Conclusie
1.Feiten
“gebruikelijk in de (internationale) kring van de beroepsgenoten”en daarmee niet valt onder de omvang van de geneeskundige zorg, zoals bepaald in het Bzv.
2.Procesverloop
Smits en Peerboomsvan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen [7] (rov. 4.10). Dat er gerenommeerde orthopedische chirurgen zijn die een ander oordeel zijn toegedaan, weegt onvoldoende zwaar tegenover de opvatting van het CVZ, die tot stand is gekomen via een systematisch onderzoek op grond van
“evidence based medicine”en na consultatie van beroepsverenigingen (rov. 4.12). Dat er een indicatie voor de PTED-behandeling van [verweerster] was, is niet voldoende voor het bestaan van een recht op uitkering: er moet ook sprake zijn van een behandeling die voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk (rov. 4.13). Om diezelfde reden is evenmin voldoende dat [verweerster] was uitbehandeld wat betreft de reguliere behandelmethodes, dat zij door een gerenommeerd orthopedisch chirurg naar [betrokkene 2] is verwezen en/of dat de behandeling een goed resultaat heeft gehad (rov. 4.14) [8] .
reviewartikelhebben Nellestijn (lees: Nellensteijn; LK) et al. geschreven over de ontwikkeling, in de loop van de jaren 2000, van dergelijke transforaminale technieken, en op basis van 39 unieke
studiesin 45 artikelen geconcludeerd dat er tussen deze (‘nieuwe’ - toev. hof) transforaminale endoscopische chirurgie en de (‘klassieke’ - toev. hof) open microdiscectomie geen significante verschillen bestonden wat betreft verbetering van de patiënttevredenheid, recidief percentages, complicaties en re-operaties. Er bestonden daarom in 2007 geen gronden vóór dan wel tegen toepassing van deze methode bij patiënten met symptomatische lumbale discusherniaties, zodat het voor een chirurg destijds gerechtvaardigd was om deze technieken te gebruiken om het chirurgische doel (decompressie) te bereiken. Er waren ook geen aanwijzingen dat er aanzienlijk meer kans op complicaties of onnodige schade bestond (pag. 12/13).
3.Inleiding
Smits en Peerbooms [20] . In dit arrest heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zich uitgesproken over het Nederlandse “gebruikelijkheids”-criterium van de toenmalige Ziekenfondswet. Het Hof van Justitie stelde dat de voorwaarde van gebruikelijkheid alleen aanvaardbaar is, indien deze verwijst naar hetgeen door de internationale medische wetenschap voldoende is beproefd en deugdelijk is bevonden. Voornoemd arrest houdt op dit punt het volgende in:
Selectie en Beoordeling
niettenminste vergelijkbaar is qua werkzaamheid, c.q. effectiviteit en vergelijkbare uitkomsten (in de follow-up) ten opzichte van de ‘gouden standaard behandeling’, dan luidt de conclusie dat de behandeling in kwestie niet voldoende beproefd en deugdelijk is in de internationale kring van de beroepsgenoten. In deze gevallen zal de medisch adviseur geen aandacht meer besteden aan onderzoeken van mindere bewijskracht of literatuur. Deze kunnen immers de uitkomsten van de ‘fase 3’onderzoeken, welke wetenschappelijk van hogere orde zijn, niet aantasten.
“Juridische beoordeling”:
“ (…) Hiertoe(ter beantwoording van de vraag of de desbetreffende behandeling een verstrekking was in de zin van de toenmalige Ziekenfondswet; LK)
dient te worden beoordeeld of de endoscopische herniaoperatie ter behandeling van een lumbale HNP bij patiëntendie nog niet eerder geopereerd zijngebruikelijk is in de kring der beroepsgenoten(onderstreping toegevoegd; LK)
.”
Beoordeling gebruikelijkheid
endoscopische transforaminale benadering van een lumbale hernia nuclei pulposi (HNP)noch de
minimaal invasieve benadering voor de lumbale wervelkanaalstenoseaangemerkt kunnen worden als “gebruikelijk in de (internationale) kring van de beroepsgenoten” en daarmee niet vallen onder de omvang van de geneeskundige zorg, zoals bepaald in het Besluit Zv.”
1.2 2002: endoscopische technieken bij een lumbale hernia gebruikelijk
a. Waarom voldeed de PTED in 2002 wel aan het gebruikelijkheidscriterium en in 2006 niet?
onder meerbetrekking had op PTED.
“dat de (CVZ-)conclusies uit 2006 en 2008 noodzakelijke onderbouwing ontbeerden.”De Ombudsman heeft zich verre gehouden van een inhoudelijk oordeel over het advies uit 2006 en over het standpunt uit 2008. Het rapport van de Ombudsman betreft slechts de (volgens de Ombudsman ontoereikende) wijze waarop het CVZ de betrokken klager heeft geïnformeerd over de vraag hoe het advies uit 2006 zich tot dat uit 2002 verhoudt. Overigens verdient het opmerking dat naar het oordeel van de Ombudsman een mededeling van het CVZ dat het advies uit 2002 (gedeeltelijk) onjuist was, in dat verband zou hebben volstaan. Dat het advies uit 2002 (gedeeltelijk) onjuist was, lag (anders dan de Ombudsman heeft aangenomen) mijns inziens echter wel degelijk besloten in het standpunt uit 2008 (
“er is mede door de verwarrende terminologie op dit terrein, niet gedifferentieerd tussen de verschillende gebruikte technieken: er is geen onderscheid gemaakt tussen de micro-endoscopische techniek, de posterolaterale benadering of de transforaminale benadering.”) en is bovendien in het latere en hiervóór (onder 3.22) bedoelde standpunt uit 2013 met zoveel woorden erkend (
“Dit standpunt(het advies uit 2002; LK)
is (achteraf gezien en volgens de nu geldende beoordelingsmethodiek) niet juist.”).
