ECLI:NL:PHR:2026:540

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
25/02346
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 27 SvArt. 89 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring van schadevordering na onrechtmatig strafrechtelijk optreden en toepassing dwangmiddelen

In deze zaak vorderen eiseressen schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatig strafrechtelijk optreden, nadat zij in een strafrechtelijk onderzoek naar fraude met zorgdeclaraties waren vrijgesproken. De rechtbank en het hof oordeelden dat de vorderingen verjaard zijn, omdat de verjaringstermijn is gaan lopen op de dag na de aanhouding van eiseres 1 en de toepassing van dwangmiddelen, en dat geen tijdige stuiting heeft plaatsgevonden.

Eiseressen betoogden dat de verjaring pas begon na de onherroepelijke vrijspraak, en dat de Staat onvoldoende is gewaarschuwd voor de civiele vordering. De Hoge Raad bevestigt het vaste rechtspraak dat de verjaringstermijn begint te lopen zodra de benadeelde voldoende zekerheid heeft dat schade is veroorzaakt door foutief handelen, zonder dat juridische beoordeling of onherroepelijke vrijspraak vereist is.

De Hoge Raad oordeelt dat de aansprakelijkstelling door de advocaat van eiseres 1 op de dag van aanhouding voldoende duidelijkheid gaf over de schade en aansprakelijke persoon, zodat de verjaring toen begon te lopen. Verder is geoordeeld dat de door eiseressen aangevoerde documenten en correspondentie, waaronder een brief aan het openbaar ministerie en een klacht bij de ombudsman, geen stuitende werking hadden. Het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid faalt eveneens.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vorderingen verjaard zijn, waarmee de Staat niet aansprakelijk wordt gehouden voor de gevorderde schadevergoeding.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de schadevorderingen van eiseressen verjaard zijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02346
Zitting29 mei 2026
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
1. [eiseres 1]
2. Stichting Intercare
3. Intercare Holding B.V.
4. Intercare B.V.
eiseressen tot cassatie,
advocaten: A.H. Vermeulen en A.A.M. Knol
tegen
de Staat der Nederlanden
verweerder in cassatie,
advocaten: G.C. Nieuwland en G.J. Harryvan
Eiseressen tot cassatie worden hierna afzonderlijk aangeduid als [eiseres 1] , de Stichting, Intercare Holding en Intercare en gezamenlijk als [eiseressen] Verweerder wordt aangeduid als de Staat.

1.Inleiding

[eiseressen] zijn verdachten geweest in een strafrechtelijk onderzoek naar fraude met zorgdeclaraties. [eiseres 1] is vervolgd en door de strafrechter in eerste aanleg en in hoger beroep vrijgesproken. In deze procedure vorderen [eiseressen] dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die zij hebben geleden door het strafrechtelijk optreden.
De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat de vorderingen van [eiseressen] zijn verjaard. In cassatie wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de verjaringstermijn is gaan lopen op de dag na de aanhouding van [eiseres 1] en de toepassing van dwangmiddelen. Betoogd wordt dat de verjaringstermijn pas is aangevangen na het vrijsprekende vonnis. Daarnaast wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat niet tijdig een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: [1]
(i) [eiseres 1] is sinds 1984 werkzaam in de zorg. In 1996 heeft zij een onderneming opgericht voor het verlenen van zorg aan (cliënten van) grote thuiszorgorganisaties en het bemiddelen tussen zorgverleners en zorginstellingen. In 2001 heeft [eiseres 1] haar bemiddelingsactiviteiten ondergebracht in Intercare. Enig aandeelhouder van Intercare is Intercare Holding. [eiseres 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van Intercare Holding. In 2005 heeft [eiseres 1] de Stichting opgericht voor het verlenen van thuiszorg. [eiseres 1] is met ingang van 1 april 2012 enig bestuurder van de Stichting. Tot die datum bestuurde zij de Stichting met andere bestuurders, onder wie haar zoon, [betrokkene 1] .
(ii) De Stichting heeft in de jaren 2010, 2011 en 2012 overeenkomsten gesloten met CZ Zorgkantoor B.V. (hierna: CZ), een zorgkantoor voor de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor het leveren van zorg in natura in de regio Haaglanden. De Stichting heeft deze zorg uitbesteed aan de thuiszorgorganisaties CNS Care en Qualitas Care, waarmee de Stichting op 1 november 2010 respectievelijk 5 november 2010 een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten. De Stichting gaf aan CNS Care en Qualitas Care door op hoeveel (volgens het Centrum van Indicatiestelling Zorg) geïndiceerde uren een persoon recht had. De Stichting ontving van CNS Care en Qualitas Care lijsten met gewerkte uren per cliënt, voorzien van een handtekening. Intercare declareerde vervolgens die zorguren bij CZ.
(iii) In 2011 is het openbaar ministerie gestart met een strafrechtelijk onderzoek naar fraude met zorg in natura. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat Qualitas Care en CNS Care steeds alle geïndiceerde uren hebben gedeclareerd bij de Stichting, die op haar beurt deze uren heeft gedeclareerd bij CZ, terwijl in werkelijkheid minder uren waren gewerkt.
(iv) Op 17 april 2012 is [eiseres 1] in het kader van dit onderzoek, en tegelijk met een aantal medeverdachten, onder wie haar zoon alsmede de personen achter CNS Care en Qualitas Care, aangehouden op verdenking van valsheid in geschrift, oplichting van de Staat, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. [eiseres 1] is diezelfde dag in verzekering gesteld. Ook heeft toen een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van [eiseres 1] en het kantoor van Intercare, Intercare Holding en de Stichting, die ook als verdachten waren aangemerkt. Bij deze doorzoeking zijn administratieve bescheiden in beslag genomen. Op verzoek van de officier van justitie is in het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek gericht op [eiseressen] ten laste van [eiseressen] op de voet van art. 94a Sv strafvorderlijk conservatoir beslag gelegd op een aantal goederen en bankrekeningen tot bewaring van het recht van verhaal op een op te leggen maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 5.822.941,-.
(v) Bij brief van 17 april 2012 heeft de toenmalig advocaat van [eiseres 1] de officier van justitie verzocht om [eiseres 1] onmiddellijk in vrijheid te stellen. In zijn brief heeft hij, voor zover relevant, het volgende geschreven:
“Cliënte is vanmorgen in haar woning aangehouden en overgebracht naar het hoofdbureau van politie te Den Haag, alwaar zij inmiddels in verzekering is gesteld. Namens cliënte stel ik u uitdrukkelijk aansprakelijk voor alle schade voortvloeiende uit het toepassen van dwangmiddelen tegen haar. (...) Bovendien komt het voortbestaan van haar bedrijf door uw handelen in gevaar. (...) ”
(vi) Op 17, 18 en 25 april 2012 is [eiseres 1] verhoord door de politie. Tijdens het derde verhoor heeft [eiseres 1] verklaard dat zij blij is dat zij het dossier heeft gelezen omdat dit voor haar een bevestiging is dat zij er helemaal niets mee te maken heeft.
(vii) Op 20 april 2012 heeft de rechter-commissaris in de rechtbank Den Haag geoordeeld dat de inverzekeringstelling niet onrechtmatig was en de vordering tot inbewaringstelling toegewezen. Hij heeft een bevel verleend voor de duur van veertien dagen. [eiseres 1] heeft tijdens het verhoor verklaard dat de aan haar voorgehouden verdenkingen niet kloppen en dat zij en haar bedrijf daar niets mee te maken hebben. De bewaring is op 27 april 2012 geëindigd. [eiseres 1] heeft in totaal tien dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht.
(viii) Op 10 mei 2012 heeft CZ aan [eiseres 1] onder meer bericht dat zij heeft kennisgenomen van de FIOD-inval en dat zij de bevoorschotting voor de Stichting per direct stop zal zetten. Omdat de Stichting zich met die beslissing niet kon verenigen, heeft zij een kort geding aanhangig gemaakt tegen CZ. Bij vonnis van 6 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda de vordering van de Stichting, die strekte tot voortzetting van de overeenkomst en hervatting van de bevoorschotting, afgewezen. Hof ’s-Hertogenbosch heeft dit vonnis op 20 augustus 2013 bekrachtigd. Naar het oordeel van dat hof mocht CZ de overeenkomst met de Stichting per direct beëindigen, omdat sprake was van een situatie van fraude en verzwijging, aangezien de Stichting in haar bestuurdersverklaring aan CZ niet had opgenomen dat bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik werd gemaakt van CNS Care en Qualitas Care als onderaannemers.
(ix) Op 21 maart 2013 heeft [eiseres 1] een klaagschrift in de zin van art. 552a Sv ingediend bij de rechtbank Den Haag tegen de inbeslagneming en heeft zij verzocht om teruggave van de in beslag genomen goederen. Bij beschikking van 26 april 2013 heeft de rechtbank het beklag niet-ontvankelijk verklaard voor zover de goederen niet op naam van [eiseres 1] staan, het beklag gegrond verklaard voor zover het één onroerende zaak betreft en de teruggave daarvan aan [eiseres 1] gelast, en het beklag voor het overige ongegrond verklaard.
(x) De Stichting, Intercare Holding en Intercare zijn niet verder vervolgd.
(xi) In april 2013 hebben [eiseres 1] en de Stichting een kort geding tegen onder meer de Staat aanhangig gemaakt. De vordering strekte ertoe dat de beslagen zouden worden opgeheven. Het kort geding is ingetrokken voordat er vonnis is gewezen.
