verlaagd kan worden, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [88]
publicaties van gezaghebbende meningen van medisch specialisten of richtlijnen die door wetenschappelijke verenigingen namens de beroepsgroep zijn opgesteld”). In dat verband herinner ik eraan dat de Hoge Raad meermaals heeft benadrukt dat met het dwingendrechtelijk voorgeschreven verzekerde pakket bedoeld is om alleen zorg te vergoeden die noodzakelijk is, die
aantoonbaar werkt, die kosteneffectief is en waarvan de noodzaak tot collectieve financiering blijkt. [91]
nietdat (meningen uit) de praktijk tot een positief oordeel over SWP kan (kunnen) leiden. Er staat wel in vermeld dat bewijs van lagere orde (afhankelijk van de mate van consistentie) tot een dergelijk oordeel kan leiden en dat de praktijk bij de beoordeling wordt
betrokken, bijvoorbeeld door consultatie. Ten vierde werd de omstandigheid dat in de praktijk ervaring is opgedaan met een behandeling en dat de behandeling ook effect blijk te hebben bij (bepaalde) patiënten in het arrest onvoldoende bevonden voor het oordeel dat de behandeling in kwestie voldeed aan de stand van de wetenschap en praktijk.
nietdat het hof ervan is uitgegaan dat geen positief SWP-oordeel kan worden gegeven als bewijs van hogere orde ontbreekt maar wel sprake is van bewijs van lagere orde, waarbij de mate van consistentie van de betreffende publicaties of onderzoeken bepalend is. Het hof heeft overwogen dat in dit geval wel degelijk acht is geslagen op bewijs van lagere orde, dat er ruimte is geweest en zal zijn voor inbreng vanuit de praktijk en dat het Zorginstituut heeft toegelicht welke publicaties in de beoordeling zijn betrokken en hoe deze publicaties zijn beoordeeld.
motiveringsklachtgaat ervan uit dat het hof heeft geoordeeld dat het Zorginstituut acht heeft geslagen op bewijs van lagere orde op een manier die recht doet aan de gegeven feitenconstellatie en die in overeenstemming is met het recht. Dit heeft het hof echter niet geoordeeld. De klacht mist daarom feitelijke grondslag in het bestreden arrest. Het hof heeft geoordeeld dat uit het Concept-standpunt 2025 niet blijkt dat het Zorginstituut het wettelijk kader niet helder voor ogen heeft (rov. 4.16), dat het Zorginstituut ook acht heeft geslagen op bewijs van lagere orde/bewijskracht (rov. 4.16 en rov. 4.18) en op de mening van zorgverleners (rov. 4.19), en dat niet kan worden vastgesteld dat het Zorginstituut voorbij is gegaan aan ervaringen in de praktijk (rov. 4.18). Het hof heeft daarbij aandacht besteed aan de stellingen van TZG c.s. (zoals weergegeven in rov. 4.5) over de betekenis van bewijs van lagere orde en de praktijk in de SWP-toetsing door het Zorginstituut.
Deze kritieklijkt, gelet op het onder 4.3 tot en met 4.7 weergeven begrip SWP,hout te snijden.” [onderstreping toegevoegd]. [95] Uit de daar direct aan voorafgaande rov. 4.16 en 4.17 van het vonnis blijkt dat die kritiek er op neer komt dat het Zorginstituut ten onrechte geen rekening houdt met bewijs van lagere orde en met de praktijk. [96] Het is inherent aan het systeem van rechtsmiddelen dat de rechter in hoger beroep tot een ander oordeel kan komen dan de rechter in eerste aanleg. In deze zaak is het daarbij ook nog zo dat in hoger beroep een ander document voorligt en dat de situatie zich inmiddels heeft ontwikkeld. Dat komt ook naar voren in het bestreden arrest, waar het hof ingaat op de inhoud van het Concept-standpunt 2025 en de daarin opgenomen toelichting van het Zorginstituut, alsook op de vraag van het Zorginstituut aan de overlegpartijen om bewijs in te brengen (rov. 4.16). Dit alles maakt het aangevochten oordeel mijns inziens niet onbegrijpelijk.
last resort’, terwijl het niet in verband met deze patiëntengroep is ingebracht en ook geen betrekking heeft op
last resortpatiënten. Het onderscheid in patiëntengroepen werd door de overlegpartijen juist ontkend, maar het Zorginstituut heeft de ingebrachte publicaties willekeurig aan één van de twee groepen gekoppeld, terwijl vaststaat dat de publicaties daar geen enkele wetenschappelijke rechtvaardiging voor bieden. [98] Dat het betreffende bewijs – volgens TZG c.s. ten onrechte – bij één patiëntengroep is ingebracht doet niet af aan de constatering dat de mogelijkheid is geboden om bewijs (waaronder bewijs van lagere orde) in te brengen. Mijns inziens betekent het ook niet dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, dan wel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
“(…) [u]it het Concept-standpunt 7 april 2025 [niet] blijkt (…) dat het Zorginstituut het wettelijk toetsingskader niet helder voor ogen heeft.” Vervolgens gaat het hof in op de stellingen van TZG c.s. in verband met de plaats van bewijs van lagere orde in de beoordeling van de stand van de wetenschap en praktijk.
conceptstandpunt, zodat wijzigingen mogelijk zijn. Mede met het oog daarop is er op dit moment geen reden voor de (kortgeding)rechter om de voorzieningen toe te wijzen.
