Conclusie
1.Dnata B.V.
HDI Global SE
XL Insurance Company SE
Allianz Benelux N.V.h.o.d.n. Allianz Schadeverzekering
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Bed&
Breakfastboven zijn restaurant te starten niet heeft kunnen realiseren. [eiser] heeft zijn schade door verminderd arbeidsvermogen primair op € 1.463.360,- becijferd. Daarnaast heeft [eiser] nog een aantal andere schadeposten opgevoerd, waarmee de totale schade volgens hem uitkomt op € 1.625.389,55. [eiser] acht Dnata c.s. gehouden de door hem geleden schade te vergoeden en heeft, kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd:
Bed&
Breakfast, niet wordt gevolgd. De rechtbank heeft [eiser] – naar aanleiding van zijn stelling in de inleidende dagvaarding dat in dat geval zijn inkomensschade op basis van andere uitgangspunten moet worden vastgesteld – in de gelegenheid gesteld om andere uitgangspunten naar voren te brengen (rov. 25.). Ook heeft de rechtbank hem in de gelegenheid gesteld in te gaan op hetgeen de verzekeraars hebben ingebracht tegen de andere door [eiser] opgevoerde schadeposten (rov. 26.). Bij vonnis van 22 december 2020 heeft de rechtbank vastgesteld dat [eiser] niets naar voren heeft gebracht met betrekking tot de uitgangspunten om zijn inkomensschade vast te stellen en ook geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om te reageren op hetgeen Dnata c.s. ten aanzien van de overige schadeposten naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft de vorderingen van [eiser] daarop afgewezen. [6]
Poolmolen-arrest. [7] Hij heeft daartoe gesteld dat met het restaurant geen serieus te nemen inkomen was te vergaren, zodat hij in de situatie ‘zonder ongeval’ weldra op zoek zou zijn gegaan naar ander werk in loondienst. Daarom moet volgens hem voor de situatie ‘zonder ongeval’ uitgegaan worden van een inkomen in loondienst. Hij heeft in hoger beroep bij uitvoerbaar te verklaren arrest gevorderd:
grief 2stelt [eiser] ten aanzien van de hypothetische situatie zonder ongeval dat hij tot zijn pensioengerechtigde leeftijd, zonder problemen in loondienst zou zijn blijven werken bij Dnata of een vergelijkbaar bedrijf op Schiphol. Zijn inkomen in dat scenario moet dan ook worden berekend op basis van een inkomen in loondienst. Mocht hij in die periode toch zijn uitgevallen wegens andere (niet-ongevalsgerelateerde) klachten, dan zou zijn verlies aan inkomen zijn opgevangen door een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
grief 2faalt. Bij deze stand van zaken komt het hof aan bewijslevering niet toe, zodat
grief 3in dat opzicht eveneens faalt.
Dit twistpunt kan evenwel onbesproken blijven, aangezien is vastgesteld dat het inkomen dat [eiser] zou hebben kunnen verdienen met het restaurant moet worden geschat op het minimumloon. Het hof heeft zojuist vastgesteld dat [eiser] ook met de ongevalsgerelateerde beperkingen in staat moet worden geacht het minimumloon te verdienen. Van verlies van verdienvermogen is om die reden hoe dan ook geen sprake.