(xii) Bij vonnis van 15 december 2014 heeft de rechtbank Den Haag [eiseres 1] vrijgesproken van de drie ten laste gelegde feiten, te weten (primair) deelname aan een criminele organisatie die het oogmerk had op het plegen van oplichting, valsheid in geschrift en witwassen, (subsidiair) medeplegen van oplichting en (meer subsidiair) medeplegen van verduistering (feit 1) en valsheid in geschrift (feiten 2 en 3). Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“(...) De rechtbank stelt vast en is van oordeel dat InterCare – en daarmee [eiseres 1] en [betrokkene 1] – in gebreke zijn gebleven waar het de invulling van pagina8 van de Bestuursverklaring 2012 betreft. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of [eiseres 1] daarvan een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Heeft [eiseres 1] met het niet vermelden het opzet gehad een vals document op te stellen met het oogmerk dat als echt en onvervalst te gebruiken tegenover CZ en heeft zij het opzet gehad CZ daarmee te bewegen tot de afgifte van een bedrag van ruim 3,1 miljoen euro? De rechtbank is van oordeel dat zulks niet het geval is. Weliswaar was in 2011 en vervolgens ook begin 2012 sprake van samenwerking met Qualitas en CNS, maar het niet vermelden van die samenwerking die ook voor 2012 werd voorzien, leidt in de eerste plaats tot handelen in strijd met de overeenkomsttussen InterCare en CZ. (...)
(...) Weliswaar is de zorg vervolgens uitgevoerd op een andere manier dan in de verschillende stukken is vermeld, maar op grond daarvan kan niet worden gesteld, laat staan wettig en overtuigend bewezen, dat InterCare B. V., [eiseres 1] en [betrokkene 1] zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting en/of verduistering.
(...)
(...) acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat tussen Qualitas en CNS enerzijds en InterCare anderzijds de afspraak is gemaakt om alle geïndiceerde uren te factureren.
(...) Uit het voorstaande blijkt, aldus naar het oordeel van de rechtbank, dat InterCare niet op de hoogte was van het verschil tussen de daadwerkelijk geleverde zorguren en de aan InterCare gefactureerde uren. [eiseres 1] en [betrokkene 1] hebben zich naar het oordeel van de rechtbank niet schuldig gemaakt, aan het vervalsen van zorgroosters.
(...) Uit het dossier kan wellicht worden afgeleid dat medewerkers van Intercare, onder verantwoordelijkheid van [eiseres 1] en bij haar afwezigheid van [betrokkene 1] , onvoldoende controle hebben uitgeoefend op de door Qualitas en CNS gedeclareerde uren, maar bewijs dat InterCare daadwerkelijk ervan op de hoogte was dat een groot aantal uren zorg niet was verleend heeft de rechtbank niet aangetroffen. (...)’’
(xiii) Het openbaar ministerie is tegen het vonnis in hoger beroep gegaan.
(xiv) Op 3 april 2015 hebben [eiseressen] een klaagschrift in de zin van art. 552a Sv ingediend bij de rechtbank Den Haag. Bij beschikking van 19 mei 2015 heeft de rechtbank het beklag gegrond verklaard en bepaald dat alle in beslag genomen onroerende goederen, zaken en vermogensrechten aan de rechthebbende moeten worden teruggegeven dan wel dat het beslag wordt opgeheven. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat weergegeven – overwogen dat het beslag is voortgevloeid uit het strafrechtelijk onderzoek tegen [eiseres 1] en dat het, gelet op het feit dat zij op 15 december 2014 integraal is vrijgesproken, hoogst onwaarschijnlijk is dat in de straf- dan wel in de ontnemingszaak aan haar een geldboete respectievelijk een voordeelsontneming zal worden opgelegd.
(xv) Bij brief van 23 november 2015 heeft [eiseres 1] zich beklaagd bij het hof Den Haag over de afhandeling van de beschikking van de rechtbank van 19 mei 2015 door het openbaar ministerie. Volgens [eiseres 1] heeft het openbaar ministerie deze beschikking aan “haar laars gelapt” en “zijn de uitgekeerde middelen gereduceerd tot bijna nihil”. In haar brief heeft zij het hof tevens verzocht om haar in de gelegenheid te stellen haar “beklag te doen over de manier waarop het OM sinds 17 april 2012 zich op beestachtige wijze heeft gedragen tegenover een burger van de Staat der Nederlanden”. Volgens [eiseres 1] is als bijlage bij de brief gevoegd het document met de titel ‘Pleitaantekeningen/Eisen’. In dit document heeft [eiseres 1] het hof verzocht om het openbaar ministerie te veroordelen om de beschikking van 19 mei 2015 alsnog volgens wet- en regelgeving uit te voeren en om “alle geleden schade zoals het verlies van contracten zoals overeengekomen met partijen (zorgkantoren)” van 2012 tot en met 2015 te vergoeden.
(xvi) Op 5 december 2015 heeft een medewerker van de nationale ombudsman [eiseres 1] bevestigd dat een klacht van haar is ontvangen. In die ontvangstbevestiging is opgenomen dat de klacht “betreft de uitvoering van een klaagschrift gedaan door meervoudige kamer.”
(xvii) Op 12 mei 2016 heeft [eiseres 1] een verzoekschrift op grond van art. 36 lid 1 Sv Pro verzonden naar het hof Den Haag. [eiseres 1] heeft het hof verzocht om te verklaren dat de strafzaak tegen haar is geëindigd. Bij beschikking van 14 juni 2016 heeft het hof dit verzoek afgewezen, omdat - samengevat weergegeven - geen sprake is van een situatie waarin de vervolging van [eiseres 1] niet wordt voortgezet. Daarbij heeft het hof het openbaar ministerie in overweging gegeven om, met name gelet op de persoonlijke omstandigheden van [eiseres 1] , haar belang bij een spoedige berechting in hoger beroep en de reeds verstreken tijd sinds het instellen van het hoger beroep, nader te bezien of het wel wenselijk is om de zaak van [eiseres 1] gelijktijdig te behandelen met de zaken tegen haar medeverdachten.
(xviii) Op 12 april 2017 heeft de rechtbank Gelderland op vordering van CZ voor recht verklaard dat de Stichting tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit overeenkomst jegens CZ door (i) feitelijk onjuiste verklaringen af te leggen en te handhaven in het kader van de zorginkoopprocedure 2012 en aldus CZ te doen geloven dat geen gebruik gemaakt zou worden van onderaannemers bij de uitvoering van de overeenkomst voor 2012 en (ii) door op basis van die verklaringen een te hoog tarief met CZ af te spreken, te hoge bedragen te ontvangen voor door haar en onder haar verantwoordelijkheid geleverde zorg en die te hoge bedragen te behouden en (iii) door de fraude die Qualitas Care en CNS Care hebben gepleegd door onjuiste opgave van aantal uren zorg die verleend zouden zijn, waarvoor de Stichting aansprakelijk is, omdat zij in de verhouding met CZ verantwoordelijk is voor hetgeen haar onderaannemers doen. Verder heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [eiseres 1] in haar hoedanigheid van enig bestuurder van de Stichting jegens CZ onrechtmatig heeft gehandeld door de genoemde, onder (i)-(iii) aan de Stichting verweten gedragingen, omdat zij heeft nagelaten aan die handelingen een einde te maken terwijl zij daartoe als enig bestuurder wel de mogelijkheid had. Tot slot heeft de rechtbank de Stichting en [eiseres 1] hoofdelijk veroordeeld om aan CZ een bedrag van ruim 2,3 miljoen euro te betalen.
(xix) Bij arrest van 15 september 2017 heeft het hof Den Haag het strafvonnis van de rechtbank Den Haag van 15 december 2014 bekrachtigd. Het hof heeft daartoe, voor zover relevant, het volgende overwogen:
“(…) Het hof acht niet aannemelijk geworden dat tussen Qualitas en CNS enerzijds en InterCare anderzijds de afspraak was gemaakt dat de geïndiceerde uren in plaats van de daadwerkelijk gewerkte uren mochten worden gedeclareerd (...).
(...) Voorts is van de gestelde, van het wezen van de ZIN [Zorg in natura, hof.]- verlening afwijkende, afspraak tussen InterCare en Qualitas op geen enkele wijze gebleken (...).”
(xx) Op 24 oktober 2017 heeft [eiseres 1] een verzoek tot schadevergoeding ex art. 89 en Pro 591a Sv en een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend bij het hof Den Haag. Het klaagschrift is gericht tegen het niet-uitvoeren van de beschikking van de rechtbank van 19 mei 2015 (vermeld onder xiv) door het openbaar ministerie.
(xxi) Op 20 februari 2018 heeft een medewerker van het Parket-Generaal aan de nationale ombudsman het volgende bericht gestuurd:
“In november 2017 heeft verzoekster een verzoek ex art. 89 en Pro 591a Sv en uitvoering afhandeling klaagschrift ex art 552a van 19 mei 2015 ingediend. (...) Aangezien haar brieven niet onderbouwd waren en vrij vaag wat betreft de kostenposten, heeft het ressortsparket haar om een nader onderbouwing gevraagd. Die heeft zij gestuurd maar was niet voldoende. Eind december 2017 heeft de advocate van verzoekster (…) een verzoekschrift ingediend met daarin de posten inkomensderving tijdens detentie.(...).”
(xxii) [eiseres 1] heeft bij brief van 19 april 2018, gericht aan het College van procureurs-generaal, kenbaar gemaakt dat de door haar geleden schade inmiddels € 29.194.639,- bedraagt.
(xxiii) Op 31 mei 2018 heeft de mondelinge behandeling van het verzoekschrift en klaagschrift van [eiseres 1] van 24 oktober 2017 bij het hof Den Haag plaatsgevonden. In haar pleitaantekeningen heeft [eiseres 1] , voor zover relevant, onder meer het volgende naar voren gebracht:
“(...) Voorts is zonder tussenkomst van een advocaat verzoeken tot schadevergoeding ingediend. Niet zonder reden. In eerste plaats is het mijn recht als Nederlands staatsburger om dit te mogen doen. Het op 24 oktober 2017 ingediend verzoekschrift met begeleidend schrijven tot schadevergoeding is mijns inziens dan ook rechtmatig. Ten tweede zijn de onrechtmatige daden door het Openbaar Ministerie mij persoonlijk aangedaan, niemand anders. (...)"
