Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
van hoekpunt grens vw 428 naar punt 1m uit hoek perceel.” De aan het relaas van bevindingen gehechte situatieschets is de volgende:
[sr.] ( [geboortedatum] ) koper”. Verder is door de landmeetkundige onder “
4. Vermelding omtrent het al dan niet eensluidend zijn van de aanwijzingen” opgemerkt: “
Akte in eerste instantie op P. O. gezet omdat er geen overeenstemming was. Na telefonisch contact op 200202 gaat de heer [eiser 1] akkoord.”
feitelijke perceelgrens” (aldus het hof; ik lees: gebruiksgrens), met daarop een hekwerk tussen de percelen van [eisers] en [verweerster] , over de gehele breedte af van de kadastrale grens ten nadele van [verweerster] . [eisers] hadden daarmee een stuk grond (hierna: de betwiste strook) in gebruik dat volgens het kadaster deel uitmaakt van perceel C.
3.Procesverloop
Eerste aanleg
De erfgrens en de eigendom van de strook grond” ingegaan op de ligging van de kadastrale grens en de eigendomsgrens. Het hof komt tot het oordeel dat de kadastrale grens en de eigendomsgrens tussen enerzijds percelen A en B en anderzijds perceel C overeenstemmen. Het hof overweegt en oordeel onder andere als volgt:
ik lees: betwisten [eisers] dat [sr.] , A-G] bij de inmeting aanwezig was en eveneens dat hij naderhand alsnog akkoord is gegaan met de inmeting. Dit [
ik lees: dat [sr.] daar afwezig was, A-G] acht het hof niet aannemelijk. De landmeetkundige heeft op het ‘Relaas van bevindingen’ als aanwezigen (met naam en geboortedatum) genoteerd twee van de gebroeders [betrokkenen 1 en 2] en [sr.] De naam en geboortedatum van [sr.] komen overeen met die uit de akte van levering. Daarbij heeft de landmeetkundige onder punt 4 van het ‘Relaas van bevindingen’, dat door hem is ondertekend, de uitdrukkelijke vermelding gedaan dat partijen eerst geen overeenstemming hadden maar dat [sr.] op “200202” alsnog telefonisch akkoord is gegaan met de inmeting. Het hof acht het onwaarschijnlijk dat de landmeetkundige dit ten onrechte zou hebben genoteerd. [eisers] geven daarvoor ook geen plausibele verklaring. Dat [sr.] geen herinnering meer heeft van zijn aanwezigheid bij de inmeting of van zijn telefonisch gegeven instemming, is daarvoor onvoldoende. Het hof heeft op basis van wat is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het ‘Relaas van bevindingen’. Het hof neemt daarmee tot uitgangspunt dat [sr.] in 2002 akkoord is gegaan met de door het Kadaster ingemeten erfgrens. Daarmee is die erfgrens definitief vastgesteld, zoals in de leveringsakte van 14 september 1999 is overeengekomen, vergelijk rechtsoverweging 3.6. Daarmee staat vast dat de kadastrale grens in beginsel ook de juridische grens is. De discussie tussen partijen over wat de in de leveringsakte uit 1999 bedoelde “afbakening van het terrein” is geweest, is met de door [sr.] in 2002 gegeven instemming met de inmeting niet meer ter zake doend en kan daarmee verder onbesproken blijven.