welbehoort tot de stand van de wetenschap en praktijk (c.q. verantwoorde zorg vormt), en dat, zolang niet vaststaat of dit wel of niet het geval is, de behandeling
niettot het verzekerde pakket kan worden gerekend. De in dat vonnis bedoelde standpunten van NOV en DSS zijn die welke zijn weergegeven in het hiervóór (onder 3.22) besproken CVZ-standpunt uit 2013. De bedoelde standpunten impliceerden allerminst dat volgens de NOV en de DSS de PTED-methode al wél tot de stand van de wetenschap en praktijk diende te worden gerekend, maar dat zij door middel van het inmiddels geïntroduceerde regime van de voorwaardelijke toelating in elk geval een kans zou moeten krijgen (
“Een voorwaardelijke/voorlopige vergoeding totdat meer duidelijkheid is gekomen over effectiviteit/veiligheid vinden ze meer gepast(dan een uitsluiting van iedere vergoeding; LK
.”).
evidencedie in acht moet worden genomen bij de beoordeling of een bepaalde vorm van zorg tot de stand van de wetenschap en praktijk behoort, miskend. Kennelijk heeft het hof betekenis toegekend aan bewijs van lager niveau - te weten ervaringen in de praktijk (in het buitenland) - terwijl het hof niet vaststelt dat het uitvoeren van een RCT (gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit en voldoende omvang) niet mogelijk zou zijn.
nietvoldoen aan het criterium stand van de wetenschap en praktijk. Dat onderstreept nog eens dat de PTED-behandeling inderdaad niet aan dit criterium voldoet [67] .
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
benaderingstechniekvan de endoscopische chirurgische behandeling van een lumbale hernia en dat het CVZ in zijn advies in 2006 in de endoscopische transforaminale benadering
een nieuwe techniekvan de endoscopische hernia-operatie heeft gezien. Tegen deze vaststellingen heeft [verweerster] in hoger beroep geen grief gericht. Door te oordelen dat de adviezen uit 2006 en 2008 een ander standpunt over de transforaminale benadering van een lumbale hernia inhouden dan het advies uit 2002 - in welk oordeel ligt besloten dat volgens het hof CVZ in 2002 ook de transforaminale benadering al heeft beoordeeld - is het hof derhalve buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep getreden, althans heeft het een onbegrijpelijke uitleg aan de grieven van [verweerster] gegeven.
transforaminalebenadering van een lumbale hernia. In het CVZ-advies uit 2008 is dit verschil nadrukkelijk benoemd. Menzis heeft hierop ook gewezen [68] . In het licht hiervan is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat het hof heeft aangenomen dat de behandeling volgens de PTED-methode op grond van het CVZ-advies uit 2002 wel behoorde tot de stand van de wetenschap en praktijk en dat het CVZ met zijn adviezen van 2006 en 2008 tot een ander standpunt over deze specifieke behandeling van een lumbale hernia is gekomen.
onder cdat hetgeen in de voorgaande subonderdelen is gesteld, tevens meebrengt dat het oordeel in rov. 4.6 van het eerste tussenarrest (herhaald in rov. 2.4 en 2.10 van het tweede tussenarrest) niet in stand kan blijven. Zij heeft hierbij het oog op het oordeel dat het in casu niet aan [verweerster] is om te stellen en te bewijzen dat de behandeling volgens de PTED-methode overeenkomstig de stand van de wetenschap en praktijk is, maar aan Menzis om deugdelijk te onderbouwen dat behandelingen volgens de PTED-methode niet (langer) als conform de stand van de wetenschap en praktijk hebben te gelden. Voorts meent Menzis dat het hof deze aanname niet (mede) ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn verdere beoordeling of de behandeling volgens de PTED-methode behoort tot de stand van de wetenschap en praktijk, zoals het klaarblijkelijk (onder meer in rov. 2.9 van het tweede tussenarrest en de rov. 2.4 en 2.6 van het eindarrest) heeft gedaan. Ook deze overwegingen kunnen volgens haar bij gegrondbevinding van subonderdeel a en/of subonderdeel b derhalve niet in stand blijven.
specifiekop de PTED-methode betrekking had:
“Het CVZ heeft in 2002 met betrekking tot de endoscopische (transforaminale, zo moet worden aangenomen nu de in dat advies beoordeelde operatie in de Alpha Klinik in München had plaatsgevonden) operatie van een lumbale hernia overwogen dat er voldoende gegevens waren om te concluderen dat de operatie als een in de kring der beroepsgenoten gebruikelijke behandeling moet worden aangemerkt (…)”(onderstreping toegevoegd; LK). Die uitleg (die impliceert dat het CVZ in 2006 een
anderstandpunt over de transforaminale benadering van een lumbale hernia heeft ingenomen dan in 2002) verschilt van die van de rechtbank in rov. 4.7 van het eindvonnis, volgens welke in het advies uit 2002 niet op de
benaderingstechniekis ingegaan en het CVZ, toen het in 2006 op verzoek van een zorgverzekeraar over de endoscopische transforaminale benadering van een lumbale hernia adviseerde, daarin (in de woorden van de rechtbank:)
“een nieuwe techniek van de endoscopische herniaoperatie (heeft) gezien”.
