ECLI:NL:PHR:2026:663

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
25/00997
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over immateriële schadevergoeding minderjarige kinderen na woninginbraak

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor diefstal uit een woning en diefstal van een auto met valse sleutels, alsmede bedreiging en mishandeling. Het hof kende immateriële schadevergoeding toe aan de benadeelde partij en diens drie minderjarige kinderen wegens aantasting in de persoon “op andere wijze” conform art. 6:106 BW Pro.

De benadeelde partij stelde dat de kinderen psychische schade hadden opgelopen, onder meer angst, nachtmerries en concentratieproblemen, ondersteund door diverse schriftelijke stukken en verklaringen. De verdediging betwistte de toewijzing van de schadevergoeding aan de kinderen en voerde aan dat de onderbouwing onvoldoende was.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof het toepasselijke toetsingskader juist heeft toegepast, maar dat het oordeel over de onderbouwing van de nadelige gevolgen voor de kinderen onvoldoende begrijpelijk en gemotiveerd is. De Hoge Raad stelt dat de stellingen omtrent de gevolgen voor de kinderen niet zodanig ingrijpend zijn dat zonder meer een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het gaat om de beslissing over de immateriële schadevergoeding aan de minderjarige kinderen en de daaraan gekoppelde schadevergoedingsmaatregel. De zaak wordt terugverwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch voor hernieuwde beoordeling. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het deel over immateriële schadevergoeding aan minderjarige kinderen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00997
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 13 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000288-23) middels gedeeltelijke bevestiging [1] van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 25 januari 2023 wegens:
- in de zaak met het parketnummer 01.246310.22:
1. “diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt” en
2. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, en
- in de zaak met het parketnummer 01.207188.22:
1. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en
2. “mishandeling”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest. In de zaak met parketnummer 01.207188.22 is bovendien een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van drie jaren, opgelegd. [2] Het hof heeft voorts beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
De verdachte is in de zaak met parketnummer 01.246310.22 veroordeeld wegens diefstal van diverse goederen uit de woning van de familie [...] . Ook heeft hij een op de oprit van die woning geparkeerde auto gestolen. De verdachte heeft het huis van de familie [...] in de nacht betreden toen alle gezinsleden aan het slapen waren. De diefstal werd ontdekt om 06.30 uur, toen een van de kinderen uit het gezin beneden kwam. In cassatie gaat het om de vraag of het hof ten aanzien van de drie minderjarige kinderen uit het gezin de vordering tot vergoeding van immateriële schade heeft kunnen toewijzen.

3.Het middel

3.1
Het middel klaagt over de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] . Het bevat de klacht dat het hof onjuist althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat voor wat betreft de minderjarige kinderen van de benadeelde partij sprake is van aantasting van de persoon “op andere wijze” en hun vorderingen heeft toegewezen en/of een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd. In de toelichting op het middel wordt dit aan de hand van twee deelklachten nader geduid. De
eerste deelklachtkomt op tegen het oordeel van het hof dat de kinderen van de benadeelde partij geestelijk letsel hebben opgelopen dan wel dat sprake is van een aantasting in de persoon “op andere wijze”. Met de
tweede deelklachtwordt geklaagd over het oordeel dat het geestelijk letsel althans de aantasting in de persoon “op andere wijze” van de oudste zoon in causaal verband staat met het onder 2 bewezen verklaarde.

4.De relevante stukken

4.1
Bij de stukken bevindt zich een op 27 november 2022 gedateerd “Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” ingevuld door de benadeelde partij [benadeelde 1] . Dit stuk houdt onder meer in:
“4B Immateriële schade (smartengeld)
Omschrijving immateriële schade
Zowel ik, [benadeelde 1] , als mijn vrouw en kinderen ondervinden al sinds de inbraak angsten, een onveilig gevoel in huis, wat met name op de kinderen veel invloed heeft. Onze oudste dochter van 18 heeft inmiddels externe hulp aangevraagd. Ze is ’s avonds bang, durft niet meer alleen op te passen (ook niet bij oppasadresjes).
Onze dochter van 14 heeft op school een contactpersoon gezocht. Voor onze zoon van 14 hebben we via school iemand waar hij mee kan praten omdat hij aangaf nachtmerries te hebben en erover zat te piekeren. Het leed wat een inbraak verzorgd bij de kinderen is onbeschrijfelijk. Ook de schoolresultaten leiden eronder.
(…)
Een schadevergoeding van 350 p.p. lijkt mijns inziens redelijk.”
4.2
Bij het voegingsformulier zijn een aantal geschriften gevoegd, die inhouden:
- Een e-mail gedateerd “di 1 nov. 08.08”, inhoudende:

