ECLI:NL:PHR:2026:651

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
25/04725
Type
Conclusie
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:141 BWArt. 1:142 BWArt. 1:143 BWArt. 1:133 lid 2 BWArt. 1:87 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over afwikkeling huwelijkse voorwaarden en vergoedingsvordering sloep

Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding, dat tijdens het huwelijk niet is uitgevoerd. De rechtbank stelde op basis van door de man overgelegde vermogensoverzichten het te verrekenen vermogen vast en bepaalde onder meer de waarde van de sloep en andere vermogensbestanddelen. De vrouw stelde in hoger beroep meerdere grieven in tegen de vaststellingen, waaronder de waardering van de sloep en de beschrijving van het vermogen van de man. Het hof vernietigde deels de beschikking van de rechtbank, stelde de waarde van de sloep vast op €17.000,- en wees de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om het vermogen van de man te beschrijven en het te verrekenen vermogen vast te stellen, omdat zij haar vordering onvoldoende had geconcretiseerd.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte niet inhoudelijk heeft beslist op de grieven van de vrouw over de waardering van vermogensbestanddelen en de finale verrekening. Het hof had, ook zonder een eigen vermogensbeschrijving van de vrouw, op de grieven moeten reageren en het te verrekenen bedrag kunnen vaststellen op basis van de stukken van de man, de beslissing van de rechtbank en eigen oordelen. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de man geen vergoedingsrecht heeft op de vrouw met betrekking tot de sloep, omdat de man aannemelijk heeft gemaakt dat hij een deel van de aankoop uit een erfenis heeft betaald, wat buiten de verrekening kan blijven. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.

De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat de vrouw haar verzoeken onvoldoende heeft geconcretiseerd, maar dat het hof desondanks op haar grieven had moeten ingaan. Ook wijst de conclusie op de discretionaire bevoegdheid van de rechter om een notaris of deskundige te benoemen voor de beschrijving en waardering van het vermogen, maar dat dit niet verplicht is indien voldoende stukken zijn overgelegd. De zaak betreft complexe vraagstukken over de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden, periodieke verrekenbedingen, finale verrekening, en vergoedingsrechten binnen een eenvoudige gemeenschap.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de finale verrekening en het vergoedingsrecht met betrekking tot de sloep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04725
Zitting26 juni 2026
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
[de vrouw]
tegen
[de man]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als
de vrouw(verzoekster tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep) respectievelijk
de man(verweerder in cassatie, verzoeker in het incidenteel cassatieberoep).

1.Inleiding

Partijen waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden met periodiek verrekenbeding en zijn het niet eens over de toepassing daarvan. De rechtbank heeft beslist aan de hand van door de man overgelegde overzichten van vermogensbestanddelen en hun waardes. De vrouw heeft geen overzichten overgelegd. Aan een aantal omvangrijke vermogensbestanddelen heeft het hof specifiek woorden gewijd. Met betrekking tot de categorie ‘overige vermogensbestanddelen’ heeft de rechtbank geoordeeld dat de vrouw de overzichten van de man niet heeft weersproken. Zij achtte het niet mogelijk om de exacte waarde van die bestanddelen te bepalen en heeft een totaalbedrag vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden in de verrekening. In hoger beroep heeft de vrouw grieven gericht tegen oordelen over specifieke vermogensbestanddelen. Zij heeft het hof ook verzocht om het vermogen van de man te beschrijven en om het bedrag van het overgespaarde inkomen vast te stellen en te bepalen welk deel daarvan aan haar toekomt. Het hof heeft deze verzoeken afgewezen op de grond dat de vrouw haar vordering uit hoofde van de finale verrekening onvoldoende heeft geconcretiseerd. In het principaal cassatieberoep klaagt de vrouw daar mijns inziens terecht over. In het incidenteel cassatieberoep komt de man bovendien en mijns inziens terecht op tegen het oordeel van het hof dat hij niet heeft aangetoond dat hij een vergoedingsvordering op de vrouw heeft met betrekking tot een sloep die partijen samen hadden gekocht.

2.Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan r.o. 3.2 en 3.3 van de bestreden beschikking van het hof Den Haag van 24 september 2025. [1]
2.1
Partijen zijn gehuwd op 9 juli 1993. Zij hebben op 2 juli 1993 huwelijkse voorwaarden opgemaakt, inhoudende een koude uitsluiting met een periodiek verrekenbeding. In de akte van huwelijkse voorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 1
Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen bestaan.
(…)
Artikel 3
De kosten van de huishouding waaronder begrepen de kosten van de verzorging en opvoeding der kinderen, die uit het huwelijk der comparanten geboren mochten worden, zullen door de echtgenoten naar evenredigheid van hun inkomen worden gedragen. Indien de bedoelde kosten in enig jaar het gezamenlijk bedrag van de inkomsten der echtgenoten mochten overschrijden, zal het meerdere door hen eveneens in evenredigheid van hun inkomen ten laste van ieders vermogen worden gedragen.
Onder de in dit artikel bedoelde inkomsten der echtgenoten wordt verstaan datgene wat volgens de Rijksinkomstenbelasting als zodanig wordt aangemerkt.
Onder deze inkomsten is mede begrepen, hetgeen door hen mocht zijn verkregen door toeval of geluk.
(…)
Artikel 8
De echtgenoten zijn verplicht na afloop van elk jaar ter gelijkelijke verdeling bijeen te voegen hetgeen in dat jaar van hun netto-inkomen uit arbeid:
-
nietis besteed ter dekking van de kosten van de huishouding waaronder begrepen de kosten van verzorging en de opvoeding der kinderen;
-
nietis besteed danwel niet ten goede is gekomen aan beide echtgenoten casu quo het gezin.
Het recht om deze bijeenvoeging en verrekening terzake te vorderen vervalt na afloop van het tweede jaar volgende op dat, waarop genoemde bijeenvoeging betrekking heeft.
(…)”
3.
Procesverloop [2]
In eerste aanleg
3.1
De vrouw heeft op 10 januari 2023 de rechtbank Den Haag (hierna:
de rechtbank) verzocht de echtscheiding uit te spreken en heeft verschillende nevenverzoeken ingediend. Voor zover in cassatie van belang heeft de vrouw, na wijziging/aanvulling van haar verzoek, met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime verzocht:
- te bepalen dat het vermogen van de man wordt beschreven;
- het bedrag van het tijdens het huwelijk met overgespaard inkomen ontstane vermogen vast te stellen en te bepalen welk deel daarvan aan de vrouw toekomt; en het aan de vrouw toekomende deel daarvan te bepalen;
- [de sloep] van partijen (hierna:
de sloep) aan de man toe te delen onder betaling door hem aan de vrouw van de helft van de waarde ervan. [3]
3.2
De man heeft een verweerschrift ingediend, daarin zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken en verschillende nevenverzoeken gedaan. Voor zover in cassatie van belang heeft hij, na wijziging/aanvulling van zijn verzoek, met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime verzocht te bepalen dat:
- de vrouw gehouden is om uit hoofde van het te verrekenen vermogen aan hem per saldo een bedrag van € 125.674,50 te betalen;
- de sloep aan hem wordt toebedeeld tegen een waarde van € 20.000,- en dat hij gehouden is, na verrekening van het vergoedingsrecht, aan de vrouw € 3.166,67 te betalen.
3.3
Bij beschikking van 1 februari 2024 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en op veel nevenverzoeken van partijen een beslissing gegeven.
3.4
De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het verzoek met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime afgesplitst van de behandeling van de verzoeken om andere nevenvoorzieningen.
3.5
Tussen partijen was in eerste aanleg in geschil of zij gedurende het huwelijk uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding zoals opgenomen in artikel 8 van Pro de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank heeft in de beschikking van 1 februari 2024 geoordeeld dat er geen (volledige) periodieke verrekening heeft plaatsgevonden en dat er dus tussen partijen alsnog verrekend moet worden met inachtneming van art. 1:141 BW Pro. De rechtbank heeft de beslissingen met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime (verrekening, verdeling van eenvoudige gemeenschappen en vergoedingsrechten) aangehouden.
3.6
Voor zover in cassatie van belang heeft de rechtbank bij beschikking van 22 oktober 2024 bepaald dat de sloep moet worden getaxeerd en dat de sloep aan de man wordt toebedeeld voor de getaxeerde waarde minus € 6.833,-, zodat de man de helft van het resterende bedrag aan de vrouw moet vergoeden. Voor zover in cassatie van belang heeft de rechtbank verder bepaald dat de man in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden € 30.000,- aan de vrouw dient te voldoen inzake het te verrekenen vermogen, te vermeerderen met de helft van de getaxeerde waarde van het aan de man in eigendom toebehorende eiland ‘ [het eiland] ’ (hierna:
het eiland) met blokhut/recreatievoorziening en verminderd met de helft van de getaxeerde waarde van [het perceel] (hierna ook:
[het perceel]) en de graafmachine.
3.7
De rechtbank overwoog onder het kopje “
Afwikkeling huwelijksvermogensregime’:
“Zoals hiervoor overwogen, heeft de rechtbank in de beschikking van 1 februari 2024 (…) beslist dat partijen alsnog met inachtneming van het bepaalde in artikel 1:141 BW Pro moeten verrekenen. Gelet op artikel 1.141 BW vereist een verrekening van de vermogens van partijen dat de rechtbank beoordeelt welke bestanddelen tot de vermogens behoren en welke waarden aan die vermogens(bestanddelen) toegekend kunnen worden. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld daaromtrent nadere stukken in het geding te brengen (…).
Namens de man zijn bij brief van 7 augustus 2024 overzichten van de vermogensbestanddelen van hemzelf en de vrouw in het geding gebracht. Tevens heeft hij daarbij bewijsstukken van de door hem gestelde waarden van die vermogensbestanddelen gevoegd. Uit die stukken blijkt dat de man zich op het standpunt stelt dat hij uit hoofde van het verrekenbeding primair een bedrag van € 217.945.32 en subsidiair een bedrag van € 227.811,49 verschuldigd is aan de vrouw. De man stelt tevens dat hij een vordering heeft op de vrouw van € 329.294,49 uit hoofde van de verrekening. Na verrekening met de vordering van de vrouw op hem is de vrouw volgens de man gehouden om hem primair een bedrag van € 111.349,17 en subsidiair een bedrag van € 101.483,- te voldoen.
De vrouw heeft van haar kant niet ook een overzicht van de vermogensbestanddelen in het geding gebracht. Zij heeft bij brief van 23 augustus 2024 enkel bewijsstukken van de door haar gestelde waarden van enkele van de door de man gestelde vermogensbestanddelen ingediend. Het had op de weg van de vrouw gelegen, temeer omdat de verrekening door de vrouw is verzocht, om eveneens een overzicht van de vermogensbestanddelen van haarzelf en de man en de door haar aan de vermogensbestanddelen toegekende waarden in het geding te brengen. De vrouw heeft wel bij aanvullend verzoekschrift van 2 september 2024 nieuwe verzoeken gedaan (…). Op de zitting van 5 september 2024 heeft de advocaat van de vrouw daarnaast in een pleitnota willen reageren op de door de man in het geding gebrachte overzichten. Vanwege de omvang van de pleitnota en het moment van reageren op de stellingen van de man, is deze pleitnota wegens strijd met de eisen van de goede procesorde niet geaccepteerd. Het had op de weg van de vrouw gelegen om, conform de instructie van de rechtbank in de beschikking van 1 februari 2024, tijdig een onderbouwd standpunt in te nemen over de vermogens(bestanddelen) en de waarden daarvan. Nu zij dat niet voorafgaand aan de zitting heeft gedaan, is de man naar het oordeel van de rechtbank belemmerd om adequaat verweer te kunnen voeren.”