“de incongruentie tussen beide standpunten”. Dit laatste sluit niet uit (en in het licht van het partijdebat is juist aannemelijk) dat ook de rechtbank van een wijziging van het standpunt van het CVZ is uitgegaan. In dit verband verdient het opmerking dat de formuleringen in rov. 4.7 van het eindvonnis van de rechtbank goeddeels lijken te zijn ontleend aan de als productie 10 bij de conclusie van antwoord overgelegde brief van 1 mei 2007 van het CVZ aan [betrokkene 2], die onder meer het navolgende inhoudt:
transforaminaleweg, werd uitgevoerd. Helaas heeft het CVZ dan ook moeten constateren dat de uitspraken van 2006 en 2006, zoals door u ook is gemeld, niet met elkaar stroken.
productie 9bij de conclusie van antwoord) dat de twee standpunten niet met elkaar stroken. (…)”
“endoscopische hernia-operatie”(zij het onbedoeld) althans mede betrekking had op de in 2002 niet als zodanig beoordeelde endoscopische operatie waarbij een lumbale hernia transforaminaal werd benaderd. Dat de “gebruikelijkverklaring” uit 2002 generiek was bedoeld, lag ook voor de hand, omdat een uitspraak die slechts betrekking zou hebben op het gebruik van de endoscopische techniek als zodanig, zonder iets te zeggen over de “gebruikelijkheid” van de mogelijk daarbij toe te passen benaderingswijzen, nauwelijks betekenis zou hebben. In het licht van het partijdebat (en het daarin door het CVZ zelf betrokken standpunt dat de adviezen uit 2002 en 2006 met elkaar in strijd waren, bij welk standpunt de rechtbank in rov. 4.7 van het eindvonnis kennelijk heeft aangesloten), was er voor [verweerster] (die slechts geldend wilde maken dat de standpunten van het CVZ uit 2002 en 2006 met elkaar in strijd waren nu de “gebruikelijkverklaring” uit 2002 de transforaminale benadering (althans mede) dekte en dat het CVZ in 2006 met betrekking tot de “gebruikelijkheid” van die benadering een ander standpunt innam) geen aanleiding te grieven tegen het oordeel in rov. 4.7 van het eindvonnis dat in het standpunt uit 2002 niet op de benaderingstechniek was ingegaan.
specifiekop de endoscopische transforaminale hernia-operatie betrekking had en dat daaraan derhalve een beoordeling, specifiek van de endoscopische transforaminale hernia-operatie ten grondslag lag. De bedoelde aanname is echter niet in strijd met hetgeen de rechtbank in rov. 4.7 van haar eindvonnis heeft vastgesteld; het stilzwijgen van het advies uit 2002 over de benaderingswijze sluit immers niet uit dat dit advies (zoals het hof heeft aangenomen) op een beoordeling door het CVZ van de endoscopische transforaminale hernia-operatie (zoals die, meer in het bijzonder, in de Alpha Klinik in München werd uitgevoerd) berustte. Om die reden kan de aanname van het hof dat het advies uit 2002 (specifiek) op de endoscopische transforaminale hernia-operatie betrekking had (en op een daadwerkelijke beoordeling van een dergelijke endoscopische hernia-operatie berustte) naar mijn mening niet met succes worden bestreden met de klacht dat [verweerster] niet heeft gegriefd tegen de overweging dat in het standpunt uit 2002 niets over de benaderingswijze wordt gezegd.
waaronderde transforaminale weg, werd uitgevoerd.
“Hier doet zich echter het geval voor (…)”), althans een rechterlijk bewijsvermoeden ten gunste van [verweerster] heeft aangenomen (zie de laatste volzin van rov. 4.6:
“(…) is het thans aan Menzis om deugdelijk te onderbouwen dat behandelingen volgens de PTED-methode niet (langer) als conform de stand van de wetenschap en de praktijk hebben te gelden.”), respectievelijk op rov. 2.6 van het eindarrest, waarin het hof de
“betrouwbaarheid”(sic) van de relevante adviezen en standpunten meer in algemene zin heeft gerelativeerd vanwege het feit dat
“het CVZ in de loop van de jaren wisselend heeft gedacht over de effectiviteit van de PTED-methode en/of de daaraan verbonden risico’s”.
“het nodige gewicht”moet worden toegekend. Uit de wettelijke taak en rol van het CVZ (thans het Zorginstituut) volgt dat aan die standpunten of adviezen een
zwaarwegendebetekenis toekomt bij de beoordeling of een bepaalde behandeling tot de stand van de wetenschap en praktijk als bedoeld in art. 2.1 lid 2 Bzv behoort [69] . Menzis klaagt dat het hof dit bij zijn beoordeling - met name in de rov. 4.5 en 4.7 van het eerste tussenarrest, de rov. 2.5, 2.8 en 2.9 van het tweede tussenarrest en rov. 2.2-2.6 van het eindarrest - heeft miskend.
zwaar weegtbij de beoordeling van de vraag of de behandeling volgens de PTED-methode conform de stand van de wetenschap en praktijk is. Het hof heeft betekenis toegekend aan de wettelijke taak en rol van het CVZ en heeft geoordeeld dat de grief faalt. Dit impliceert dat het hof het standpunt van de rechtbank deelt dat aan de standpunten en adviezen van het CVZ
zwaarwegendebetekenis toekomt. Waar het hof vervolgens heeft overwogen dat aan standpunten en adviezen van het CVZ het
nodigegewicht moet worden toegekend, komt aan die woorden eenzelfde betekenis toe: met het
nodigegewicht heeft het hof kennelijk niet anders bedoeld dan het
zwaarwegendegewicht dat, gezien de wettelijke taak van het CVZ, aan zijn standpunten en adviezen toekomt.
onderdeel 3klaagt Menzis dat het hof op rechtens onjuiste gronden en zonder toereikende motivering is voorbijgegaan aan het advies van het CVZ uit 2006 dat de behandeling volgens de PTED-methode niet behoort tot de stand van de wetenschap en praktijk en aan het CVZ-rapport uit 2008 waarin het advies uit 2006 nog eens is bevestigd. De klacht wordt in zeven subonderdelen nader uitgewerkt.
