ECLI:NL:PHR:2026:702

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
24/03711
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138 SrArt. 139 SrArt. 10 EVRMArt. 11 EVRMArt. 94 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voorwaardelijke geldboete wegens erfvredebreuk na beklimming hijskraan tijdens vreedzame demonstratie

Op 20 mei 2021 vond een vreedzame demonstratie plaats van Extinction Rebellion op het bouwterrein van een bedrijf op de campus van een universiteit. De actievoerders protesteerden tegen de bouw van een kantoor vanwege de rol van het bedrijf in het voedselsysteem. De verdachte klom zonder uitrusting op een 40 meter hoge hijskraan en hing daar een spandoek op. De politie gaf de actievoerders tot 10:30 uur de kans het terrein vrijwillig te verlaten, waarna aanhoudingen volgden.

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens medeplegen van erfvredebreuk (art. 138 Sr Pro) en kreeg een voorwaardelijke geldboete van €225,- met een proeftijd van twee jaar. De verdediging voerde aan dat de vervolging in strijd was met het demonstratierecht (art. 10 en Pro 11 EVRM), maar het hof oordeelde dat de beklimming van de hijskraan een gevaarlijke situatie creëerde die niet getolereerd hoefde te worden.

Het hof stelde dat het strafrechtelijk optreden, inclusief aanhouding en bestraffing, proportioneel en noodzakelijk was ter voorkoming van gevaarlijke situaties en wanordelijkheden. Hoewel de redelijke termijn in hoger beroep werd overschreden, werd geen strafvermindering toegepast. Het cassatieberoep klaagde onder meer over de grondslag van de tenlastelegging, de proportionaliteit van het strafrechtelijk optreden en de overschrijding van de inzendtermijn, maar werd verworpen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van €225,- wegens medeplegen van erfvredebreuk na beklimming van een hijskraan tijdens een vreedzame demonstratie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03711
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 26 september 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-005545-21) wegens “medeplegen van in het besloten erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen”, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 225,-, subsidiair 4 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/03712, 24/03713 en 24/03714. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
Aan het arrest van het hof ontleen ik de volgende relevante feiten en omstandigheden. Op 20 mei 2021 vond er een demonstratie plaats van een groep actievoerders van Extinction Rebellion op het bouwterrein van [A] , een onderneming van [C] , op de campus van de [universiteit] . De actievoerders demonstreerden tegen de bouw van het kantoor vanwege de rol die – volgens de actievoerders – [C] heeft in het creëren en in stand houden van het voedselsysteem, onder andere door (financiële) beïnvloeding van belangrijke pilaren van de Nederlandse democratie zoals het onderwijssysteem en in het bijzonder de [universiteit] . Er werden leuzen geroepen en spandoeken en vlaggen opgehangen. Drie demonstranten zaten/stonden op het dak van een bouwkeet. Andere demonstranten, waaronder de verdachte, zijn in een op het bouwterrein aanwezige hijskraan geklommen en hebben daar een spandoek opgehangen. De actievoerders zijn rond 05:30 uur het bouwterrein opgelopen. Rond 07:00 uur zijn er politieagenten naar het bouwterrein gestuurd. Met een woordvoerster die zich buiten het bouwterrein bevond is afgesproken dat de actievoerders die zich op het terrein bevonden tot 10:30 uur de kans hadden om vrijwillig het terrein te verlaten en dat de politie daarna een bekeuring wegens huisvredebreuk zou uitreiken. Verder is medegedeeld dat als de bouwwerkzaamheden langer stil moeten liggen, de actievoerders zouden worden aangehouden. Omstreeks 11:00 uur kwam het arrestatieteam ter plaatse. De actievoerders die zich op de bouwkeet en de hijskraan bevonden (en – zo begrijp ik – dus niet vrijwillig wilden vertrekken), zijn door de politie aangehouden en naar het cellencomplex in Arnhem gebracht.
2.2
Namens de verdachte en medeverdachten is een verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging gevoerd, op de grond dat de aanhouding en vervolging in strijd is met het demonstratierecht zoals neergelegd in art. 10 en Pro 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het hof heeft in de zaken van de drie medeverdachten op de bouwkeet (de zaken 24/03712, 24/03713 en 24/03714) een schending van art. 10 en Pro 11 EVRM aangenomen en de verdachten ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte, die zich op de hijskraan bevond, is door het hof veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete.
2.3
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Het tweede middel komt op tegen de verwerping van het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging en de strafoplegging. In dat kader wordt ook een verzoek gedaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Het derde middel klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