3.8
Onder het kopje ‘
Eenvoudige gemeenschappen’ oordeelde de rechtbank met betrekking tot de sloep onder meer:

Ad c) [de sloep]
Partijen zijn het erover eens dat de sloep aan de man wordt toebedeeld. Zij verschillen van mening over de waarde van de sloep. De vrouw stelt dat de huidige waarde van de sloep € 30.000,- bedraagt, te weten de waarde van de sloep van € 27.500,- vermeerderd met de waarde van de buitenboordmotor. De man stelt dat de waarde van de sloep op dit moment slechts € 20.000,- bedraagt. (…)
De man stelt dat hij destijds, in 2008, één derde van het aanschafbedrag van de sloep, zijnde € 13.666,-, uit zijn privévermogen heeft voldaan omdat hij toen een erfenis had ontvangen na het overlijden van zijn moeder. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst de man naar het door hem als productie 23 overgelegde rekeningafschrift. Volgens de man heeft hij daarom een vergoedingsrecht op de vrouw van € 6.833,- (de helft van € 13.666,-). De vrouw heeft deze stelling van de man onvoldoende betwist. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de sloep aan de man wordt toebedeeld voor de getaxeerde waarde minus € 6.833,-, zodat de man de helft van het resterende bedrag aan de vrouw moet vergoeden.”
3.9
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld over het te verrekenen vermogen. Ik citeer hier slechts de inleiding en de conclusie:

Te verrekenen vermogen
In de huwelijkse voorwaarden van partijen is in artikel 8 een Pro periodiek verrekenbeding opgenomen. De rechtbank heeft in de beschikking van 1 februari 2024 geoordeeld dat partijen de uit de huwelijkse voorwaarden voortvloeiende periodieke verrekenplicht niet (volledig) zijn nagekomen, zodat tussen partijen alsnog verrekend moet worden met inachtneming van artikel 1:141 BW Pro. Daaruit volgt dat indien geen uitvoering is gegeven aan een periodiek verrekenbeding, in beginsel wordt afgewikkeld als ware sprake van een finaal verrekenbeding. Het op de peildatum aanwezige vermogen van partijen wordt in dat geval overeenkomstig artikel 1:141 BW Pro geacht te zijn gevormd door overgespaard inkomen en moet alsnog bij helfte worden verdeeld. Daarvan is alleen uitgezonderd hetgeen partijen hebben aangebracht ten tijde van de huwelijkssluiting en de goederen die door schenking of krachtens erfrecht zijn verkregen.
(…)
Conclusie verrekening
Gelet op het voorgaande zullen partijen [het eiland] (met blokhut/recreatiewoning), [het perceel] en de graafmachine moeten laten taxeren met inachtneming van hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Partijen zijn elk gerechtigd tot de helft van de getaxeerde waarden, zodat zij deze waarden met elkaar zullen moeten verrekenen. Voor het overige stelt de rechtbank het vermogen aan de zijde van de man vast op € 121.620,98 en stelt de rechtbank het vermogen aan de zijde van de vrouw vast op € 61.620,98. Na verrekening heeft de vrouw in zoverre een vordering op de man van € 30.000,-. Het ligt evenwel voor de hand dat deze vordering zal worden meegenomen in de verrekening die zal moeten plaatsvinden na taxatie van het eiland, het perceel, de sloep en de graafmachine.”
In hoger beroep
3.1
De vrouw is, onder aanvoering van vijf grieven, van de beschikking van 22 oktober 2024 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna:
het hof). Zij heeft verzocht die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:
I. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 5.773,60;
II. te bepalen dat de sloep aan de vrouw wordt toebedeeld voor een bedrag van € 17.000,- waarbij de vrouw de helft van dit bedrag aan de man moet vergoeden, subsidiair een bedrag van € 11.340,- aan de man moet vergoeden;
III. het vermogen van de man te beschrijven;
IV. het bedrag van het tijdens het huwelijk met overgespaard inkomen ontstane vermogen vast te stellen en te bepalen welk deel daarvan aan de vrouw toekomt.
3.11
De vrouw heeft haar verzoek onder IV bij aanvullend beroepschrift nader uitgewerkt in die zin dat zij het hof verzoekt om het eiland met blokhut voor een waarde van € 775.000,- te betrekken in de berekening van het totale nog te verrekenen vermogen wat tijdens het huwelijk vanuit overgespaard inkomen is ontstaan, subsidiair om de blokhut daarin te betrekken met inachtneming van een door twee nader genoemde makelaars gezamenlijk en in goed onderling overleg bepaalde waarde, meer subsidiair tegen een door het hof benoemde deskundige vastgestelde waarde.
3.12
De man heeft geconcludeerd dat het hof de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart, althans het beroep afwijst en de bestreden beschikking bekrachtigt. Bij nader verweerschrift heeft de man geconcludeerd tot afwijzing van de nadere verzoeken van de vrouw.
3.13
Het hof heeft de zaak op 8 augustus 2025 mondeling behandeld. Partijen hebben ter zitting hun zaak doen bepleiten, ieder aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
3.14
Bij beschikking van 24 september 2025 heeft het hof de beschikking van 22 oktober 2024 vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de man op de waarde van de aan hem toebedeelde sloep een bedrag van € 6.833,- in mindering mag brengen. [4] Het hof heeft, opnieuw beschikkende, de waarde van de sloep vastgesteld op een bedrag van € 17.000,- en bepaald dat de man ter zake de verdeling van de sloep de som van € 8.500,- aan de vrouw dient te voldoen. Het hof heeft de beschikking van 22 oktober 2024 voor het overige bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.
3.15
Het hof heeft eerst geoordeeld op het hiervoor in 3.10 genoemde verzoek onder I m.b.t. de kosten van de voormalige echtelijke woning (r.o. 5.2-5.4). Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
3.16
Het hof oordeelde ten aanzien van het in 3.10 genoemde verzoek onder II (‘verdeling eenvoudige gemeenschap: de sloep’):
“5.6 Het hof stelt voorop dat de vrouw in eerste aanleg (…) heeft verzocht om de sloep aan de man toe te delen onder betaling van de helft van de waarde van de sloep aan de vrouw. Omdat de man het daarmee eens was, heeft de rechtbank aldus beslist. De vrouw kan in het kader van de verdeling van (de eenvoudige gemeenschap van) de sloep daarom niet (succesvol) appelleren tegen de beslissing om de sloep aan de man toe te delen, doch wel tegen de beslissing om dat te doen tegen de getaxeerde waarde minus € 6.833.- (zodat de man de helft van het resterende bedrag aan de vrouw moet vergoeden), nu dat ziet op de financiële afwikkeling van die verdeling. Het hof begrijpt dat de vrouw vindt dat de rechtbank bij die beslissing ten onrechte rekening heeft gehouden met een vergoedingsrecht dat de man op de vrouw zou hebben vanwege een door hem gestelde hogere inleg dan de vrouw, hetgeen volgens haar onjuist is. De man is daarentegen van mening dat de rechtbank juist heeft beslist.
5.7
Om te kunnen beslissen op het verzoek van de vrouw onder II, zal het hof hieronder de vraag beantwoorden of de man op de vrouw een vergoedingsrecht heeft ten aanzien van de sloep, en zo ja, hoe hoog dat vergoedingsrecht is.
5.8
Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij de sloep gezamenlijk hebben aangeschaft waardoor die aan hen in mede-eigendom toebehoort. Partijen zijn (…) buiten iedere gemeenschap van goederen getrouwd. De sloep is een eenvoudige gemeenschap in de zin van Titel 7 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat betekent dat partijen ieder zijn/haar eigen aandeel in de sloep moest financieren conform dat aandeel, zijnde 50%. Als wordt vastgesteld dat een van partijen een groter aandeel uit privévermogen heeft gefinancierd dan waartoe hij/zij conform zijn/haar aandeel in het goed gehouden was, kan die partij indien daarvoor een rechtsgrond is in beginsel voor dat gedeelte een vergoedingsrecht op de ander hebben. Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden geen bepaling opgenomen met betrekking tot vergoedingsrechten, derhalve moet aan de hand van de rechtspraak van de Hoge Raad worden vastgesteld of er een vergoedingsrecht is en wat de hoogte is van het vergoedingsrecht. Het vergoedingsrecht is ontstaan voor 1 januari 2012 derhalve is artikel 1:87 BW Pro niet van toepassing.
5.9
Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting kan het hof de juistheid van de stellingen van de man ten aanzien van de financiering van de sloep niet verifiëren. De sloep is door partijen betaald vanaf de gezamenlijke rekening, waarvan ieder deelgerechtigde was tot het bedrag dat ieder van hen daarop respectievelijk had gestort, dan wel tot de helft van het saldo. Dat de man het bedrag dat hij uit de erfenis van zijn moeder op de gezamenlijke rekening heeft gestort ten behoeve van de betaling van 1/3e van de sloep, maakt niet dat hij daarmee het aandeel van de vrouw in de sloep heeft gefinancierd. De man verklaart bovendien in punt 47 van zijn brief van 7 augustus 2024 dat de financiering van de sloep als volgt is gedaan: 1/3e uit privévermogen van de man, 1/3e uit privévermogen van de vrouw (‘
uit haar spaargeld’) en 1/3e van het gezamenlijk spaargeld van partijen. Het hof stelt vast dat de man niet heeft aangetoond hij een vergoedingsvordering heeft op de vrouw met betrekking tot de sloep.
5.1
De sloep is thans getaxeerd op € 17.000,-. Het hof zal de wijze van verdeling met betrekking tot de sloep bekrachtigen met dien verstande dat uitgegaan moet worden van een waarde van € 17.000,- en dat de man aan de vrouw dient te voldoen de somma van € 8.500,-.”
[cursivering origineel, A-G]
3.17
Het hof oordeelde met betrekking tot de hiervoor in 3.10 genoemde verzoeken onder III en IV (‘beschrijving vermogen van de man en finale verrekening’):
“5.11 Gelet op de onderlinge samenhang van de verzoeken van de vrouw onder III en IV, zal het hof die hieronder gezamenlijk bespreken.
5.12
De vrouw verzoekt het hof in haar petitum onder III om het vermogen van de man te beschrijven. De vrouw verzoekt het hof in haar petitum onder IV om het bedrag van het tijdens het huwelijk met overgespaard inkomen ontstane vermogen vast te stellen en te bepalen welk deel daarvan aan de vrouw toekomt. Bij aanvullend verzoekschrift van 30 juli 2025 werkt zij haar verzoek gedeeltelijk nader uit, in die zin dat zij betoogt dat het eiland meegenomen moet worden tegen een waarde van € 775.000,-. Het hof begrijpt het verzoek van de vrouw onder IV aldus dat de vrouw hiermee een beslissing van het hof wil over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden inzake het te verrekenen vermogen, waarvan het eiland volgens de vrouw deel uitmaakt.
5.13
Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Partijen zijn getrouwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen (artikel 1) en voorts mede omvattende een periodiek verrekenbeding (artikel 8). Tijdens het huwelijk hebben partijen geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding wordt in beginsel afgewikkeld als een finaal verrekenbeding. Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW Pro wordt het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.