“op het hof vooralsnog geen grote indruk (maakt)”. Menzis stelt dat het hof daarmee klaarblijkelijk heeft bedoeld dat dit advies in zijn visie qua wijze van totstandkoming en/of inhoud niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat daarom aan dat advies kennelijk geen, althans minder waarde zou toekomen. Volgens Menzis is dit oordeel, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Menzis memoreert dat het CVZ in het advies heeft uiteengezet welke werkwijze en welke criteria het bij zijn onderzoek heeft gehanteerd, dat het CVZ bij zijn beoordeling op basis van de gehanteerde onderzoekscriteria met name acht heeft geslagen op een
expert opninionen op 26 gevonden publicaties en dat het CVZ daaruit onder meer heeft geconcludeerd dat er geen gecontroleerde studies zijn en dat de beschikbare literatuur geen informatie geeft over de recidiefkans, zodat de (ook in de
expert opiniongeuite) zorg over het recidiveren van de hernia niet is weggenomen. Het onderdeel betoogt dat het CVZ zijn advies van 10 oktober 2006 aldus onmiskenbaar heeft gebaseerd op deugdelijk en zorgvuldig onderzoek en daarin heeft gemotiveerd op grond waarvan het tot zijn oordeel is gekomen. In het licht daarvan valt, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet te begrijpen waarom dat advies “geen grote indruk” maakt en waarom daaraan kennelijk geen, althans minder, betekenis zou toekomen dan in het algemeen aan adviezen, richtlijnen of standpunten van het CVZ behoort te worden gehecht.
“op het hof vooralsnog geen grote indruk (maakt)”, heeft het hof kennelijk bedoeld dat het vooralsnog niet van de kwaliteit van dat advies was overtuigd (vergelijk in dat verband rov. 2.9 van het tweede tussenarrest:
“Hetgeen Menzis heeft aangevoerd in antwoord op de bij tussenarrest gestelde vragen heeft het hof niet overtuigd van de kwaliteit van het CVZ-advies van 10 oktober 2006. (…)”). Anders dan het onderdeel onder a in fine suggereert, heeft het hof in rov. 4.7 van het eerste tussenarrest niet met het uitspreken van twijfel over de kwaliteit van het advies uit 2006 volstaan, maar heeft het daarin tevens aangegeven waarop die (voorshands bestaande) twijfel berustte. De vooralsnog bij het hof levende aarzelingen met betrekking tot de kwaliteit van het advies van 10 oktober 2006 hingen blijkens het vervolg van rov. 4.7 samen met:
expert opinionook rekening is gehouden met eventueel van de “heersende leer” afwijkende opinies;
medewordt bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk.
onder bdat het gestelde onder a eens te meer geldt nu het oordeel van het CVZ uit zijn advies van 10 oktober 2006 is bevestigd in het CVZ-rapport van 10 juli 2008, opnieuw op basis van uitvoerig onderzoek. Het hof heeft ook hieraan ten onrechte geen (kenbare) aandacht besteed. Voor zover het hof mocht hebben gemeend dat uit het rapport van 10 juli 2008 niet kan volgen dat de onderhavige behandeling ten tijde van de operatie van [verweerster] tot de stand van de wetenschap en praktijk behoorde [70] , ziet het hof volgens Menzis eraan voorbij dat het rapport uit 2008 onmiskenbaar strekte tot (her)beoordeling van het advies uit 2006 en dat derhalve de conclusies uit het rapport uit 2008 (tevens) een bevestiging inhouden van het advies uit 2006, en daarmee tevens betrekking hebben op de stand van de wetenschap en praktijk in 2006 en ten tijde van de operatie van [verweerster].
“(w)elke rol (…) het advies van 10 juli 2008 (kan) spelen bij de beantwoording van de vraag of Menzis in augustus 2007 gehouden was tot vergoeding van de behandeling van [verweerster]”, maar in het licht van hetgeen Menzis bij comparitie had aangevoerd, was die vraag blijkens rov. 2.9 van het tweede tussenarrest na die comparitie kennelijk niet meer aan de orde; het hof is daarin aan het rapport uit 2008 voorbijgegaan, niet omdat aan dat rapport geen betekenis zou toekomen voor de beoordeling van de stand van de wetenschap en praktijk in 2007, maar vanwege de (vermeende) gebreken die (ook) aan het rapport uit 2008 zouden kleven. Overigens wijs ik erop dat het hof in (rov. 2.4 van) het eindarrest voor de beoordeling van de stand van de wetenschap en praktijk in 2007 uitdrukkelijk betekenis heeft toegekend aan posterieure ontwikkelingen, met name aan de voorlopige toelating van de PTED-methode tot het verzekerde pakket per 1 januari 2016.
“Endoscopsche transforaminale benadering van een lumbale hernia nucleipulposie (HNP)”opent met de opmerking dat
“(d)e endoscopische dorsale benadering van een lumbale hernia (eerste ingreep op betr. niveau) (…) gebruikelijke zorg is(onderstreping toegevoegd; LK)
.”Kennelijk heeft het hof voor ogen gehad dat die opmerking de mogelijkheid openlaat dat het advies is toegespitst op de endoscopische transforaminale benadering, eveneens bij een
eersteingreep op het betreffende niveau, en dat de conclusie van het advies voor een tweede of volgende ingreep op het betreffende niveau daarom niet heeft te gelden, in welk geval het advies niet zou uitsluiten dat voor een tweede of volgende ingreep (ook) de endoscopische transforaminale benadering “gebruikelijk” is [73] .
