Conclusie
1.[eiser 1]
SportLED Nederland B.V.
Erbe Consultancy B.V.
1.[verweerder 1]
[verweerder 2]
Alsberg Accountants & Adviseurs B.V.
condicio sine qua non-verband tussen het onrechtmatig handelen van [verweerders] en de schade van [eisers] niet bestreden.
1.Feiten
A-G]. In verband met dit faillissement van DES heeft u ons verzocht een aantal specifieke zaken te onderzoeken, wij brengen hierbij schriftelijk verslag uit van onze bevindingen, deze rapportage is uitsluitend voor u bestemd en het rapport (of delen daarvan) mag zonder onze toestemming vooraf niet aan derden ter beschikking worden gesteld.
→indien Willem II gebruik maakt van het systeem en dit niet bij een reguliere Eredivisie-/playoffwedstrijd is, dan wordt, volgens de overeenkomst, een extra bedrag van € 7.500 in rekening gebracht. In 2008/2009 is dit drie keer het geval geweest.
Willem II en SportLED komen overeen dat alle animaties die vertoond worden op de LED - PBS Systemen exclusief door SportLED geproduceerd worden” hiervoor zijn diverse vergoedingen afgesproken. In 2008/2009 is in totaal een bedrag van € 45.650 in rekening gebracht.
Vitesse en SportLED komen overeen dat alle animaties die vertoond worden op de LED - PBS Systemen exclusief door SportLED geproduceerd worden” hiervoor zijn diverse vergoedingen afgesproken. In 2008/2009 is in totaal een bedrag van € 33.550 in rekening gebracht.
A-G] zonder eerst [eiser 1] te horen. Het niet onderkennen dat een persoonsgericht onderzoek is uitgevoerd en het niet naleven van de verplichtingen die daaruit voortvloeien, leveren schendingen op van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, zoals bedoeld in de VGBA [Verordening gedrags- en beroepsregels accountants,
A-G].
2.Procesverloop
Eerste aanleg
A-G] [20] (€ 90.187,50), de kosten van [A] inzake het Alsberg-rapport (€ 16.175,29) en de tijdsbesteding door [eiser 1] (€ 40.000);
A-G) negatieve gevolgen kon hebben voor [eisers] als bestuurders, nu [verweerders] hadden kunnen weten dat de curator hun rapport zou gebruiken voor een aansprakelijkstelling van de bestuurders van DES. Volgens het hof hebben [verweerders] hun zorgplicht jegens [eisers] geschonden (rov. 6.6). Samengevat hield dit oordeel in dat [verweerders] een verkeerde indruk hebben gewekt door het gebruik van de term ‘contractwaarde’ en onvoldoende maatregelen hebben getroffen om te voorkomen dat de curator of een derde (zoals de rechtbank in de procedure tussen de curator en [eisers] ) aan het rapport een andere betekenis zou toekennen dan [verweerders] hadden bedoeld:
moet aangenomen worden dat de curator het rapport niet had gebruikt ter onderbouwing van de schadeberekening in de procedure tegen [eisers] , had de rechtbank haar oordeel omtrent de omvang van de schade niet kunnen baseren op het Alsberg-rapport en was [eisers] niet veroordeeld tot betaling van € 805.355,-” (rov. 6.11). Het hof heeft geoordeeld dat causaal verband (in de zin van
condicio sine qua non-verband) bestaat tussen het onrechtmatig handelen van [verweerders] en de door [eisers] geleden schade.