5.14
Het hof zal de verzoeken van de vrouw afwijzen. Hiertoe overweegt het hof dat de vrouw haar vordering uit hoofde van de finale verrekening onvoldoende heeft geconcretiseerd. Het ligt op de weg van de partij die verrekening vordert om aan te geven wat de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen is en hoeveel zijn/haar verrekenvordering bedraagt. Daartoe kan van de verrekenplichtige echtgenoot een vermogensbeschrijving verlangd worden waarop de artikelen 671 tot en met 676 en 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van overeenkomstige toepassing zijn (artikel 1:143, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De vrouw vordert geen concreet bedrag, noch heeft zij een vermogensbeschrijving van de man overgelegd, noch stelt zij het hof in staat om het vermogen van de man te beschrijven. Zij had moeten aangeven welke vermogensbestanddelen omschreven dienen te worden, dan wel waar haar verzoek precies op ziet. Hoewel de vrouw in haar processtukken (in eerste aanleg en hoger beroep) ter onderbouwing van haar verzoeken een veelvoud van vermogensbestanddelen, giften, spaarsaldi en voorhuwelijks vermogen noemt, kan het hof daarmee niet vaststellen waaruit het vermogen van de man bestaat noch welk bedrag voor verrekening in aanmerking komt.
5.15
Het had op de weg van de vrouw gelegen om deugdelijke verzoeken te doen althans haar verzoeken deugdelijk te onderbouwen hetgeen zij naar het oordeel van het hof niet heeft gedaan. De wijze waarop in deze zaak is geprocedeerd maakt het voor het hof onmogelijk om op basis van de feiten en de wet een rechtvaardig oordeel te kunnen vormen.”
3.18
Het hof heeft tot slot het bewijsaanbod van de vrouw gepasseerd:
“5.16 Voor zover de vrouw heeft aangeboden om haar stellingen te bewijzen, overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft aangeboden om bewijs te leveren van haar stellingen omtrent (1) de financiering van [het perceel] en (2) de schenkingen die zij van haar ouders heeft ontvangen, door relevante bankadministratie en overige stukken in het geding te brengen en haar moeder, broer en zusters als getuigen te horen. Het hof overweegt hieromtrent dat het bewijsaanbod tevergeefs is, nu de stellingen waarvan het bewijs wordt aangeboden voor het onderhavige oordeel niet relevant zijn. Het hof merkt ten overvloede op dat volgens vaste rechtspraak van een partij die zich beroept op schriftelijk bewijs waarover zij beschikt, mag worden verlangd dat zij dit uit zichzelf in het geding brengt (…).”
In cassatie
3.19
Bij procesinleiding van 18 december 2025 heeft de vrouw – tijdig – bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld van de beschikking van 24 september 2025 (hierna:
de beschikking). De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en heeft van zijn zijde incidenteel cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft in dat beroep geconcludeerd tot verwerping.

4.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep

4.1
Het cassatiemiddel is opgebouwd uit vier onderdelen. Voordat ik overga tot een bespreking van de klachten schets ik kort het juridisch kader. [5]
4.2
Op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen is afdeling 2 van titel 8 van Boek 1 BW van toepassing, aangezien artikel 8 van Pro de huwelijkse voorwaarden een verplichting tot periodieke verrekening van netto-inkomen uit arbeid inhoudt. [6]
4.3
Vaststaat dat partijen aan het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen periodieke verrekenbeding geen uitvoering hebben gegeven en dat daarom de huwelijkse voorwaarden moeten worden afgewikkeld volgens art. 1:141 BW Pro. De periodieke verrekenverplichting wordt omgezet in een finale verrekenverplichting op het in art. 1:142 BW Pro bepaalde tijdstip (de peildatum). In deze zaak staat vast dat de peildatum 10 januari 2023 is, de datum van indiening door de vrouw van het verzoek tot echtscheiding. [7]
4.4
Art. 1:141 lid 1 BW Pro bepaalt:
“Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over het huwelijk niet is afgerekend, blijft de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand en strekt deze zich uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan.”
4.5
In het derde lid van art. 1:141 BW Pro is een bewijsregel opgenomen die beoogt de afwikkeling van periodieke verrekenbedingen te vergemakkelijken. [8] De bewijsregel houdt in dat indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro meebrengt dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met stellen en aannemelijk maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan,
nietgevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. [9] Daartoe mag van die echtgenoot worden verwacht dat hij aanvoert hoe de vermogensbestanddelen in kwestie zijn gefinancierd of verkregen en dat hij zo nodig bescheiden overlegt die dit afdoende onderbouwen. [10]
4.6
De in art. 1:141 lid 3 BW Pro omschreven bewijsregel heeft alleen betrekking op de vraag of het aanwezige vermogen al dan niet is gefinancierd uit hetgeen verrekend had moeten worden en
nietop de waarde van het te verrekenen vermogen. [11] De Hoge Raad overwoog hierover:
“Ten aanzien van de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen op de peildatum gelden de gewone regels voor stelplicht en bewijslast. Dat brengt enerzijds mee dat de rechter daarop betrekking hebbende stellingen van de ene echtgenoot die door de andere echtgenoot niet of niet voldoende zijn betwist, in beginsel als vaststaand moet aannemen (art. 149 lid 2 Rv Pro) [
ik lees: art. 149 lid 1 Rv Pro, A-G]. Anderzijds dient een echtgenoot wiens stellingen met betrekking tot de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen voldoende betwist zijn, in beginsel de juistheid van zijn stellingen te bewijzen. In dit verband is echter van belang dat ingevolge de slotzin van art. 1:141 lid 3 BW Pro in verbinding met art. 1:143 BW Pro echtgenoten jegens elkaar verplicht zijn om tot beschrijving van het vermogen over te gaan. Aldus kan de verrekenvordering worden vastgesteld, waarbij zo nodig op grond van art. 1:143 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 679 Rv Pro een deskundige kan worden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten.
Opmerking verdient dat de verzoeken tot beschrijving van het vermogen en tot het benoemen van een deskundige weliswaar volgens de zojuist genoemde bepalingen tot de kantonrechter moeten worden gericht, maar dat dit ook op verlangen van een der partijen kan worden bevolen door de rechter voor wie een geding op de voet van art. 1:141 BW Pro aanhangig is (vgl. aldus art. 679 lid 2 Rv Pro voor het geval van een geding over de verdeling van een gemeenschap).” [12]
4.7
Art. 1:141 lid 3 BW Pro verklaart art. 1:143 BW Pro van overeenkomstige toepassing. Op grond van het eerste lid van dit artikel kan vanaf de in art. 1:142 BW Pro bedoelde peildatum ieder der echtgenoten verzoeken dat het te verrekenen vermogen van de andere echtgenoot wordt beschreven. De ratio hiervan is dat het voor de uitvoering van overeengekomen huwelijkse voorwaarden essentieel is dat echtgenoten elkaar alle benodigde gegevens verschaffen om de verrekenvordering over en weer te kunnen vaststellen. [13] Uit het genoemde arrest van 19 april 2019 blijkt dat het verkrijgen van deze inlichtingen ook van belang is met het oog op hetgeen partijen in een procedure moeten stellen en bewijzen.
4.8
Aangezien de artikelen 671-676 Rv en art. 679 Rv Pro van overeenkomstige toepassing zijn (art. 1:143 lid 2 BW Pro), kan de rechter een boedelbeschrijving bevelen of een deskundige benoemen om de waarde van de te verrekenen goederen te schatten. [14]
4.9
Art. 672 lid 3 Rv Pro bepaalt dat het bevel slechts wordt gegeven, indien de verzoeker zijn recht en belang “summierlijk aannemelijk maakt.” De verzoeker dient aan te tonen welke rechtspositie hij inneemt ten aanzien van de boedel en welk belang hij heeft bij de beschrijving daarvan. Dat het belang slechts summierlijk aannemelijk moet worden gemaakt is een lage drempel. [15]
4.1
Tot zover het kader.
Onderdeel 1
4.11
Het
eerste onderdeelis gericht tegen de afwijzing door het hof in de rechtsoverwegingen 5.11 tot en met 5.17 van de verzoeken van de vrouw onder III en IV van haar beroepschrift (beschrijving van het vermogen van de man en beslissing over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden inzake het te verrekenen vermogen). Het onderdeel bevat de klacht dat het oordeel onjuist is of onbegrijpelijk, omdat het hof heeft verzuimd om op de daarin opgenomen grieven van de vrouw en op grief 5 te reageren, althans heeft miskend dat met afwijzing van de verzoeken nog niet op de grieven 3 tot en met 5 is beslist. Ter toelichting op de klacht voert het onderdeel, puntsgewijs weergegeven, het volgende aan:
- De rechtbank heeft in de beschikking van 22 oktober 2024 bepaald dat de man in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 30.000,- aan de vrouw moet voldoen inzake het te verrekenen vermogen, te vermeerderen met de helft van de getaxeerde waarde van het eiland met blokhut/recreatiewoning en verminderd met de helft van de getaxeerde waarde van [het perceel] en de graafmachine.
- In
grief 3is de vrouw opgekomen tegen het oordeel dat zij na verrekening een vordering op de man heeft van € 30.000,-. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gehele nog vast te stellen waarde van [het perceel] tot het te verrekenen vermogen behoort, omdat dit deels is gefinancierd met de privévermogens van partijen en deels met overgespaarde inkomsten van partijen. [16] Wat betreft het eiland heeft de vrouw aangevoerd dat zij een bedrag van € 48.500,- aan privévermogen daarin heeft geïnvesteerd en dat de rechtbank deze stelling ten onrechte als onvoldoende onderbouwd heeft afgewezen. [17] De vrouw heeft in de grief verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de aandelen ING buiten de verrekening heeft gehouden [18] en de waarde van de aandelen AT Osborne ten onrechte heeft gesteld op € 113.688,-. [19]
-
Grief 4van de vrouw richtte zich onder meer tegen het oordeel van de rechtbank dat niet vaststaat dat zij giften tot het door haar gestelde bedrag heeft ontvangen. [20]
- In haar aanvullend beroepschrift heeft de vrouw verzocht om het eiland tegen een waarde van € 775.000,- te betrekken in de verrekening en subsidiair deze te laten taxeren.
