Conclusie
de vrouw(verzoekster tot cassatie) respectievelijk
de man(verweerder in cassatie).
1.Inleiding
2.Feiten
Algehele uitsluiting
de rechtbank) verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken.
het hof). Zij heeft, voor zover in cassatie van belang, verzocht die beschikking te vernietigen, en:
Huwelijkse voorwaarden
Vergoedingsrecht ad € 22.000,-’:
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeeldraagt het opschrift ‘
Bekendheid met inhoud en strekking huwelijkse voorwaarden; voorlichting door de notaris; onterecht gepasseerd bewijsaanbod’ en valt uiteen in zeven subonderdelen. Voordat ik overga tot een bespreking van de klachten schets ik de juridische achtergrond waartegen zij moeten worden bezien.
vernietigdzijn dan wel
worden vernietigd, zonder dit verzoek te plaatsen in de sleutel van enige vernietigingsgrond (zoals dwaling in de zin van art. 6:228 BW Pro). Meer subsidiair verzoekt de vrouw voor recht te verklaren dat de man er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de wil van de vrouw was gericht op het opnemen in de huwelijkse voorwaarden van de rechtsgevolgen van artikel 10. Dit zal gaan over een mogelijk beroep van de man op art. 3:35 BW Pro, welke bepaling alleen aan de orde komt wanneer de vrouw zich met succes kan beroepen op het ontbreken van de in art. 3:33 BW Pro bedoelde wil van haar kant. Het debat verloopt dan inhoudelijk langs de lijnen van art. 3:33 en Pro 3:35 BW en zal bij toewijzing van het verzoek van de vrouw niet leiden tot vernietiging, maar tot nietigheid (of, zo men wil, non-existentie) van de rechtshandeling. [9]
Groningse huwelijkse voorwaarden) een aansprakelijkheidsprocedure van de benadeelde cliënt tegen de notaris. In die zaak stond het handelen van de notaris derhalve
directter discussie. In de andere twee uitspraken waren de betrokken notarissen zelf geen procespartij. Beide uitspraken illustreren dat het antwoord op de vraag of de notaris bij het sluiten van huwelijkse voorwaarden aan zijn zorgplicht heeft voldaan van belang kan zijn in de rechtsverhouding tussen de procederende ex-echtgenoten onderling. In de uitspraak die bekend staat onder de naam
Zeeuwse huwelijkse voorwaardenslaagde het door de vrouw gedane beroep op dwaling (art. 6:228 BW Pro). [11] Uit de andere zaak, die heeft geleid tot een uitspraak in 2024, [12] blijkt dat het enkele feit dat een notaris naar behoren aan zijn zorgplicht heeft voldaan niet automatisch meebrengt dat geen sprake kan zijn van wilsontbreken van de verklarende partij en ook niet automatisch ertoe leidt dat degene tot wie de verklaring was gericht er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de wil overeenstemde met de verklaring (art. 3:35 BW Pro, wilsvertrouwensleer).
nietheeft voldaan aan zijn zorgplicht stijgen de kansen op een succesvolle aanval op de gelding van de huwelijkse voorwaarden. In zijn Conclusie voor HR 2 februari 2024 merkt A-G Van Peursem over de kansrijkheid nog het volgende op:
Belehrungspflicht. [14] Het in de tweede zin opgenomen voorschrift verplicht de notaris om bij iedere akte een samenvatting te geven van de kernpunten van de akte. Die zakelijke opgaaf heeft ten doel te bewerkstelligen dat de verschijnende personen zich ervan kunnen overtuigen dat de te ondertekenen akte de door hen gewenste inhoud heeft. Om dat doel te bereiken zal die samenvatting moeten plaatsvinden in voor de verschijnende personen begrijpelijke bewoordingen. [15] Waaijer stelt dat in het algemeen kan worden gezegd dat het proces van informeren ‘dynamisch’ van aard is:
Groningse huwelijkse voorwaarden. [17] Het ging in die zaak om de positie van notaris Y ten opzichte van zijn ondeskundige cliënte X, die was gehuwd met notaris Z. De financiële positie van notaris Z had de aandacht getrokken van de Kamer van Toezicht en op voorstel van notaris Y, die in de Kamer van Toezicht zat, had Z ermee ingestemd de bestaande huwelijkse voorwaarden te verruilen voor de wettelijke gemeenschap om op die manier het vermogen van X te kunnen aanwenden voor de betaling van de schulden van Z. Na een echtscheiding vijf jaar later blijkt dat het vermogen van X inderdaad bijna volledig is gebruikt voor de betaling van de schulden van notaris Z. X spreekt notaris Y aan tot schadevergoeding. De vraag is of notaris Y verplicht was om te wijzen op specifieke aan de voorgenomen rechtshandeling verbonden risico’s en om zich ervan te vergewissen of X wist dat Z zich in een slechte financiële positie bevond. De Hoge Raad overwoog:
vergewistdat X, die naar hij wist juridisch een leek was, dat risico voldoende besefte. De functie van de notaris in het rechtsverkeer brengt immers (en bracht ook destijds) mee dat hij beroepshalve gehouden is naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht.”