3.De begroting van schade door verminderd arbeidsvermogen
Zwarte inkomsten-arrest van 12 april 2024 heeft Uw Raad de lijn uit deze (vaste) rechtspraak voor het laatst beschreven. [20]
Undercover in Nederland: [21]
A-G): [25]
Sports Entertainment Group Football BVin aanvulling op de zojuist geciteerde passage betoogd dat het aan de rechter is om te bepalen welke hypothetische situatie het meest aannemelijk is en dat de rechter in een concreet geval vaak inschattingen moet maken over verschillende onzekere factoren. [26]
metals een scenario
zonderaansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis in beeld worden gebracht. Bij de gevallen schade is de situatie
met aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenisdoor de tijd al in beeld gekomen tot aan het moment van begroting/vaststelling van de schade. Bij de afwikkeling van toekomstige schade bij voorbaat zijn beide scenario’s onzeker, althans niet met zekerheid ‘vast te stellen’ en geldt ook dat uiteindelijk scenario’s beredeneerd gekozen worden. De in dit verband gekozen peildatum bepaalt ook het perspectief waarmee naar de toekomst wordt gekeken. We kijken immers naar de toekomst ‘vanuit dat moment’ en daarmee vanuit de kennis en inzichten van dat moment: dat is van belang, omdat zij richting geven aan de redelijke verwachtingen van de rechter. [29]
A-G): [30]
afwachtenvan toekomstige schade gebeurt eigenlijk hetzelfde als bij de gevallen schade: de situatie met aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis hebben we dan ‘meegemaakt’, de situatie zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis zal nog steeds moeten worden ‘uitgetekend’. Daarbij kan overigens wel enige betekenis toekomen of worden toegekend aan wat we inmiddels van de aanvankelijk toekomstige maar inmiddels voorbije periode te weten zijn gekomen. Die kennis of inzichten kunnen ook iets zeggen althans iets suggereren over de situatie waarin de benadeelde zonder ongeval zou hebben verkeerd.
Zwarte inkomsten-arrest van 12 april 2024 nog heeft bevestigd, bij zijn inschattingen de goede en kwade kansen dient af te wegen en dat hij daarbij een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. [31] Het resultaat van deze afweging is in cassatie daarom slechts beperkt toetsbaar, zij het dat het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk dient te zijn. [32]
Poolmolen-arrest voordeed, zal ik ook nog aandacht besteden aan deze zaak.
Poolmolen-arrest had de benadeelde in 1988, voorafgaand aan een verkeersongeval in september 1989 dat voor de op dat moment 23-jarige benadeelde leidde tot whiplash-gerelateerde klachten, het diploma Milling Technologist behaald aan de Swiss School of Milling (SMS) in Zwitserland. In januari 1991 heeft de benadeelde het bedrijf van zijn vader, de exploitatie van watermolen De Poolmolen, overgenomen. [33]
Poolmolen-zaak niet het geval.
Poolmolen-arrest als in onderhavige zaak heeft de benadeelde de grondslag van zijn vordering in hoger beroep (radicaal) gewijzigd. Over de ruimte daarvoor maak ik nog een enkele opmerking.
Poolmolen-arrest heeft Uw Raad de herkansingsfunctie van het hoger beroep in herinnering geroepen. In dat kader heeft Uw Raad benadrukt dat eiser niet hoeft te verklaren waarom hij in hoger beroep een ander standpunt inneemt dan in eerste aanleg, omdat het hem
in beginsel, ik kom op dit ‘voorbehoud’ nog terug, immers vrijstaat in hoger beroep de grondslag van zijn vordering te wijzigen (randnummer 3.18 hiervoor). [45]
Poolmolen-arrest ten aanzien van de bevoegdheid om de eis te veranderen of te vermeerderen een voorbehoud heeft gemaakt (door de toevoeging van de woorden ‘in beginsel’), houdt naar ik meen verband met een overweging in een eerdere zaak, waarin Uw Raad heeft benadrukt dat de bevoegdheid van de eiser om zijn eis te veranderen of te vermeerderen slechts wordt beperkt door de eisen van een goede procesorde en de twee conclusie-regel. [47]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Poolmolen-arrest heeft voorgedaan.