[benadeelde 2]
[benadeelde 3]< [e-mailadres 1] >
Aan: [betrokkene 1] < [e-mailadres 2] >, [betrokkene 2] < [e-mailadres 3] >
Goede morgen,
Wij halen [benadeelde 2] 13:15 op van school, zou hij dan voor school kunnen staan?
Slachtofferhulp komt praten. Ivm de inbraak van half september.
[benadeelde 2] heeft zijn gedachten erop gezet om erbij te zijn omdat hij hulp wil, hij geeft aan zich op school moeilijker kan concentreren omdat hij steeds aan de inbraak denkt.
Ik weet niet of er op school evt ook iemand is die hem zou kunnen helpen?
Groetjes [benadeelde 3] ”
- Een ongedateerde tekst, inhoudende:
“ [benadeelde 3] , wat een heftige ervaring! Jeetje! Ik snap dat [benadeelde 4] hier last van heeft. Ik ga even navragen of we hier iets in kunnen betekenen en ik laat het jullie snel weten. Ik ben blij dat ik het weet, dan kan ik [benadeelde 4] een beetje extra in de gaten houden. Groetjes van [betrokkene 3] ”
- Een e-mailwisseling, inhoudende:
“21 november 2022 om 16:34
[benadeelde 5]
Vervolgstap
Aan: [e-mailadres 4]
Beste [betrokkene 4] ,
Sorry voor mijn late reactie maar mama en papa wilde het er ook nog samen over hebben. Het leek hun/ons een goede oplossing om vanaf januari voor een van de twee verzekeringen te kiezen waarbij (op de lijst van Apanta) staat dat het 4-6 weken wachten is. Apanta heeft toch mij en onze voorkeur en als ik vanaf januari van verzekering wissel kan ik als het goed us ipv in augustus in febuarui/maart terecht.
Ik vroeg me af of dit inderdaad zo werkte of dat het toch moeilijker is dan wij denken,
Ik hoor het graag,
Met vriendelijke Groet,
[benadeelde 5]
24 november 2022 om 11:28
[betrokkene 4]
Antw: Vervolgstap
Aan: [benadeelde 5]
Hoi [benadeelde 5] ,
Geen probleem hoor!
Ik moet zeggen dat ik hier geen uitsluitsel over durft te geven. Het zou kunnen dat het zo werkt maar het kan ook zo zijn omdat ze deze wachttijden nu hanteren omdat ze aan het einde van het jaar zitten en per verzekering een plafond hanteren.. Om dat zeker te weten kun je het beste even bellen met Apanta en die vraag stellen.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 4]
Praktijkondersteuner GGZ/
Kind, Jeugd en Volwassenen
4.3
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 11 januari 2023 volgt dat de benadeelde partij [...] het woord heeft gevoerd overeenkomstig het door hem opgestelde schriftelijke stuk, dat – voor zover van belang – inhoudt:
“Als het je niet gebeurd sta je er niet zo bij stil maar een inbraak in huis heeft toch behoorlijk wat impact. In eerste instantie natuurlijk voor de kinderen waarvan met een daad hun gevoel van veiligheid behoorlijk is aangetast.
Ieder uit zich dat op zijn eigen manier. Om een paar voorbeelden te noemen: Onze zoon van 7 durft niet meer alleen in bed te slapen. Onze andere zoon (12 jaar oud) die normaal niet zo’n prater is verteld ons toch last te hebben van de inbraak en heeft inmiddels een begeleider op school die hem hierbij extra ondersteund. Dochter [benadeelde 4] heeft inmiddels ook een vertrouwenspersoon toegewezen op school – en behaalt sinds de inbraak mindere schoolresultaten. En de oudste [benadeelde 5] is maar 18 en durft niet meer alleen op te passen. “Wat nou als er weer een inbreker komt?” vraagt mijn zoon van 12. Ze durven soms niet eens alleen naar het toilet of alleen naar boven.”
4.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 11 januari 2023 houdt verder in, voor zover relevant:
“De