Eigen schuld
A-G] is immers meteen bezwaar gemaakt tegen de uitgangspunten in het Alsberg-rapport. Ook heeft [eisers] in eerste aanleg gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stellingen van de curator (zo volgt ook uit het tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam). Om zijn standpunt te onderbouwen dat de waarde nihil was, heeft hij onder meer aangevoerd dat met (torenhoge) kosten onvoldoende of geen rekening werd gehouden in het Alsberg-rapport. Dat betoog is echter door de rechtbank niet gevolgd waarbij de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op de uitkomsten van het Alsberg-rapport. Grief 7 van [verweerders] faalt dan ook.”
e) Opslag- en opknapkosten
standstillovereenkomst met de curator overgelegd. Op grond van deze overeenkomst moest SportLED haar LED-boardings aan de curator verpanden en repareren om deze gereed te maken voor verkoop. Aannemelijk is, zoals [eisers] in de inleidende dagvaarding heeft gesteld, dat SportLED een loods in Deventer heeft moeten huren voor de opslag van de LED-systemen. De kosten staan dan ook op zichzelf genomen in causaal verband met de verloren rechtszaak en daarmee met het onrechtmatig handelen van [verweerders] Ook kunnen deze kosten in redelijkheid worden toegerekend aan [verweerders] De opslag- en opknapkosten zijn echter niet in rekening gebracht bij SportLED maar bij SSP Holland B.V. Uit productie 32 HB [in het hoger beroep,
A-G] volgt dat SSP Holland B.V. en SportLED in 2020 zijn gefuseerd waarbij SportLED (het vermogen van) SSP Holland B.V. heeft overgenomen. De kosten zijn hiermee bij SportLED terecht gekomen. De kostenpost is daarom toewijsbaar.”
f) Gederfde winst en eisvermeerdering [eisers]
3.Inleidende beschouwingen over schadebegroting
moetde bevoegdheid tot schadebegroting uitoefenen, zodra deze is geactiveerd. [29] Als aannemelijk is dat de benadeelde schade heeft geleden, dan moet de rechter die schade begroten, ook als dat moeilijk is. [30] Als dat kan, dan begroot de rechter de schade in de hoofdzaak en anders veroordeelt hij tot schadevergoeding op te maken bij staat (art. 612 Rv Pro).
en de omvangvan schade in beginsel de gewone bewijsregels gelden, waarbij de rechter ingevolge art. 6:97 BW Pro (geciteerd hiervoor in randnummer 3.2) bevoegd is de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard van deze schade in overeenstemming is, of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. [38] Het gaat hier – als gezegd – om bevoegdheden van de rechter. Zij beletten de rechter niet om bij een geschil over feiten die in het debat over de schadeomvang worden gesteld en die hij relevant acht voor de schadebegroting, de gewone bewijsregels toe te passen. [39] Volgens Klaassen pleegt de rechter in de praktijk ook aansluiting te zoeken bij deze gewone bewijsregels. [40]
Sports Entertainment Group Football BVvan Uw Raad van 26 september jl. staat mijns inziens buiten kijf dat dit inderdaad zo is. [45] In dat arrest heeft Uw Raad geoordeeld over de schade die een profvoetballer had geleden doordat zijn bemiddelaar hem niet had geïnformeerd over het eigen belang dat de bemiddelaar had gehad bij de totstandkoming van de transfer. Het ging hier om zuivere vermogensschade. Uw Raad oordeelde overeenkomstig de hiervoor aangehaalde rechtspraak over verminderd arbeidsvermogen en verwees ook uitdrukkelijk naar die rechtspraak: [46]
A-G] heeft, met toepassing van de normale regels voor de begroting van schade, een vergelijking gemaakt tussen de financiële situatie waarin [verweerder] [de profvoetballer,
A-G] zich na de tekortkoming van SEG [de bemiddelaar,
A-G] bevindt en de hypothetische financiële situatie waarin [verweerder] zich zou hebben bevonden indien SEG wel zou hebben voldaan aan haar mededelingsplicht. De vraag wat die hypothetische situatie zou zijn geweest, heeft het hof beantwoord door te beoordelen wat het resultaat van de onderhandelingen over de arbeidsovereenkomst zou zijn geweest als [verweerder] tijdig op de hoogte zou zijn geweest van het financiële belang van SEG bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst.