- In
grief 5klaagde de vrouw onder meer over het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het voorhuwelijkse vermogen [21] en de overige roerende goederen. [22]
4.12
Het onderdeel stelt dat het hof de grieven 3 tot en met 5 ten onrechte niet inhoudelijk heeft beoordeeld of deze uitlegt als gericht op (verzoeken tot) beschrijving van het vermogen en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden inzake het te verrekenen vermogen. Volgens het onderdeel is dat een onjuiste of onbegrijpelijke uitleg van de grieven van de vrouw, aangezien deze mede zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank over (i) hetgeen buiten de verrekening is gehouden, (ii) de vastgestelde waarden en (iii) de uiteindelijk op € 30.000,- vastgestelde verrekeningsvordering. Het onderdeel stelt dat ook de man de (laatstgenoemde) strekking van de grieven van de vrouw zo heeft begrepen en daartegen inhoudelijk verweer heeft gevoerd. Het onderdeel bevat de klacht dat het hof heeft miskend dat het begrip ‘grieven’ ruim moet worden opgevat en dus niet beperkt is tot het (in het petitum) verzochte, dan wel dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat de vrouw in de grieven 3 tot en met 5 onmiskenbaar (ook) opkomt tegen het oordeel van de rechter over de verrekeningsvordering en haar in dat verband verworpen stellingen. Bovendien, zo vervolgt het onderdeel, was het hof gehouden om (gemotiveerd) te beslissen op hetgeen de vrouw in hoger beroep heeft aangevoerd. Voor zover het hof de grieven van de vrouw heeft gepasseerd omdat deze niet relevant zijn, is dat volgens het onderdeel onbegrijpelijk omdat de grieven waren gericht op de eindbeschikking en eindbeslissingen van de rechtbank en bij het slagen ervan de verrekeningsvordering anders uitvalt. Het onderdeel stelt tot slot dat de vrouw belang heeft bij inhoudelijke behandeling van haar grieven, omdat het gevolg van de bekrachtiging door het hof is dat het oordeel van de rechtbank over de vaststelling van de verrekeningsvordering op een bedrag van € 30.000,- onherroepelijk wordt zonder dat inhoudelijk is beslist op de daartegen gerichte grieven.
4.13
Ik meen dat het onderdeel slaagt op grond van het volgende.
4.14
Ik neem tot uitgangspunt dat het hof alleen de verzoeken van de vrouw in het petitum heeft beoordeeld. [23] Het hof is niet ingegaan op de afzonderlijke grieven van de vrouw. Het hof heeft in de door het onderdeel bestreden overwegingen de verzoeken van de vrouw onder III en IV afgewezen. Het heeft in r.o. 5.14 geoordeeld dat de vrouw haar vordering uit hoofde van de finale verrekening onvoldoende heeft geconcretiseerd. Het hof heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de vrouw geen concreet bedrag vordert, dat zij geen vermogensbeschrijving van de man heeft overgelegd en dat zij het hof niet in staat stelt om het vermogen van de man te beschrijven. Het hof heeft in r.o. 5.15 geoordeeld dat het op de weg van de vrouw had gelegen om deugdelijke verzoeken te doen althans haar verzoeken deugdelijk te onderbouwen, en dat zij dit niet heeft gedaan.
4.15
In eerste aanleg had ook de rechtbank geoordeeld dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. In de beschikking van 22 oktober 2024 heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw van haar kant niet een overzicht van de vermogensbestanddelen in het geding heeft gebracht. De rechtbank oordeelde dat het op de weg van de vrouw had gelegen, temeer omdat zij de verrekening heeft verzocht, om eveneens een overzicht van de vermogensbestanddelen van haarzelf en de man en de door haar aan de vermogensbestanddelen toegekende waarden in het geding te brengen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het (ik voeg toe: daarom) de te verrekenen vermogens zal beoordelen “aan de hand van de door de man gestelde vermogensbestanddelen en de daaromtrent door de vrouw ingenomen stellingen en ingediende stukken.” [24] De rechtbank oordeelde verderop in de beschikking onder het kopje ‘
Peildatum’ (p. 10):
“De rechtbank stelt (…) voorop dat de vrouw van de vermogensbestanddelen die voorkomen op de door de man opgestelde overzichten de door de man gestelde waarden, slechts van enkele bestanddelen gemotiveerd heeft betwist. Mede gelet hierop is door de rechtbank aan de hand van de stukken niet van ieder vermogensbestanddeel individueel de waarde vast te stellen. Die vermogensbestanddelen zullen door de rechtbank worden betrokken in een hierna aan te geven totaal te verrekenen bedrag.
Over enkele vermogensbestanddelen bestaat tussen partijen meer verschil van inzicht. Aan die vermogensbestanddelen zal de rechtbank hierna overwegingen wijden. Aan de hand van de overige vermogensbestanddelen zal de rechtbank de omvang van het vermogen van ieder van de partijen bepalen, zodat een te verrekenen bedrag ontstaat. Zoals in het hierna volgende zal blijken, zullen partijen ook nog enkele vermogensbestanddelen moeten laten taxeren. Zij kunnen daarna de vastgestelde waarden van deze vermogensbestanddelen ook betrekken in de verrekening.”
4.16
De rechtbank heeft vervolgens uitvoerig gemotiveerd beoordeeld welke vermogensbestanddelen van partijen al dan niet in de verrekening worden betrokken. Ik geef de overwegingen geparafraseerd weer:
- De vrouw heeft onvoldoende aangetoond wat de hoogte was van de waarde van haar bij het huwelijk aangebrachte
voorhuwelijkse vermogen. [25] De voorhuwelijkse vermogens van beide partijen worden gelijkgetrokken en bepaald op het door de man gestelde bedrag van € 18.379,02.
- De omvang van eventuele
giften/schenkingenis onvoldoende vast te stellen, zodat daarmee bij de bepaling van de omvang van het vermogen van de vrouw geen rekening wordt gehouden. [26]
- Voldoende staat vast dat de man een bedrag van € 36.890,- uit hoofde van de
erfenis van zijn moederheeft verkregen. Dit bedrag moet buiten de verrekening blijven.
- De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat [het perceel] mede is gekocht met haar privégeld van fl. 100.000,-. De gehele, door een taxateur nog vast te stellen waarde van het perceel moet in de verrekening worden betrokken.
- De vrouw heeft aangevoerd dat het
eiland en de recreatiewoning/blokhutmet een bedrag van € 48.500,- is gefinancierd met haar privégeld. De vrouw heeft niet alleen niet duidelijk gemaakt wat de juridische grondslag is van haar stelling (schenking/giften of voorhuwelijks vermogen), maar heeft voorts onvoldoende aangetoond dat zij met privégeld het eiland en de recreatiewoning/blokhut heeft gefinancierd. De gehele, door een makelaar nog te taxeren waarde van het eiland met de recreatiewoning/blokhut moet in het nog te verrekenen bedrag worden betrokken.
- Een bedrag van € 7.000,- met betrekking tot een
lening aan de zoonmoet worden meegenomen in het te verrekenen vermogen aan de zijde van de vrouw.
- De waarde die door een taxateur zal worden toegekend aan de door de vrouw gekochte
graafmachinemoet worden betrokken in het nog te verrekenen bedrag.
- De man heeft niet aangetoond dat de vrouw op de peildatum
contant geldter hoogte van € 30.000,- in haar bezit had, zodat dit bedrag niet zal worden meegenomen in het te verrekenen vermogen.
- De man heeft onvoldoende aangetoond dat de vrouw vermogen verborgen houdt, zodat zijn verzoek om de waarde van dat vermogen geheel aan hem te vergoeden, wordt afgewezen. [27]
- De waarde van de
aandelen INGdie de man heeft aangeschaft dient buiten de verrekening te blijven.
- De
aandelen AT Osbornemoeten in de verrekening worden betrokken tegen de door de man gestelde waarde van € 113.688,-, nu deze waarde door de vrouw niet is betwist.
- De man heeft als producties 25 en 27 overzichten in het geding gebracht van zowel de vermogensbestanddelen aan zijn zijde als de vermogensbestanddelen aan de zijde van de vrouw. [28] De vrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de samenstelling van de in de overzichten opgenomen vermogensbestanddelen, maar heeft wel de door de man aan enkele van die bestanddelen toegekende waarden gemotiveerd betwist. Op de belangrijkste punten die partijen verdeeld houden, is in het voorgaande beslist. Omdat het gelet op de stellingen over en weer onmogelijk is de exacte waarde van alle bestanddelen te bepalen, zal ten aanzien van de bestanddelen aan zowel de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw een totaalbedrag worden vastgesteld rekening moet worden gehouden in de verrekening. Na aftrek van het voorhuwelijkse vermogen aan beide zijden resteert aan de zijde van de man een bedrag van € 121.620,98 en aan de zijde van de vrouw een bedrag van € 61.620,98. Beide bedragen moeten in de verrekening worden betrokken. Na verrekening heeft de vrouw in zoverre een vordering op de man van € 30.000,-. [29]
4.17
Uit het voorgaande blijkt dat de vrouw in eerste aanleg niet zelf een overzicht in het geding heeft gebracht van de afzonderlijke vermogensbestanddelen van partijen en met door haar daaraan toegekende waarden. Dit weerhield de rechtbank er echter niet van om een uitvoerig gemotiveerd oordeel te geven over het te verrekenen vermogen. Dat de rechtbank dit heeft gedaan aan de hand van de
door de mangestelde vermogensbestanddelen van beide partijen (en de daaromtrent vervolgens door de vrouw ingenomen stellingen en ingediende stukken), lag in het licht van de vaststelling dat de vrouw niet aan haar stelplicht had voldaan, voor de hand. In haar grieven 3 tot en met 5 is de vrouw opgekomen tegen oordelen van de rechtbank met betrekking tot (de waarde van) specifieke vermogensbestanddelen: [het perceel] , het eiland, de aandelen ING, de aandelen AT Osborne, giften aan de vrouw van haar ouders, het voorhuwelijkse vermogen van de vrouw en de overige (roerende) goederen. Ook indien moet worden aangenomen dat de vrouw ook in hoger beroep niet een eigen beschrijving van de vermogensbestanddelen heeft overgelegd, met toekenning van een waarde daaraan, kon (en diende) het hof te responderen op de onderbouwde grieven van de vrouw. Dit kon leiden tot andere oordelen met betrekking tot één of meer vermogensbestanddelen en daarmee de omvang van het te verrekenen vermogen. Daarbij merk ik op dat de niet bestreden oordelen van de rechtbank in hoger beroep uiteraard vaststonden. Aldus kon het hof aan de hand van (i) de stukken van de man, (ii) de beslissing van de rechtbank en (iii) eigen beslissingen op de grieven van de vrouw, gewoon het te verrekenen bedrag vaststellen, al dan niet, door middel van schatting, bij benadering.
4.18
Ik meen dat in de hiervoor in 3.17 weergegeven oordelen niet besloten ligt het oordeel dat de betreffende grieven van de vrouw niet slagen. Uit niets blijkt dat het hof die grieven onder ogen heeft gezien en afzonderlijk heeft beoordeeld. Een deugdelijke motivering ontbreekt in elk geval.
4.19
Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het onderdeel slaagt en dat de beschikking van het hof niet in stand kan blijven.
Onderdelen 2A en 2B
4.2
Onderdeel 2Ais gericht tegen de volgende overwegingen en oordelen in r.o. 5.14 en 5.15:
- De vrouw heeft haar vordering (verzoek) uit hoofde van de finale verrekening onvoldoende geconcretiseerd.
- De vrouw vordert geen concreet bedrag, noch heeft zij een vermogensbeschrijving van de man overgelegd, noch stelt zij het hof in staat om het vermogen van de man te beschrijven.
- De vrouw had moeten aangeven welke vermogensbestanddelen omschreven dienen te worden, dan wel waar haar verzoek precies op ziet.
- Hoewel de vrouw in haar processtukken ter onderbouwing van haar verzoek een veelvoud van vermogensbestanddelen, giften, spaarsaldi en voorhuwelijks vermogen noemt, kan daarmee niet worden vastgesteld waaruit het vermogen van de man bestaat noch welk bedrag voor verrekening in aanmerking komt.
- Het had op de weg van de vrouw gelegen om deugdelijke verzoeken te doen, althans haar verzoeken deugdelijk te onderbouwen. Dit heeft zij niet gedaan.