raadsvrouwevoert aan:
(…).
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [...] merk ik op dat uit de stukken blijkt dat de feiten veel impact op het gezin heeft gehad. Voor toekenning van immateriële schade moet er echter sprake zijn van aantoonbaar psychisch letsel. Dat de kinderen als gevolg van de feiten last hebben gehad, levert geen psychisch letsel op, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in de vordering. Cliënt is echter uit coulance wel bereid om een deel van de door de kinderen van de benadeelde partij geleden schade te vergoeden.
(…).
De
benadeelde partij [...]voert aan:
Ik heb bij mijn vordering stukken gevoegd waaruit blijkt dat een van mijn kinderen in behandeling is bij een psycholoog.”
4.5
De benadeelde partij [...] heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2025 volgt dat de benadeelde partij [...] het woord heeft gevoerd overeenkomstig de door hem aan het hof overgelegde spreekaantekeningen, die – voor zover relevant – inhouden:
“Daar staan we weer.
Voor mij de tweede keer in de rechtbank vanwege de inbraak bij ons thuis op 20 september 2022. Nu 2,5 jaar na de inbraak en nog steeds ondervind ik en mijn gezin de gevolgen hiervan.
Ik wil niet de brief van 11 januari 2023 herhalen gezien hier al een kopie van is gemaakt en aan het dossier is toegevoegd. Wel wil ik aanhalen dat destijds al is vastgesteld dat mijn kinderen duidelijk last hebben ondervonden van de inbraak en met hulp van ons, school, Apanta jeugdzorg en derden ieder een weg heeft moeten vinden om met de inbraak om te gaan.
Het heeft mij en mijn vrouw pijn gedaan om te zien dat hun wereld door de inbraak is veranderd. Dat wat eerst een veilig thuis leek te zijn dit door een individu is aangetast. Een wildvreemd iemand die zomaar ons domein binnensluipt. Hoe angstaanjagend is dat. Alleen voor ons als volwassen mensen is dit al een naar gevoel, laat staan voor onze kinderen van toentertijd 7, 12, 14 en 18 die op het moment van de inbraak allen thuis waren.
Het gevolg is dat onze kinderen zelfs vandaag de dag nog niet graag alleen slapen. Om een voorbeeld te noemen: Mijn oudste dochter, inmiddels 20, studeert in België, is op kamers en heeft enorm veel moeite met alleen slapen waardoor ze ieder weekend en op woensdagen terug naar huis komt.
(…).
Smartengeld: Gezien het leed wat mijn kinderen en ons is aangedaan vraag ik voor mijn gezin
350 Euro per persoon smartengeld. Dit is voor mijn vier kinderen waarvoor eerder al een toezegging is gedaan door de advocaat van de verdachte (bij de eerste zitting) alsmede voor mij en mijn vrouw waarvoor we eerder geen toezegging kregen, ik vind dat dit bedrag hoger mag uitvallen dan in eerste instantie toegezegd gezien het hoger beroep.”
4.6
De pleitnota van de raadsman van de verdachte, die op de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2025 is voorgedragen, houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [...] in:
“Hoewel de vordering invoelbaar is, juridisch standpunt niet-ontvankelijk.
(…)
Ten aanzien van partner en benadeelde en de kinderen voorts onvoldoende onderbouwd en onvoldoende toereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro. Hoewel de verdediging wil aannemen dat het meer dan buitengewoon vervelend is geweest, moet juridisch gezien naar objectieve, maatstaven psychische schade worden vastgesteld. Een wettelijke grondslag voor toewijzing ontbreekt derhalve mijns inziens.”