nietmeer vermeld in de meest recente formulering van de lijn in de rechtspraak over de begroting van schade door verminderd arbeidsvermogen (zie hiervoor randnummer 3.8), nadat A-G Lindenbergh zich in zijn conclusie voorafgaand aan dat arrest – onder verwijzing naar Akkermans – kritisch had uitgelaten over de betreffende ratio: hij bepleitte dat de (juiste) ratio voor de voormelde regel is dat een hypothetische situatie zich naar haar aard niet laat bewijzen. [48] Nu de gekritiseerde ratio enerzijds is teruggekeerd in
Sports Entertainment Group Football BV, maar Uw Raad in dit arrest anderzijds de indruk heeft gewekt ‘slechts’ aansluiting te zoeken bij de rechtspraak over verminderd arbeidsvermogen, is niet geheel duidelijk hoe Uw Raad zich tot de geuite kritiek verhoudt.
niet zo relevant meer” dat de strikte regels van stelplicht en bewijslast niet zonder meer van toepassing zijn bij die schadebegroting. Naar ik begrijp, bedoelt hij met die ‘strikte regels’ de toepassing van de gewone bewijsregels waarbij de in art. 6:97 BW Pro vastgelegde begrotings- en schattingsvrijheid als het ware worden weggedacht (zie hiervoor randnummer 3.7). Wel heeft art. 6:97 BW Pro gevolgen voor de wijze waarop de rechter zijn oordeel motiveert, aldus Tjong Tjin Tai: [50]
A-G): [54]
Sports Entertainment Group Football BVin aanvulling op bovenstaande passage geschreven dat het aan de rechter is om te bepalen welke hypothetische situatie het meest aannemelijk is en dat de rechter in een concreet geval vaak inschattingen moet maken over verschillende onzekere factoren. [55]
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep
A-G). Volgens het onderdeel getuigen deze oordelen van een onjuiste rechtsopvatting en zijn zij niet naar behoren gemotiveerd.
vastgesteld” dat in het hypothetische geval zonder onrechtmatige daad daadwerkelijk contracten (met specifieke clubs) zouden zijn gesloten, (in rov. 6.24) dat komt “
vast te staan” dat het mislopen van het contract met Karlsruher SC iets te maken had met de bevriezing, (in rov. 6.25) dat moet worden “
aangetoond” dat [eisers] een contract met SV Meppen is misgelopen als gevolg van de bevriezing en (in rov. 6.26) dat “[n]
iet valt (…) uit te sluiten” [59] dat voetbalclubs om andere redenen dan de bevriezing van kredietfaciliteiten zijn afgehaakt, de lat te hoog heeft gelegd voor de stelplicht en bewijslast die op [eisers] rusten. Aldus zou het oordeel van het hof blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat, indien de aangesproken partij aansprakelijk is voor de gebeurtenis die volgens de benadeelde tot schade heeft geleid, aan de stelplicht en bewijslast van die benadeelde met betrekking tot het bestaan en de omvang van de schade en het
condicio sine qua non-verband geen strenge eisen mogen worden gesteld, omdat het de aansprakelijke partij is die aan de benadeelde de mogelijkheden heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in de hypothetische situatie zonder fout zou zijn geschied. En anders heeft het hof miskend dat de omstandigheid dat het de aansprakelijke partij is die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om de bedoelde zekerheid te verschaffen, in verband met de eisen van redelijkheid en billijkheid een gezichtspunt is dat de rechter bij de waardering van de stellingen van de benadeelde en het door de benadeelde aangeleverde bewijs kan betrekken. Ook als het voorgaande in het onderhavige geval niet mocht gelden, heeft het hof blijkens de gebruikte bewoordingen de lat voor [eisers] te hoog gelegd, nu het ‘vaststellen’ van een hypothetische situatie en het ‘uitsluiten’ van alternatieven niet van de benadeelde kan worden gevergd. In plaats daarvan komt het erop aan dat de benadeelde voldoende aannemelijk maakt wat er zonder de fout zou zijn gebeurd, aldus nog steeds het subonderdeel.