4.21
Voor zover het hof in r.o. 5.14 verwijst naar de onderbouwing van de vrouw in haar processtukken waarin zij vermogensbestanddelen, giften, spaarsaldi en voor huwelijksvermogen noemt, verwijst dit onderdeel naar onderdeel 1. Volgens het onderdeel is het oordeel dat de vrouw haar verzoek uit hoofde van de finale verrekening onvoldoende heeft geconcretiseerd verder onjuist of onbegrijpelijk, omdat het verzoek nu juist zag
op een beschrijving van het vermogen van de man. Pas na een beslissing op de grieven van de vrouw en/of een beschrijving van het vermogen kan de verrekenvordering worden vastgesteld, aldus het onderdeel. Volgens het onderdeel stelt het hof dan ook ten onrechte de eis dat de vrouw haar verzoeken nader had moeten concretiseren en onderbouwen. Dat klemt temeer, zo vervolgt het onderdeel, daar deze verzoeken niet konden worden “vastgesteld” zolang niet (inhoudelijk) op de grieven 3 tot en met 5 is beslist. Het onderdeel stelt dat het hof daarbij heeft miskend dat (ex-)echtgenoten op grond van de wet jegens elkaar verplicht zijn om tot beschrijving van het vermogen over te gaan, waarbij zo nodig een deskundige kan worden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken stelt het onderdeel dat de vrouw op dit punt een verzoek heeft gedaan. Het onderdeel stelt dat de wet aan een dergelijk verzoek niet de eis stelt dat concreet wordt aangegeven welke vermogensbestanddelen moeten worden omschreven, en ook niet de andere eisen die het hof stelt in r.o. 5.14 en 5.15. Het onderdeel acht in dit verband van belang dat de vrouw heeft aangevoerd dat zij niet weet welke goederen de man nog onder zich heeft en wat de waarde daarvan is, en dat haar overzicht van de vermogensbestanddelen onvolledig is. [30] Het hof, zo concludeert het onderdeel, is er dan ook ten onrechte aan voorbij gegaan dat de vrouw de wettelijke mogelijkheid had om het vermogen van de man te laten beschrijven, aldus het onderdeel.
4.22
Onderdeel 2Bis gericht tegen de overweging in r.o. 5.14 dat de vrouw geen concreet bedrag vordert, noch een vermogensbeschrijving van de man heeft overgelegd, noch het hof in staat stelt om het vermogen van de man te beschrijven. Volgens het onderdeel is deze overweging onjuist of onbegrijpelijk op de gronden die zijn aangevoerd in de vorige onderdelen. Daarbij komt, zo stelt het onderdeel, dat zowel de man als de vrouw een (gedeeltelijke) vermogensbeschrijving hebben overgelegd zodat onbegrijpelijk is waarom het hof of een nader te benoemen deskundige niet in staat zou zijn om het vermogen te beschrijven en/of te waarderen waarna de verrekenvordering concreet kan worden vastgesteld. [31]
4.23
De onderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Ik herhaal dat de Hoge Raad in het hiervoor in 4.6 geciteerde arrest van 19 april 2019 heeft geoordeeld dat ten aanzien van de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen op de peildatum de gewone regels voor stelplicht en bewijslast gelden. Dat brengt, zo overwoog de Hoge Raad, enerzijds mee dat de rechter daarop betrekking hebbende stellingen van de ene echtgenoot die door de andere echtgenoot niet of niet voldoende zijn betwist, in beginsel als vaststaand moet aannemen. Anderzijds dient een echtgenoot wiens stellingen met betrekking tot de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen voldoende zijn betwist, in beginsel de juistheid van zijn stellingen te bewijzen. Uw Raad oordeelde direct aansluitend:
“In dit verband is echter van belang dat ingevolge de slotzin van art. 1:141 lid 3 BW Pro in verbinding met art. 1:143 BW Pro echtgenoten jegens elkaar verplicht zijn om tot beschrijving van het vermogen over te gaan. Aldus kan de verrekenvordering worden vastgesteld, waarbij
zo nodigop grond van art. 1:143 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 679 Rv Pro een deskundige
kanworden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten.”
[onderstreping toegevoegd, A-G]
4.24
Het beschrijven van het vermogen houdt, als ik het goed zie, in het geven van een overzicht van de afzonderlijke vermogensbestanddelen. Dit kan worden onderscheiden van het toekennen van een bepaalde waarde aan de individuele vermogensbestanddelen. Art. 672 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de boedel zich geheel of voor een groot deel bevindt, op verzoek van een der in artikel 660 onder Pro 1° en 3° onder a bedoelde personen of van iemand die daarbij op andere grond voldoende belang heeft, een boedelbeschrijving
kanbevelen door een bij dat bevel aan te wijzen notaris. [32]
4.25
Van Ginneken stelt dat de rechter ten aanzien van het geven van het bevel tot een boedelbeschrijving een discretionaire bevoegdheid heeft. [33] Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft de Hoge Raad zich daarover nog niet uitdrukkelijk uitgelaten. Van de lagere rechtspraak noem ik een beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 11 april 2019. [34] In deze beschikking oordeelde het hof op het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het opstellen van een beschrijving van het te verrekenen vermogen op grond van art. 1:143 BW Pro:
Artikel 1:143 lid 1 BW Pro bepaalt dat ieder der echtgenoten kan verzoeken dat het te verrekenen vermogen van de andere echtgenoot wordt beschreven. Deze regeling ziet op het verschaffen van de benodigde gegevens om de verrekenvordering van de overeengekomen huwelijkse voorwaarden over en weer te kunnen vaststellen. Het gaat om een beschrijving naar de peildatum (…).
Het hof zal het verzoek van de vrouw afwijzen. In de processtukken is van een groot aantal vermogensbestanddelen gebleken, die ook zijn besproken. De man heeft verklaard dat er geen overige vermogensbestanddelen zijn. Daarmee heeft de man duidelijk gemaakt welke vermogensbestanddelen tot het te verrekenen vermogen behoren en op die manier zijn uit art. 1:143 lid 1 BW Pro voortvloeiende verplichtingen voldaan. De vrouw heeft onvoldoende aangevoerd dat tot een ander oordeel kan leiden.”
4.26
Het hof Den Haag heeft in het verleden verschillende uitspraken gedaan waarin soortgelijke overwegingen zijn gegeven als in de onderhavige zaak. [35]
4.27
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in de beschikking van 22 oktober 2024 overwogen (i) dat zij de te verrekenen vermogens zal beoordelen aan de hand van de door de man gestelde vermogensbestanddelen en de daaromtrent door de vrouw ingenomen stellingen en ingediende stukken, en (ii) dat de vrouw geen verweer heeft gevoerd ten aanzien van de samenstelling van de door de man in de overzichten opgenomen vermogensbestanddelen, maar dat zij wel de door de man aan enkele van deze bestanddelen toegekende waarde gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank heeft overwogen dat het gelet op de stellingen over en weer onmogelijk is de exacte waarde van alle bestanddelen te bepalen, en dat zij daarom ten aanzien deze bestanddelen aan zowel de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw een totaalbedrag zal vaststellen waarmee rekening moet worden gehouden in de verrekening. De rechtbank heeft bepaald dat partijen het eiland, [het perceel] en de graafmachine moeten laten taxeren en dat zij elk gerechtigd zijn tot de helft van de getaxeerde waarden, zodat zij deze waarden met elkaar zullen moeten verrekenen. De rechtbank heeft “voor het overige,” dat wil zeggen de overige roerende vermogensbestanddelen die de man in zijn samenstelling had opgenomen, het vermogen aan de zijde van partijen vastgesteld op bepaalde bedragen en geoordeeld dat de vrouw na verrekening “in zoverre” een vordering op de man heeft van € 30.000,-. De rechtbank heeft overwogen dat het voor de hand ligt dat deze vordering zal worden meegenomen in de verrekening die zal moeten plaatsvinden na taxatie van het eiland, het perceel, de sloep en de graafmachine.
4.28
De onderdelen verwijzen voor de stellingen van de vrouw in hoger beroep naar het beroepschrift, onder 66, 85-87 en het dictum. In de genoemde nummers heeft de vrouw het volgende aangevoerd:
“66. De vrouw handhaaft haar verzoek dat het vermogen van de man zal worden beschreven.
(…)
85. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vrouw geen overzicht in geding heeft gebracht van de goederen van de vermogensbestanddelen.
86. Bij brief (…) in geding gebracht met F-9 formulier d.d. 13 november 2023 en derhalve al voor de eerste zitting heeft de vrouw een overzicht verstrekt van de bij haar bekende vermogensbestanddelen. Daar de vrouw niet wist welke goederen de man nog verder onder zich had en haar overzicht van de vermogensbestanddelen derhalve onvolledig was, heeft de vrouw de rechtbank verzocht het vermogen van de man te beschrijven.
87. In die brief schrijft de vrouw: “Middels bijgaande producties geeft de vrouw aan welke vermogensbestanddelen in de verrekening moeten worden betrokken, waarbij de vrouw uiteraard slechts de vermogensbestanddelen benoemt, waar zij kennis van heeft”.”
4.29
Als een procespartij een overzicht in het geding brengt van de hem of haar toebehorende vermogensbestanddelen, dan heeft die partij mijns inziens voldaan aan de verplichting van art. 1:141 lid 3 BW Pro in verbinding met art. 1:143 BW Pro tot beschrijving van zijn of haar vermogen. Als door de wederpartij niet deugdelijk wordt onderbouwd dat in de overgelegde beschrijving vermogensbestanddelen ontbreken, dan ligt het niet voor de hand dat de rechter een notaris benoemt om tot een beschrijving van de vermogensbestanddelen over te gaan. Het is aan de feitenrechter om hierover te oordelen. Ik sluit mij op dit punt aan bij het in 4.25 weergegeven standpunt van Van Ginneken. Uit de hiervoor in 4.28 weergegeven stellingen blijkt niet dat de vrouw zich in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat het door de man overgelegde overzicht niet volledig is. De vrouw is in hoger beroep in elk geval niet (duidelijk) opgekomen tegen de overweging van de rechtbank dat zij geen verweer heeft gevoerd ten aanzien van de samenstelling van de door de man in de overzichten opgenomen vermogensbestanddelen. [36] Dat het hof het verzoek van de vrouw tot beschrijving van het vermogen (de individuele vermogensbestanddelen) heeft afgewezen, acht ik dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk. Voor zover de onderdelen betogen dat de rechter steeds verplicht is om een verzoek tot het (laten) beschrijven van de vermogensbestanddelen van (één van) de procespartijen in te willigen, gaan zij uit van een rechtsopvatting die geen steun vindt in het recht.
4.3
In het hiervoor al genoemde arrest van 19 april 2019 heeft de Hoge Raad overwogen dat bij de verrekenvordering “zo nodig” op grond van art. 1:143 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 679 Rv Pro een deskundige “kan” worden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten. De gehanteerde bewoordingen duiden erop dat het (ook) hier een zuiver discretionaire bevoegdheid van de feitenrechter betreft om al dan niet een deskundige te benoemen.
4.31
In de zaak die heeft geleid tot een arrest van de Hoge Raad van 21 februari 2025 [37] was aan de orde de verdeling van een gemeenschap tussen drie deelgenoten (broers). In r.o. 4.3 werd geoordeeld:
“De strekking van art. 679 Rv Pro is beperkt tot het aanwijzen van de bevoegde rechter als partijen het niet eens worden over de benoeming van een deskundige om de waarde van een of meer te verdelen goederen te schatten. Benoeming van een deskundige op de voet van art. 679 lid 2 Rv Pro impliceert niet dat het oordeel van de deskundige voor partijen bindend zal zijn en geeft de rechter evenmin de mogelijkheid te bepalen dat het oordeel van de deskundige voor partijen bindend zal zijn als partijen dat niet zijn overeengekomen.”