(xxiv) Bij brief van 18 september 2018 hebben [eiseressen] de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van beweerdelijk onrechtmatig strafvorderlijk optreden (de onterechte vervolging en de onterecht gelegde beslagen door het openbaar ministerie).
(xxv) Bij brief van 11 oktober 2018 heeft het College van procureurs-generaal de ontvangst van de onder (xxiv) vermelde brief van [eiseressen] bevestigd. Bij brief van 25 oktober 2018 heeft dit College aan [eiseressen] geschreven dat de aanhouding van [eiseres 1] plaatsvond op 17 april 2012, dat daarmee de vordering op 17 april 2017 verjaarde en dat van stuiting tot dusver niet is gebleken. Het College heeft verzocht om toezending van stukken waaruit blijkt dat de vordering tijdig is gestuit.
2.2
Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 4 januari 2019 hebben [eiseressen] de Staat gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door hen (in twee instanties) te vervolgen en dat de Staat gehouden is om de door hen als gevolg hiervan geleden schade te vergoeden. [2]
[eiseressen] hebben aan de vorderingen in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat zij onschuldig zijn gebleken in de strafzaak. Zij hebben aangevoerd dat uit de motivering van de strafuitspraak van zowel de rechtbank als het hof van de onschuld van [eiseres 1] blijkt. Ook ten aanzien van de aan [eiseres 1] gelieerde rechtspersonen – de Stichting, Intercare en Intercare Holding – tegen wie de vervolging wel is ingezet, maar die niet zijn gedagvaard, hebben [eiseressen] aangevoerd dat uit het strafdossier van hun onschuld blijkt. [eiseres 1] is geen crimineel, maar juist het slachtoffer van criminelen: CNS Care en Qualitas Care hebben haar in de val gelokt en misbruik van haar gemaakt. [eiseressen] hebben als gevolg van de vervolging en de diverse ten laste van hen gelegde beslagen schade geleden. [3]
Voorts hebben [eiseressen] aangevoerd dat onderdelen van de vervolging als zodanig onrechtmatig zijn geweest, waaronder de toepassing van dwangmiddelen, die volgens hen disproportioneel was. [4]
2.3
De Staat heeft onder meer als verweer gevoerd dat de vorderingen zijn verjaard. Volgens de Staat is de verjaringstermijn gaan lopen op 18 april 2012, de dag na de aanhouding van [eiseres 1] en van de hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemde inbeslagnames, en hebben [eiseressen] de verjaring niet tijdig gestuit. [5]
2.4
Bij vonnis van 4 december 2019 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen, omdat deze naar haar oordeel waren verjaard. [6]
2.5
[eiseressen] hebben van het vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. Bij arrest van 1 april 2025 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [7]
2.6
Het hof heeft overwogen (voetnoten weggelaten):
“6.2 (…) Zoals de rechtbank terecht overwoog (en [eiseressen] overigens ook terecht niet bestrijden) verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid — die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn — heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit houdt niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde — behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon — daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. Dit betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden.
6.3
Het is aan degene die zich op verjaring beroept, in dit geval dus de Staat, om de feiten te stellen en zo nodig te bewijzen die nodig zijn voor verjaring. Het is vervolgens aan de wederpartij, in dit geval [eiseressen] , om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de verjaring is gestuit.
6.4
Ten aanzien van de aansprakelijkheid van de Staat voor de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen, geldt het volgende kader. In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn maatstaven ontwikkeld voor de beoordeling van aanspraken op grond van onrechtmatige overheidsdaad tot vergoeding van schade die door een gewezen verdachte is geleden als gevolg van strafrechtelijk optreden van politie en justitie. De hierop berustende verplichting tot schadevergoeding bestaat (a) indien van de aanvang af een rechtvaardiging voor het optreden van politie en justitie heeft ontbroken, doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht. Daarnaast bestaat een verplichting tot het vergoeden van schade (b) in het geval dat is voldaan aan het gebleken onschuld-criterium, inhoudende dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de gewezen verdachte en het - achteraf bezien - ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte.
6.5
In een arrest van 9 april 2010 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
4.1.5
Het middel treft evenmin doel voor zover het mede beoogt het oordeel van het hof dat die verjaringstermijn is gaan lopen op de dag na de aanhouding te bestrijden op de grond dat daarmee wordt miskend dat [eiser 1] niet in staat was de vordering tot vergoeding van de onderhavige schade eerder in te stellen dan nadat het strafvonnisonherroepelijk was geworden omdat eerst toen, naar [eiser 1] stelt, bleek van zijn onschuld. Uitgangspunt van de gedachtegang van het hof inzake de aanvang van de verjaringstermijn is geweest dat [eisers] van meet af aan zelf hebben kunnen beoordelen of de verdenking waarop de strafvervolging was gebaseerd terecht was. Bij dat in cassatie niet bestreden uitgangspunt, dat impliceert dat [eisers] zelf vanaf het begin hebben kunnen weten dat die verdenking niet terecht was, geeft het oordeel van het hof dat zij toen ook al daadwerkelijk in staat waren een vordering tot schadevergoeding tegen de Staat geldend te maken niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is dat oordeel, waarbij het hof- anders dan namens [eisers] werd bepleit - terecht niet heeft willen vooruitlopen op de mogelijke invoering van een wettelijke regeling zoals voorgesteld in het conceptwetsvoorstel Wet schadecompensatie strafvorderlijk overheidsoptreden, evenmin.”
2.7
Het hof heeft vervolgens overwogen dat het in lijn met deze uitspraak vaste jurisprudentie van het hof Den Haag is dat de verjaringstermijn in een geval zoals in deze zaak aan de orde, in beginsel gaat lopen op de dag na de aanhouding van de verdachte of de toepassing van andere dwangmiddelen. In dit geval betekent dit dat de verjaring is gaan lopen daags na de aanhouding van [eiseres 1] en de doorzoekingen in haar woning en de kantoren van [eiseressen] en na de inbeslagneming, dus op 18 april 2012. Dat betekent dat de verjaring is voltooid op 18 april 2017, aldus het hof (rov. 6.6).
[eiseressen] hebben betoogd dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen op de dag na de onherroepelijke vrijspraak van [eiseres 1] van 15 september 2017. [8] Volgens [eiseressen] is het evident dat een beroep op de a-grond of b-grond pas kans van slagen heeft na een onherroepelijke vrijspraak en dat zij dus pas vanaf dat moment daadwerkelijk in staat waren een rechtsvordering in te stellen om hun recht bij de civiele rechter geldend te maken.
Dit betoog heeft het hof met de volgende motivering verworpen (voetnoot toegevoegd):
“6.8 Dit betoog slaagt niet. Het hof neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat door de advocaat van [eiseres 1] al op 17 april 2012 aanspraak is gemaakt op vergoeding van alle schade die zou voortvloeien uit het toepassen van dwangmiddelen. [9] Daaruit volgt onmiskenbaar dat [eiseres 1] op dat moment ervan op de hoogte was dat zij schade leed en zou lijden en ervan op de hoogte was wie daarvoor aansprakelijk was. Via haar geldt dat ook voor de Stichting, Intercare Holding en Intercare B.V. Het in de hiervoor bedoelde jurisprudentie aangenomen uitgangspunt dat een verdachte zelf kan bepalen of hij onschuldig is en een vordering op de Staat heeft, is in deze zaak dus een vaststaand feit. Met de brief van de advocaat van [eiseres 1] is immers positief komen vast te staan dat [eiseres 1] op dat moment op de hoogte was van de door haar geleden en eventueel nog te lijden schade, en met de daarvoor aansprakelijke persoon. Zij kon vanaf dat moment haar vordering dus al effectief te gelde maken, en in de tijd daarna de verjaring stuiten.
(…)
6.11
Daar komt het volgende bij. Een onherroepelijke vrijspraak is geen noodzakelijke voorwaarde voor een beroep op de a-grond of b-grond. Een vrijspraak betekent volgens vaste rechtspraak immers nog niet zonder meer dat voldaan is aan het strenge “gebleken onschuld-criterium” (de b-grond) en omgekeerd kan bijvoorbeeld juist wel sprake zijn van gebleken onschuld in geval van een sepot. Daarnaast kan een beroep op de a-grond ook mogelijk zijn in geval van een veroordeling, bijvoorbeeld als een dwangmiddel is toegepast voordat sprake was van een redelijke verdenking of als sprake is geweest van een disproportionele toepassing van dwangmiddelen. Een gewezen verdachte kan dus ook aan de op hem rustende stelplicht voldoen zonder dat al een uitspraak van de strafrechter beschikbaar is. [eiseressen] konden daar in ieder geval aan voldoen na het vrijsprekende vonnis van de rechtbank van 15 december 2015, toen de verjaring nog niet voltooid was.
6.12
Het door [eiseressen] bepleite systeem, dat er op neerkomt dat pas een vordering kan worden ingesteld na een onherroepelijke vrijspraak door de strafrechter leidt er bovendien toe dat de verjaring ten aanzien van vorderingen op de a-grond en die op de b-grond op verschillende momenten zouden kunnen gaan lopen. Het hof acht dat ongewenst en niet passend in het systeem van de wet, omdat het daarin niet de grondslag van de vordering is die doorslaggevend is voor het aanvangen van de verjaringstermijn, maar de kennis van de benadeelde. Ook zou de verjaring ten aanzien van verdachten die wel worden vervolgd en verdachten die niet worden vervolgd, op verschillende momenten kunnen gaan lopen. Het hof acht ook dat ongewenst in een geval als hier aan de orde, waarin [eiseres 1] wel is vervolgd, maar de Stichting, Intercare Holding en Intercare B.V. niet, terwijl op hetzelfde moment dwangmiddelen jegens hen zijn toegepast.”