Poolmolen-arrest illustreert juist dat het in het verleden gegenereerde inkomen weliswaar een belangrijk aanknopingspunt kan bieden voor de inschatting van wat in de hypothetische gebeurtenis zonder schade aan de orde zou zijn, maar tegelijkertijd niet steeds beslissend is (randnummers 3.13-3.20 hiervoor). [48] In de zaak die heeft geleid tot het
Poolmolen-arrest had de benadeelde in eerste aanleg aanvankelijk een loopbaan als molenaar uitgetekend voor de situatie zonder ongeval. Nadat de rechtbank zijn vordering had afgewezen, omdat de molen waarin hij werkte niet rendabel bleek en hij daarom geen schade door verminderd arbeidsvermogen zou hebben geleden, nam hij in hoger beroep het standpunt in dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval na zijn afstuderen aan de SMS slechts drie jaar in de watermolen zou hebben gewerkt en daarna, net als zijn oud-studiegenoten, een baan elders zou hebben gezocht en gevonden. Uw Raad oordeelde – anders dan het hof in die zaak – dat de benadeelde een concreet aanknopingspunt voor deze standpuntwijziging had gegeven: op dat moment zou immers zijn gebleken dat De Poolmolen niet rendabel gemaakt kon worden, waardoor het – gelet op het diploma van de SMS dat hij op zak had – onwaarschijnlijk was dat hij onder die omstandigheden de molen was blijven exploiteren (randnummers 3.18 en 3.19 hiervoor). [49] Zoals reeds opgemerkt dient het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een ongeval te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven, waarbij het bij de hypothetische situatie aankomt op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt. De rechter weegt hierbij – op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd – de goede en kwade kansen af. De rechter heeft daarbij een aanzienlijke mate van vrijheid en zijn uiteindelijke oordeel is daarom in cassatie beperkt toetsbaar. Dit neemt uiteraard niet weg dat het oordeel consistent en begrijpelijk dient te zijn. [50] Ik verwijs hierbij naar hetgeen ik heb opgemerkt in randnummer 3.3.
Zwarte inkomsten-arrest van 12 april 2024 heeft Uw Raad de lijn uit deze (vaste) rechtspraak voor het laatst beschreven (randnummers 3.2 en 3.3 hiervoor). [52]
Sports Entertainment Group Football BVnoemt Uw Raad als ratio voor de regel dat aan de stellingen van de benadeelde over de hypothetische situatie geen strenge eisen mogen worden gesteld, dat de aansprakelijke partij de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen over (zijn financiële positie in) die hypothetische situatie. [54] Het is vervolgens de vraag wat dit precies betekent in een concreet geval. In ieder geval moet daarbij betrokken worden dat stellen en betwisten communicerende vaten zijn.
na de uitval in zijn restaurant” heeft gepoogd om weer elders in loondienst te gaan werken.
Poolmolen-arrest. [eiser] heeft aangevoerd dat zijn casus sterke gelijkenis vertoont met de casus die in het
Poolmolen-arrest aan de orde was. Ook in die zaak had het slachtoffer zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat zijn schade door verminderd arbeidsvermogen begroot moest worden op basis van een inkomen uit zijn eigen onderneming. Toen in die zaak vastgesteld werd dat zijn onderneming ook in de situatie zonder ongeval een gering inkomen zou hebben opgeleverd, heeft het slachtoffer zijn eis aldus gewijzigd dat voor de situatie zonder ongeval werd uitgegaan van een (substantieel) hoger inkomen in loondienst (randnummers 3.13-3.20 hiervoor). [eiser] voert aan dat in zijn zaak door HDI is vastgesteld dat met zijn restaurant geen serieus te nemen inkomen te vergaren was en daarom moet worden uitgegaan van een inkomen in loondienst. [56] Het hof heeft het beroep van [eiser] op het
Poolmolen-arrest afgewezen, omdat [eiser] het restaurant tien jaar – kennelijk naar tevredenheid – heeft geëxploiteerd voordat hij het, in verband met voetklachten, verkocht en niet is gebleken dat hij, vanwege te geringe inkomsten,
eerder(toevoeging van mij,
A-G) heeft overwogen een baan in loondienst te zoeken. De overweging van het hof ziet dan ook niet, anders dan het middel veronderstelt, op de periode nadat [eiser] met voetklachten was uitgevallen, maar op de jaren daarvoor. Ook hier heeft het hof bij de inschatting van de hypothetische situatie zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis gebruikgemaakt van de inzichten omtrent de feitelijke situatie na die gebeurtenis. Dit lijkt mij aanvaardbaar (randnummer 4.5 hiervoor).
situatie zonder ongeval– vanwege de ongevalsgerelateerde klachten – al ruim voor zijn pensioengerechtigde leeftijd zou zijn gestopt met het exploiteren van zijn restaurant en dat hij dan weer in loondienst zou gaan werken.