3.De terechtzitting in hoger beroep

3.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt – voor zover hier van belang – in:
“De verdachte legt haar verklaring over die op schrift is gesteld en aan dit proces-verbaal is gehecht. Zij verklaart dat zij deze verklaring zelf heeft geschreven en dat een vriend van haar deze heeft vertaald.
Op verzoek van verdachte en met instemming van het hof, de advocaat-generaal en de raadsman leest [medeverdachte] de schriftelijke verklaring van verdachte voor.
Verdachte verklaart (desgevraagd):
Ik zat op de kraan. Wij hebben de afgelopen maanden acties gevoerd, maar de universiteit heeft geen aandacht geschonken aan deze acties. De acties leidden niet tot gesprekken met het bestuur. Wij moesten dus iets doen wat hen wel zou interesseren. Wij moesten gezien worden en hen raken waar het pijn doet. Op deze manier konden zij ons niet negeren.
U, voorzitter, vraagt mij waarom ik in de kraan ben geklommen. Ik vond het niet gevaarlijk, totdat de kraanmachinist erbij kwam. Het klimmen was veilig. Daar is een kraan ook voor gemaakt; het is moeilijk om van een kraan te vallen. Op de grond worden wij genegeerd en op deze manier waren wij zichtbaar. De andere acties worden niet gezien door de mensen die ze moeten zien. Om de kraan kon je niet heen; wij hadden een groot spandoek opgehangen. U vraagt waarom ik na het ophangen van het spandoek niet naar beneden ben gegaan. Ik wilde meedoen aan de actie. Wij wilden het bouwterrein bezetten. Wij hadden ons niet vastgemaakt aan de kraan, maar wij hebben ons aan elkaar vastgemaakt. U vraagt waarom dat nodig was. Het is een strategie van Extinction Rebellion. Acties die langer duren, krijgen meer aandacht. U geeft aan dat de politie heeft ingegrepen. U vraagt mij wat de politie had moeten doen om mij van de kraan af te krijgen. De politie had de universiteit moeten vragen om naar onze eisen te luisteren. Wij willen serieus genomen worden. Ik weet niet of dat duidelijk was voor de politie. Zij wilden ons alleen maar weg hebben. U vraagt mij waarom ik niet vrijwillig naar beneden ben gegaan.
De raadsman merkt op dat zijn cliënte al heeft verklaard dat het ging om de actie te verlengen zodat er meer aandacht voor zou komen.
De verdachte verklaart (desgevraagd) verder:
Het was een principe kwestie. Ik geloof zo zeer in deze zaken. Ik wil er niet van weglopen.
U, jongste raadsheer, merkt op dat een speciale eenheid naar boven kwam klimmen en dat zij beschrijven dat zij ergens omheen moesten klimmen. Dat klopt. Het luik werd geblokkeerd. Wij wilden niet dat de kraanmachinist omhoog kwam klimmen. U vraagt mij of ik had gezien dat het de politie was die naar boven kwam. Wij zagen dat de politie was gearriveerd, maar verder konden wij vanaf boven niet zien wat er gebeurde. U vraagt mij of wij ook niet hebben gehoord dat het de politie was die naar boven kwam. Ik denk het wel. U vraagt mij waarom het luik dan niet is geopend. Zij klommen toen al via de zijkant van de kraan naar boven. Het moment was daarom al gepasseerd.
U, raadsman, vraagt mij of de politie heeft gevraagd om het luik te openen. Nee.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging conform zijn pleitnota die aan dit proces verbaal is gehecht. In aanvulling daarop deelt hij mee:
(…)
De voorzitter richt zich tot de raadsman en merkt op dat zij geen verweer ten aanzien van de bewezenverklaring heeft gehoord.
De raadsman voert het woord:
Alleen aan [medeverdachte] is wat gevraagd. Mijn cliënten zullen in alle openheid nadere vragen beantwoorden.
Verdachte verklaart:
U, voorzitter, vraagt mij of ik beken mij schuldig te hebben gemaakt aan het aan mij tenlastegelegde.
Ja, het was duidelijk dat er hekken om het terrein heen stonden. Wij hebben de hekken niet gebroken. Het was niet toegestaan. Wij zijn vreedzaam naar het terrein gegaan. Ik herken de beschuldigingen rondom de pinnen in de kraan niet. Dat zou voor ons gevaarlijk zijn geweest. Er is niks over de bediening van de kraan gesmeerd.
De jongste raadsheer vraagt aan de raadsman hoe het met de liftsleutel zit en hoe de verklaring van [getuige] bij de raadsheer-commissaris moet worden geduid.
De raadsman voert het woord:
Dit is wat een mededemonstrant heeft verklaard en niet wat mijn cliënten hebben verklaard. Ik verwijs naar punt 54 van mijn pleitnota.
(…)
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Zij verklaart:
De politie kon nog goed in de kraan klimmen. Ons is niet gevraagd om het luik te openen. Zij kwamen via de zijkant geklommen en waren snel boven. Zij gingen professioneel te werk en vol zelfvertrouwen.”
3.2
De door de raadsman van de verdachte voorgedragen pleitnota houdt ten aanzien van het verzoek tot ontslag van alle rechtsvervolging in (met weglating van de voetnoten):