“Endoscopische herniaoperatie bij nog niet eerder geopereerde patiënten met een lumbale hernia gebruikelijk in de kring der beroepsgenoten”. In het advies uit 2002 werd, zoals reeds eerder aan de orde kwam, de endoscopische hernia-operatie nog wel (generiek, en dus ook voor de endoscopische operatie waarbij de lumbale hernia transforaminaal werd benaderd) “gebruikelijk” verklaard, maar, gelet op de hiervoor weergegeven essentie, slechts bij niet eerder geopereerde patiënten. Noch het advies uit 2002, noch dat uit 2006, liet daarom stellige conclusies toe over het (wel of niet) “gebruikelijk” zijn van de PTED-methode bij een tweede of volgende operatie. Het is minst genomen opmerkelijk dat het hof mede vanwege de bedoelde onduidelijkheid in het advies uit 2006 aan dat advies geen beslissende betekenis heeft willen toekennen, maar in het advies uit 2002, dat met betrekking tot het al dan niet “gebruikelijk” zijn van de PTED-methode bij een tweede of volgende operatie een vergelijkbare onduidelijkheid bevatte, aanleiding heeft gezien om ten nadele van Menzis af te wijken van de regels van stelplicht en bewijslast met betrekking tot de “gebruikelijkheid” van de PTED-methode in een geval als dat van [verweerster], althans om een rechterlijk bewijsvermoeden ter zake ten gunste van [verweerster] aan te nemen.
nietrelevant is of al dan niet van een recidiverende hernia sprake is (schriftelijke toelichting onder 4.11).
niettot de stand van de wetenschap en praktijk kan worden gerekend (zie het rapport uit 2008 onder 3.11.2:
“(…) concludeert het CVZ dat de transforaminale endoscopische methode (TF, PTED) van een lumbale HNP op één niveau (hetzij als eerste ingreep hetzij als tweede ingreep na een recidief) niet als conform de stand van de wetenschap en praktijk kan worden beschouwd.”; onderstreping toegevoegd; LK).
onder dop tegen rov. 4.7 van het eerste tussenarrest (herhaald in rov. 2.9 van het tweede tussenarrest), voor zover het hof daarin heeft overwogen dat in de CVZ-adviezen uit 2006 en 2008
“geen rekening is gehouden met van de heersende leer afwijkende opvattingen”. Daarin ligt volgens Menzis het oordeel besloten dat het CVZ in het kader van de beoordeling of een behandeling tot de stand van de wetenschap en praktijk dient te worden gerekend, zulks wel behoort te doen. Zij klaagt dat het hof aldus heeft miskend dat bij die beoordeling weliswaar betekenis kan toekomen aan opvattingen uit de praktijk, maar dat het in dat geval dient te gaan om wat de beroepsgroep
als geheelmaatgevend vindt of als juiste behandelwijze beschouwt. Aan opvattingen die juist afwijken van de binnen de beroepsgroep heersende en breed gedragen opvatting kan bij die beoordeling volgens haar geen betekenis toekomen.
Smits en Peerboomsalle beschikbare relevante gegevens in aanmerking worden genomen en behoren daartoe ook
“gezaghebbende meningen van specialisten” [76] . Als echter eenmaal is vastgesteld welke de (door het hof zo genoemde) heersende leer is (hetgeen vóóronderstelt dat reeds van eventueel uiteenlopende opvattingen in de wetenschap en praktijk is kennisgenomen en dat het gezag dat aan die opvattingen dient te worden toegekend, reeds is bepaald), valt niet in te zien waarom van de heersende leer afwijkende opvattingen eraan in de weg zouden staan die heersende leer voor de stand van de wetenschap en praktijk bepalend te achten.
“eventueelvan de ‘heersende leer’ afwijkende opinies(onderstreping toegevoegd; LK)
”gesproken (in rov. 2.9 van het tweede tussenarrest heeft het hof het aldus uitgedrukt, dat uit de CVZ-adviezen niet blijkt
“dat het CVZ rekening heeft gehouden met van de heersende leer afwijkende opvattingen”). Wel heeft het hof in rov. 4.9 van het tweede tussenarrest kennelijk met de mogelijkheid van zulke van de heersende leer afwijkende opvattingen rekening gehouden, mede omdat
“de leden van de Dutch Spine Society (de voorzitter daarvan gaf de expert opinion) niet of nauwelijks endoscopische transforaminale operaties uitvoeren”(hetgeen overigens niets over hun wetenschappelijke waardering van dergelijke operaties zegt).
Smits en Peerbooms: niet
“door de internationale wetenschap voldoende is beproefd en deugdelijk is bevonden”), maar niettemin (frequent) wordt toegepast. In een dergelijk geval maakt ook (een frequente) toepassing van de betrokken behandeling niet dat die behandeling alsnog tot de stand van de wetenschap en praktijk dient te worden gerekend. In dat verband is mede van belang (i) dat het arrest
Smits en Peerboomsverlangt dat de betrokken behandeling door de internationale
wetenschapvoldoende is beproefd en deugdelijk is bevonden (ii) dat de frequentie waarin de betrokken behandeling in de praktijk wordt toegepast, niet voorkomt in de opsomming van de volgens genoemd arrest meest relevante factoren [77] en (iii) dat ook het nationale criterium van de stand van de wetenschap en praktijk (welk criterium één geïntegreerde maatstaf vormt; zie hiervóór onder 3.2) waar mogelijk (mede) een
wetenschappelijkeacceptatie van de betrokken behandeling verlangt.
onderdeel 4en wordt door dat onderdeel in zes subonderdelen nader uitgewerkt.