5.De overwegingen van het hof

5.1
Het hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij overwogen en geoordeeld:

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
(…).
Ten aanzien van de immateriële schade
De benadeelde partij heeft een vordering ingediend strekkende tot vergoeding van immateriële schade geleden door hemzelf, zijn vrouw alsmede hun vier kinderen, telkens voor een bedrag van € 350,00, en aldus tot een totaalbedrag van € 2.100,00. De gevorderde schade houdt verband met de in zaak met parketnummer 01-246310-22 onder feit 1 tenlastegelegde diefstal uit de woning van de benadeelde partij. Uit de stukken volgt dat de kinderen van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd hadden van respectievelijk zeven, twaalf, veertien en achttien jaar.
(…) Met de rechtbank begrijpt het hof aldus dat de benadeelde partij in dezen optreedt in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van diens minderjarige kinderen.
(…)
Daarmee komt het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling van de gegrondheid van de vordering voor zover deze ziet op de benadeelde partij [benadeelde 1] en diens drie minderjarige kinderen.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Dit is onder meer het geval bij aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De benadeelde partij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij en zijn gezinsleden ten gevolge van de diefstal in/uit de woning kampen met gevoelens van angst en onveiligheid. Voor met name de kinderen heeft dit incident een behoorlijke impact gehad, omdat zij onder meer last hebben van nachtmerries, piekeren, niet alleen durven slapen en daarvoor (professionele) hulp krijgen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij naar voren gebracht dat vorenomschreven gevolgen, voor met name de kinderen, tot op heden voortbestaan.
Met - en waar nodig in aanvulling op - de rechtbank overweegt het hof dat met een diefstal in/uit een woning een inbreuk wordt gemaakt op het recht op eerbiediging van de privésfeer. Dergelijke feiten kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de bewoners. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg toegelicht dat de jongste zoon niet meer alleen durft te slapen, de oudste zoon een begeleider op school heeft die hem extra ondersteunt en de jongste dochter op school een vertrouwenspersoon toegewezen heeft gekregen en sinds dit incident mindere schoolresultaten behaalt. Ter onderbouwing hiervan zijn verschillende stukken als bijlage bij de schriftelijke vordering gevoegd. Gelet op de aard en de ernst van de normaantasting en de met concrete gegevens onderbouwde gevolgen daarvan voor de destijds jonge kinderen, is het hof van oordeel dat (voor wat betreft de kinderen) sprake is van aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de aard van het delict, de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden alsmede - in het bijzonder - de destijds jeugdige leeftijd van de slachtoffers. Het hof begroot de als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks veroorzaakte immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 350,00 per kind.
(…)
Resumerend wordt de vordering toegewezen tot een totaalbedrag van € 1.050,00, als vergoeding van immateriële schade.”

6.Het beoordelingskader

6.1
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, [3] heeft de Hoge Raad voor zover hier relevant onder meer overwogen:

Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade (art. 6:106 BW Pro)
2.4.4.
Art. 6:106 BW Pro geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
(...)
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
(...).
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
(…).
Beoordeling en beslissing rechter
2.8.1
Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
2.8.2
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
2.8.3
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. artikel 149 Rv Pro) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.”
6.2