2.8
Het hof oordeelt dat de stellingen van [eiseressen] dat de vervolging en de toepassing van dwangmiddelen onrechtmatig zijn geweest, onvoldoende zijn onderbouwd en daarom ongegrond zijn (rov. 6.13-6.15). Een en ander leidt het hof tot de slotsom dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat de verjaring is gaan lopen daags na de toepassing van dwangmiddelen (rov. 6.17).
Het hof komt vervolgens toe aan de vraag of de verjaring van de vordering tijdig is gestuit. Het hof stelt daarbij voorop (voetnoten weggelaten):
“6.18 (…) Uit artikel 3:317 lid 1 BW Pro volgt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis, zoals die tot vergoeding van schade, kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt op nakoming. Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldeiser inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een mogelijk alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Bij beantwoording van de vraag of een schriftelijke mededeling als een mededeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW Pro kan worden opgevat, zal niet alleen moeten worden gelet op de tekst van de mededeling maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan, en eveneens op de overige omstandigheden van het geval. Het komt uiteindelijk erop aan of de mededeling een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhoudt dat hij rekening moet houden met de mogelijkheid dat de vordering nog geldend wordt gemaakt zodat hij ervoor kan zorgen dat hij de beschikking behoudt over voor het voeren van verweer benodigde gegevens en bewijsmateriaal. Verder is vereist dat de vordering zodanig is omschreven, dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren. Daarbij kan, tot slot, betekenis toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen.”
2.9
Het hof stelt vast dat de rechtbank ten aanzien van tien documenten (opgesomd in rov. 4.7 van haar vonnis) heeft geoordeeld dat die geen stuiting van de verjaring hebben bewerkstelligd, ook niet in samenhang met elkaar. In de grieven wordt niet meer ingegaan op deze tien documenten, behalve op de brief van 23 november 2015 (hiervoor in 2.1 onder (xv) genoemd). Daarnaast stelt het hof vast dat [eiseressen] in hoger beroep nog andere omstandigheden noemen waaruit volgens hen volgt dat de verjaring is gestuit, te weten het kort geding in 2013 (hiervoor in 2.1 onder (xi) genoemd) en een klacht die bij de nationale ombudsman is ingediend (hiervoor in 2.1 onder (xvi) genoemd). Naar het oordeel van het hof kan het betoog van [eiseressen] niet slagen (rov. 6.20). Het hof overweegt (voetnoot toegevoegd):
“6.21 [eiseressen] zijn verdachte geweest in een onder toezicht van het openbaar ministerie uitgevoerd onderzoek. Voor het handelen van het openbaar ministerie is de Staat civielrechtelijk aansprakelijk, omdat het openbaar ministerie een orgaan is van de Staat. Ook de rechterlijke macht is strikt genomen een orgaan van de Staat. De rechterlijke macht fungeert echter als volledig zelfstandige en onafhankelijke pijler in de rechtstaat en maakt geen deel uit van de feitelijke wederpartij van [eiseres 1] , het ministerie van Justitie en Veiligheid. Het feit dat het openbaar ministerie onderdeel is van de Staat betekent niet dat ieder document waarin sprake is van een schadeclaim en dat gericht is aan het openbaar ministerie, een stuiting van de verjaring tegen de Staat inhield. Dat kan, gelet op de zelfstandige en onafhankelijke positie van de rechterlijke macht, nog minder worden aangenomen van documenten die aan onderdelen van de rechterlijke macht gericht zijn geweest. De contacten die [eiseressen] hadden met het openbaar ministerie en de rechterlijke macht, hadden primair te maken met de lopende strafrechtelijke onderzoeken en de procedures die daaruit volgden. Hoewel niet is uitgesloten dat dit onder omstandigheden wel het geval is, zal een in dat verband gedane mededeling van [eiseressen] aan het openbaar ministerie, en zeker aan een onderdeel van de rechterlijke macht, meestal niet zonder meer voor de Staat een duidelijke waarschuwing behoeven in te houden dat hij er ook rekening mee moet houden dat civielrechtelijke stappen zullen volgen ten aanzien van een gepretendeerde schadevordering.
6.22
Het kort geding waaraan [eiseressen] refereren had de opheffing van enkele (strafvorderlijke) beslagen tot inzet. Daarmee is niet een vordering tot schadevergoeding gestuit. Het betoog dat met de stuiting van de verjaring van een deel van de vordering ook de verjaring van andere delen van de vordering is gestuit, kan al daarom onbesproken blijven.
6.23
De brief van 23 november 2015 is gericht aan het gerechtshof Den Haag en had betrekking op de klaagschriftprocedure op de voet van artikel 552a Sv. De rechtbank heeft over deze brief overwogen dat daaraan geen stuitende werking toekomt, reeds omdat deze aan de strafrechter was gericht én omdat in die brief een ander verwijt wordt gemaakt dan in deze civiele procedure. Het verzoek van [eiseres 1] aan het hof om het openbaar ministerie te veroordelen tot vergoeding van alle door haar geleden schade moest naar het oordeel van de rechtbank in die context worden gelezen. Dat [eiseres 1] met dit verzoek tevens het oog heeft gehad op de civiele vordering zoals die in deze procedure is ingesteld, was daaruit naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden.
6.24
[eiseressen] voeren aan dat dit oordeel van de rechtbank onjuist is omdat vaststaat dat de brief destijds wel bij de Staat terecht is gekomen. Daargelaten dat de Staat dit betwist (volgens hem is niet gebleken dat de brief eerder dan bij dagvaarding in deze procedure bij het openbaar ministerie is beland), is het enkele feit dat een niet aan de wederpartij gerichte brief in een juridische procedure wel bij die wederpartij terecht is gekomen, niet doorslaggevend. Hoewel het hof niet wil uitsluiten dat onder omstandigheden een brief die in het kader van een juridische procedure wordt gewisseld een stuitingshandeling kan inhouden, onderschrijft het hof in dit geval het oordeel van de rechtbank dat de brief van 23 november 2015 niet als zodanig kan worden aangemerkt. De brief heeft als onderwerp nadrukkelijk de afhandeling van een klaagschrift en is als zodanig aan het gerechtshof gericht. De brief strekt er blijkens de laatste alinea toe dat [eiseres 1] in de gelegenheid wordt gesteld haar beklag te doen over de manier waarop het openbaar ministerie zich “op beestachtige wijze” heeft gedragen. Uit de brief kan niet voldoende duidelijk worden afgeleid dat [eiseres 1] zich ten opzichte van de Staat het recht op schadevergoeding voorbehield. Ook de “pleitaantekeningen/eisen ” die door [eiseressen] zijn overgelegd, stonden in het teken van het klaagschrift, terwijl de, Staat heeft betwist dat hij eerder dan in deze procedure deze pleitaantekeningen en de schadestaat waarnaar [eiseressen] verwijzen, onder ogen heeft gehad. Dat de schadestaat in 2015 aan de Staat is verstuurd, volgt in ieder geval niet uit productie 32, waarnaar [eiseressen] verwijzen. In die productie wordt immers ook verwezen naar gebeurtenissen uit 2017, zodat het stuk dat als productie 32 is overgelegd, van 2017 of daarna moet zijn. Het hof is daarbij van oordeel dat, als al juist is dat de schadestaat wel is overhandigd aan de advocaat-generaal op de zitting van 2 december 2015, welke zitting naar aanleiding van de brief van 23 november 2015 heeft plaatsgevonden, daarmee de verjaring toch niet is gestuit. Het tijdens de zitting van de strafkamer ter inzage geven of overhandigen van een document aan de advocaat-generaal, die niet is belast met de afwikkeling van schadeclaims aan het openbaar ministerie, houdt niet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de Staat in dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een mogelijk alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Het hierop betrekking hebbende bewijsaanbod wordt al om die reden gepasseerd.
6.25
[eiseressen] beroepen zich verder op het feit dat zij in 2015 via de nationale ombudsman aandacht hebben gevraagd voor hun vordering. Blijkens de ontvangstbevestiging van de nationale ombudsman van 5 december 2015 had de klacht betrekking op “de uitvoering van een klaagschrift uitspraak gedaan door meervoudige kamer.” In een reactie van een medewerker van het Parket-Generaal van 20 februari 2018 is opgenomen dat door de toenmalig advocaat van [eiseres 1] “eind december 2017” een verzoekschrift is ingediend met daarin “de posten inkomstenderving tijdens detentie.” [10] Het hof is van oordeel dat op basis van deze gegevens evenmin kan worden aangenomen dat de verjaring is gestuit. De klacht bij de nationale ombudsman was kennelijk gericht op de afwikkeling van het beslag, en de brief van eind december 2017 had kennelijk betrekking op een verzoekschrift over inkomstenderving tijdens detentie. Dat zijn andere vorderingen (binnen andere procedures) dan de vordering die in dit geding aan de orde is. Reeds daarom kan aan de brief aan de nationale ombudsman geen stuitende werking worden toegekend.”
2.1
Het hof verwerpt ook het betoog van [eiseressen] dat het beroep op verjaring van de Staat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof overweegt daarover:
“6.27 De rechtbank heeft het betoog van [eiseressen] dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, verworpen in de rechtsoverwegingen 4.14-4.20.Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiseressen] aangevoerd dat zij ook tegen deze overwegingen een grief hebben aangevoerd. Voor zover dat het geval is, raakt die grief aan de vraag of uit de samenhang van documenten waarop [eiseressen] zich hebben beroepen, volgt dat de verjaring is gestuit. Het hof beantwoordt ook die vraag ontkennend. De rechtbank heeft ten aanzien van de tien genoemde documenten geoordeeld dat die geen stuitingshandelingen inhielden. Met uitzondering van de brief van 23 november 2015 (en de volgens [eiseressen] daarbij gevoegde bijlagen), is tegen het oordeel van de rechtbank geen grief gericht. Het hof moet er dus van uitgaan dat de andere documenten ieder op zich geen stuitingshandeling inhielden. Dat zij niettemin in samenhang met elkaar wel een stuitingshandeling inhielden, kan het hof er niet uit afleiden. Voor alle documenten die vóór het verstrijken van de verjaringstermijn zijn verstuurd, geldt dat zij betrekking hebben op de strafprocedure of het beslag. Ook in samenhang bezien kan daaruit dus niet volgen dat [eiseressen] zich het recht voorbehielden een vordering tegen de Staat aanhangig te maken die betrekking had op de schade die zij hadden geleden door de vervolging als zodanig en/of de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen.”