Expert opinion.
expert opinioneveneens heeft geconcludeerd) óók bij laterale hernia’s inferieur is ten opzichte van
“de gebruikelijke (open/microchir/endosc. dorsale) benadering”.
onder ais gericht tegen rov. 2.3 van het eindarrest. Volgens Menzis volgt daaruit dat het oordeel dat uit het rapport van dr. Öner blijkt dat de behandeling volgens de PTED-methode in augustus 2007 tot de stand van de wetenschap en praktijk behoorde, in de eerste plaats is gebaseerd op studies waarnaar in dit rapport wordt verwezen, in het bijzonder een
review-artikel van Nellensteijn e.a., dat is gepubliceerd in 2010 (maar waarvan de bevindingen reeds ten grondslag lagen aan het CVZ-standpunt uit 2008). Menzis wijst erop dat uit het artikel van Nellensteijn e.a. zelf ook blijkt dat de kwaliteit van de onderzochte studies “niet adequaat” was en het bewijs voor de effectiviteit van de PTED-methode “poor”. Volgens haar heeft het hof daarom miskend dat, indien bewijs van hoge wetenschappelijke kwaliteit voor de effectiviteit van een behandeling ontbreekt en daarvoor alleen bewijs van lage(re) kwaliteit beschikbaar is - zoals bij de in aanmerking genomen onderzoeken onmiskenbaar het geval is - in beginsel moet worden geoordeeld dat de behandeling
nietbehoort tot de stand van de wetenschap en praktijk [79] . Indien het hof dit niet heeft miskend, valt in het licht van de conclusie in het
review-artikel over de (gebrekkige) kwaliteit van de onderzochte studies althans, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom wél bewijs van zodanige kwaliteit voor de effectiviteit van de PTED-methode beschikbaar zou zijn dat deze behandeling conform de stand van de wetenschap en praktijk kan worden geacht. Het genoemde oordeel van het hof berust volgens Menzis dan ook op een onjuiste rechtsopvatting, of is althans in het licht van het voorgaande niet naar behoren gemotiveerd.
evidence, op grond waarvan
evidenceontleend aan kwalitatief verantwoorde studies leidend is.
Evidencevan lage kwaliteit is in beginsel niet van doorslaggevende betekenis en zal leiden tot een negatief standpunt, zij het dat in de praktijk opgedane inzichten en ervaringen in voorkomend geval alsnog tot een positief standpunt kunnen leiden. Daartoe zal echter (onder meer) moeten vaststaan dat verder onderzoek naar de effectiviteit van de behandeling zeer waarschijnlijk niet zal (kunnen) plaatsvinden (en dat men dus op
evidencevan lage kwaliteit aangewezen zal blijven).
review-artikel van Nellensteijn e.a. gereleveerde studies in methodologisch opzicht tekortschieten, niet het gevolg te verbinden dat de PTED-methode in beginsel niet tot de stand van de wetenschap en praktijk kan worden gerekend en door voor de slotsom dat dit laatste, ondanks het ontbreken van
evidence, ontleend aan kwalitatief verantwoorde studies, anders is, voldoende te achten dat in 2007 reeds ervaring met de nieuwe methode was opgedaan en er geen contra-indicaties zijn gesignaleerd:
review-artikel; LK) was dat de kwaliteit van de studies die een vergelijking maakten tussen de transforaminale technieken en de conventionele technieken, niet adequaat was, maar er werden geen significante verschillen gevonden, in geen van deze studies, wat betreft de verbetering van de patiënttevredenheid, de recidief percentages, de complicaties of de reoperaties, tussen de transforaminale endoscopische chirurgie en de open microdiscectomie. Hun uiteindelijke conclusie was dat het bestaande bewijs niet genoeg was om dit type chirurgie
te ondersteunen of af te wijzenbij patiënten met symptomatische lumbale discusherniaties.”
review-artikel; LK) door het CWZ (lees: CVZ; LK) wordt besloten dat de transforaminale benadering niet conform de stand van de wetenschap en de praktijk was. Hoewel de kwaliteit van de studies te wensen overliet, er was in geen van de studies die een vergelijk maakten tussen de transforaminale en de conventionele technieken, enige aanleiding te vinden om aan te nemen dat de resultaten van transforaminale technieken slechter waren of dat de complicatiekansen hoger waren.”
Smits en Peerbooms- (nog) niet
“door de internationale wetenschap voldoende is beproefd en deugdelijk is bevonden”. Anders dan de deskundige kennelijk meent, kan aan die conclusie niet afdoen dat in de voorhanden zijnde studies geen aanleiding is te vinden om aan te nemen dat de resultaten van transforaminale technieken slechter waren of dat de complicatiekansen van die technieken hoger waren dan die van conventionele technieken, temeer niet nu die studies ook door de deskundige zelf (juist op het punt van de daarin gemaakte vergelijking tussen de transforaminale technieken en de conventionele technieken) van onvoldoende kwaliteit zijn bevonden en aan het daarin ontbreken van indicaties (vóór dan wel) tegen de PTED-methode ook daarom geen beslissende betekenis kan worden toegekend.
Smits en Peerbooms-
“door de internationale wetenschap voldoende is beproefd en deugdelijk is bevonden”. Weliswaar kunnen praktijkervaringen ook in de beoordelingssystematiek van het CVZ een rol spelen, maar - zoals het onderdeel terecht memoreert - slechts in het geval dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan, waaronder de voorwaarde dat vaststaat dat verder onderzoek naar de effectiviteit van de behandeling zeer waarschijnlijk niet zal (kunnen) plaatsvinden. Het hof heeft niet nader gemotiveerd dat en waarom het in het onderhavige geval niettemin zou zijn gewettigd de stand van de wetenschap en praktijk uitsluitend te beoordelen aan de hand van het gegeven dat reeds ervaring met de PTED-methode was opgedaan. Ook in zoverre heeft het hof zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd.