In een arrest van 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822, is de Hoge Raad ingegaan op de vraag hoe de algemene regels over het stellen en betwisten van feiten (zoals hierboven weergegeven in 6.1 onder 2.8.1 tot en met 2.8.3) moeten worden toegepast in elk van de drie categorieën (zoals hiervoor weergegeven in 6.1 onder 2.4.5) waarin de rechter moet oordelen over een vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Uitgangspunt daarbij is dat slechts aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade voor zover de wet bepaalt dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt. Als de rechter een vergoeding van immateriële schade toekent, verdient de grondslag daarvoor daarom aandacht. [4] Ten aanzien van de drie verschillende categorieën citeer ik hieronder de overwegingen van de Hoge Raad (met overneming van de voetnoten):
“3.5.4 De eerste van de drie in 3.5.1 bedoelde categorieën betreft gevallen waarin sprake is van geestelijk letsel. Als de benadeelde zich beroept op het bestaan van geestelijk letsel zal hij, ook als het bestaan van dat geestelijk letsel niet door de verdachte wordt betwist, voldoende concrete gegevens moeten verschaffen waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan, zodat de rechter het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan vaststellen. Doorgaans zal het dan gaan om een rapportage van een deskundige, zoals een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog. Niet is vereist dat in die rapportage een diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld; voldoende kan zijn dat daaruit blijkt van geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.
Een aan de rechtspraak ontleend voorbeeld waarin sprake was van geestelijk letsel:
- een door een psychiater vastgestelde posttraumatische stress-stoornis na een diefstal met geweld en bedreiging met geweld uit een winkel waarin de benadeelde partij werkzaam is. [5]
3.5.5
De tweede categorie betreft gevallen waarin het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden aangenomen, maar waarin de aard en de ernst a) van de normschending en b) van de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Het gaat hierbij om een weging van deze factoren bezien in onderlinge samenhang, waarbij, naarmate de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. Daarbij is het in beginsel aan de benadeelde partij om de vordering met concrete gegevens te onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad, omdat de aard en de ernst van de normschending zelf doorgaans kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens over het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit.
Als de door de benadeelde partij gestelde gevolgen niet worden betwist, kan de rechter uitgaan van de juistheid daarvan. Voor zover de door de benadeelde partij gestelde gevolgen door of namens de verdachte wel worden betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer kunnen beoordelen of de gevolgen in voldoende mate zijn komen vast te staan. Als dat niet het geval is, kan de rechter, behoudens in de gevallen bedoeld in 3.5.6, geen aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ aannemen. Datzelfde geldt als de benadeelde partij onvoldoende heeft gesteld over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.
Aan de rechtspraak ontleende voorbeelden van een aantasting in de persoon in deze tweede categorie:
- verlies van vertrouwen in anderen, beëindiging van sociale contacten en imagoschade als gevolg van langdurige en intensieve belaging; [6]
- angst en gevoelens van onzekerheid na belaging; [7]
- zich onveilig voelen op het werk en het ondergaan van EMDR-behandelingen in verband met een overval en bedreiging met een wapen; [8]
- grote emotionele gevolgen en last daarvan tijdens de uitoefening van de werkzaamheden als gevolg van vrees voor het leven na op de snelweg met hoge snelheid in een politieauto van de weg te zijn gedrukt. [9]
3.5.6
Naast de twee hiervoor besproken categorieën kan in uitzonderlijke gevallen ook een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending. In deze – in 3.5.1 als derde aangeduide – categorie gaat het om gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.
Aan de rechtspraak ontleende voorbeelden van een aantasting in de persoon in deze derde categorie:
- verkrachting waarbij sprake was van geweld, andere feitelijkheden en bedreiging met geweld; [10]
- woningoverval waarbij de slachtoffers zijn vastgebonden, hun monden zijn vastgeplakt, zij met een vuurwapen zijn bedreigd en een van de benadeelden een klap in zijn nek heeft gekregen en is bedreigd met het afsnijden van zijn geslachtsdeel; [11]
- verkrachting van een 16-jarig meisje na het heimelijk toedienen van GHB. [12]