ongevalsvreemde klachten – al ruim voor zijn pensioengerechtigde leeftijd zou zijn gestopt met het exploiteren van zijn restaurant en dat hij dan weer in (parttime) loondienst zou gaan werken, maar dan niet bij Dnata of een vergelijkbare baan met onregelmatige diensten. Op die grond is het volgens Dnata c.s. redelijk uit te gaan van een minimuminkomen in de situatie zonder ongeval. [57] Behalve dat het onderdeel de door Dnata c.s. ingenomen stelling onjuist weergeeft door te spreken van
ongevalsgerelateerde klachtenin plaats van
ongevalsvreemde klachten, strekt de stelling van Dnata c.s. ertoe dat [eiser] in het hypothetische scenario zonder ongeval in loondienst niet meer dan het minimuminkomen zou hebben verdiend. De door Dnata c.s. ingenomen stelling draagt dan ook niet bij aan het door [eiser] ingenomen standpunt, te weten dat hij in de situatie zonder ongeval tot zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst zou blijven bij Dnata of een vergelijkbaar bedrijf op Schiphol en zijn inkomen dan ook op basis van een inkomen in loondienst moet worden berekend, zodat het hof daaraan voorbij mocht gaan.
metongeval besproken, terwijl de bestreden overwegingen zien op de situatie
zonder ongeval.
onderdeel Ifalen.
naastde door [orthopedisch chirurg] vastgestelde ongevalsgerelateerde klachten, een toename van klachten ervaart en inmiddels ook knieklachten en psychische klachten heeft. Het hof heeft in rov. 5.21. en 5.22. overwogen dat [eiser] deze stelling niet anders heeft onderbouwd dan met een verwijzing naar het rapport van ‘Calder Werkt’, dat in dit rapport niet is vermeld op welke medische informatie de daarin opgenomen conclusies zijn gebaseerd en bovendien dat daaruit niet kan worden opgemaakt of en in welke mate de vastgestelde beperkingen in relatie staan tot het ongeval in 2001. Volgens het onderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk, omdat – kort gezegd – het rapport van ‘Calder Werkt’’ in combinatie met het rapport [orthopedisch chirurg] moet worden gelezen waaruit zou volgen dat de toegenomen klachten aan het onderhavige ongeval moeten worden toegerekend. De door [orthopedisch chirurg] beschreven klachten betroffen echter uitsluitend
voetklachten, [63] zodat dit rapport geen onderbouwing kan vormen van de door [eiser] ingenomen stelling dat zijn knieklachten en zijn psychische klachten ook aan het ongeval zijn toe te schrijven. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [orthopedisch chirurg] heeft geconcludeerd dat sprake is van een relatieve eindsituatie, aangezien een verdere verslechtering ten opzichte van het huidige toestandsbeeld niet kan worden uitgesloten. Uit deze conclusie van [orthopedisch chirurg] kan immers niet worden opgemaakt dat de door [eiser] ervaren knieklachten en psychische klachten zijn toe te schrijven aan het ongeval. Het door het onderdeel bestreden oordeel van het hof is gelet op het voorgaande dan ook niet onbegrijpelijk.
Patiëntenkaart-uitspraak. [64]
Patiëntenkaart-uitspraak baat [eiser] hier niet, daar deze beschikking ziet op de situatie waarin sprake is van een, al dan niet op verzoek van partijen, door de rechter gelast (voorlopig) deskundigenbericht. [68] In de onderhavige zaak is daar geen sprake van.
onderdeel IIIfaalt.
zonder die gebeurteniszou hebben verworven. Bij de inschatting van deze inkomens moet de rechter de goede en kwade kansen afwegen, waarbij hij een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. [69] Het resultaat van deze afweging is in cassatie beperkt toetsbaar, maar dit neemt niet weg dat het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk dient te zijn. [70]
situatie met ongevalzou hebben verworven. Voor deze inschatting dient te worden vastgesteld welke gevolgen het ongeval heeft gehad voor de gezondheid van [eiser] en wat daarvan (van deze gevolgen) de betekenis is voor de mogelijkheid om betaalde (of onbetaalde) arbeid te verrichten. [71] De niet-ongevalsgerelateerde klachten waarnaar het hof in rov. 5.29. heeft verwezen en die volgens het hof geen rol kunnen spelen bij de inschatting van het inkomen dat [eiser] in de situatie
met ongevalzou hebben verworven, betreffen de knieklachten en psychische klachten die [eiser] na het door [orthopedisch chirurg] opgestelde rapport stelt te hebben ontwikkeld. Ten aanzien van deze klachten heeft het hof in rov. 5.26. (welke rechtsoverweging naar mijn mening in cassatie zonder succes is bestreden, zie de bespreking van onderdeel II) geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [eiser], na het uitbrengen van het rapport [orthopedisch chirurg], klachten heeft ontwikkeld die als ongevalsgevolg kunnen worden aangemerkt. Deze knieklachten en psychische klachten zijn zodoende niet het gevolg van het ongeval, maar zijn
na het ongeval door andere oorzakenontstaan. Deze beperkingen kunnen daarom redelijkerwijs geen rol spelen bij de inschatting van het inkomen dat [eiser] in de situatie
met ongevalzou hebben verworven. Dat voor re-integratie een intensief begeleidingstraject nodig is, neemt niet weg dat mét deze begeleiding re-integratie door [arbeidsdeskundige] wél mogelijk wordt geacht, zodat ook deze omstandigheid het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk maakt.
