ECLI:NL:PHR:2026:407
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid betekening dagvaarding in hoger beroep zonder bekend woonadres verdachte
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een veroordeling wegens het gebruik van een vals identiteitsbewijs. De dagvaarding in hoger beroep was betekend aan het kantooradres van de raadsman van de verdachte, terwijl de verdachte geen bekend woon- of verblijfadres had en niet in de BRP was ingeschreven.
De advocaat-generaal stelde dat de dagvaarding volgens art. 36e Sv aan het openbaar ministerie had moeten worden uitgereikt, omdat de verdachte geen woonadres had. Het hof had echter geoordeeld dat betekening aan het kantooradres van de raadsman voldoende was. De AG concludeerde dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk was, maar dat het verzuim niet tot cassatie hoefde te leiden omdat de verdachte geen belang had bij de juiste betekening gezien het ontbreken van een woonadres.
De Hoge Raad bevestigde dat de dagvaarding niet rechtsgeldig was betekend, maar verwierp het cassatieberoep omdat de verdachte geen rechtens te respecteren belang had bij de klacht. De verdachte was gedurende het hoger beroep niet ingeschreven in de BRP en had geen woon- of verblijfplaats, waardoor uitreiking aan het OM geen extra waarborg bood. Het arrest benadrukt het onderscheid tussen domicilie voor toezending en woon- of verblijfplaats voor betekening.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep wegens gebrek aan belang ondanks ongeldige betekening dagvaarding.