7.De bespreking van het middel

7.1
Het hof heeft geoordeeld dat – gelet op de aard en ernst van de normschending en de met concrete gegevens onderbouwde gevolgen voor de destijds jonge kinderen – ten aanzien van de drie minderjarige kinderen van de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoeld in art. 6:106 BW Pro. Aan zijn oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze legt het hof het volgende ten grondslag. Wat betreft de normschending en de aard en de ernst daarvan overweegt het hof dat de verdachte met een diefstal uit de woning van de benadeelde partij een inbreuk heeft gemaakt op het recht op eerbiediging van de privésfeer en dat dergelijke feiten ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de bewoners. Wat betreft de aard en de ernst van de gevolgen van het feit benadrukt het hof dat het gaat om jeugdige kinderen en verwijst het hof verder naar hetgeen de benadeelde partij daarover in de vordering en de daarbij behorende bijlagen naar voren heeft gebracht, namelijk dat:
- de jongste zoon niet meer alleen durft te slapen;
- de oudste zoon een begeleider op school heeft die hem extra ondersteunt en;
- de jongste dochter op school een vertrouwenspersoon toegewezen heeft gekregen en sinds het incident mindere schoolresultaten behaalt.
7.2
Uit het voorgaande volgt dat het hof toepassing heeft gegeven aan de tweede categorie, zoals bedoeld in 6.2 onder 3.5.5. Het hof heeft het in dat verband geldende kader zoals door de Hoge Raad wordt voorgeschreven niet miskend. Van een verkeerde rechtsopvatting van het hof is geen sprake. Het middel faalt in zoverre. Voor zover het middel klachten bevat waarin ervan uit wordt gegaan dat het hof heeft vastgesteld dat bij de minderjarige kinderen van de benadeelde partij sprake was van geestelijk letsel, mist het feitelijke grondslag.
7.3
Dan resteert de vraag naar de begrijpelijkheid en motivering van het oordeel van het hof. Van belang daarbij is het volgende. Uit het in randnummer 6.2 weergegeven arrest van de Hoge Raad volgt dat de aard en de ernst van (1) de normschending en (2) de gevolgen daarvan bezien moeten worden in onderlinge samenhang. Dat betekent dat wanneer de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. In het geval de normschending minder ingrijpend is, zullen de aard en de ernst van de gevolgen juist van groter belang worden. Het is aan de benadeelde partij om concrete gegevens te verstrekken die inzicht geven in die gevolgen.
7.4
De verdediging heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betwist dat de kinderen van de benadeelde partij aanspraak kunnen maken op vergoeding van immateriële schade. In eerste aanleg is namens de verdachte aangevoerd dat hij uit coulance bereid zou zijn om een deel van de door de kinderen geleden schade te vergoeden. In hoger beroep is dat niet aangeboden. Aangevoerd is dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade van de kinderen onvoldoende is onderbouwd en niet toereikend is voor een aantasting in de persoon op andere wijze aangezien geen sprake is van psychische schade. Door de verdediging is aldus betwist dat een wettelijke grondslag voor schadevergoeding aanwezig is.
7.5
Het hof heeft vastgesteld dat de normschending door de (nachtelijke) diefstal uit de woning bestaat uit een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het is niet uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner(s) van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. [13] Daarvoor zal dan wel moeten kunnen vastgesteld dat die gevolgen ‘dermate ingrijpend’ zijn dat zij de gevolgtrekking dat sprake is van een aantasting in de persoon rechtvaardigen.
7.6
Naast hetgeen het hof expliciet in zijn oordeel heeft betrokken (zie 7.1) heeft de benadeelde partij aangevoerd dat zijn kinderen na de inbraak een onveilig gevoel in huis hadden en zij sinds de inbraak angsten ondervonden en dat zijn kinderen ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep nog steeds niet graag alleen sliepen. Uit de bijlagen bij de vordering van de benadeelde partij blijkt van een mail die [benadeelde 3] (kennelijk de vrouw van de benadeelde partij) aan – kennelijk – twee medewerkers van de school van [benadeelde 2] (kennelijk de oudste zoon van de benadeelde partij) heeft gestuurd en waarin staat dat hij hulp wil, zich op school moeilijker kan concentreren omdat hij steeds aan de inbraak denkt en waarin zij de vraag stelt of er op school iemand is die [benadeelde 2] zou kunnen helpen. Verder is een ongedateerde en ongespecificeerde tekst als bijlage opgenomen, afkomstig van “ [betrokkene 3] ”, inhoudende dat zij blij is dat ze ‘het’ weet en dat ze [benadeelde 4] (kennelijk de jongste dochter) een beetje extra in de gaten kan houden. De derde bijlage heeft kennelijk betrekking op het meerderjarige kind van de benadeelde partij en is dus alleen relevant voor het deel van de vordering waarin de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard. Mede gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd en in aanmerking genomen dat ten aanzien van de jongste zoon iedere onderbouwing ontbreekt, is het (impliciete) oordeel van het hof dat de stellingen van de benadeelde partij omtrent de nadelige gevolgen voor de kinderen (hiervoor onder randnr. 7.1) voldoende zijn onderbouwd niet zonder meer begrijpelijk.
7.7
In het verlengde daarvan ligt dan het volgende. De stellingen van de benadeelde partij omtrent de nadelige gevolgen voor de kinderen en de (summiere) onderbouwing daarvan zijn wat mij betreft, bezien in samenhang met de aard en de ernst van de normschending, onvoldoende (niet ‘dermate ingrijpend’) om grond te kunnen bieden aan de vaststelling dat sprake is van een aantasting in de persoon. Het andersluidende oordeel van het hof op dit punt is mijns inziens dan ook niet zonder meer begrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd. Daarmee wil ik overigens niets afdoen aan de ervaringen van de (kinderen van de) benadeelde partij. Een diefstal uit een woning in de nachtelijke uren is een buitengewoon naar feit, waarvan alleszins voorstelbaar is dat het angstgevoelens oproept en het gevoel van veiligheid aantast.
7.8
Het middel slaagt.

8.Slotsom

8.1
Het middel slaagt.
8.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de daarmee samenhangende opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het hof heeft het vonnis waarvan beroep uitsluitend vernietigd ten aanzien van de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht bestaande in het contactverbod met het slachtoffer [...] en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] alsmede de daaraan gekoppelde schadevergoedingsmaatregel en in zoverre opnieuw recht gedaan.
2.Deze maatregel heeft betrekking op beide slachtoffers in de zaak met parketnummer 01.207188.22 en houdt ten aanzien van het ene slachtoffer een contactverbod in en ten aanzien van het andere slachtoffer zowel een contact- als gebiedsverbod.
4.HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822, rov. 3.5.1 en 3.5.2.
5.HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:889.
6.HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1956.
7.HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1002.
8.HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024.
9.HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1243.
10.HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1496.
11.HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012.
12.HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:73.
13.Vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, rov. 2.4.2.