inschattingop basis van redelijke veronderstellingen over de hypothetische situatie. De rechter dient goede en kwade kansen af te wegen en heeft hierbij een aanzienlijke mate van vrijheid. Voor de schadepost ‘gederfde winst’, zoals hier aan de orde, geldt eens te meer dat de beoordeling van de hypothetische situatie het karakter heeft van een inschatting (zie hiervoor in 3.16). Weliswaar berust een dergelijke inschatting op feiten en omstandigheden die zich wél laten bewijzen (zie hiervoor randnummer 3.13) – zodat het woordgebruik in zoverre dus wel passend zou kunnen zijn – maar het hof lijkt het bedoelde woordgebruik daarvoor niet te hebben gereserveerd.
voetbalclub VfR Aalen: uit de door [eisers] overgelegde verklaring noch uit enig ander in het geding gebracht stuk blijkt dat er serieuze gesprekken met deze voetbalclub werden gevoerd die, de bevriezing van kredietfaciliteiten weggedacht, tot een concreet contract hadden kunnen leiden (rov. 6.23);
voetbalclub Unterhaching: uit de door [eisers] overgelegde verklaring noch uit enig ander in het geding gebracht stuk blijkt dat er serieuze gesprekken met deze voetbalclub werden gevoerd die, de bevriezing van kredietfaciliteiten weggedacht, tot een concreet contract hadden kunnen leiden (rov. 6.23);
voetbalclub Karlsruher SC: [verweerders] hebben in reactie op de stelling van [eisers] dat aan het einde van voetbalseizoen 2018/2019 een kans (op een lucratief contract) bij deze club bestond, stukken ingebracht waaruit volgt (1) dat Karlsruher SC voor een andere leverancier dan [eisers] heeft gekozen die een aantrekkelijker aanbod had gedaan, (vooral) vanwege de kwaliteit van de door de betreffende partij aangeboden LED-boarding, en (2) dat de samenwerking is hervat met Lagardère Sports, de oorspronkelijke leverancier van Karlsruher SC, nadat zij een tegen die club aangespannen rechtszaak had gewonnen. Het oordeel van het hof moet mijns inziens zo worden begrepen dat op basis van deze standpunten over en weer (en de bijbehorende onderbouwing) onvoldoende aanleiding bestaat om te veronderstellen dat [eisers] , de bevriezing van kredietfaciliteiten weggedacht, een contract met Karlsruher SC zouden hebben gesloten (rov. 6.24);
voetbalclub SV Meppen: uit de omstandigheden dat (1) ten tijde van het beweerdelijke mislopen van het contract met deze club (in 2016) nog geen sprake was van een bevriezing van kredietfaciliteiten door ABN AMRO, (2) [verweerders] voldoende gemotiveerd hebben betwist dat SV Meppen een contract met [eisers] zou zijn aangegaan en (3) [eisers] in februari 2018 kosteloos een LED-boarding aan SV Meppen hebben aangeboden voor de rest van het seizoen, zonder dat deze keuze nader is toegelicht, heeft het hof klaarblijkelijk afgeleid dat redelijkerwijs niet kan worden verondersteld dat [eisers] , de bevriezing van kredietfaciliteiten weggedacht, een contract met SV Meppen zouden hebben gesloten (rov. 6.25);
andere voetbalclubs dan de vier hiervoor genoemde: de door [eisers] overgelegde stukken geven te weinig inzicht in de redenen waarom de gesprekken die [eisers] met andere voetbalclubs hebben gevoerd over te sluiten contracten zijn stukgelopen en [eisers] hebben onvoldoende toegelicht waarom dergelijke gesprekken werden gevoerd, gegeven de omstandigheden dat de financiering bevroren was en [eisers] geen LED-banners konden aanschaffen. Wat door [eisers] is aangevoerd, biedt volgens het hof kennelijk onvoldoende aanknopingspunten om uit te gaan van de veronderstelling dat [eisers] , de bevriezing van kredietfaciliteiten weggedacht, een contract met andere voetbalclubs dan de vier hiervoor genoemde clubs zouden hebben gesloten (rov. 6.26).