2.11
[eiseressen] hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [11] De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [eiseressen] hebben gerepliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat vijf onderdelen. Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 6.6-6.17 dat de verjaringstermijn in dit geval is gaan lopen daags na de aanhouding van [eiseres 1] en de toepassing van dwangmiddelen, dus op 18 april 2012, en daarom, behoudens stuiting, is voltooid op 18 april 2017. De onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.20-6.26 dat de verjaring niet tijdig is gestuit. Onderdeel 4 keert zich tegen de verwerping door het hof in rov. 6.27 van het beroep van [eiseressen] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Onderdeel 5 bevat een voortbouwklacht, die zelfstandige betekenis mist en daarom geen bespreking behoeft. [12]
3.2
Alvorens de klachten van het middel te bespreken, ga ik eerst kort in op de gronden voor schadevergoeding voor strafrechtelijk optreden, voor zover voor deze zaak van belang, de aanvang van de verjaringstermijn van de daarop betrekking hebbende vordering en de regeling van schadevergoeding voor rechtmatig en onrechtmatig strafrechtelijk optreden in het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
Onrechtmatig strafrechtelijk optreden
3.3
In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn, zoals het hof heeft vermeld in rov. 6.4, twee gronden aanvaard om aan te nemen dat strafrechtelijk optreden tot aansprakelijkheid leidt. In het
Begaclaim-arrest heeft de Hoge Raad deze gronden als volgt omschreven in rov. 3.3:
“I. In de eerste plaats kan zich het geval voordoen dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het (…) geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv Pro heeft ontbroken.
II. In de tweede plaats kan zich, ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm is gehandeld, het geval voordoen dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte.” [13]
3.4
Ten aanzien van de grond onder II (door het hof in rov. 6.4 aangeduid als grond (b)) – waar het in deze zaak in cassatie nog alleen over lijkt te gaan, nu [eiseressen] niet het oordeel van het hof in rov. 6.13-6.15 bestrijden, dat hun stellingen die zien op de grond onder I, niet opgaan – heeft de Hoge Raad in het
Begaclaim-arrest overwogen:
“3.6.1 Bij de tweede, hiervoor in 3.3 onder II bedoelde, categorie van gevallen moet worden opgemerkt dat het bij het – achteraf beoordeeld – ongefundeerd zijn van de gerezen verdenking, niet erom gaat dat de op art. 27 Sv Pro (naast andere voorschriften betreffende de toepassing van dwangmiddelen) berustende publiekrechtelijke bevoegdheid achteraf bezien niet heeft bestaan. Bij de beoordeling achteraf of het optreden van politie en justitie civielrechtelijk gerechtvaardigd was, geldt een andere maatstaf dan bij de beoordeling of voor dat optreden van de aanvang af een toereikende publiekrechtelijke grondslag heeft ontbroken, in welk geval reeds op die grond onrechtmatig jegens de gewezen verdachte is gehandeld. Voor de bedoelde civielrechtelijke beoordeling achteraf is in de rechtspraak van de Hoge Raad als criterium aanvaard of uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak dan wel de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte. Dit is een restrictief criterium, dat enerzijds is ingegeven door de gedachte dat een risicoaansprakelijkheid in die zin dat de Staat het risico draagt schade te moeten vergoeden, indien de strafvervolging ten slotte, om welke reden dan ook, niet tot een veroordeling leidt, niet kan worden aanvaard, en dat anderzijds verband houdt met de onwenselijkheid dat de burgerlijke rechter zich anders in de regel ertoe genoopt zou zien in een daarop niet toegesneden procedure vragen onder ogen te zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de strafrechter is toegerust en geroepen, en die deze, in geval van vrijspraak, veelal reeds bij gewijsde heeft beantwoord (vgl. HR 29 april 1994, nr. 15280, NJ 1995, 727). Voorts is in deze vaste rechtspraak in aanmerking genomen dat in het Wetboek van Strafvordering mogelijkheden, zij het beperkte, zijn opgenomen voor schadevergoeding en vergoeding van kosten, op welke mogelijkheden de voormalige verdachte wiens onschuld niet uit het strafvorderlijk onderzoek blijkt, is aangewezen, indien zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die het oordeel rechtvaardigen dat het optreden van politie of justitie jegens hem onrechtmatig is.”
3.5
Voor het antwoord op de vraag of achteraf uit het strafdossier blijkt dat de verdenking van de gewezen verdachte ten onrechte heeft bestaan, is de enkele omstandigheid dat die verdachte is vrijgesproken van het feit ter zake waarvan het optreden van justitie en politie tegen hem was verricht, niet voldoende, aldus de Hoge Raad:
“alsdan blijkt immers in de regel (…) uit de veelal niet nader gemotiveerde einduitspraak niet dat de verdachte het feit niet heeft begaan, maar slechts dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat hij het feit heeft begaan. Dit laatste geldt evenzo voor andere in art. 89 Sv Pro bedoelde gevallen waarin de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel: ook daarbij kan in de regel niet worden gezegd dat uit het strafdossier blijkt dat de (voormalige) verdachte het feit ter zake waarvan hij voorlopige hechtenis heeft ondergaan, niet heeft gepleegd.” [14]
3.6
In een prejudiciële beslissing van 25 september 2020 heeft de Hoge Raad de vraag of het criterium van de gebleken onschuld in strijd is met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM Pro ontkennend beantwoord. [15] Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast van de gewezen verdachte heeft de Hoge Raad overwogen:
“2.13 (…) Wat betreft de stelplicht en de bewijslast van de gewezen verdachte geldt daarbij het volgende. Art. 6 lid 2 EVRM Pro staat op zich niet eraan in de weg dat de stelplicht en de bewijslast op de gewezen verdachte rust. Van de gewezen verdachte die zich beroept op het gebleken onschuld-criterium, mag door de rechter echter uitsluitend worden verlangd (i) dat de gewezen verdachte voldoende gespecificeerd stelt dat uit de uitspraak van de strafrechter dan wel de overige stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van zijn onschuld en (ii) dat hij de desbetreffende stukken uit de strafzaak in het geding brengt.
Met een dergelijke wijze van beoordeling en motivering onthoudt de burgerlijke rechter zich van een eigen, zelfstandige waardering van de (mogelijke) betrokkenheid van de gewezen verdachte bij het tenlastegelegde feit en komt de motivering van een afwijzende beslissing ook niet neer op een de facto schuldigverklaring of verdachtmaking in weerwil van de vrijspraak door de strafrechter van de verdachte. Het op deze manier afwijzen van de vordering tot (aanvullende) schadevergoeding op de grond dat niet is voldaan aan het gebleken onschuld-criterium, is niet in strijd met art. 6 lid 2 EVRM Pro. Art. 6 lid 2 EVRM Pro geeft dus geen aanleiding om het gebleken onschuld criterium – en daarmee de mogelijkheid om op die grond in specifieke gevallen in aanvulling op de bestaande strafvorderlijke mogelijkheden een (schade)vergoeding aan de gewezen verdachte toe te kennen – ter zijde te stellen.”
Aanvangsmoment van de verjaringstermijn van een vordering tot schadevergoeding in verband met strafvorderlijk optreden
3.7
Art. 3:310 lid 1 BW Pro bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Het is aan degene die zich op de verjaringstermijn beroept, om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. [16]
3.8
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. [17] Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. [18] Dit houdt niet in dat vereist is dat de benadeelde – behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon – daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. [19] Dit betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met oorzaak van de schade bekend is. [20] Niet vereist is dat (reeds duidelijk is dat) de in te stellen vordering ‘voor toewijzing vatbaar is’. [21] Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden. [22]
3.9
In het door het hof in rov. 6.5 aangehaalde arrest van 9 april 2010 heeft de Hoge Raad geoordeeld over het aanvangsmoment van de verjaringstermijn van een vordering tot schadevergoeding in verband met onrechtmatig strafvorderlijk optreden:
“4.1.5 Het middel treft evenmin doel voor zover het mede beoogt het oordeel van het hof dat die verjaringstermijn is gaan lopen op de dag na de aanhouding te bestrijden op de grond dat daarmee wordt miskend dat X. niet in staat was de vordering tot vergoeding van de onderhavige schade eerder in te stellen dan nadat het strafvonnis onherroepelijk was geworden omdat eerst toen, naar X. stelt, bleek van zijn onschuld.
Uitgangspunt van de gedachtegang van het hof inzake de aanvang van de verjaringstermijn is geweest dat X. en Y. van meet af aan zelf hebben kunnen beoordelen of de verdenking waarop de strafvervolging was gebaseerd terecht was. Bij dat in cassatie niet bestreden uitgangspunt, dat impliceert dat X. en Y. zelf vanaf het begin hebben kunnen weten dat die verdenking niet terecht was, geeft het oordeel van het hof dat zij toen ook al daadwerkelijk in staat waren een vordering tot schadevergoeding tegen de Staat geldend te maken niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is dat oordeel, waarbij het hof — anders dan namens X. en Y. werd bepleit — terecht niet heeft willen vooruitlopen op de mogelijke invoering van een wettelijke regeling zoals voorgesteld in het conceptwetsvoorstel Wet schadecompensatie strafvorderlijk overheidsoptreden, evenmin.’ [23]
3.1
Het hof heeft het voorgaande in rov. 6.2, 6.3 en 6.5 tot uitgangspunt genomen in deze zaak, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak, zoals het vermeldt in rov. 6.6.