Verkrijgende verjaring” ingegaan op het betoog van [eisers] dat zij als gevolg van verjaring (als bedoeld in art. 3:99 BW Pro althans art. 3:105 BW Pro) eigenaars zijn geworden van de betwiste strook. Dat betoog heeft het hof verworpen:
in percelen B en C, A-G] en deels is overgedragen aan [sr.] - het oude hekwerk hebben geplaatst. De stelling dat [sr.] hierbij betrokken zou zijn geweest en dit hek zou hebben betaald, is niet onderbouwd en acht het hof zonder onderbouwing ook niet aannemelijk, met name omdat [sr.] in 1996 nog geen eigenaar van het perceel was. Ook is niet gesteld of gebleken dat [sr.] , nadat hij eigenaar van de perceel [B] (en [A]) is geworden, uitdrukkelijk bij [betrokkenen 1 en 2] heeft aangegeven dat hij ervan uitging dat de strook grond aan zijn zijde van het hek van hem zou zijn. Dat [sr.] zelf altijd heeft gedacht dat de strook grond tot aan het oude hek bij perceel [C] hoorde, is niet relevant omdat het bij bezit om een naar buiten toe blijkende intentie gaat de strook grond voor zichzelf te houden. Er bestaat ook geen rechtsregel dat een eigenaar van een perceel verplicht om een erfafscheiding op de kadastrale erfgrens aan te brengen. Als in dit geval [betrokkenen 1 en 2] een erfafscheiding op hun eigen perceel aanbrengen, brengt dat niet direct mee dat daarmee de grond tussen de kadastrale erfgrens en het hek aan [sr.] - en daarmee nu mogelijkerwijs aan [eisers] - toekomt. Dat [eisers] dan wel [sr.] enkele containers en andere spullen op (delen van) de betreffende strook grond hadden staan, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van inbezitneming. Van een door [sr.] of [eisers] verrichtte bezitsdaad is het hof dan ook niet gebleken. De hiervoor beschreven omstandigheden maakten [sr.] en [eisers] hooguit houder(s) van de strook grond. Een houder kan zichzelf niet zomaar tot bezitter maken, zo volgt uit artikel 3:111 BW Pro. Aan voorwaarden waarmee een houder tot bezitter kan worden, is niet voldaan. Het voorgaande brengt mee dat het verweer van [eisers] dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond al afstuit op het ontbreken van het daarvoor vereiste bezit.
4.Enkele overkoepelende opmerkingen
Algemeen
enerzijdsgrondstukken als zaken (art. 3:2 i.v.m. art. 5:1 en Pro 5:20 lid 1 BW), dus als voorwerpen van eigendom en andere rechtsposities, en
anderzijds‘percelen’ op de kadastrale kaart, berustend op de Kadasterwet, die erop gericht zijn – oorspronkelijk vooral voor publiekrechtelijke doeleinden – die rechtsposities te registreren. Dus: grondstukken enerzijds, percelen anderzijds. De eerste zijn rechtsobjecten, de tweede administratieve eenheden. Zoals zo meteen nader aandacht krijgt, zal de kadastrale kaart de eigendomssituatie van een grondstuk niet altijd goed weerspiegelen, en is die kadastrale kaart ook niet het vertrekpunt voor de vaststelling van de eigendomsgrenzen indien daarover een geschil bestaat. Tot zover een punt van juridische systematiek en terminologie. Misschien nog wel belangrijker is dat het bestreden arrest– tegen de achtergrond van die systematiek en terminologie – niet geheel duidelijk maakt wat de structuur van het debat is, in het licht van de vorderingen, de daarvoor aangevoerde grondslagen, de verweren, de stellingen en de bewijslastverdeling, enzovoort. Het kostte mij in deze zaak behoorlijk veel moeite om die structuur helder te krijgen.
juridische grenzen” noemt, enigszins vervaagd. Het moge duidelijk zijn dat zowel de kadastrale grenzen als de eigendomsgrenzen hartstikke
juridischzijn, zij het dat hun werkingen en functies niet samenvallen. [7] De kadastrale kaart berust op een uitgewerkt (publiekrechtelijk) regelgevend kader waarvan de basis is gelegen in de Kadasterwet; de eigendomsgrenzen zijn als zodanig niet in de wet geregeld en berusten op de toepassing van goederenrechtelijke leerstukken, die de gedragingen van burgers – vooral in het kader van overdracht en verjaring (zie art. 3:80 lid 3 BW Pro) – centraal stelt. [8]
juridische grens” (ik lees dus: eigendomsgrens) afwijkt van de kadastrale erfgrens . [9] Van die (stelplicht- en) bewijslastverdeling moet in cassatie dus worden uitgegaan. Bijgevolg komt het erop aan of [eisers] hebben gesteld en kunnen bewijzen dat zij, dan wel [sr.] als hun rechtsvoorganger, de eigendom van de betwiste strook hebben/heeft verkregen. In de eerste plaats moet dan worden gedacht aan verkrijging door overdracht, en in de tweede plaats – voor het geval de verkrijging door overdracht niet komt vast te staan, doordat zij niet heeft plaatsgevonden of (te) onzeker is – aan verkrijging als gevolg van verjaring.
bezitterszijn van de betwiste strook, wordt in cassatie niet geklaagd over bedoeld oordeel over eigendomsverkrijging door overdracht als zodanig. [10] Het debat in cassatie spitst zich daarentegen toe op het oordeel van het hof, blijkend uit r.o. 4.11, dat [eisers] (ook) niet ten gevolge van verjaring eigenaars zijn geworden van de betwiste strook. Kortom, het gaat in cassatie in zoverre dus uitsluitend nog om die verjaringskwestie.