kanbetrekken, wat erop duidt dat sprake zou zijn van een discretionaire bevoegdheid van de rechter en dat een rechter dus niet onjuist oordeelt wanneer hij het betreffende gezichtspunt in een concreet geval
nietin zijn beoordeling betrekt. Ook hierop stuit de klacht af.
A-G) hebben verzwegen. [61] Volgens [verweerders] was de hervatting van de samenwerking tussen Karlsruher SC en Lagardère Sports de werkelijke reden waarom de samenwerking tussen Karlsruher SC en [eisers] niet werd voortgezet. Dit had dus niets te maken met het vermeende bevriezen van een leasefaciliteit (in het bestreden arrest aangeduid als kredietfaciliteit,
A-G). Daarnaast hebben [verweerders] erop gewezen dat van de zijde van [eisers] tegenstrijdige standpunten waren ingenomen over de “
oorzaak” van het vermeende mislopen van “
Duitse contracten”. [62] Ook hebben zij naar voren gebracht dat [eisers] vóór haar eiswijzigingen in de onderhavige procedure met geen woord hadden gerept over vermeend gederfde winst, waarin [verweerders] een bevestiging zagen van gefingeerde schade. Zij concludeerden “
dat [eiser 1](…)
niet gehinderd door vermeende bevroren leasefaciliteiten, contracten heeft trachten te[ver]
werven, die kennelijk om andere redenen niet tot stand zijn gekomen, welke redenen geen verband houden met het Alsberg-rapport en/of de procedure tussen [eisers] en de curator.” [63] Ook hebben [verweerders] in een toelichting bij de schadepost ‘gederfde winst’ geschreven: “
[eisers] heeft deze vermeende schadeposten onvoldoende aangetoond en heeft bovendien valselijk verklaard over de SSP-structuur en (de redenen van) het mislopen[van]
Belgische en Duitse contracten.” [64]
de gehele gevorderde schadecomponent h) gederfde winst” is betwist, met inbegrip van “
het causaal verband”. [65]
aangetoond” dat SportLED als gevolg van de bevriezing van kredietfaciliteiten contracten is misgelopen met enkele specifieke (in het [A] -rapport genoemde) [66] voetbalclubs. [eisers] hebben betoogd dat, gezien het marktaandeel van SportLED in de Duitse 3e Liga en de
window of opportunitydie zich daar in de relevante periode voordeed vanwege de toegenomen belangstelling voor LED-banners, aannemelijk is dat SportLED nieuwe contracten was aangegaan met meerdere clubs in deze divisie, indien SportLED toegang had gehad tot de daarvoor benodigde leasefaciliteiten. [67] In het licht van dit betoog is onbegrijpelijk dat het hof zoveel gewicht heeft toegekend aan de gang van zaken (in de feitelijke situatie mét de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis) bij enkele specifieke voetbalclubs.
subonderdeel 1.4is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 6.23 klaarblijkelijk heeft geëist dat in de feitelijke situatie mét de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis daadwerkelijk onderhandelingen of serieuze gesprekken hebben plaatsgevonden met voetbalclubs VfR Aalen en Unterhaching. Het stellen van deze eis is onbegrijpelijk, omdat het vanwege de bevriezing van kredietfaciliteiten en de lopende verplichtingen op grond van reeds afgesloten contracten logischerwijs geen zin had om actief onderhandelingen of gesprekken aan te gaan ter verkrijging van nieuwe contracten. De eis valt ook niet te rijmen met het eigen oordeel van het hof in rov. 6.26 dat niet goed valt in te zien waarom gesprekken werden gevoerd, in de wetenschap dat de financiering bevroren was en geen nieuwe LED-banners konden worden aangeschaft.