3.11
Opmerking verdient dat het arrest van 9 april 2010 in de literatuur wel kritiek heeft ontmoet. [eiseressen] verwijzen niet naar die kritiek, maar de strekking van het betoog van subonderdeel 1.3 van hun middel, dat [eiseressen] pas aan hun stelplicht met betrekking grond II konden voldoen na het vrijsprekende vonnis, komt enigszins met die kritiek overeen. De kern van de kritiek is dat niet gezegd kan worden dat de vorderingsgerechtigde daadwerkelijk in staat is zijn vordering geldend te maken voordat de strafrechtelijke vervolging eindigt, omdat er vóór die tijd geen redelijke kans bestaat dat de vorderingsgerechtigde de civiele rechter van zijn gelijk weet te overtuigen. [24] Mijns inziens ziet deze kritiek eraan voorbij dat art. 3:310 BW Pro niet eist dat de benadeelde onmiddellijk een vordering kan instellen die ook zonder meer onmiddellijk voor toewijzing vatbaar is, en dat het volgens deze bepaling dus mogelijk is dat de verjaring eventueel gaat lopen vóór het tijdstip waarop dit het geval is. Dat is als zodanig niet bezwaarlijk omdat de verjaring aanstonds al eenvoudig kan worden gestuit langs de weg van art. 3:317 lid 1 BW Pro (en in dit geval ook is gestuit met de hiervoor in 2.1 onder (v) genoemde brief van 17 april 2012). Dit resultaat strookt met de ratio van de korte termijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro dat, gelet op de belangen van de schuldenaar die de regeling van de verjaring beoogt te dienen, een schuldeiser niet al te lang de tijd moet hebben om kenbaar te maken of hij een vordering al dan niet in rechte wil vervolgen. [25] De beslissing van het arrest van 9 april 2010 is dus in overeenstemming met de wettelijke regeling. Uiteraard kan een ander aanvangstijdstip wenselijk worden gevonden, maar dat andere tijdstip zal dan in de wet moeten worden bepaald.
3.12
Smeehuijzen wijst bij zijn kritiek op het ook in het arrest genoemde ambtelijke voorontwerp voor een Wet schadecompensatie strafvorderlijk overheidsoptreden uit 2007, waarin de aanvang van de verjaringstermijn gekoppeld was aan de dag waarop de strafzaak eindigt. [26] Dit voorontwerp voorzag in de mogelijkheid dat het College van procureurs-generaal een naar billijkheid vast te stellen vergoeding kan toekennen aan degene die schade heeft geleden als gevolg van een, kort gezegd, strafvorderlijk optreden. Art. 598 lid 7 van Pro dit voorontwerp luidde:
‘Artikel 310, 313 en 316 tot en met 321 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn van verjaring van een rechtsvordering van een gewezen verdachte of diens erfgenaam eerst aanvangt op de dag, volgende op die waarop de strafzaak tegen de gewezen verdachte beëindigd is.’
Met betrekking tot dit voorontwerp heeft de Hoge Raad, zoals hiervoor bleek, in het arrest van 9 april 2010 overwogen dat het hof ‘terecht niet heeft willen vooruitlopen op de mogelijke invoering van een wettelijke regeling zoals voorgesteld in het conceptwetsvoorstel Wet schadecompensatie strafvorderlijk overheidsoptreden.’ [27]
Deze beslissing is begrijpelijk nu het voorontwerp uitging van een procedure die aanving met een verzoek dat pas na afloop van de strafzaak kon worden ingediend en het voorontwerp om die reden ook de verjaringstermijn voor de schadevergoeding op dat moment liet aanvangen. [28] Bovendien ging het voorontwerp uit van een andere vergoedingsgrond dan onrechtmatige daad en gebleken onschuld, namelijk ‘gronden van billijkheid’, waarbij werd gedacht aan een mengeling van het evenredigheids- en het égalitébeginsel. [29] Het voorontwerp bevatte dus een wezenlijke andere regeling dan het bestaande recht. Het voorontwerp heeft als zodanig niet geleid tot een wetsvoorstel.
Regeling in het nieuwe Wetboek van Strafvordering
3.13
In maart 2023 is bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering ingediend, dat onder meer een nieuwe regeling bevat van de schadevergoeding na strafrechtelijk optreden. [30] Het wetsvoorstel is in februari 2026 door de Eerste Kamer aangenomen. [31] De beoogde datum van inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is vastgesteld op 1 april 2029. [32]
De regeling van het nieuwe wetboek omvat schadevergoeding wegens zowel onrechtmatig als rechtmatig optreden. Bij onrechtmatig optreden bestaat recht op volledige schadevergoeding (art. 6.6.4 lid 1 Sv), bij rechtmatig optreden – waaronder het wetboek mede het geval begrijpt dat de verdachte achteraf onschuldig blijkt – bestaat alleen recht op schadevergoeding ‘indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig’ zijn (art. 6.6.5 lid 1 Sv). De regeling regelt exclusief de schadevergoeding tot een bedrag van € 25.000,- en, ongeacht de hoogte, de schadevergoeding wegens, kort gezegd, voorlopige hechtenis (art. 6.6.1 leden 1 en 2 Sv). Deze schadevergoeding moet aan de strafrechter worden gevraagd (art. 6.6.8 Sv). Van diens beslissing staat hoger beroep open als het verzoek strekt tot betaling van meer dan het bedrag genoemd in art. 332 Rv Pro (nu € 1.750,-) (art. 6.6.9 lid 1 Sv). Cassatieberoep is niet opengesteld en dus uitgesloten.
Blijkens de toelichting op de regeling beoogt deze voor het toepassingsbereik daarvan een einde te maken aan de gelding van de hiervoor genoemde regels met betrekking tot de onschuldig gebleken verdachte. Deze kan bij rechtmatig strafrechtelijk optreden nog alleen schadevergoeding krijgen op gronden van billijkheid en heeft dus geen recht meer op volledige schadevergoeding (zie genoemd art. 6.6.5 lid 1 Sv). [33] Met betrekking tot vorderingen hoger dan € 25.000,-, die niet zien op, kort gezegd, voorlopige hechtenis, blijft de burgerlijke rechter bevoegd. De nieuwe regeling is daarop ook niet van toepassing. De burgerlijke rechter kan de bestaande rechtspraak dus zonder meer bestendigen, maar in de toelichting wordt de verwachting uitgesproken dat die rechtspraak en de uitleg van de criteria van de nieuwe regeling naar elkaar zullen toegroeien. [34] In de literatuur wordt erop gewezen dat het nogal een forse rechtsvormende stap zou betekenen voor de civiele rechter om zich geheel in de richting van dit strafrechtelijke kader te bewegen. [35]
Het aanvangsmoment van de verjaringstermijn is in de nieuwe regeling afhankelijk van de grondslag van de vordering. Een verzoek om vergoeding van schade wegens onrechtmatig strafvorderlijk optreden moet worden ingediend binnen de in titel 11 van Boek 3 BW gestelde verjaringstermijn (art. 6.6.4 lid 2). Op dit punt verandert er dus niets. Verzoeken om schadevergoeding na rechtmatig strafvorderlijk overheidsoptreden zijn alleen ontvankelijk nadat de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr (art. 6.6.5 lid 2). Voor die verzoeken geldt een (verval)termijn van vijf jaar nadat de verdachte kennis heeft kunnen nemen van de beëindiging van de zaak (art. 6.6.5 lid 4).
3.14
Evenals voor het voorontwerp uit 2007 geldt voor de regeling van het nieuwe wetboek dus dat het uitgaat van een wezenlijk ander stelsel. Beide regelingen hebben gemeen dat schadevergoeding bij – kort gezegd – rechtmatig strafrechtelijk optreden pas kan worden gevraagd als de strafzaak is geëindigd en dat de verjaring c.q. een vervaltermijn daarom pas vanaf dat moment gaat lopen. Die regeling sluit aan bij die van de art. 533-534 Sv (voorheen de art. 89 en Pro 90 Sv) voor voorlopige hechtenis, waarin eveneens pas een verzoek om schadevergoeding kan worden gedaan na het einde van de strafzaak (zie art. 533 lid 1 Sv Pro). Onder beide regelingen kan bij de strafrechter bovendien geen beroep worden gedaan op gebleken onschuld als grond voor schadevergoeding, maar gaat het om de aanwezigheid van ‘gronden van billijkheid’ (die zich natuurlijk mede kunnen voordoen doordat sprake is van gebleken onschuld), zonder aanspraak op volledige schadevergoeding. De gemaakte keuze voor de aanvang van de verjaringstermijn – in het geval van art. 6.6.5 lid 4 Sv nieuw dus een vervaltermijn – sluit logisch bij een en ander aan.
Evenmin als naar het oordeel van de Hoge Raad in het arrest van 9 april 2010 het geval was ten aanzien van het voorontwerp uit 2007, ligt het nu dan ook voor de hand om de verjarings-/vervalregeling van het nieuwe wetboek anticiperend toe te passen. Daar komt nog bij dat volgens de regeling van het nieuwe wetboek de bestaande rechtspraak van de burgerlijke rechter met betrekking tot schadevergoeding wegens (zowel rechtmatig als onrechtmatig) strafrechtelijk optreden als zodanig juist uitdrukkelijk ongemoeid wordt gelaten (zie juist hiervoor in 3.13 derde alinea).
Bespreking onderdeel 1; de aanvang van de verjaringstermijn
3.15
Subonderdeel 1.1bevat geen klacht.
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof in rov. 6.5 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich enkel te baseren op het arrest van 9 april 2010, terwijl [eiseres 1] ook een beroep heeft gedaan op het arrest De Mispelhoef. Volgens het subonderdeel negeert het hof dat alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken bij de beoordeling van de vraag wanneer de verjaringstermijn een aanvang neemt.