“geen contra-indicaties”zijn gesignaleerd of aangedragen en dat in rov. 2.4 van het eindarrest is overwogen dat uit het rapport van dr. Öner wel degelijk blijkt dat er risico’s kleven aan de behandeling, maar dat aard en omvang van die risico’s niet uitsluiten dat de behandeling tot de stand van de wetenschap en praktijk wordt gerekend.
“Juist daarom”is volgens het hof de PTED-behandeling “gelijkwaardig” aan de standaardbehandeling. Menzis klaagt dat ’s hofs oordeel ook in dit opzicht rechtens onjuist is of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het hof heeft miskend dat om te kunnen oordelen dat een (nieuwe) behandeling behoort tot de stand van de wetenschap en praktijk, vereist is dat deze behandeling, vergeleken met de standaardbehandeling, ten minste vergelijkbare werking heeft en niet méér risico’s of complicaties heeft.
“geen aanwijzingen”zijn dat er bij de PTED-behandeling
“aanzienlijk meer kans op complicaties of onnodige schade bestond”. Dat is onvoldoende om het oordeel te kunnen dragen dat de PTED-behandeling “gelijkwaardig” is aan de standaardbehandeling en derhalve deel uitmaakt van de stand van de wetenschap en praktijk. Zulks eens te meer in het licht van het CVZ-advies uit 2006, waarin onder meer vanwege het ontbreken van lange termijn follow up is geoordeeld dat onvoldoende bekend is over de risico’s van de PTED-behandeling op langere termijn.
“uit het rapport wel degelijk (blijkt) dat er risico’s kleven aan de ‘nieuwe’ methode en ook dat de nieuwe methode niettemin tot het domein van de wetenschap en praktijk kan worden gerekend doordat de aard en omvang van die risico’s dat niet uitsluiten”en dat
“juist daarom (…) de twee methodes (…) gelijkwaardig aan elkaar (blijken) te zijn”. Menzis acht deze overweging onnavolgbaar.
“(d)e te beoordelen interventie (…) gelijkwaardig (dient) te zijn aan, of meerwaarde te hebben ten opzichte van de standaardbehandeling of gebruikelijke behandeling. Dit geldt zowel voor effectiviteit als voor ongewenste effecten.”
“juist daarom”aan elkaar gelijkwaardig zijn.
review-artikel van Nellensteijn e.a. opgemerkt dat in geen van de voorhanden (en van onvoldoende kwaliteit zijnde) studies
“enige aanleiding (was) te vinden om aan te nemen dat de resultaten van transforaminale technieken slechter waren of dat de complicatiekansen hoger waren”. En verderop op p. 13:
“Er waren(in 2007; LK)
geen aanwijzingen dat met deze technieken het chirurgische doel niet bereikbaar was of dat er aanzienlijk meer kans op complicaties of onnodige schade bestond”(hetgeen de mogelijkheid van méér kans op complicaties of onnodige schade overigens niet uitsluit). Uit
“het redelijk grote aantal publicaties uit verschillende landen, zoals Duitsland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten”(waarmee kennelijk wordt gedoeld op de publicaties van onvoldoende kwaliteit zoals betrokken in het
review-artikel van Nellensteijn e.a.), leidt de deskundige (eveneens op p. 13) voorts af dat
“er in die periode voldoende ervaring was in verschillende landen met die technieken, zodat in ieder geval aannemelijk is dat dit niet een slechtere methode was dan andere manieren van bereiken van het chirurgische doel. Dat wil zeggen dat de technische haalbaarheid aannemelijk is.”Overigens heeft de deskundige blijkens die laatste toevoeging niet de (veronderstelde) risico’s maar slechts de technische haalbaarheid van de PTED-methode op het oog gehad.
“Achteraf gezien heeft collega [betrokkene 1] ook gelijk gekregen: het probleem van betrokkene kon met deze techniek goed worden opgelost. (…) “Achteraf gezien heeft collega [betrokkene 1] ook gelijk gekregen, omdat betrokkene goed geholpen is met deze benadering.”).
onder e, voorts ten onrechte overwogen dat in het onderhavige verband betekenis mag worden toegekend aan de voorlopige toelating van de PTED-behandeling tot het verzekerde pakket per 1 januari 2016. Volgens Menzis heeft het hof hiermee miskend dat het instrument van de voorlopige toelating, zoals neergelegd in art. 2.1 lid 5 Bzv, juist is bedoeld voor vormen van zorg die
nog niet (of niet meer)aan het criterium “stand van de wetenschap en praktijk” voldoen, waarbij de periode van voorlopige of voorwaardelijke toelating is bedoeld om de noodzakelijke gegevens te verzamelen voor de beslissing of de desbetreffende behandeling definitief in het verzekerde pakket wordt (of blijft) opgenomen. Aan deze voorlopige toelating kan dus juist
nietworden ontleend dat de desbetreffende behandeling (op dat moment al) tot de stand van de wetenschap en praktijk behoort.