Lijmrestverwijderaars-arrest uit 2025. [114] Het subonderdeel voert aan dat in die zaak aan bod kwam wat de gevolgen zijn voor de eisen die worden gesteld aan het bewijs van effectiviteit van een ter discussie staande behandeling die zelf de standaardbehandeling is. [115]
Conclusie
met een tenminste vergelijkbare werking op vergelijkbare harde klinische uitkomstmatenin de zin van resultaten en van voldoende lange termijn follow-up van patiënten. De Advocaat Generaal benadrukt daarbij de zwaarwegende betekenis die daaraan moet worden toegekend.
Het hof overweegt dat de voorshands terechte stelling van TZG c.s. dat dit onderscheid in patiëntengroepen niet wetenschappelijk is onderbouwd, het Concept standpunt 7 april 2025 nog niet zonder meer onrechtmatig maakt. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat dit onderscheid is ingegeven vanuit de maatschappelijke wens om tenminste een deel van de patiënten in aanmerking te laten komen voor vergoeding van IMSR. In dat kader is niet aannemelijk geworden dat TZG c.s. of hun patiënten door dit onderscheid benadeeld zullen worden. Ter zitting is bevestigd dat ook revalidatieartsen ervan uitgaan dat IMSR niet aangewezen is voor patiënten voor wie in de eerste lijn nog reële behandelmogelijkheden bestaan. Daar komt bij dat, naar door het Zorginstituut ter zitting is verklaard, thans
nog overleg plaatsvindt met de overlegpartijen, waaronder de VRA, over de verdere afbakening van de groepen.
Dat TZG c.s. het niet eens zijn met de door het Zorginstituut gehanteerde vergelijkingen, brengt op zichzelf, mede in het licht van dit overleg, niet mee dat het handelen van het Zorginstituut in dit stadium als onrechtmatig moet worden beschouwd. Dat in de nabije toekomst op basis van deze benadering onrechtmatig zal worden gehandeld jegens TZG c.s. en hun patiënten valt op dit moment ook niet met voldoende zekerheid te verwachten. (…)”
matched carepatiënten en de groep
last resortpatiënten en daarbij per groep een andere vergelijking te maken.
concept-standpunt van het Zorginstituut gaat, niet om een definitief standpunt. Deze mogelijk wat terughoudende opstelling van het hof wijkt naar mijn mening niet af van bestaande rechtspraak. Het punt kwam niet aan bod in het recente arrest over de vergoedbaarheid van lijmrestverwijderaars. [118]
Ten eerstehebben zij opgemerkt dat het Zorginstituut vereist dat IMSR bij de
matched caregroep meerwaarde heeft ten opzichte van een behandeling in de eerste lijn en dat het Zorginstituut dit ten onrechte onderbouwt door erop te wijzen dat MSR duurder is dan een behandeling in de eerste lijn. Kosteneffectiviteit speelt namelijk geen rol bij de beoordeling door het Zorginstituut (en hoort ook geen rol te spelen). De term ‘meerwaarde’ ziet ook volgens het eigen toetsingskader van het Zorginstituut op de
medischeeffectiviteit van een behandeling.
Ten tweedehebben TZG c.s. verwezen naar hun in eerste aanleg aangevoerde en onderbouwde stelling dat niet getoetst zou moeten worden of een behandeling meerwaarde heeft, maar of een behandeling gelijke waarde (in de zin van effectiviteit) heeft ten opzichte van de controlebehandeling. [119] In de inleidende dagvaarding hadden TZG c.s. betoogd dat het Zorginstituut ten onrechte uitgaat van meerwaarde. In het onderhavige geval is niet vereist dat de behandeling meerwaarde heeft, aangezien een dergelijk vereiste alleen geldt bij toevoeging van een behandeling aan een zogenoemde ‘goudenstandaardbehandeling’. In dit geval is daar geen sprake van. IMSR is juist de standaardbehandeling en het ligt daarom niet voor de hand om te toetsen of sprake is van meerwaarde. [120] Het Zorginstituut heeft in hoger beroep aangevoerd dat het de kosteneffectiviteit niet meeneemt in zijn Concept-standpunt 2025. Het Zorginstituut legt daarin uit waarom een vergelijking wordt gemaakt met een behandeling in de eerste lijn. Daarbij acht het Zorginstituut van belang dat IMSR duurder en intensiever is dan een behandeling in de eerste lijn en dat is volgens het Zorginstituut een feitelijke vaststelling. [121]
nietworden afgeleid dat moet worden getoetst of een behandeling van
gelijkewaarde is, zoals door TZG c.s. wordt betoogd. Niet kan worden gezegd dat het Zorginstituut het uitgangspunt dat relevant is of een interventie (meer)waarde heeft ten opzichte van de interventie waarmee wordt vergeleken heeft miskend, door te toetsen of met IMSR een beter resultaat wordt behaald dan met een behandeling in de eerste lijn. Dat wordt niet anders met inachtneming van de verwijzing van het hof naar de passage uit een oud beoordelingskader van het CVZ dat wordt besproken in de conclusie van A-G Keus voor het arrest van 30 maart 2018, [123] nu daaruit ook niet kan worden afgeleid dat sprake moet zijn van gelijke waarde, maar van
ten minste vergelijkbarewaarde. Dat laat ook ruimte om te toetsen of sprake is van meerwaarde.