onderdeel II. Ik verwijs voor een toelichting in dit verband naar randnummer 4.21 hiervoor.
als gevolg van het ongeval er op orthopedisch gebied sprake is van(…)
veelvuldige beperking ten aanzien van traplopen”, maar hieruit volgt niet dat [eiser] niet in zijn huidige woning kan blijven wonen. Hetzelfde geldt voor de resultaten van het arbeids-medisch belastbaarheidsonderzoek uit 2021, waaruit weliswaar volgt dat [eiser] beperkt is in traplopen, maar niet volgt dat [eiser] niet in zijn huidige woning kan blijven wonen. Bovendien heeft het hof ten aanzien van dit laatste rapport in rov. 5.22. overwogen dat hieruit niet kan worden opgemaakt of en in welke mate de vastgestelde beperkingen in relatie staan tot het ongeval, welke overweging in cassatie zonder succes wordt bestreden (ik verwijs hierbij naar hetgeen ik heb opgemerkt bij
onderdeel II(randnummer 4.21 hiervoor)).
nodigzijn om hem zijn gebruikelijke levenspatroon zo veel mogelijk te laten vervolgen. [78] Een in dit verband
noodzakelijkeverhuizing dient een aansprakelijke partij naar ik meen dan ook te faciliteren. [79] Ik deel de opvatting van het onderdeel, dat een bepaalde voorziening redelijk moet zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, dan ook niet, voor zover daarmee een minder hoge lat dan zojuist beschreven bedoeld wordt. Het klachtonderdeel faalt dan ook.
zonder ongeval, in welk geval ervan moet worden uitgegaan dat [eiser] het minimumloon had verdiend (rov. 5.17.) en de situatie
met ongevalwaarin [eiser] – de schadevergoeding van Dnata c.s. weggedacht – aanspraak had kunnen maken op een bijstandsuitkering. Het verschil tussen het minimumloon en een bijstandsuitkering is zodanig klein, dat het hof de schade door verminderd arbeidsvermogen als gering heeft geschat en tot het oordeel is gekomen dat ook deze schadepost met het betaalde bedrag van € 200.000,- reeds is vergoed. In de overweging van het hof ligt dan ook geenszins een oordeel besloten over de situatie waarin wél schadevergoeding is toegekend of zelfs betaald (en daarmee over de vraag wat de invloed daarvan zou zijn op het recht op bijstand) en evenmin een oordeel over de vraag welke invloed (het recht op) een bijstandsuitkering in het kader van de schadebegroting zou hebben. Ik merk overigens op dat het oordeel van het hof, gelezen als zojuist uiteengezet, ook niet onbegrijpelijk is.
kunnenbepleiten dat de daaruit voortvloeiende kosten niet meer onder het regime van art. 241 Rv Pro vallen. [83] Ik leg hier nadruk op het woord ‘kunnen’, omdat een oordeel hierover in het concrete geval moet worden overgelaten aan de feitenrechter.
onderdeel VIIfaalt derhalve.
onderdeel VIII, inhoudende dat gegrondbevinding van (één van) de middelonderdelen meebrengt dat ook rov. 5.53., 5.59.-5.61. en rov. 6. (dictum) geen stand kunnen houden, faalt in het spoor van voorgaande klachten.