“(h)et beeld (…) nu (is) dat de onderhavige behandeling wel tot het verzekerde pakket werd gerekend tot 2006, vervolgens (mede op grond van een advies van het toenmalige College voor Zorgverzekeringen (CVZ)) buiten dat pakket viel en thans weer daarin is opgenomen.”Kennelijk draagt dat beeld in de gedachtegang van het hof bij aan de slotsom dat het CVZ het tussen 2006 en 2016 bij het verkeerde eind moet hebben gehad en dat de PTED-methode ook in 2007 wel degelijk tot de stand van de wetenschap en praktijk diende te worden gerekend. De voorlopige toelating bevestigt daarentegen juist dat de PTED-methode tot 2016 (en zolang zij niet onvoorwaardelijk tot het verzekerde pakket is toegelaten)
niettot de stand van de wetenschap en praktijk kan worden gerekend. Art. 2.1 lid 5 Bzv betreft zorg en overige diensten, die
niettot de stand van wetenschap en praktijk behoren. Dat vloeit voort uit (i) het systeem van art. 2.1 Bzv, waarin tot de stand van de wetenschap en praktijk behorende zorg en diensten op grond van het tweede lid tot het verzekerde pakket behoren, (ii) uit de zinsnede
“In afwijking van het tweede lid”, waarmee het vijfde lid opent, en (iii) uit de toelichting op de bepaling zoals vervat in Stb. 2011, 464, waaraan ik het navolgende citaat ontleen:
nietaan het criterium van de wetenschap en praktijk beantwoordende en daarom nog
niettot het verzekerde pakket behorende methode en dat de voorlopige toelating van de PTED-methode geen betrekking heeft op een reeds tot het verzekerde pakket behorende methode, ten aanzien waarvan twijfel is gerezen of zij nog wel tot de stand van de wetenschap en praktijk behoort. Aan de toelichting op de betrokken wijziging van de Rz ontleen ik de navolgende passage:
“onvoldoende afdoet”, dat dit advies in 2007 al was
“achterhaald”, dat het CVZ in de loop der jaren
“wisselend heeft gedacht”over de PTED-methode en de daaraan verbonden risico’s en dat het feit dat de polisvoorwaarden van Menzis in 2007 mede dienden te worden uitgelegd in het licht van de adviezen van het CVZ niet kan wegnemen dat
“thans blijkt dat Menzis de verzekeringsdekking te beperkt heeft uitgelegd”.
omgekeerdegeldt. Dat laatste is naar mijn oordeel niet het geval. Het rapport van dr. Öner, voor zover dit überhaupt al het oordeel inhoudt dat de PTED-methode in 2007 voldeed aan het (wettelijke) criterium van de stand van de wetenschap en praktijk [82] , houdt materieel niet of nauwelijks verband met de beoordelingssystematiek van het CVZ en neemt daarvan evenmin gemotiveerd afstand; bovendien berust het op aannames en veronderstellingen, gebaseerd op studies die ook naar het oordeel van dr. Öner zelf niet van goede kwaliteit zijn. Bij die stand van zaken dient niet het deskundigenrapport, maar het CVZ-advies uit 2006 te prevaleren. Dat het CVZ
“wisselend”over de risico’s van de PTED-methode heeft gedacht, vindt naar mijn oordeel geen steun in de vaststaande feiten. Kennelijk heeft het hof in dat verband het oog op het advies uit 2006 waarmee het CVZ van het advies uit 2002 terugkwam, maar - naar het CVZ heeft uiteengezet - is in het advies uit 2002 abusievelijk nagelaten tussen de verschillende benaderingswijzen te differentiëren en zijn daarin de endoscopische transforaminale benadering en de daaraan verbonden risico’s niet als zodanig beoordeeld. Het CVZ heeft niet
“wisselend”over de PTED-methode en de daaraan verbonden risico’s gedacht, maar heeft een fout gemaakt door in 2002 in het geheel geen standpunt, specifiek over de PTED-methode en de daaraan verbonden risico’s, in te nemen.
enin het geval van [verweerster] ook was geïndiceerd [85] .
onderdeel 5stelt Menzis dat gegrondbevinding van een of meer van de in de aangevoerde klachten meebrengt dat de (voortbouwende) rov. 2.8-3.3 en het dictum van het eindarrest niet in stand kunnen blijven. Als, zoals ik meen, een of meer van de bedoelde klachten slagen, kunnen de rov. 2.8-3.3 en het dictum van het eindarrest inderdaad niet in stand blijven.
onder 1.1dat de verzwaarde stelplicht reeds volgt uit de aard van de voor onderbouwing (en weerlegging) van dit verweer benodigde informatie, in relatie tot de ongelijkheid in kennis en toegang tot expertise. Zij zou, zo voert [verweerster]
onder 1.2aan, ook volgen uit de Nota van Toelichting bij art. 2.1 Bzv 2005, waarin het volgende wordt opgemerkt [86] :
Smits en Peerboomsvolgt dat het aan de zorgverzekeraar is om aannemelijk te maken dat de bewuste behandeling door de internationale wetenschap niet voldoende is beproefd en deugdelijk bevonden [87] . Indien de zorgverzekeraar zijn verweer onvoldoende motiveert en de eiser aldus onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een meer specifieke onderbouwing van zijn stelling, zal de rechter voorshands moeten oordelen dat de eiser op dat punt aan zijn stelplicht heeft voldaan en het gestelde, bij gebreke van een voldoende gemotiveerd verweer, voorshands als vaststaand moeten aannemen, of zelfs de bewijslast op dat punt kunnen omkeren [88] , zo meent [verweerster]
onder 1.4. Minst genomen brengt het voorgaande volgens [verweerster]
onder 1.5mee dat aan de stelplicht van verzekerde ter zake van de vraag of de behandeling conform de stand van de wetenschap en praktijk is, geen hoge eisen mogen worden gesteld. Dit zou het hof hebben miskend.
Smits en Peerboomsaanleiding zouden geven een verzwaarde stelplicht van de zorgverzekeraar aan te nemen.