de ogenschijnlijke erfafscheiding”) met “
knikken en bochten” in de buurt van de grens tussen enerzijds percelen A en B en anderzijds C. Daarbij wordt verwezen naar de foto in productie 6.
toestemming” hebben gekregen om het hekwerk op deze wijze te plaatsen. Hierbij passen kanttekeningen. Productie 8 betreft een brief namens [verweerster] gericht aan [sr.] , niet aan [eisers] In die brief wordt onder andere het standpunt van [sr.] samengevat. Daarin wordt melding gemaakt van de stellingname van [sr.] (dus niet [eisers] ) “
dat het hekwerk destijds is geplaatst op basis van de uitkomst van het gevoerde overleg tussen u en wijlen [betrokkene 1].” Daar staat dus niet dat [eisers] een hekwerk hebben geplaatst en ook niet dat dat is gebeurd met “
toestemming” van die laatste. Rechtbank en hof hebben dat dus ook niet als feit vastgesteld.
Het heeft er alle schijn van dat het hekwerk destijds ‘op de rooi’ is geplaatst, echter dat is ten koste gegaan van een aanzienlijk gedeelte van perceel [C].” Wanneer “
destijds” is, blijft in het midden.
productie 1).
een gedeelte van een bedrijfspand met erf, industrieterrein, ondergrond en verdere toebehoren, gelegen nabij(…)
, plaatselijk bekend(…)
,uitmakende een ter plaatse afgebakend gedeelte van het perceel, kadastraal bekend(…),
ongeveer groot eenentwintig are achttien centiare, zoals schetsmatig met streeparceringen is aangegeven op de aan deze akte te hechten, niet voor inschrijving bestemde, aan partijen bekende, situatietekening(…).”
ter plaatse duidelijk is afgebakend. [eiser 1] bedoelt hier mee te zeggen dat het hek dat er nu staat er toen ook al stond. Daarvoor is echter op geen enkele wijze bewijs aangeleverd – bijvoorbeeld door een oude luchtfoto – en dit wordt ook betwist door [verweerster] .”
wanneerhet hek is geplaatst.
in hoeverre de huidige feitelijke erfafscheiding in 1999 al op dezelfde plaats aanwezig was (zoals [eisers] stelt maar [verweerster] betwist).”
zie productie 1 bij de memorie van grieven, A-G]. In deze schriftelijke verklaring zet hij het feitelijke verloop van de gang van zaken uiteen met betrekking tot de verkrijging van de percelen in eigendom. (…)
op een moment vanaf 1993, A-G] was ik erachter dat vanaf het braakliggende terrein (oostzijde) van [betrokkene 1] regelmatig ongewenste personen het terrein betraden gepaard gaande met veel inbraak, vandalisme en diefstal tot gevolg. De afspraak was dan ook om het door mij reeds aangeschafte hekwerk zo spoedig mogelijk geplaatst zou worden door gebroeders [betrokkenen 1 en 2] zodat de kosten redelijk verdeeld waren. Wat ook gebeurd is op de afgesproken plek.
aan onenigheid met [betrokkene 1] en een derde, A-G] stond het hekwerk er al op de hiervoor afgesproken plaats, zodat de overlast wel afnam. De notaris heeft vele jaren later dat hekwerk ook beschreven als maatgevende afbakening. Wat het kadaster helaas nooit op locatie heeft ingemeten.
welgelijklopen.
bedoeld is de grens tussen perceel A en perceel C, A-G]. Het standpunt van [eisers] dat het hek deels op de kadastrale grond van [verweerster] staat, doordat [het gesplitste perceel] onjuist is gesplitst, gaat hier niet op. Immers, Perceel [A] is nooit betrokken geweest bij een splitsing en toch staat het hek ook hier over de erfgrens.
ter plaatse duidelijk afgebakend. Deze visie wordt enkel versterkt door het feit dat [sr.] akkoord is gegaan met de wijze waarop het Kadaster de grenzen heeft ingetekend. [15] Dit alles maakt dat de blote stelling van [eisers] – dat het hek de in de akte bedoelde afbakening is – zonder nadere motivering of bewijs niet als vaststaand kan worden aangenomen.
het oude hekop de betwiste strook grond tussen de percelen [A] en [B] enerzijds en [C] anderzijds verwijderd en een nieuw hek geplaatst op de kadastrale grens. (…)”
maar wel restanten daarvante zien zijn (zie bij u). Als ik het goed zie, is die luchtfoto niet overgelegd. De luchtfoto die [verweerster] als productie 17 bij de memorie van antwoord heeft overgelegd, stamt kennelijk uit 2008 en laat niet zien of er een hekwerk dan wel restanten aanwezig zijn.