3.16
Voor zover het subonderdeel inhoudt dat het hof ten onrechte niet als maatstaf heeft gehanteerd dat voor het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, alle omstandigheden van het geval in de beoordeling moeten worden betrokken, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest van het hof. Het hof heeft immers in rov. 6.2, onder verwijzing naar het arrest De Mispelhoef, met zoveel woorden overwogen dat dit de aan te leggen maatstaf is. Voor zover het subonderdeel inhoudt dat het hof niet alle relevante omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken (‘door zich enkel te baseren’ op het arrest van 9 april 2010), faalt het eveneens omdat het uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft immers in rov 6.8 e.v. de voor de aanvang van de verjaringstermijn relevante omstandigheden in de beoordeling betrokken. Voor zover het subonderdeel inhoudt dat het hof relevante omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten, voldoet het niet aan de te stellen eisen, omdat het subonderdeel niet duidelijk maakt op welke omstandigheden het doelt.
3.17
Subonderdeel 1.3klaagt dat de overweging van het hof in rov. 6.8 dat met de aansprakelijkstelling door de advocaat van [eiseres 1] op 17 april 2012 is gegeven dat zij vanaf dat moment haar vordering te gelde kon maken, een non sequitur is, omdat het enkele feit dat een aansprakelijkstelling is verzonden, niet betekent dat men aan de stelplicht kan voldoen. Dat oordeel verhoudt zich volgens het subonderdeel niet tot de overweging in rov. 6.11 dat [eiseres 1] in ieder geval wel aan de op haar rustende stelplicht kon voldoen, althans is de relevantie van het vrijsprekende vonnis dan onduidelijk. Dat klemt temeer, zo vervolgt de klacht, omdat de Hoge Raad het gebleken onschuld-criterium in een prejudiciële procedure nadrukkelijk heeft gehandhaafd en daarbij heeft geoordeeld dat uitsluitend mag worden verlangd dat de gewezen verdachte voldoende gespecificeerd stelt dat uit de uitspraak van de strafrechter dan wel de overige stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van zijn onschuld en dat hij de desbetreffende stukken uit de strafzaak in het geding brengt. Dat kon [eiseres 1] volgens het subonderdeel pas na het vrijsprekende vonnis en de eerder verzonden aansprakelijkstelling verandert dat niet. Om die reden behoorde te worden afgeweken van het uitgangspunt dat de verjaringstermijn is aangevangen in 2012 en dat de vordering dus was verjaard ten tijde van de aansprakelijkstelling. Als dat zou leiden tot verschillende aanvangsmomenten van de verjaring en als dat niet past in het systeem van de wet, dan moet worden gekozen voor de verjaringstermijn die aanvangt vanaf het moment dat de gewezen verdachte daadwerkelijk in staat is een vordering in te stellen, aldus het subonderdeel.
3.18
Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof in rov. 6.8 heeft geoordeeld dat het enkele feit dat een aansprakelijkstelling is verzonden, betekent dat betrokkene aan zijn stelplicht kan voldoen, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest van het hof. Het hof heeft niet geoordeeld dat [eiseres 1] vanaf het moment dat de aansprakelijkstelling door de advocaat van [eiseres 1] op 17 april 2012 werd verzonden, aan haar stelplicht in een civiele procedure kon voldoen. Het heeft in rov. 6.8 uitsluitend geoordeeld dat [eiseres 1] , blijkens die aansprakelijkstelling, vanaf dat moment haar vordering effectief geldend kon maken en dus de verjaring kon stuiten, met andere woorden aan de eisen van art. 3:310 lid 1 BW Pro voor het gaan lopen van de verjaringstermijn van vijf jaar was voldaan.
Voor zover het subonderdeel inhoudt dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro pas aanvangt als de gelaedeerde in een civiele procedure (geheel) aan zijn stelplicht kan voldoen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Art. 3:310 lid 1 BW Pro stelt die eis niet. Zoals hiervoor in 3.8 vermeld, is voor de aanvang van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro niet vereist dat de gelaedeerde bekend is met de juridische beoordeling van feiten en omstandigheden en evenmin dat reeds duidelijk is dat de in te stellen vordering voor toewijzing vatbaar is. Het gaat er enkel om, zeer kort gezegd, dat hij voldoende aanleiding heeft om tot maatregelen over te gaan die stuitende werking hebben. Tegen die achtergrond ligt een aanvullende eis dat de gelaedeerde al (geheel) aan zijn stelplicht in een civiele procedure zou kunnen voldoen, niet voor de hand; in het nadeel van de schuldenaar wordt de aanvang van de verjaringstermijn dan ongerechtvaardigd naar achter geschoven, uitgaande van hetgeen de wetgever bij art. 3:310 lid 1 BW Pro voor ogen heeft gestaan.
Voor zover het subonderdeel berust op de daarin gestelde inhoud van rov. 6.11, faalt het omdat het uitgaat van een onjuiste lezing van die overweging. Het hof brengt in die overweging slechts tot uitdrukking dat [eiseressen] , anders dan zij hebben betoogd, al tijdens de lopende verjaring aan hun stelplicht konden voldoen. Anders dan het subonderdeel betoogt, zijn rov. 6.8 en 6.11 dus niet onderling tegenstrijdig.
Voor zover het subonderdeel inhoudt dat uit de hiervoor in 3.6 genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 25 september 2020 volgt dat de verdachte pas na het einde van de strafzaak aan zijn stelplicht kan voldoen, is het mede ongegrond omdat dit niet in die beslissing staat of daaruit volgt.
Bespreking onderdelen 2 en 3; de stuiting van de verjaring
3.19
De onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat de verjaring niet is gestuit. Zoals het hof vermeldt in rov. 6.18, kan de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis (tot schadevergoeding) onder meer worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW Pro). Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, er rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW Pro gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval. Bij deze beoordeling kan mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen. [36]
Deze regels heeft het hof in rov. 6.18 vooropgesteld. Daartegen richt het middel geen klachten.
3.2
Subonderdeel 2.1voert aan dat het hof in rov. 6.21 ten onrechte heeft aangenomen dat de handelingen van [eiseressen] in de strafrechtelijke procedures, in het bijzonder de brief van 23 november 2015, geen stuitende werking hebben jegens de Staat omdat een in dit verband gedane mededeling aan het openbaar ministerie en aan een onderdeel van de rechterlijke macht “meestal niet zonder meer voor de Staat een duidelijke waarschuwing behoeven in te houden dat hij er ook rekening mee moet houden dat civielrechtelijke stappen zullen volgen ten aanzien van een gepretendeerde schadevordering”. Dit oordeel is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk respectievelijk rechtens onjuist, gezien de in subonderdeel 1.2 genoemde jurisprudentie, omdat niet valt in te zien dat in ieder geval het openbaar ministerie door [eiseressen] als justitiabele niet zou kunnen worden gezien als een vertegenwoordiger van de Staat.
3.21
De klachten falen, omdat zij klaarblijkelijk uitgaan van een onjuiste lezing van rov. 6.21. Deze rechtsoverweging houdt niet meer in dan een vooropstelling bij de oordelen van het hof in rov. 6.22-6.24, welke vooropstelling een uitwerking vormt van de hiervoor in 3.19 vermelde regels. De vooropstelling komt erop neer dat de contacten die [eiseressen] hadden met het openbaar ministerie en de rechterlijke macht, (primair) hadden te maken met de lopende strafrechtelijke onderzoeken en de procedures die daaruit volgden, en dat een in dat verband gedane mededeling van [eiseressen] aan het openbaar ministerie, en zeker aan een onderdeel van de rechterlijke macht, meestal niet zonder meer voor de Staat een duidelijke waarschuwing behoeft in te houden dat hij er ook rekening mee moet houden dat civielrechtelijke stappen zullen volgen ten aanzien van een gepretendeerde schadevordering. Deze overweging geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij stemt overeen met de hiervoor in 3.19 genoemde gezichtspunten (a) dat de context waarin mededelingen worden gedaan, mede van belang is, en (b) dat de aanmaning een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar moet inhouden wil zij stuitende werking hebben. Voor het overige berust deze overweging op een beoordeling van de aard en inhoud van de contacten die in dit geval hebben plaatsgevonden tussen [eiseressen] en het openbaar ministerie, en is zij van feitelijke aard. Zij kan dus in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Onbegrijpelijk is zij niet.
3.22
Subonderdeel 2.2klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 6.24 (het subonderdeel spreekt abusievelijk van rov. 6.24), dat uit de in rov. 6.23 genoemde brief van 23 november 2015 niet voldoende duidelijk kan worden afgeleid dat [eiseressen] zich ten opzichte van de Staat het recht op schadevergoeding voorbehielden, het oordeel van het hof in rov. 6.21 niet kan dragen, mede gelet op de regel uit het arrest De Mispelhoef dat alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling dienen te worden betrokken. Het subonderdeel bevat voorts de klacht dat ook de overweging in rov. 6.24 dat een ter zitting aan de advocaat-generaal overhandigd document geen stuitende werking toekomt omdat de advocaat-generaal niet belast is met de afwikkeling van schadeclaims aan het openbaar ministerie, onvoldoende is om het in rov. 6.21 van het bestreden arrest vervatte oordeel te kunnen dragen.
3.23
Ook dit subonderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. In rov. 6.24 onderbouwt het hof niet zijn oordeel in rov. 6.21, zoals het subonderdeel veronderstelt, maar oordeelt het over het beroep van [eiseressen] op de stuitende werking van de brief van 23 november 2015, waarbij het mede teruggrijpt op zijn vooropstelling in rov. 6.21. Beide overwegingen vormen een logisch geheel. In de brief kan, gelet op hetgeen het hof in beide overwegingen in aanmerking neemt, geen voldoende duidelijke waarschuwing worden gelezen, zoals voor stuiting op grond van art. 3:317 lid 1 BW Pro is vereist, zo komt het oordeel van het hof op neer. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.24
Subonderdeel 2.3klaagt dat ook de beoordeling van het hof dat de in rov. 6.24 genoemde handelingen van [eiseressen] in de strafrechtelijke procedures vanwege het strikt strafrechtelijk karakter daarvan niet kunnen worden aangemerkt als stuitingshandelingen, rechtens onjuist dan wel onvoldoende en onbegrijpelijk gemotiveerd is. Daartoe stelt de klacht dat ook hier heeft te gelden dat deze handelingen maken dat de Staat voldoende duidelijk gewaarschuwd was dat [eiseressen] aanspraak maken op schadevergoeding bij de civiele rechter. Althans is het oordeel van het hof zoals vervat in rov. 6.24 van het bestreden arrest dat de brief van 23 november 2015 geen stuitende werking heeft omdat de brief slechts strekt tot de afhandeling van een klaagschrift, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd, aldus de klacht. Dit betreft volgens het subonderdeel ook het oordeel dat een brief aan een advocaat-generaal die niet belast is met de afwikkeling van schadeclaims niet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de Staat inhoudt dat hij rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een mogelijk door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.