nietdat er ook onderhandelingen liepen met VfR Aalen en Unterhaching (rov. 6.22 en 6.23). Overige stukken waaruit volgt dat er serieuze gesprekken met deze twee clubs werden gevoerd die (zonder de bevriezing) tot concrete contracten hadden kunnen leiden, ontbraken volgens het hof (rov. 6.23).
onder aricht zich tegen het oordeel in rov. 6.25 dat niet voldoende is aangetoond dat [eisers] in 2016 een contract met SV Meppen zijn misgelopen als gevolg van de bevriezing van de kredietfaciliteiten, omdat [verweerders] er terecht op hebben gewezen dat de bevriezing toen nog niet aan de orde was. Volgens de klacht hebben [eisers] niet gesteld dat SportLED in 2016 een contract is misgelopen als gevolg van de bevriezing, maar hebben zij gesteld dat dit een jaar later (in 2017 dus) het geval was.
Meppen
geensprake was van een vermeende bevriezing.
A-G] meldden zich in februari 2016 om een aanbieding te ontvangen voor de huur van LED-Boarding. De normale logistieke voorwaarden die ten grondslag liggen aan de werkzaamheden van [eiser 1] en zijn vennootschappen (soepele opbouw en afbouw) was daar onmogelijk.
onder bricht zich tegen het oordeel in rov. 6.25 dat [verweerders] met productie 37 (een verklaring van de zijde van SV Meppen) voldoende gemotiveerd hebben betwist dat SV Meppen een contract met [eisers] zou zijn aangegaan, omdat (volgens dit onderbouwde verweer) SV Meppen al vergevorderde gesprekken met een ander bedrijf voerde en een beter aanbod kreeg. Volgens de klacht valt dit oordeel van het hof goed te rijmen met de stellingen van [eisers] over het mislopen van het contract. Die stellingen hielden in dat SportLED het rondkomen van het contract met SV Meppen uiteindelijk, zonder gezichtsverlies, heeft kunnen voorkomen door op het allerlaatste moment in een gesprek met de directeur en de voorzitter van SV Meppen een gevraagde kleine korting van een paar duizend euro per jaar te weigeren. [78] Het oordeel van het hof vormt geen toereikende respons op deze stellingen, omdat het hof niet heeft geoordeeld dat SportLED het contract ook zou zijn misgelopen indien de gevraagde korting niet was geweigerd, aldus de klacht.
Desgevraagd heeft SV Meppen verklaard dat zij géén contract zouden zijn aangegaan omdat ze al vergevorderde gesprekken voerden met een ander bedrijf en een beter aanbod kregen.” [80] Zoals hiervoor vermeld, hebben [verweerders] deze stelling bij pleidooi herhaald (zie randnummer 4.22). Productie 37 bevatte onder meer een brief van de advocaat van [verweerders] waarin aan SV Meppen deze vragen waren voorgelegd:
Questions for SV Meppen
nothave interest in LED boarding;
A-G]
sehr unwahrscheinlich” dat een contract met [eisers] zou zijn aangegaan, de sterkste variant van de keuzemogelijkheden die aan hem waren voorgelegd) en het feit dat die verklaring geen enkele steun biedt voor de (blote) stellingen van [eiser 1] over de gang van zaken met SV Meppen. Zo blijkt uit de verklaring van [betrokkene 2] niet dat SportLED (naast de door [betrokkene 2] genoemde “
anderen Firma”) óók een interessante partij voor SV Meppen was, dat ook met SportLED uitvoerige onderhandelingen zijn gevoerd maar dat die onderhandelingen op het laatste moment stukliepen (enkel) omdat SportLED niet de gevraagde korting wilde verlenen enzovoorts. Ik deel dus niet de opvatting van het subonderdeel dat de verklaring van [betrokkene 2] goed te rijmen valt met het standpunt van [eisers] : weliswaar staat die verklaring niet (expliciet) haaks op dat standpunt, maar ik vind niet onbegrijpelijk dat het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat die verklaring wringt met dat standpunt. [81]