4.32
In haar Conclusie voor het arrest zet A-G Rank-Berenschot in alinea 4.40 e.v. uiteen dat in geval van een deskundigenbenoeming door de verdelingsrechter op de voet van art. 679 lid 2 Rv Pro geen andere regels en waarborgen gelden dan die welke verband houden met een deskundigenbenoeming als bedoeld in art. 194 (oud) Rv, thans art. 186 Rv Pro. Ik onderschrijf dat standpunt. [38] Art. 186 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve een bericht of een verhoor van deskundigen “kan” bevelen. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat uit het woord ‘kan’ in het eerste lid pleegt te worden afgeleid dat de rechter vrij is om al dan niet een deskundigenbericht te bevelen. [39]
4.33
Ik meen dat de klachten van de onderdelen slagen voor zover zij voortbouwen op, dan wel in het verlengde liggen van de klachten van onderdeel 1. Het hof diende uit te gaan van de in hoger beroep niet bestreden oordelen van de rechtbank met betrekking tot al dan niet in de verrekening te betrekken vermogensbestanddelen. Het hof diende verder te oordelen op de door de vrouw naar voren gebrachte grieven die waren gericht tegen de oordelen van de rechtbank met betrekking tot specifieke vermogensbestanddelen. Dat heeft het hof niet gedaan. Zoals hiervoor uiteen is gezet, moest het hof ook in staat worden geacht om met inachtneming van de door de man in het geding gebrachte overzichten, de uitspraak van de rechtbank en eigen oordelen naar aanleiding van de grieven van de vrouw, een oordeel te geven over de omvang van het te verrekenen vermogen (na taxatie van een aantal vermogensbestanddelen), al dan niet door hier en daar zelf een schatting te maken van de waarde van bepaalde roerende zaken.
4.34
De onderdelen falen voor zover zij betogen dat het hof verplicht was (i) een notaris te benoemen om het vermogen van de man te beschrijven en (ii) een deskundige te benoemen om de waarde van de ‘overige vermogensbestanddelen’ te bepalen. Nu de man, anders dan de vrouw, overzichten had overgelegd van de vermogensbestanddelen van beide partijen, en de vrouw niet (onderbouwd) heeft aangevoerd dat de samenstelling van de door de man in de overzichten opgenomen vermogensbestanddelen niet accuraat is, was er geen aanleiding om de samenstelling van het vermogen nogmaals, door een notaris, te laten beschrijven. Hiervoor is betoogd dat ook de bevoegdheid van de rechter tot benoeming van een deskundige als bedoeld in art. 679 Rv Pro om de waarde van bepaalde goederen te schatten, een discretionaire is. Overigens merk ik op dat uit de stellingen van de vrouw in de feitelijke instanties niet (goed) kan worden afgeleid dat zij een verzoek hééft gedaan tot benoeming van een deskundige als bedoeld in art. 679 Rv Pro om de waarde van de in de verrekening te betrekken ‘overige vermogensbestanddelen’ (roerende zaken) te schatten. Met betrekking tot een aantal vermogensbestanddelen, zo zij herhaald, had de rechtbank reeds bepaald dat taxatie dient plaats te vinden.
Onderdeel 3
4.35
Het
derde onderdeelstelt dat het hof in de rechtsoverwegingen 5.11 tot en met 5.15 het verzoek van de vrouw in haar aanvullend beroepschrift heeft afgewezen. De vrouw heeft verzocht om het eiland met blokhut voor een waarde van € 775.000,- te betrekken in de verrekening, subsidiair om dit vermogensbestanddeel te laten taxeren. Het onderdeel stelt dat de rechtbank daarover in het dictum had bepaald dat de man de helft van de getaxeerde waarde van het eiland met blokhut aan de vrouw dient te voldoen en dat de motivering die is gegeven in de bestreden overwegingen de afwijzing van het aanvullend verzoek niet kan dragen. Het gaat, zo stelt het onderdeel, immers om een concreet en gemotiveerd verzoek en bedrag waarop het hof een beslissing had kunnen nemen. Volgens het onderdeel staat dit verzoek los van een beschrijving van het vermogen, althans had het afzonderlijk kunnen worden beoordeeld.
4.36
Even los van de klacht merk ik het volgende op. Partijen verschillen van mening over de in de verrekening te betrekken waarde van het eiland met blokhut. Omdat het hier gaat om een groot vermogensbestanddeel ligt het voor de hand dat de waarde ervan wordt getaxeerd door een deskundige derde. De rechtbank heeft bepaald dat dit moet gebeuren en het gevolg van de bestreden beschikking is dat dit oordeel in stand wordt gelaten. Onbegrijpelijk is dit niet.
4.37
Door een juridische bril bezien, geldt het volgende. Zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, is de verzoeker bevoegd om zijn verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen (art. 283 Rv Pro). In geval van verandering of vermeerdering van het verzoek is art. 130 Rv Pro van overeenkomstige toepassing in de verzoekschriftprocedure. Op grond van deze bepaling kan de verweerder bezwaar maken tegen de verandering of vermeerdering vanwege strijd met de goede procesorde.
4.38
Krachtens de schakelbepaling van art. 362 Rv Pro is art. 283 Rv Pro ook van toepassing in hoger beroep. In hoger beroep geldt wel de zgn. tweeconclusieregel, ook in verzoekschriftprocedures. Grieven en veranderingen of vermeerderingen van het verzoek in hoger beroep dienen in beginsel bij verzoek- of verweerschrift te worden aangevoerd respectievelijk plaats te vinden. Dit lijdt echter onder meer uitzondering indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. [40]
4.39
Volgens mij is er in dit geval geen sprake van een echte verandering in hoger beroep van het verzoek. Op goede gronden kan worden betoogd dat het veeleer gaat om een nadere invulling/uitwerking van het verzoek van de vrouw om het bedrag van het tijdens het huwelijk met overgespaard inkomen ontstane vermogen vast te stellen en te bepalen welk deel daarvan aan haar toekomt. Blijkens de overweging aan het eind van r.o. 4.2 heeft het hof het verzoek van de vrouw in haar aanvullend beroepschrift als zodanig gekwalificeerd. Dit dient in cassatie tot uitgangspunt. Daarvan uitgaande meen ik dat het hof het nader uitgewerkte primaire verzoek van de vrouw om de waarde van het eiland met blokhut op een concreet bedrag te bepalen, ook in het licht van de bespreking van de voorgaande onderdelen, niet onbesproken mocht laten. Na verwijzing dient dit alsnog te gebeuren.
Onderdeel 4
4.4
Het vierde onderdeel bouwt voort op de voorgaande [41] onderdelen. Als de onderdelen slagen, dan kan, zo stelt het onderdeel, ook het oordeel in r.o. 5.16, waarin het hof het bewijsaanbod van de vrouw passeert, niet in stand blijven. Als de grieven 3 tot en met 5 nog beoordeeld moeten worden, valt volgens het onderdeel zonder nadere motivering niet te begrijpen waarom het bewijsaanbod om getuigen te horen in verband met de betreffende stellingen van de vrouw, niet relevant is. [42]
4.41
Indien de Hoge Raad van oordeel is dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd dan dient het bewijsaanbod van de vrouw met betrekking tot de aan haar gedane schenkingen na verwijzing alsnog te worden beoordeeld.
Conclusie in het principale cassatieberoep; samenvatting
4.42
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de bestreden beschikking wat betreft het oordeel inzake het tussen partijen te verrekenen vermogen niet in stand kan blijven. Ik vat die gronden samen.
4.43
Omdat de vrouw niet aan haar stelplicht had voldaan – zij had niet zelf een overzicht in het geding gebracht van de samenstelling van de afzonderlijke vermogens van partijen en de waarde daarvan – heeft de rechtbank de te verrekenen vermogens (begrijpelijkerwijs) beoordeeld aan de hand van de door de man gestelde vermogensbestanddelen en de daaromtrent door de vrouw ingenomen stellingen en ingediende stukken. De rechtbank heeft geoordeeld over een aantal specifieke vermogensbestanddelen, het voorhuwelijkse vermogen en giften. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat verschillende goederen moeten worden getaxeerd. Met betrekking tot de ‘overige vermogensbestanddelen’, roerende zaken, heeft de rechtbank geoordeeld dat de vrouw geen verweer heeft gevoerd ten aanzien van de samenstelling van de door de man in de overzichten opgenomen vermogensbestanddelen. Omdat het gelet op de stellingen over en weer onmogelijk was om de exacte waarde van de – niet reeds in de beoordeling betrokken – bestanddelen te bepalen, heeft de rechtbank ten aanzien van die bestanddelen aan zowel de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw een totaalbedrag vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden in de verrekening. Als ik het goed zie, heeft de rechtbank daarbij een schatting gemaakt. Dit stond de rechtbank vrij.
4.44
De beschikking van de rechtbank vormde derhalve een basis voor de beoordeling in hoger beroep. Niet bestreden overwegingen stonden in hoger beroep vast. De vrouw heeft grieven geformuleerd tegen oordelen van de rechtbank met betrekking tot specifieke vermogensbestanddelen, het voorhuwelijkse vermogen en giften. Het hof diende daarover een oordeel te geven en het kon dit ook doen onafhankelijk van oordelen over andere aspecten. Indien het hof van oordeel was dat de vrouw in de grieven (ook) niet aan haar stelplicht had voldaan, dan had het hof die oordelen deugdelijk moeten motiveren. Daarbij lag het voor de hand dat werd aangesloten bij de door de rechtbank gegeven oordelen. Als moet worden aangenomen dat de vrouw ook in hoger beroep niet een gedocumenteerd overzicht heeft gegeven van (i) de samenstelling van de vermogensbestanddelen van beide partijen en (ii) de waarde die deze bestanddelen volgens haar hebben, dan lag het voor de hand dat het hof, net als de rechtbank, de door de man in het geding gebrachte stukken en de stellingen van partijen daarover tot uitgangspunt had genomen. Aldus was het ook in hoger beroep mogelijk om de verrekeningsvordering vast te stellen en daarmee te oordelen over het petitum onder IV, onder voorbehoud van (eventuele) taxatie van een aantal vermogensbestanddelen.

