Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:521

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
24/00651
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 SvArt. 416 lid 2 SvArt. 432 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep wegens ontbreken inhoudelijke grieven

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld door de politierechter in Rotterdam en stelde direct hoger beroep in. In het hoger beroep vulde de verdachte een standaard grievenformulier in waarin hij alleen aangaf een nieuwe behandeling te wensen, zonder inhoudelijke grieven tegen het vonnis te formuleren. Het gerechtshof Den Haag verklaarde de verdachte daarop niet-ontvankelijk in het hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 Sv Pro.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep, stellende dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd. De Hoge Raad bevestigt dat aan de formulering van grieven geen hoge eisen worden gesteld, maar dat een minimale eis is dat de grieven duidelijk maken wat de inzet van het hoger beroep is. Het enkele aankruisen van een reden zonder nadere toelichting volstaat niet.

De conclusie benadrukt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, maar dat dit geen aanleiding geeft tot vernietiging van het arrest. Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep blijft in stand.

Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens het ontbreken van inhoudelijke grieven.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/00651

Zitting26 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 16 januari 2024 (parketnr. 22-003344-22) door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 25/01732. Dit betreft de met deze strafzaak samenhangende ontnemingszaak. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. [1] N. Roos, advocaat in Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

Het procesverloop

4. De verdachte is in eerste aanleg bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 november 2022 veroordeeld. Tegen dat vonnis is namens de verdachte op diezelfde dag hoger beroep ingesteld.
5. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘Grievenformulier’. Dit formulier staat op naam van de verdachte. Door de verdachte is aangekruist dat hij om de volgende reden in hoger beroep komt:
“Ik ben wel bij de zitting aanwezig geweest, maar ik wil een nieuwe behandeling, om de volgende reden(en):”.Het grievenformulier bevat verder geen nadere door de verdachte opgegeven redenen.
6. Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

De verdachte heeft na het instellen van het hoger beroep het standaard grievenformulier ingevuld. Dit formulier bevat evenwel slechts de mededeling dat de verdachte een nieuwe behandeling van zijn strafzaak wenst maar bevat geen inhoudelijke grieven tegen het vonnis. De verdachte heeft evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ook ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling ven de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

