Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
Bepleit: Bevestiging van het vonnis in eerste aanleg, subsidiair met verbetering van gronden het bewijs uitsluiten van de bewijsvoering wegens schending van het beginsel van Détournement de pouvoir en het vertrouwensbeginsel, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak.
Overweging met betrekking tot het bewijs
PHvK– onbegrijpelijk, omdat het hof ten onrechte niet (p. 41 van) het proces-verbaal van [verbalisant 3] waarop de verdediging een beroep heeft gedaan in zijn overweging heeft betrokken.
PHvK) te weinig informatie over deze controle en zijn de in het proces-verbaal genoemde aangetroffen goederen niet zodanig dat op grond daarvan reeds evident sprake is van overtreding van art. 11a Opiumwet. Deze oordelen worden in cassatie niet betwist en dat geldt ook voor het oordeel van het hof dat het voorafgaand aan de eerste controle op 9 november 2018 (door de politie) noteren van kentekens van voertuigen die bij het bedrijfspand te zien waren evenmin als opsporingshandeling kan worden aangemerkt. Verder overweegt het hof dat “ook overigens” niet “uit het procesdossier” blijkt dat er door de politie handelingen zijn verricht die wijzen op het verrichten van een strafrechtelijk onderzoek op of na 14 november 2018. In dit oordeel ligt mijns inziens in voldoende mate besloten waarom het beroep van de raadsman op de onder 3.6 weergegeven dossierpagina 41 uit het door [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen niet opgaat. De enkele omstandigheid dat uit de informatie daarin blijkt dat het doel van de bestuursrechtelijke controle op 14 november 2018 – kort gezegd – was om aan te tonen dat [A] een growshop is waar bewust materialen ten behoeve van de illegale hennepteelt worden verkocht, maakt het oordeel van het hof dat niet vaststaat dat op 14 november 2018, tijdens of na de controle, reeds sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan art. 11a Opiumwet niet onbegrijpelijk. De informatie maakt immers niet concreet duidelijk op grond waarvan men ertoe wilde overgaan om aan te tonen dat [A] B.V. een zodanige growshop is. Zelfs blijkt uit die informatie niet of de reden voor de controle is gevonden in feiten of omstandigheden die een verdenking kunnen gronden dan wel hooguit in weinig concrete aanwijzingen. Daarnaast kan uit de woorden dat “is getracht” om aan te tonen dat het om een growshop ging, worden afgeleid dat dit aantonen toen niet is gelukt. Het hof heeft dit kennelijk zo begrepen, en ook kunnen begrijpen, dat er ook bij of na de controle nog onvoldoende was om een redelijk vermoeden op te baseren.