5.Bespreking van het middel in het incidenteel cassatieberoep

5.1
Het middel in het incidenteel cassatieberoep bevat één onderdeel. Dit onderdeel is gericht tegen – kort gezegd – het oordeel van het hof met betrekking tot het vergoedingsrecht van de man naar aanleiding van de aanschaf van de sloep die aan partijen in mede-eigendom toebehoort (eenvoudige gemeenschap). Het hof heeft in r.o. 5.9 geoordeeld dat de man niet heeft ‘aangetoond’ dat hij een vergoedingsvordering heeft op de vrouw met betrekking tot de sloep. Ten behoeve van het leesgemak geef ik de samenhangende rechtsoverwegingen 5.8 en 5.9 nogmaals weer:
“5.8 Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij de sloep gezamenlijk hebben aangeschaft waardoor die aan hen in mede-eigendom toebehoort. Partijen zijn (…) buiten iedere gemeenschap van goederen getrouwd. De sloep is een eenvoudige gemeenschap in de zin van Titel 7 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat betekent dat partijen ieder zijn/haar eigen aandeel in de sloep moest financieren conform dat aandeel, zijnde 50%. Als wordt vastgesteld dat een van partijen een groter aandeel uit privévermogen heeft gefinancierd dan waartoe hij/zij conform zijn/haar aandeel in het goed gehouden was, kan die partij indien daarvoor een rechtsgrond is in beginsel voor dat gedeelte een vergoedingsrecht op de ander hebben. Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden geen bepaling opgenomen met betrekking tot vergoedingsrechten, derhalve moet aan de hand van de rechtspraak van de Hoge Raad worden vastgesteld of er een vergoedingsrecht is en wat de hoogte is van het vergoedingsrecht. Het vergoedingsrecht is ontstaan voor 1 januari 2012 derhalve is artikel 1:87 BW Pro niet van toepassing.
5.9
Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting kan het hof de juistheid van de stellingen van de man ten aanzien van de financiering van de sloep niet verifiëren. De sloep is door partijen betaald vanaf de gezamenlijke rekening, waarvan ieder deelgerechtigde was tot het bedrag dat ieder van hen daarop respectievelijk had gestort, dan wel tot de helft van het saldo. Dat de man het bedrag dat hij uit de erfenis van zijn moeder op de gezamenlijke rekening heeft gestort ten behoeve van de betaling van 1/3e van de sloep, maakt niet dat hij daarmee het aandeel van de vrouw in de sloep heeft gefinancierd. De man verklaart bovendien in punt 47 van zijn brief van 7 augustus 2024 dat de financiering van de sloep als volgt is gedaan: 1/3e uit privévermogen van de man, 1/3e uit privévermogen van de vrouw (‘
uit haar spaargeld’) en 1/3e van het gezamenlijk spaargeld van partijen. Het hof stelt vast dat de man niet heeft aangetoond hij een vergoedingsvordering heeft op de vrouw met betrekking tot de sloep.”
[cursivering hof, A-G]
5.2
Voordat ik inga op de klacht, noteer ik enkele algemene gedachten over het juridisch kader.
5.3
In het kader van de te maken beoordeling (of de man een ‘vergoedingsrecht’ toekomt) is het begrip ‘privévermogen’ eigenlijk nietszeggend, heeft althans geen onderscheidend vermogen. Omdat tussen partijen op grond van hun huwelijkse voorwaarden “geen enkele gemeenschap van goederen” bestaat, kan men van
alhet vermogen zeggen dat het ‘privévermogen’ is. Het ‘geld’ op de bankrekening van de man is van de man; het ‘geld’ op de bankrekening van de vrouw is van de vrouw; het ‘geld’ op de gezamenlijke rekening is ook van de man óf de vrouw óf ieder van hen is rechthebbende van zijn/haar eigen onverdeelde aandeel in de vordering op de bank. Al deze vermogensbestanddelen komen in beginsel in aanmerking voor de finale verrekening, waarbij niet ter zake doet dat zij ‘privé’ zijn. Tegen deze achtergrond kan het partijdebat – waarin de man zich beroept op de relevantie van de herkomst van een deel van het door hem betaalde geld – redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat het erover gaat of bepaalde aangewende vermogensbestanddelen tot de te verrekenen vermogens behoren in het licht van de hierna te bespreken wetsbepaling.
5.4
Uit art. 1:133 lid Pro 2, tweede volzin, BW volgt dat – in beginsel – erfrechtelijke verkrijgingen en giften niet tot het te verrekenen vermogen behoren. Voor de volledigheid wijs ik – hoewel in casu irrelevant – ook nog op art. 1:134 BW Pro, waaruit volgt dat echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden kunnen afspreken dat zij deze verkrijgingen
tochverrekenen. Zo’n afspraak legt het echter af tegen een uitsluitingsclausule.
5.5
Ik stap over naar de redenering (en de beslissing) van het hof. Laat me voorop stellen dat ik deze maar moeilijk kan doorgronden. Dat hangt er deels mee samen dat mij niet duidelijk is wat de verhouding is tussen de eerste zin van r.o. 5.9 en de rest daarvan. Ik kom daar zo dadelijk nog op terug.
5.6
Ik meen de gedachtegang van het hof als volgt te kunnen begrijpen. De sloep is een gemeenschappelijk goed van de man en de vrouw, een eenvoudige gemeenschap. Die moet worden verdeeld, zo veel is duidelijk, maar in de redenering van het hof staat deze verdeling naar mijn begrip helemaal los van het in de finale verrekening te betrekken vermogen. Dat zit, als ik het goed begrijp, zo. Beide partijen dienden 50% van de aankoopprijs van de sloep te financieren. Er ontstaat een vergoedingsrecht als één van hen uit ‘privévermogen’ meer dan zijn aandeel heeft betaald. De man heeft 1/3e deel betaald uit zijn privévermogen (“het bedrag dat hij uit de erfenis van zijn moeder op de gezamenlijke rekening heeft gestort”), de vrouw heeft 1/3e betaald uit háár privévermogen (“uit haar spaargeld”) en er is 1/3e deel betaald van het gezamenlijke spaargeld (ik ga ervan uit dat dat al op de gezamenlijke rekening stond). Van deze laatste component kan gezegd worden dat de man én de vrouw daarmee elk 1/6e deel hebben gefinancierd. Bij elkaar opgeteld hebben de man en de vrouw dus – volgens het hof – elk hun 50% aandeel in de kooprijs gefinancierd. De wellicht op het eerste gezicht wat cryptisch geformuleerde zinsnede in r.o. 5.9 dat het feit dat de man 1/3e deel afkomstig uit de erfenis heeft gestort “niet [maakt] dat hij daarmee het aandeel van de vrouw in de sloep heeft gefinancierd”, is tegen die achtergrond te verstaan. De herkomst van de betaling van de man is volgens het hof geen relevante factor. De slotsom is dat de man geen vergoedingsrecht heeft op de vrouw met betrekking tot de sloep. De man heeft immers niet meer dan de helft betaald.
5.7
Denkbaar is ook een andere lezing van r.o. 5.9. In de eerste zin wordt overwogen dat het hof op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting de juistheid van de stellingen van de man ten aanzien van de financiering niet kan ‘verifiëren’. Daarmee zou bedoeld kunnen zijn dat de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan of niet heeft aangetoond dat het bedrag dat hij overmaakte naar de en/of-rekening ten behoeve van de betaling van de boot afkomstig was uit de nalatenschap van zijn moeder (dat is wat de vrouw in hoger beroep betoogde). Met die lezing valt echter maar moeilijk te verenigen dat het hof twee zinnen later (mogelijk als feitelijke vaststelling) in de redenering betrekt dat de man het bedrag uit de erfenis van zijn moeder op de gezamenlijke rekening heeft gestort ten behoeve van de betaling van 1/3e van de sloep. Deze lezing kan dus ter zijde worden geschoven.
5.8
Het onderdeel bevat de klacht dat het oordeel in r.o. 5.9 onjuist is en/of onbegrijpelijk. Ter toelichting wijst het onderdeel op een productie die de man in eerste aanleg heeft overgelegd (prod. 23) en een productie die de vrouw heeft overgelegd (prod. 42). Volgens het onderdeel leveren deze producties, die bankafschriften bevatten waarvan de inhoud hierna wordt weergegeven, “een sluitende boekhouding” op waaruit duidelijk blijkt hoe de financiering van de sloep destijds heeft plaatsgevonden. Het onderdeel stelt dat er geen tijdsverloop heeft plaatsgevonden tussen de ontvangst door de man van een voorschot op de nalatenschap van zijn moeder en de storting van een deel daarvan op de en/of-rekening van partijen, en dat er ook geen tijdsverloop zat tussen de ontvangst van het bedrag afkomstig uit de nalatenschap op de en/of-rekening en de doorstorting van exact hetzelfde bedrag naar de rekening van de verkopers van de sloep. Zonder nadere toelichting is volgens het onderdeel onbegrijpelijk dat het hof die betaling niet heeft gekwalificeerd als een betaling vanuit privévermogen, “alleen maar omdat partijen er destijds voor gekozen hebben om die betaling via de en/of-rekening te laten lopen.” Het onderdeel stelt dat het hof daarbij ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan het samenstel van handelingen die duidelijk tot doel hadden om de erfenis aan te wenden om een deel van de boot te betalen.
5.9
Het onderdeel bevat verder een klacht tegen de volgende passage:
“De man verklaart bovendien in punt 47 van zijn brief van 7 augustus 2024 dat de financiering van de sloep als volgt is gedaan: 1/3e uit privévermogen van de man, 1/3e uit privévermogen van de vrouw (‘
uit haar spaargeld’) en 1/3e van het gezamenlijk spaargeld van partijen.”
5.1
Volgens het onderdeel betreft het “een onjuist citaat” waarin het hof een onbegrijpelijke uitleg geeft aan de stellingen van de man “(alsof de man gesteld zou hebben dat de vrouw ook 1/3 uit haar privévermogen heeft voldaan).” Het onderdeel stelt dat de man in genoemd punt 47 het volgende heeft gesteld:
“Partijen hebben in 2008 een sloep gekocht voor een bedrag van € 41.000,00. Uit de door de vrouw overgelegde afschriften blijkt dat de aankoop is betaald in drie termijnen van elk € 13.666,66. De koopsom is betaald door een betaling van de vrouw van € 13.666,66 uit haar spaargeld, een bedrag van het gezamenlijk spaargeld en een betaling van de man. De man kon deze betaling doen omdat hij een erfenis heeft gekregen en uit dit bedrag heeft hij een betaling gedaan.
De sloep is derhalve voor 2/3 met overgespaard inkomen gekocht en met 1/3 privévermogen van de man. De man heeft derhalve een nominaal vergoedingsrecht ten laste van de vrouw van € 6.833,33.”
[onderstreping door cassatieadvocaat, A-G]
Het onderdeel stelt dat dit in lijn is met hetgeen volgt uit de bankafschriften die als producties 23 en 42 zijn overgelegd. Volgens het onderdeel is dan ook onbegrijpelijk dat het hof vaststelt dat de man niet heeft aangetoond dat hij een vergoedingsvordering heeft op de vrouw.
5.11
Het onderdeel is tot slot gericht tegen de volgende overweging:
“De sloep is door partijen betaald vanaf de gezamenlijke rekening, waarvan ieder deelgerechtigde was tot het bedrag dat ieder van hen daarop respectievelijk had gestort, danwel tot de helft van het saldo.”
5.12
Volgens het onderdeel miskent het hof dat tussen partijen in hoger beroep vaststond dat er sprake is van een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding, zodat het saldo van de en/of-rekening per definitie als overgespaard inkomen wordt aangemerkt. Het onderdeel stelt dat daarmee niet relevant is hoe die rekening tot dat moment (28 april 2008) was gevoed. Het hele saldo betrof overgespaard inkomen, aldus het onderdeel. Het onderdeel concludeert dat 2/3e van de aankoopsom is voldaan uit overgespaard inkomen (saldo en/of-rekening, saldo spaarrekening vrouw) en 1/3e is voldaan uit privévermogen (voorschot op erfenis van de man). Ik lees in het onderdeel mede de klacht dat het hof het bepaalde in art. 1:133 lid Pro 2, tweede volzin, BW heeft miskend.