Zeeuwse huwelijkse voorwaarden. [18] Anders dan in het hiervoor besproken arrest uit 1989, betrof deze zaak een procedure tussen de ex-echtgenoten onderling. Het bijzondere in de zaak was dat de man tegen wie de vrouw procedeerde aanvankelijk de werknemer was van de notaris die de akte van huwelijkse voorwaarden had gepasseerd. De man was kandidaat-notaris op het kantoor van de instrumenterende notaris en had zelf de tekst van de akte opgesteld. De akte hield een omzetting in van algehele gemeenschap van goederen naar koude uitsluiting, die voor de vrouw uitermate nadelig was. [19]
wijzigingvan gemaakte huwelijkse voorwaarden, gecombineerd met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. [21] Partijen in die zaak zijn na het maken van huwelijkse voorwaarden in 1997 gehuwd. De huwelijkse voorwaarden bevatten onder meer een periodiek verrekenbeding. De huwelijkse voorwaarden zijn twee keer gewijzigd, eerst in 2009 en daarna in 2016. De eerste wijziging was buitengewoon nadelig voor de vrouw, mede vanwege een vaststellingsovereenkomst die daarbij werd gesloten. De vrouw had na de eerste wijziging voortaan geen recht meer op periodieke verrekening, geen recht op pensioenverevening bij scheiding, geen recht op finale verrekening van ondernemingsvermogen en er werd niet afgerekend over de periode daarvoor. Bij de tweede wijziging zijn partijen overeengekomen dat eveneens wordt verrekend als het vermogen van één van de echtgenoten negatief is. Ook dat is nadelig voor de vrouw als de man in financiële problemen geraakt.
zo nodigwijst op de gevolgen die voor partijen of een of meer van hen uit de inhoud van de akte voortvloeien. Laatstbedoelde verplichting om op de gevolgen te wijzen omvat mede de verplichting zich ervan te vergewissen dat de partij(en) die gevolgen begrijpt/begrijpen. [23] De verplichting om op de gevolgen te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de partij(en) die gevolgen begrijpt/begrijpen, wint aan gewicht naarmate die gevolgen voor partijen of een van hen nadeliger of riskanter zijn.
nadelig of risicovolis. [24] Verstappen merkt terecht op dat wat de notaris allemaal moet doen wil hij aan zijn wettelijke zorgplicht voldoen, moeilijk in algemene zin is te omschrijven. Dat hangt van de concrete omstandigheden van het geval af: de aard van de opdracht, de betrokken partijen en belangen, etc. [25] Zowel Verstappen als Nuytinck geven in niet mis te verstane bewoordingen aan dat de wijziging van de gemaakte huwelijkse voorwaarden, gecombineerd met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, voor de vrouw in het voorliggende geval zeer nadelig uitpakte. [26]
Belehrungspflicht’, omdat uit die omstandigheid niet kan worden afgeleid dat partijen de gevolgen van de bepalingen van de huwelijkse voorwaarden (die voor leken in complex taalgebruik zijn vervat) daadwerkelijk hebben begrepen. Het subonderdeel stelt dat uit de hiervoor in 4.23 onder a tot en met d genoemde feiten en omstandigheden niets kan worden afgeleid met betrekking tot de voorlichting door de notaris aan partijen. Volgens het subonderdeel blijkt dat de enige daad van voorlichting door de notaris kan worden gevonden in het feit dat hij de huwelijkse voorwaarden aan partijen heeft voorgelezen (zie hiervoor in 4.23 onder e). Aldus heeft het hof volgens het subonderdeel miskend dat de waarschuwingsplicht van de notaris verder strekt dan dat.