onder cricht zich tegen het oordeel van het hof in rov. 6.24 over het misgelopen contract met Karlsruher SC, in het bijzonder tegen de oordelen dat uit de door [verweerders] overgelegde stukken volgde (a) dat het mislopen van dit contract een andere reden had, namelijk dat Karlsruher SC voor een andere leverancier had gekozen die een aantrekkelijker aanbod had gedaan waarbij de kwaliteit van de LED-boarding de doorslag had gegeven en (b) dat de samenwerking tussen Karlsruher SC en Lagardère Sports werd hervat na een rechtszaak tussen hen. Op basis hiervan heeft het hof geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat het mislopen van het contract met Karlsruher SC iets te maken had met het vermeend bevriezen van de kredietfaciliteit. Volgens de klacht valt oordeel (a) heel wel te rijmen met de stellingen van [eisers] over het mislopen van dit contract. Die stellingen hielden in dat Karlsruher SC een grotere LED-boarding wenste te huren die SportLED op dat moment niet tot haar beschikking had en die zij vanwege de bevriezing van kredietfaciliteiten ook niet kon verkrijgen. Oordeel (b) vormt evenmin een toereikende respons op deze stellingen, nu [eisers] onweersproken hebben gesteld dat het akkoord tussen Karlsruher SC en Lagardère Sports in het kader van de rechtszaak dateert van 19 juli 2021 en bovendien niet zag op de verhuur van LED-boardings.
kwaliteitvan de aangeboden LED-boarding, terwijl [eisers] hebben gesteld dat zij het contract hebben misgelopen doordat zij niet konden voorzien in LED-boarding van de juiste
lengte.
A-G] warm houden, we dachten dat het snel geregeld zou worden met de curator. De curator wilde genoegen nemen met een fors lager bedrag en wilde schikken, maar daar kwamen we niet uit. Na het [A] rapport zouden we er snel uit komen. Het was toen slim om een led banner gratis aan te bieden. De clubs aan wie deze zijn aangeboden lagen dichtbij de Nederlandse grens. Ze speelden op vrijdag. Het speelschema kun je van tevoren bekijken.”
condicio sine qua non-verband aanwezig is tussen de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en het verlies van de kans op succes (in dit geval: het verlies van de kans op lucratieve contracten met voetbalclubs). [87] Na de eventuele vaststelling van het bedoelde verband bestaat slechts ruimte voor het vaststellen van de schade aan de hand van een schatting van de goede en kwade kansen die een benadeelde zou hebben gehad wanneer die kans hem niet was ontnomen, indien het gaat om een reële (dat wil zeggen: niet zeer kleine) kans op succes. [88]
tot concrete contracten hadden kunnen leiden”, onvoldoende is komen vast te staan dat het mislopen van het contract met Karlsruher SC “
iets te maken had” met het bevriezen van de kredietfaciliteit, bij SV Meppen “[kan]
geen sprake(…)
zijn geweest van gederfde winst”) laten zich mijns inziens in redelijkheid niet anders uitleggen dan dat volgens het hof ofwel het hiervoor bedoelde
condicio sine qua non-verband ontbreekt ofwel geen reële kans op het sluiten van lucratieve contracten bestond. In beide gevallen baat het leerstuk van de kansschade [eisers] niet en bestond voor het hof dus ook geen aanleiding om dat leerstuk (zo nodig ambtshalve) toe te passen.
en overvloede” heeft opgemerkt dat, ook als zou komen vast te staan dat wel sprake is geweest van gederfde winst, deze naar het oordeel van het hof in een zodanig ver verwijderd verband staat met het onrechtmatig handelen van [verweerders] dat deze niet meer aan [verweerders] kan worden toegerekend. Ook om deze reden zou de schadepost volgens het hof niet toewijsbaar zijn.