De bespreking van het middel

7. Geklaagd wordt dat het hof te hoge eisen aan een schriftuur houdende grieven heeft gesteld en de vaste rechtspraak van de Hoge Raad ter zake heeft miskend. [2]
8. Ingevolge artikel 410 lid 1 Sv Pro dient een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg te bevatten. Onder ‘grieven’ worden begrepen de bezwaren die direct zijn gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg alsmede andersoortige gronden voor het instellen van het beroep. [3] Uit de rechtspraak van de Hoge Raad vloeit voort dat aan de formulering van grieven geen hoge eisen mogen worden gesteld. [4] Een minimale voorwaarde is wel dat de grieven duidelijk maken wat de inzet van het hoger beroep is. Zo oordeelde de Hoge Raad dat niet als grief kan worden opgevat de mededeling die de raadsvrouw had opgenomen in de volmacht tot het instellen van het hoger beroep, namelijk dat de verdachte “
het niet eens is met veroordeling in zaak met parketnummer (…)”. [5] Om mijn ambtgenoot Keulen in zijn conclusie voorafgaand aan dat arrest te citeren: “
de geformuleerde reden voor het instellen van het hoger beroep bevat weinig informatie die niet reeds uit de beslissing tot het instellen van het hoger beroep volgt”. [6]
9. In het standaard grievenformulier zijn een aantal redenen voor het instellen van het hoger beroep geformuleerd. [7] Voor een deel bieden de aan te kruisen opties reeds voldoende informatie over de inzet van het hoger beroep, ook zonder nadere toelichting van de verdachte. Dat is onder meer het geval wanneer de verdachte aankruist dat hij onschuldig is, niet bij de zitting aanwezig is geweest of bezwaren heeft tegen (de hoogte van) de opgelegde straf. [8] In deze zaak heeft de verdachte een andere reden aangekruist, te weten: “
Ik ben wel bij de zitting aanwezig geweest, maar ik wil een nieuwe behandeling, om de volgende reden(en):”. De verdachte heeft echter geen nadere, inhoudelijke reden(en) voor de gewenste nieuwe behandeling van zijn strafzaak opgegeven, terwijl daarnaar in het formulier expliciet wordt gevraagd. Dat brengt mee dat het enkele aankruisen van de genoemde reden in het grievenformulier onvoldoende is om de inzet van het hoger beroep te bepalen. [9]
10. Gelet op het voorgaande heeft het hof, door te oordelen dat de verdachte geen grieven als bedoeld in artikel 410 Sv Pro tegen het vonnis heeft ingediend, de rechtspraak van de Hoge Raad niet miskend. Dat oordeel getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.
11. Ik merk ten slotte nog op dat het in de cassatieschriftuur aangehaalde arrest van HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4693, het voorgaande niet anders maakt. In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar dit arrest aangevoerd dat het hof voor de verdachte een te strenge maatstaf heeft gehanteerd, nu het Openbaar Ministerie wél hoger beroep kan instellen om de enkele reden dat het een nieuwe behandeling van de strafzaak wenst. Die stelling berust m.i. op een onjuiste lezing van dat arrest. De nieuwe behandeling was in die zaak immers niet als kale reden in de door het Openbaar Ministerie ingediende schriftuur opgenomen, maar was nadrukkelijk gewenst in verband met een voorgestelde wijziging van de tenlastelegging. De verdachte was in eerste aanleg gedeeltelijk vrijgesproken voor het ten laste gelegde feit, terwijl het Openbaar Ministerie had verzuimd een ander c.q. lichter feit subsidiair ten laste te leggen. Het Openbaar Ministerie besloot daarop de tenlastelegging te wijzigen en wenste in hoger beroep een nieuwe beoordeling te verkrijgen op grond van die gewijzigde tenlastelegging. De appelschriftuur waarin een nieuwe beoordeling wordt gevraagd “
op basis van een gewijzigde tenlastelegging”kan als een ‘schriftuur houdende grieven’ in de zin van artikel 410 Sv Pro worden aangemerkt, aldus de Hoge Raad.

Slotsom

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
13. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [10]
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Volledigheidshalve merk ik over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep het volgende op. Het bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof dateert van 16 januari 2024. Namens de verdachte is op 26 februari 2024 beroep in cassatie ingesteld. In deze zaak geldt dat ingevolge artikel 432 lid 2 Sv Pro het cassatieberoep moet zijn ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend was. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich echter geen stuk op grond waarvan kan worden vastgesteld wanneer de verdachte bekend is geworden met het arrest. Om die reden moet het ervoor worden gehouden dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld en de verdachte in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
2.In de schriftuur worden tot die rechtspraak de volgende arresten gerekend: HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4693,
3.HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2002,
4.Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
5.Zie HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1213,
6.Concl. a-g Keulen 20 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:929, randnr. 16.
7.Zie https://www.rechtspraak.nl/binaries/content/assets/rvdr/com/rvdr-com-grievenformulier-hoger-beroep.pdf.
8.Vgl. HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1454 en HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:608 alsmede mijn conclusie voorafgaand aan dat arrest (ECLI:NL:PHR:2024:431).
9.Hier zij opgemerkt dat het aankruisen van deze reden op het grievenformulier, zonder inhoudelijke reden voor de nieuwe behandeling op te geven, bovendien niet strookt met de procedure in hoger beroep sinds de Wet stroomlijnen hoger beroep. Als die kale reden reeds als grief in de zin van artikel 410 Sv Pro zou worden aangemerkt, kan de rechter immers niet in staat worden gesteld het hoger beroep te richten op datgene wat partijen aan de orde willen stellen (vgl.
10.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492,