5.13
De hiervoor weergegeven elementen van het onderdeel lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
5.14
Uit de door partijen in eerste aanleg overgelegde producties waarnaar het onderdeel verwijst, blijkt dat de man op 28 april 2008 op
zijnrekening een voorschot op de erfenis van zijn moeder heeft ontvangen van € 27.000,-, dat hij op die datum van zijn rekening een bedrag van € 13.666,67 heeft overgemaakt naar de en/of-rekening van partijen met de omschrijving ‘
extra toelage t.b.v. betaling boot’, en dat eenzelfde bedrag diezelfde dag van de en/of-rekening is overgemaakt naar de rekening van de verkopers van de sloep met de omschrijving ‘
2e fact. [001] d.d. 25048 is gelijk aan 1/3 eigendomsaandeel vh schip’.
5.15
Uit de overgelegde producties blijkt verder dat de vrouw op 2 mei 2008 van
haarrekening een bedrag van € 13.666,67 heeft overgemaakt naar de en/of-rekening van partijen met de omschrijving ‘
extra toelage gezin tbv betaling boot’ en dat eenzelfde bedrag diezelfde dag van de en/of-rekening is overgemaakt naar de rekening van de verkopers van de sloep met de omschrijving ‘
3e en laatste fact [002] dd 280408 fact. [001] d.d. 280408 inz aankoop schip (laatste 1/3 deel)’.
5.16
Uit de overgelegde producties blijkt tot slot dat op 9 april 2008 een bedrag van € 13.666,67 is overgemaakt van de en/of-rekening van partijen naar de rekening van de verkopers van de sloep met de omschrijving ‘
1e fact [003] dd 31-3-08 gelijk aan 1.3 eigendomsdeel vh schip’.
5.17
Het hof lijkt de eenvoudige gemeenschap met betrekking tot de sloep geïsoleerd van de finale verrekening te behandelen. Als men er zo naar kijkt, is de redenering van het hof te volgen. De vraag is echter of het hof dan is ingegaan op de stellingen van de man. Tegen de achtergrond van hetgeen ik hiervoor in 5.3 heb opgemerkt over de betekenis(loosheid) van het woord ‘privévermogen’ bij de te maken beoordeling, kunnen de stellingen van de man mijns inziens redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat zij erop gericht waren te betogen dat een gedeelte van hetgeen hij betaalde buiten het te verrekenen vermogen moet blijven vanwege de herkomst van de gelden, gelet op art. 1:133 lid Pro 2, tweede volzin, BW. Alleen deze lezing verklaart in mijn ogen de hiervoor in 5.8 onderstreepte passage uit punt 47 van de aangehaalde brief, direct nadat de man aangaf hoe de betaling in drie termijnen van 1/3e deel in zijn werk is gegaan. Gelezen in context van de gehele passage houdt de stelling van de man in dat het gedeelte dat de vrouw ‘uit haar spaargeld’ bijdroeg
nietbuiten de verrekening dient te blijven (dat was volgens hem overgespaard inkomen) en het deel dat hij financierde uit (het voorschot op) de erfenis
wel. Voor de juistheid van deze stelling(en) valt bij gebreke aan nadere achtergrondinformatie op het eerste gezicht wel wat te zeggen. Het hof heeft – gelet op het voorgaande – het bepaalde in art. 1:133 lid Pro 2, tweede volzin, BW miskend dan wel onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het hof had in elk geval met betrekking tot
beidehiervoor in 5.14 en 5.15 genoemde betalingen naar de rekening van de verkopers moeten motiveren of ze al dan niet buiten de verrekening dienen te blijven.
5.18
De redenering van het hof is eveneens te volgen mocht het hebben beslist dat niet is komen vast te staan dat de betaling van de man afkomstig was uit hetgeen hij verkreeg uit de nalatenschap van zijn moeder. In dat geval is echter onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het hof meent dat het relaas van de man (zie 5.14) niet toereikend is.
5.19
Ik waag me, ten slotte, voorzichtig aan wat gedachten over de verhouding tussen finale verrekening op grond van art. 1:141 lid 3 BW Pro en vergoedingsrechten in verband met de verdeling van eenvoudige gemeenschappen die tussen de echtgenoten bestaan. Als art. 1:141 lid 3 BW Pro zo moet worden opgevat, dat al het
vermogenvan partijen in beginsel in de verrekening moet worden betrokken, is het feit dat ten aanzien van een bepaald goed een eenvoudige gemeenschap bestaat een toevalligheid. Natuurlijk, er is dan een gemeenschap. En natuurlijk, dan moet er worden verdeeld, want partijen willen niet met elkaar in hetzelfde sloepje blijven zitten. Maar dat lijkt los te staan van de financiële afwikkeling op de voet van art. 1:141 lid 3 BW Pro. Alle goederen van hem, alle goederen van haar en alle goederen ten aanzien waarvan een gemeenschap bestaat worden in beginsel op een hoop gegooid en ieder heeft aanspraak op de helft van de totale waarde van die goederen (ik laat de passiva gemakshalve even buiten beschouwing). Eenvoudige gemeenschappen zijn in dit kader geen aparte diersoort. Als een der partijen met succes een beroep doet op een uitzondering op de regel van art. 1:141 lid 3 BW Pro omtrent de veronderstelde herkomst van het vermogen, bijvoorbeeld door aan te tonen dat een vermogensbestanddeel afkomstig is uit een erfenis, dan blijft een deel van het vermogen buiten de finale verrekening. Het resultaat zou zomaar eens kunnen zijn dat wanneer een van de echtgenoten investeert in een gemeenschappelijk goed met vermogen dat niet tot het te verrekenen vermogen behoort, we in de ‘vergoedingsrechtensfeer’ terecht komen.
Slotsom
5.2
De slotsom is dat het middel in het principaal cassatieberoep grotendeels slaagt en dat het middel in het incidenteel cassatieberoep eveneens slaagt.

6.Conclusie

De conclusie strekt in zowel het principaal cassatieberoep als het incidenteel cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 24 september 2025 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hof Den Haag 24 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2002.
2.Partijen hebben naast hun afzonderlijke verzoeken tot het uitspreken van de echtscheiding verschillende nevenverzoeken ingediend. De meeste van die verzoeken en de daarop gegeven beslissingen zijn in cassatie niet meer van belang. Omdat het in cassatie alleen nog gaat over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en één vergoedingsrecht zal ik me in de weergave van het procesverloop toespitsen op die aspecten (uitsluitend voor zover die in cassatie nog van belang zijn).
3.Het gaat hierbij om de verdeling van een eenvoudige gemeenschap. Tussen partijen bestonden nog een aantal andere eenvoudige gemeenschappen. Omdat die in cassatie niet langer van belang zijn, vermeld ik ze hier niet.
4.Het hof heeft de beschikking voorts vernietigd voor zover daarin de vrouw niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek om de man te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 5.773,60 uit hoofde van lasten echtelijke woning. Dit punt is in cassatie niet meer van belang.
5.Zie over het bewijsvermoeden bij niet uitgevoerde periodieke verrekenbedingen uitvoerig A.R. de Bruijn e.a.,
6.Afdeling 2 van titel 8 van Boek 1 over verrekenbedingen is ingevoerd op 1 september 2002 met inwerkingtreding van de wet van 14 maart 2002 tot wijziging van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (regels verrekenbedingen),
7.Zie de beschikking van de rechtbank van 22 oktober 2024, p. 10 onder het kopje ‘
9.HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637,
10.HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1922,
11.HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637,
12.HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637,
14.A.R. de Bruijn e.a.,
16.Beroepschrift, randnummers 33-46.
17.Beroepschrift, randnummers 47-50.
18.Beroepschrift, randnummers 51-60.
19.Beroepschrift, randnummers 61-63.
20.Beroepschrift, randnummers 67-78. De vrouw heeft aangevoerd dat het gaat om een bedrag van in totaal € 158.586,41. Zie de beschikking van 22 oktober 2024, p. 11.
21.Beroepschrift, randnummers 88-105.
22.Beroepschrift, randnummers 106-110.
23.Zie r.o. 5.1 en de inhoud van de afzonderlijke kopjes.
24.Beschikking van 22 oktober 2024, p. 6 onderaan.
25.De vrouw had de waarde gesteld op een bedrag van € 61.059,75.
26.De vrouw had aangevoerd dat zij een bedrag van in totaal € 158.586,41 heeft ontvangen als schenkingen/giften van haar ouders, zodat dit bedrag buiten de verrekening moet blijven.
27.Zie onder het kopje ‘
28.Zie onder het kopje ‘
29.De rechtbank oordeelde aansluitend: “Het ligt evenwel voor de hand dat deze vordering zal worden meegenomen in de verrekening die zal moeten plaatsvinden na taxatie van het eiland, het perceel, de sloep en de graafmachine.”
30.Het onderdeel verwijst voor deze stellingen naar het inleidend verzoekschrift, onder 25 en 26, de brief aan de rechtbank van 13 november 2023, p. 4 (algemeen) en p. 7 (roerende goederen in bezit van man), en het beroepschrift, onder 86 en 87.
31.Het onderdeel verwijst hier naar het beroepschrift, onder 85 en 86, de brief van de vrouw aan de rechtbank van 13 november 2023 en de “Nadere onderbouwing alsmede aanvullende verzoeken” van de man van 5 september 2024, en de pleitnota van de advocaat van de man ten behoeve van de mondelinge behandeling van 8 februari 2025 bij het hof, p. 1 en 2.
32.In het arrest van 19 april 2019 wijst de Hoge Raad erop dat de verzoeken tot beschrijving van het vermogen en tot het benoemen van een deskundige (art. 679 lid 1 Rv Pro) weliswaar volgens de wettelijke bepalingen tot de kantonrechter moeten worden gericht, maar dat dit ook op verlangen van een der partijen kan worden bevolen door de rechter voor wie een geding op de voet van art. 1:141 BW Pro aanhangig is, in dit geval het hof.
34.Hof ’s-Hertogenbosch 11 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1364,
35.Zie onder meer Hof Den Haag 21 oktober 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2994, Hof Den Haag 17 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:341 en Hof Den Haag 16 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1028. Volgens het hof Den Haag ligt het voor de hand dat een echtgenoot gebruikmaakt van de mogelijkheid om het te verrekenen vermogen te beschrijven als er onvoldoende inzicht is in de omvang van het te verrekenen bedrag. Die echtgenoot dient dan niet de rechter te verzoeken om een deskundige te benoemen teneinde uit te zoeken wat de omvang van de verrekenvordering is, maar deze echtgenoot moet dan zelf een (notariële) beschrijving verzoeken op grond van art. 1:143 lid 1 BW Pro. Zie hierover
36.Zie de beschikking van 22 oktober 2024, p. 15 onder het kopje ‘
37.HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:315,
38.Zie ook Perrick in zijn NJ-noot, die in punt 4 stelt dat de motivering van de A-G overtuigend is.
39.Zie bijvoorbeeld HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3993,
40.Vaste jurisprudentie. Zie in familierechtzaken onder meer HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:764,
41.Het onderdeel vangt aan met de woorden “Bij het slagen van de cassatieklachten in de
42.Het onderdeel stelt dat de vrouw in hoger beroep heeft aangeboden om haar moeder, haar broer en haar zussen te horen in verband met de schenkingen die volgens haar buiten de verrekening vallen (beroepschrift, punt 78).