Bespreking van het cassatiemiddel in het (gedeeltelijk voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep
A-G] is immers meteen bezwaar gemaakt tegen de uitgangspunten in het Alsberg-rapport. Ook heeft [eisers] in eerste aanleg gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stellingen van de curator (zo volgt ook uit het tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam). Om zijn standpunt te onderbouwen dat de waarde nihil was, heeft hij onder meer aangevoerd dat met (torenhoge) kosten onvoldoende of geen rekening werd gehouden in het Alsberg-rapport. Dat betoog is echter door de rechtbank niet gevolgd waarbij de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op de uitkomsten van het Alsberg-rapport. Grief 7 van [verweerders] faalt dan ook.”
speciesvan de eigen schuld als bedoeld in art. 6:101 BW Pro. [92] Anders dan bij ‘gewone’ eigen schuld, waarbij het gaat om het (moment van) ontstaan of intreden van schade, heeft de schadebeperkingsplicht betrekking op de fase daarna (en dus veelal op de omvang van de schade). [93] [verweerders] hebben aan hun beroep op eigen schuld van [eisers] , voor zover hier relevant, ten grondslag gelegd dat [eisers] zelf ten tijde van de Transactie geen waarderingsrapport hebben laten opstellen. Daardoor hebben zij zonder deugdelijke onderbouwing activa gekocht uit een failliete boedel (rov. 6.12). Ik begrijp dit betoog zo dat [verweerders] aan [eisers] hebben verweten dat deze hebben bijgedragen aan het
ontstaanvan de schade – en dus dat een beroep is gedaan op ‘gewone’ eigen schuld. De schadebeperkingsplicht laat ik hierna daarom buiten beschouwing. [94]
condicio sine qua non-verband aanwezig moet zijn en dat de schade in zodanig verband moet staan met de omstandigheden aan de zijde van de benadeelde dat het redelijk is de schade als een gevolg van die omstandigheden toe te rekenen aan de benadeelde (art. 6:98 BW Pro).
niet[hebben]
onderbouwd waarom de – door hen zelf opgestelde – jaarrekeningen op dit punt niet zouden mogen worden gevolgd”. [99] Het oordeel van het hof klemt eens te meer, omdat [verweerders] hebben betoogd dat [eisers] juist op dit punt (het ontbreken van een toelichting op de onbruikbaarheid van de administratie van DES) onvoldoende verweer hebben gevoerd.
nietwas dat de jaarrekeningen (c.q. administratie) van DES onbruikbaar waren (c.q. was), maar dat [verweerders] een onjuist uitgangspunt hebben gehanteerd bij de waardebepaling. Waar volgens het [A] -rapport en volgens het hof had moeten worden onderzocht wat een gegadigde bereid zou zijn geweest voor de huurcontracten te betalen, hebben [verweerders] (geen waardebepaling gegeven maar) slechts een rekenkundige opstelling verstrekt van inkomsten uit contracten en een aantal kosten, waardoor de uitkomst van het Alsberg-rapport aanzienlijk te hoog was. [101]
subonderdeel 2.1(overigens het enige subonderdeel van onderdeel 2) heeft het hof hiermee miskend dat [verweerders] (in beginsel) niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor schade die (aanvankelijk) niet door SportLED is geleden, maar door fusie bij SportLED is terechtgekomen. Deze schade is immers geleden door SSP Holland B.V., terwijl het hof niet heeft geoordeeld dat sprake zou zijn van een onrechtmatige daad van [verweerders] jegens SSP Holland B.V. Door fusie is de schade terechtgekomen bij SportLED. Deze schade is dus het gevolg van de fusie en (in beginsel) niet van het onrechtmatig handelen van [verweerders] Als het hof dit niet heeft miskend, dan is het oordeel onbegrijpelijk, omdat dan niet valt in te zien waarom deze kostenpost toewijsbaar is.