5.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
Stuit het verweer van [eisers] dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar geworden zijn al af op het ontbreken van het daarvoor vereiste bezit? (rov. 4.11)”. Het onderdeel bevat – enigszins samengevat – de overkoepelende klacht dat rechtens onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd zijn de oordelen in r.o. 4.11 dat (i) niet is gebleken van een door [sr.] of [eisers] verrichte “
bezitsdaad” en (ii) het verweer van [eisers] dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond al af zou stuiten op het volgens het hof ontbreken van het daarvoor vereiste bezit (hierna gezamenlijk ook: ‘geen bezit’-oordelen). De overkoepelende klacht wordt uitgewerkt en toegelicht in subonderdelen 1.1 en 1.2.
[sr.] verkreeg het bezit van de litigieuze grondstrook door inschrijving van de leveringsakte in de daartoe bestemde openbare registers” en valt uiteen in klachten 1.1.1 en 1.1.2.
van bezitsoverdracht geen sprake is geweest”.
bezitsdaad”, een term die niet vervat is in de hier relevante wetsbepalingen. Met dit oordeel miskent het hof dat aan [sr.] het bezit van de betwiste strook is overgedragen en dat daarom wel sprake is van een ‘bezitsdaad’ van [sr.] , namelijk een gedraging van [sr.] die bestaat in het zich door [betrokkenen 1 en 2] laten overdragen van dit bezit (door medewerking aan het passeren van de leveringsakte en inschrijving daarvan). In elk geval miskent het hof met dit oordeel dat het er niet om gaat of sprake is van een ‘bezitsdaad’, doch dat bepalend is dat [sr.] door overdracht het bezit van de betwiste strook heeft verkregen.
dat [eisers] dan wel [sr.] enkele containers en andere spullen op (delen van) de betreffende strook grond hadden staan(…)
onvoldoende [is] om aan te nemen dat sprake is geweest van inbezitneming.” De subklachten lijken dit te omzeilen met een beroep op bezitsoverdracht.
overdrachteigenaar van de betwiste strook is geworden en waarom [eisers] een beroep moeten doen op verjaring. Het hof heeft het beroep op verkrijging door overdracht echter verworpen in r.o. 4.7 en 4.8, na uitleg van de bedoelde leveringsakte. Daartegen worden als zodanig geen klachten gericht. Zie al in nr. 4.5 hiervoor.
een ter plaatse duidelijk afgebakend gedeelte van het perceel(...)”) en de inschrijving ervan in de daartoe bestemde openbare registers, een overdracht van het bezit plaatsvond van de betwiste strook (art. 3:114 BW Pro), nu [eisers] aldus door [betrokkenen 1 en 2] in staat gesteld werden om die macht over de betwiste strook tot aan het hekwerk uit te oefenen die zijzelf konden uitoefenen. Ook daarom kunnen de ‘geen bezit’-oordelen niet standhouden, zo wordt geklaagd.
De leveringsakte moet uitgelegd worden naar objectieve maatstaven (rov. 4.7 en 4.8)” en valt uiteen in klachten 1.2.1 en 1.2.2, die zich lenen voor gezamenlijk bespreking. De klachten komen kort samengevat erop neer dat ’s hofs uitleg van de leveringsakte van 14 september 1999 in r.o. 4.7 en 4.8 rechtens onjuist althans onvoldoende is gemotiveerd.