op verzoek van partijen(zij het dat zij dat hebben verzocht op advies van (de accountant van) de vader van de vrouw). Deze overweging wordt in cassatie niet zelfstandig bestreden. Na vervolgens te hebben overwogen dat de notaris de huwelijkse voorwaarden heeft opgesteld en aan partijen heeft voorgelezen, concludeert het hof aan het slot van r.o. 5.6 dat de kans dat partijen niet op de hoogte waren van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden “gelet op het voorgaande nihil, dan wel zeer onwaarschijnlijk” is.
in onderlinge samenhang bezien, kunnen mijns inziens leiden tot de impliciete gevolgtrekking dat partijen op 28 augustus 2003 ervan op de hoogte waren dat een aantal bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, waaronder in elk geval artikel 10 lid Pro 3, waren opgenomen ter bescherming van de onderneming (en daarmee, gelet op de door het hof in r.o. 5.5 genoemde omstandigheden, de vrouw), en dat zij met de inhoud en strekking van die bepalingen (dan) ook bekend waren. Deze gevolgtrekking berust op een aan het hof voorbehouden uitleg en waardering van de stellingen van partijen, ook van de vrouw zelf (zie hiervoor in randnummer 4.27), die niet onbegrijpelijk is. De door het hof genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kunnen leiden tot het oordeel dat de notaris destijds heeft voldaan aan de in de tweede volzin van art. 43 lid 1 Wna Pro genoemde verplichtingen (mededelings- en toelichtingsplicht). Voor zover het subonderdeel stelt dat het hof heeft miskend dat er op de notaris voorts een waarschuwings- en vergewisplicht rustte zoals bedoeld in HR 2 februari 2024 (r.o. 3.3, laatste volzin), faalt deze stelling. Het hof heeft terecht onderkend dat van een situatie zoals in die uitspraak aan de orde was, in de onderhavige zaak geen sprake is. In HR 2 februari 2024, zo overweegt het hof in r.o. 5.7, was sprake van een voor de vrouw nadelige wijziging van de huwelijkse voorwaarden, waar de huwelijkse voorwaarden in de onderhavige zaak vanaf de aanvang voor de vrouw gunstig waren geformuleerd en er geen sprake is van een wijziging.
in onderlinge samenhang bezien, heeft kunnen komen tot het impliciete oordeel dat partijen op 28 augustus 2003 ervan op de hoogte waren dat een aantal bepalingen in de huwelijkse voorwaarden waren opgenomen ter bescherming van de onderneming (en daarmee, gelet op de door het hof in r.o. 5.5 genoemde omstandigheden, de vrouw), en dat partijen met de inhoud en strekking van die bepalingen (dan) ook bekend waren. Het gaat daarbij, puntsgewijs weergegeven, om de volgende feiten en omstandigheden:
Partijen zelfhebben de huwelijkse voorwaarden laten opmaken op verzoek en advies van (de accountant van) de vader van de vrouw. De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat achterliggende gedachte daarvan was de bescherming van de vrouw, die in de toekomst mogelijk de onderneming van haar vader zou overnemen.
gunstig geformuleerdvoor het geval dat zij de aandelen in de besloten vennootschap van haar vader zou verwerven.
toenbestaande situatie.
zijde aandelen in de vennootschap van haar vader zou verwerven, dan hadden zij zich ook kunnen realiseren dat genoemde bepaling ten gunste van de man zo uitwerken in het geval dat
hijde aandelen zou verwerven. Het hof heeft in r.o. 5.5 overwogen dat beide partijen bij het aangaan van het huwelijk een baan in dienstbetrekking hadden en dat er toen nog geen sprake van was dat de man in dienst zou treden bij de besloten vennootschap van de vader van de vrouw, dan wel dat hij de aandelen, of een deel daarvan, van hem zou overnemen. Deze omstandigheid ondersteunt naar mijn mening het impliciet gegeven oordeel dat de notaris in dit geval geen specifieke vergewisplicht en waarschuwingsplicht had.
onduidelijkis waarop de vaststelling door het hof dat de notaris van partijen ook de notaris was van de vader van de vrouw en de besloten vennootschap, is gebaseerd, kan ook niet tot cassatie leiden. Het subonderdeel stelt niet dat de vaststelling door het hof niet juist is. Ik merk overigens op dat het oordeel feitelijk juist is: de vrouw heeft in haar akte van 2 mei 2024 zelf aangevoerd dat haar vader ook met de notaris “zaken deed” (onder 32). Daarnaast zijn de andere feiten en omstandigheden die het hof opsomt, in onderlinge samenhang bezien, dragend voor de hiervoor in 4.30 genoemde conclusies.