3.25
Het subonderdeel faalt. Het oordeel van het hof in rov. 6.24 geeft als gezegd geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarop stuiten de klachten van het subonderdeel af.
3.26
Subonderdeel 2.4betoogt dat de overweging van het hof in rov. 6.8 dat de aan het functioneel parket gerichte brief van 18 april 2012 wel als een – door de Staat ontvangen – aansprakelijkstelling kan worden beschouwd, niet verenigbaar is met het oordeel in rov. 6.21 en 6.24 dat de contacten met het openbaar ministerie, in het bijzonder een aan de advocaat-generaal overhandigde brief van 23 november 2015, geen stuitingshandelingen kunnen zijn. Als een aansprakelijkstelling aan het openbaar ministerie kan worden gericht, dan kan een stuitingshandeling dat volgens het subonderdeel ook. Om die reden is het oordeel van het hof in rov. 6.21 en 6.24 onbegrijpelijk, aldus de klacht.
3.27
De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest van het hof. Het hof overweegt in rov. 6.24 immers juist dat niet uitgesloten is dat onder omstandigheden een brief die in het kader van een juridische procedure wordt gewisseld, een stuitingshandeling kan inhouden. Het hof overweegt dus, anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, niet dat een dergelijke brief nooit een stuitingshandeling zou kunnen zijn, maar uitsluitend dat de brief aan de advocaat-generaal in dit geval niet als zodanig kan worden aangemerkt. Dat oordeel baseert het hof niet alleen op de adressering van de brief, maar ook op de inhoud en context van de brief. Als gezegd is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.
3.28
Subonderdeel 3.1bevat de klacht dat het hof, door in rov. 6.22-6.26 te oordelen dat alle door [eiseressen] ondernomen acties met betrekking tot de strafvorderlijke beslagen geen stuitende werking hebben gehad, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende heeft gemotiveerd. Het subonderdeel voert aan dat het betoog van [eiseressen] ten aanzien van het kort geding in 2013 met betrekking tot de beslagen en de schade die zij daardoor heeft geleden, juist niet los kan worden gezien van de onderhavige vordering, temeer gezien het feit dat de schade ten gevolge van de beslagen expliciet is genoemd in de aansprakelijkstelling van 2018 en [eiseressen] na 2013 ter zake allerlei acties hebben ondernomen. Althans is het oordeel van het hof dat de Staat om die reden, vanwege het strafrechtelijke of strafvorderlijke karakter daarvan, niet gewaarschuwd hoefde te zijn dat [eiseressen] met betrekking tot de door hen als gevolg daarvan geleden schade een civiele vordering zouden instellen, volgens het subonderdeel niet begrijpelijk.
3.29
Het subonderdeel faalt. Zoals hiervoor in 3.19 vermeld, is het hof in rov. 6.18 uitgegaan van de juiste maatstaven voor de beoordeling van het beroep van [eiseressen] op stuiting van de verjaring. Als gezegd geeft het oordeel van het hof in rov. 6.21-6.26 dat geen stuiting heeft plaatsgevonden door de handelingen die [eiseressen] hebben aangevoerd, geen blijk van een miskenning van die maatstaven, mede gelet op de strafrechtelijke context waarin deze handelingen zijn verricht. Dat oordeel is voor het overige van feitelijke aard. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet. Het middel voert althans geen stellingen of omstandigheden aan die maken dat dit het geval zou zijn.
Bespreking onderdeel 4; de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid
3.3
Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 6.27, waarin het hof het betoog van [eiseressen] dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, verworpen heeft.
Subonderdeel 4.1voert aan dat het hof, door te oordelen dat het beroep van de Staat op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat in de korte verjaringstermijn al een element van billijkheid besloten ligt, hetgeen mede bepalend is voor het aanvangstijdstip van de korte verjaringstermijn. Het hof miskent ook in deze context hetgeen is bepaald in het arrest De Mispelhoef, aldus nog steeds het subonderdeel.
3.31
Het subonderdeel faalt. Zonder toelichting is niet duidelijk waarom de omstandigheid dat in de korte verjaringstermijn al een element van billijkheid besloten ligt, meebrengt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Evenmin is duidelijk waarom hetgeen is bepaald in het arrest De Mispelhoef, meebrengt dat het oordeel van het hof blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat arrest heeft betrekking op de aanvang van de verjaringstermijn en niet op de vraag onder welke omstandigheden een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
3.32
Subonderdeel 4.2klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 6.27 onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof zich enkel uitspreekt over de vraag of de documenten waarop [eiseressen] zich hebben beroepen, al dan niet in samenhang, stuitende werking hebben. Volgens het onderdeel is dat geen (begrijpelijk) antwoord op de vraag of het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid al dan niet onaanvaardbaar is.
3.33
Ook deze klacht faalt. In eerste aanleg hebben [eiseressen] in het kader van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid betoogd dat de Staat uit hun vele mededelingen heeft moeten begrijpen dat zij zich hun rechten hebben willen voorbehouden om de onderhavige civiele claim in te stellen, zodat de Staat geen verjaringsverweer meer kan voeren. [37] Daarnaast hebben zij onder meer aangevoerd dat de Staat nog beschikt over alle gegevens en het bewijsmateriaal, zodat hij niet in enig belang is geschaad. [38] De rechtbank heeft het aldus onderbouwde beroep op de redelijkheid en billijkheid in rov. 4.15-4.20 van haar vonnis gemotiveerd verworpen. Het hof overweegt in rov. 6.27 dat [eiseressen] bij de mondelinge behandeling hebben aangevoerd dat zij ook tegen deze overwegingen een grief hebben gericht. Het hof stelt in rov. 6.27 vast dat voor zover dat het geval is, die grief raakt aan de vraag of uit de samenhang van documenten waarop [eiseressen] zich hebben beroepen, volgt dat de verjaring is gestuit. Het hof heeft die vraag in rov. 6.27 ontkennend beantwoord. Tegen deze vaststelling van de grief door het hof en het oordeel daarover van het hof bevat het middel geen klacht. Daarop loopt het subonderdeel stuk.
Slotsom
3.34
Het middel is ongegrond. Het beroep leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. voor de vaststaande feiten rov. 3.1-3.25 van het arrest van het hof.
2.Vgl. de vaststelling van de vordering in rov. 4.1 van het arrest van het hof.
3.Vgl. de vaststelling van de grondslag van de vorderingen in rov. 3.2 van het vonnis van de rechtbank van 4 december 2019.
4.Vgl. de vaststellingen van het hof in rov. 6.13-6.15.
5.Vgl. de vaststelling van het verweer van de Staat in rov. 4.1 van het vonnis van de rechtbank van 4 december 2019.
6.Rb. Den Haag 4 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:13456,
7.Hof Den Haag 1 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:465.
8.Het arrest vermeldt in rov. 6.7 15
9.Zie hiervoor in 2.1 onder (v).
10.Deze reactie is hiervoor in 2.1 onder (xxi) al genoemd.
11.De procesinleiding is op 30 juni 2025 bij de Hoge Raad ingediend.
12.Dergelijke klachten zijn niet nodig. De Hoge Raad behoeft ze (dan) ook niet te behandelen. Zie mijn conclusie in zaak 21/04365, ECLI:NL:PHR:2022:842, onder 3.22, met verdere verwijzingen.
13.HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956,
14.HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1355,
15.HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1526,
16.HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0900,
17.HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168,
18.HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850,
19.HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739,
20.HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8903,
21.HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3240,
22.HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688,
23.HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1118,
24.J.L. Smeehuijzen, noot onder Rb. Den Haag 17 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8124,
25.Vgl. in dit verband ook HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1172, NJ 2024/21, m.nt. L.A.D. Keus, rov. 3.1.4 en 3.1.5, waarin de Hoge Raad tot uitdrukking brengt dat hetzelfde als hier in de tekst vermeld, zou gelden voor schadevergoeding voor onrechtmatige besluiten, als art. 8:93 Awb Pro niet wat anders zou hebben meegebracht. Vgl. daarover ook de conclusie voor dat arrest, onder 3.8-3.10.
26.Het voorontwerp is onder meer gepubliceerd in VR 2011/85, bijlage 2.
27.HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1118,
28.Vgl.
29.Vgl. A-G Langemeijer, conclusie voor HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1118, ECLI:NL:PHR:2010:BL1118, onder 2.17, en
31.De wet is inmiddels in het Staatsblad gepubliceerd: Wet van 25 februari 2026 tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering), Staatsblad 2026/56.
33.In rov. 3.6.5 van het
35.M.F.H. Hirsch Ballin, G.C. Nieuwland & A.W. van Wijk, ‘Vergoeding van schade na strafvorderlijk overheidsoptreden in het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering’,
36.Zie o.m. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741,
37.Comparitieaantekeningen voor de mondelinge behandeling van 2 oktober 2019, onder 48 en 50. Zie ook de vaststelling van de rechtbank in rov. 4.17 van haar vonnis.
38.Comparitieaantekeningen voor de mondelinge behandeling van 2 oktober 2019, onder 47. Zie ook de vaststelling van de rechtbank in rov. 4.19 van haar vonnis.