Het hof heeft miskend dat de rechtsvordering van [verweerster] al verjaard was”. Het is gericht tegen het dictum van het bestreden arrest en bevat – samengevat – de klacht dat het rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is dat het hof het vonnis heeft bekrachtigd voor zover het gaat om de veroordeling van [eisers] om te gehengen en te gedogen dat [verweerster] het (meergenoemde) hekwerk verwijdert, voor zover dit zich op haar perceel bevindt. Het hof zou hebben miskend dat de daarmee corresponderende vordering van [verweerster] niet toewijsbaar is indien [verweerster] door verjaring de desbetreffende rechtsvordering niet meer heeft. Het hof zou althans ten onrechte niet hebben onderzocht of deze rechtsvordering al verjaard is, dan wel ten onrechte hebben nagelaten te motiveren waarom het zulks niet had moeten onderzoeken. Daaraan voegt het onderdeel – kort gezegd – toe dat [eisers] hebben gesteld dat de rechtsvordering is verjaard tegen de achtergrond van art. 3:314 lid 2 BW Pro. Zij verwijzen naar nr. 29 van de memorie van grieven.
speciesis van het
genusdat wordt gevormd door de in art. 3:314 lid 1 BW Pro vermelde rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand. Dit overtuigt niet omdat niet valt in te zien waarom, zoals het onderdeel vervolgens betoogt, “
het beroep op verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende naar zijn aard een (voldoende duidelijk) beroep op verjaring van de rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand behelst of impliceert”. De uitleg van de stellingen van [eisers] was voorbehouden aan het hof als feitenrechter. Het hof was niet gehouden tot de bedoelde ‘generalisering’ van een beroep op – kort gezegd – verkrijging door verjaring omdat dit gepaard gaat met toepassingsvoorwaarden en rechtsgevolgen die niet gelijk zijn aan een beroep op verjaring van een rechtsvordering tot beëindiging van een onrechtmatige toestand die niet in bezit is gelegen.
6.Bespreking van het middel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
oude hekwerk” de afbakening vormde als bedoeld in de akte van levering van 14 september 1999 en (2) dat het oude hekwerk reeds aanwezig was ten tijde van het passeren van de leveringsakte van 14 september 1999 en dat dit het hek is dat op grond van het vonnis van de rechtbank is verwijderd, [23] zijn die beslissingen zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. [verweerster] heeft gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het hek reeds was geplaatst ten tijde van de hiervoor bedoelde levering en betwist dat het hek de in de leveringsakte bedoelde afbakening betrof. [24] [verweerster] heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat een kennis van de dga van [verweerster] heeft verklaard dat er geen hek heeft gestaan en dat de dga van [verweerster] luchtfoto’s heeft opgevraagd waarop ook geen hek staat, maar slechts restanten van een hek. [25] In het licht daarvan kon het hof volgens het onderdeel, mede in het licht van het feit dat de bewijslast voor het beroep op verjaring op [eisers] rust en dus ook de bewijslast ten aanzien van de vraag of het ‘oude hek' hetzelfde hek is dat al bij de levering aanwezig was en [eisers] hun stelling omtrent de aanwezigheid van het oude hek niet met stukken hebben onderbouwd, niet zonder nadere motivering beslissen dat het oude hekwerk reeds ten tijde van de leveringsakte aanwezig was. [verweerster] , zo vervolgt het onderdeel, heeft er ook op gewezen dat uit de schets bij de leveringsakte blijkt dat de erfgrens zou worden getrokken vanuit 1 meter uit de hoek (waarmee de hoek in het noorden werd bedoeld) en dat er dus maar één mogelijkheid was om de grens te trekken, namelijk een rechte lijn van de hoek naar het begin van de grens tussen perceel A en het gesplitste perceel. [26] Voorts heeft [verweerster] gewezen op de vermelding in de “
koopakte” (bedoeld zal zijn de leveringsakte) dat het gedeelte van het gesplitste perceel dat door [betrokkenen 1 en 2] aan [sr.] werd geleverd een stuk van ongeveer 21 are en 18 centiare betrof. [27] Daarvan gaat het hof blijkens r.o. 4.8 zelf ook uit. Het onderdeel stelt dat [verweerster] aan die omstandigheden de gevolgtrekking heeft verbonden dat het hek niet de afscheiding is waarop wordt gedoeld in de leveringsakte. [28] Voor zover het hof in r.o. 4.11 (en bij diens verdere beoordeling) wel ervan uit is gegaan dat het hek de afscheiding vormt, is die beslissing in het licht van deze stellingen en omstandigheden zonder nadere motivering, onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
oude hekwerk” de afbakening vormde als bedoeld in de akte van levering van 14 september 1999. Integendeel, het hof heeft aan het slot van r.o. 4.7 in het midden gelaten wat de in die akte bedoelde “
afbakening van het terrein” is geweest. Het onderdeel mist in zoverre dus feitelijke grondslag.