de vrouw heeft de notaris(bij wie de vader zijn zaken deed)
gebeld met de vraag de huwelijkse voorwaarden op te stellen, overigens niet om de onderneming te beschermen(zoals de advocaat van de man onder meer stelt),
maar om het familiekapitaal veilig te stellen.”
ervan op de hoogte warendat een deel van de in de huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen zou strekken tot bescherming van ‘het familiekapitaal’ (of in de woorden van het subonderdeel: “het vermogen aan haar zijde,” waarmee de vrouw wordt bedoeld).
beidepartijen kan worden geconcludeerd dat zij voorafgaand aan hun huwelijk ervan op de hoogte waren dat een deel van de in de huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen zou strekken tot bescherming van (in de woorden van het subonderdeel) het vermogen aan de zijde van de vrouw. Op grond van dit feit en de door het hof genoemde overige feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan worden aangenomen dat de notaris destijds heeft voldaan aan de in de tweede volzin van art. 43 lid 1 Wna Pro genoemde verplichtingen (mededelings- en toelichtingsplicht). In het licht van de bekendheid bij beide partijen van de ratio van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden en het gegeven dat bij het aangaan van het huwelijk beide partijen een baan in dienstbetrekking hadden en er nog helemaal geen sprake van was dat één van hen de (aandelen in de) vennootschap van de vader van de vrouw zou overnemen, rustte er op de notaris
op dat momentgeen bijzondere vergewis- en waarschuwingsplicht.
subonderdeel 1.6onbegrijpelijk, omdat het hof niet inzichtelijk maakt op welke (goede) grond het bewijsaanbod van de vrouw wordt gepasseerd. Het subonderdeel stelt dat de motivering in r.o. 5.7 dat het bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat het hof tot het oordeel is gekomen dat de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan, de beslissing niet kan dragen en dat een andere motivering ontbreekt.
tweede onderdeelheeft als kopje ‘
Geen gerechtvaardigd vertrouwen bij de man’. Het onderdeel veronderstelt dat in r.o. 5.7, 5.8 en 5.10 het oordeel besloten ligt dat de man erop mocht vertrouwen dat de wil van de vrouw gericht was op het aangaan van de huwelijkse voorwaarden zoals deze thans voorliggen, zodat zij op die grond aan de huwelijkse voorwaarden gebonden is. Het onderdeel stelt dat een dergelijk oordeel in het licht van de klachten van onderdeel 1 evenmin stand kan houden. Nu het hof, zo stelt het onderdeel, niet kon vaststellen dat de notaris aan zijn zorgplicht had voldaan en partijen voldoende had voorgelicht met betrekking tot de inhoud en strekking van de huwelijkse voorwaarden, kon het hof evenmin (begrijpelijk) vaststellen dat de man er gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat de wil van de vrouw gericht was op die inhoud en strekking.
derde onderdeeldraagt het opschrift ‘
Leven als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd’ en is gericht tegen r.o. 5.9 en 5.10, hiervoor in randnummer 3.13 weergegeven. Het onderdeel bevat eerst een inleiding. Daarin wordt aangegeven dat de vrouw in feitelijke aanleg heeft gesteld dat partijen gedurende het huwelijk hebben geleefd als waren zij gehuwd in gemeenschap van goederen en dat zij ook nooit de bedoeling hebben gehad om bij huwelijkse voorwaarden af te wijken van het regime dat geldt in geval van gemeenschap van goederen. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken stelt het onderdeel, verkort weergegeven, dat de vrouw in dat verband heeft aangevoerd dat partijen zowel vóór als tijdens hun huwelijk slechts gemeenschappelijke bankrekeningen hebben gehad waarop de salarissen en eventueel spaargeld werd gestort, dat alle uitgaven van de gemeenschappelijke bankrekening werden betaald, dat partijen over grotere aankopen altijd samen beslissingen namen, dat zij ook altijd gezamenlijk aangifte inkomstenbelasting deden en dat de volstorting van de aandelen van de man vanaf de gezamenlijke bankrekening werd betaald.
Subonderdeel 3.1veronderstelt dat de bestreden beslissing voortbouwt op de met onderdeel 1 bestreden oordelen dat de notaris partijen voldoende heeft voorgelicht over de inhoud en strekking van de huwelijkse voorwaarden en zich ervan heeft vergewist dat partijen een en ander ook daadwerkelijk begrepen. Volgens het subonderdeel kan daarom ook de bestreden beslissing niet in stand blijven. Nu er niet van kan worden uitgegaan dat de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan, valt volgens het subonderdeel niet goed in te zien hoe van partijen mocht worden verwacht dat zij ten tijde van de bedrijfsoverdracht door de vader aan de man rekening hebben kunnen houden met de huwelijkse voorwaarden en deze kritisch te bezien. Ook, zo vervolgt het subonderdeel, konden partijen niet voorzien dat de bedrijfsoverdracht op grond van de huwelijkse voorwaarden voor de vrouw nadelige gevolgen zou kunnen hebben en konden zij dus ook niet (desgewenst) andersluidende afspraken maken. Volgens het subonderdeel is in dat verband mede van belang dat de vrouw heeft gesteld dat partijen niet op de hoogte waren van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden. Het subonderdeel stelt dat de vrouw heeft aangevoerd dat de man na de procedure in eerste aanleg met zoveel woorden heeft erkend dat hij (net als de vrouw)
nietop de hoogte was van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, en dat het hof deze stelling niet in de beoordeling heeft betrokken. Uitgaande van het feit dat partijen niet bekend waren met de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, valt volgens het subonderdeel te meer niet in te zien hoe partijen er dan op bedacht hadden moeten zijn dat zij naar aanleiding van de bedrijfsovername door de man wellicht andere afspraken hadden kunnen of moeten maken.
naverdeling van de boedel in financiële zin hadden gehandeld alsof zij nog steeds in gemeenschap gehuwd waren. Dat is een hele andere situatie dan die in de onderhavige zaak aan de orde is. Ik meen dat in het oordeel dat de uitwerking van de huwelijkse voorwaarden niet tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitkomst leidt, onmiskenbaar de verwerping van de hiervoor in randnummer 4.53 weergegeven stellingen van de vrouw besloten ligt. Die stellingen zijn niet van dien aard dat het hof daarop afzonderlijk diende te responderen. De hoofdstelling houdt in dat partijen een gemeenschappelijke bankrekening hadden (wat automatisch meebrengt dat van die rekening alle uitgaven werden gedaan). Dit feit kan niet reeds leiden tot het oordeel dat sprake is van overeenstemmend gedrag waarmee wordt afgeweken van de huwelijkse voorwaarden. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat partijen gezamenlijk beslissingen hebben genomen over grotere aankopen (wat niet heel vreemd is in een huwelijk) en het feit dat zij gezamenlijk aangifte voor de inkomstenbelasting hebben gedaan (wat kan leiden tot fiscaal voordeel). Het oordeel is in hoge mate feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden.
vierde onderdeeldraagt het opschrift ‘
Vergoedingsrechten’ en is gericht tegen r.o. 5.16, hiervoor in randnummer 3.14 weergegeven. Het hof heeft daar het verzoek van de vrouw tot toekenning aan haar van een vergoedingsrecht van € 22.000,- afgewezen. De vrouw had aan het verzoek ten grondslag gelegd dat haar vader dit bedrag op 20 december 2007 aan haar heeft geschonken onder uitsluitingsclausule, en dat het bedrag op 29 mei 2008 door de man is gebruikt ter volstorting van de aandelen in de door hem opgerichte holding. Het hof heeft geoordeeld dat dit laatste niet is gebleken. Het heeft daartoe in aanmerking genomen (i) dat het geschonken bedrag op de gezamenlijke bankrekening van partijen is gestort, waarna vermenging met het saldo op die rekening heeft plaatsgevonden, en (ii) dat tussen de schenking en de volstorting van de aandelen vijf maanden zijn verstreken waarin het saldo op de gezamenlijke bankrekening met alle daarop in- en uitgaande bedragen is vermengd. Het hof concludeerde dat derhalve kan niet worden vastgesteld dat de volstorting van de aandelen is gedaan met het bedrag dat de vader aan de vrouw heeft geschonken.
niet is geblekendat de man de aandelen in mei 2008 heeft volgestort met het door de vader van de vrouw geschonken bedrag van € 22.000,-.