Ontslag van alle rechtsvervolging
Inleiding
3. Ik verzoek uw hof om in geval van een bewezenverklaring artikel 138 Sr Pro of artikel 461 Sr Pro buiten toepassing te laten.
4. Indien het overheidsoptreden na afloop van een demonstratie niet ‘
necessary in a democratic society’is ten opzichte van de in artikel 10 lid 2 en Pro/of 11 lid 2 EVRM genoemde doelen, dan levert dit strijd op met artikel 10 en Pro/of 11 EVRM. Indien dan toch wordt vervolgd, [1] zal de strafrechter naar Nederlands recht op grond van artikel 94 Grondwet Pro de strafbepaling(en) waarop de dagvaarding berust buiten toepassing dienen te laten. Een geslaagd beroep op artikel 11 EVRM Pro brengt met zich mee dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is. Dit leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging.
5. Om te bepalen of de artikelen 10 EVRM en/of 11 EVRM is [2] geschonden, moeten twee stappen worden doorlopen. De eerste is of de gedragingen van cliënten onder de reikwijdte van artikel 10 lid 1 EVRM Pro en artikel 11 lid 1 EVRM Pro vallen. Als die vraag positief moet worden beantwoord, is de tweede vraag of de tegen de gedragingen genomen overheidsmaatregelen toelaatbaar zijn. Daartoe moet worden getoetst aan de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM.
De tenlastegelegde gedragingen vallen onder de reikwijdte van artikel 10 en Pro 11 EVRM
6. De eerste vraag is of de protestactie van cliënten beschermd wordt door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vergadering.
7. Bekend is dat volgens het EHRM de vergadervrijheid een van de fundamenten van een democratische samenleving is. Daarom mag het begrip ‘vreedzame vergadering’ niet restrictief worden uitgelegd. Ook demonstraties, statische protesten, sit-ins, bezettingen en blokkades vallen daar onder. Het VN-Mensenrechtencomite noemt in dit verband ook ‘
collective civil disobedience’-acties.
8. Ook protesten die niet plaatsvinden op een openbare plaats in de zin van de Wet openbare manifestaties worden beschermd door deze fundamentele rechten.
9. Het is een door artikel 11 EVRM Pro beschermd
rechtvan de demonstrant om de tijd, plaats en vorm van demonstratie te bepalen. Expliciet mag dus de demonstrant zelf kiezen hoe

the message may have the strongest impact’.
10. Aldus het EHRM:
‘(T)he purpose of an assembly is often linked to a certain location and/or time, to allow it to take place within sight and sound of its target object and at a time when the message may have the strongest impact (..).’
11. Het in demonstratierechtzaken veelgehoorde OM-standpunt dat de demonstranten ook anders of elders hadden kunnen demonstreren is niet alleen een dooddoener, maar geeft blijk van een miskenning van de betekenis van het demonstratierecht.
12. Het zoeken van aandacht van het publiek en de media door de manier van protesteren hangt direct samen met het recht van de demonstrant om zelf te bepalen hoe de boodschap ‘
the strongest impact’ heeft. Het zoeken van deze aandacht is een door het EHRM – maar ook het HvJ-EU – expliciet erkend belang van demonstranten. De Nationale ombudsman stelt:
‘(A)ctivisten hebben media nodig om hun mening te laten horen. Daar zijn protestacties nou net voor bedoeld.’ [3]
13. Artikel 11 EVRM Pro beschermt uitsluitend vreedzame bijeenkomsten. Vreedzaam in dit verband omvat daarom ‘
conduct that may annoy or give offence, and even conduct that temporarily hinders, impedes or obstructs the activities of third parties.’ Iedere vorm van betoging veroorzaakt volgens het EHRM namelijk onvermijdelijk ontwrichting van het dagelijkse leven.
14. Het VN-Mensenrechtencomité heeft over het recht op vreedzame vergadering, neergelegd in artikel 21 IVBPR Pro bepaald (voetnoten weggelaten):
‘“Violence” in the context of article 21 typically entails the use by participants of physical force against others that is likely to result in injury or death, or serious damage to property. Mere (..) disruption of (..) daily activities do not amount to “violence”’.
De protestactie van cliënten
15. Cliënten hebben hun protest op het terrein van [A] gehouden om hun mening te uiten over de rol die volgens hen grote voedselcorporaties spelen in klimaatverandering en biodiversiteits-verlies. Hun actie was gericht tegen de bouw van het kantoor van [A] vanwege de rol die volgens cliënten [C] heeft in het creëren en in stand houden van het huidige voedselsysteem, onder andere door (financiële) beïnvloeding van belangrijke pilaren van de Nederlandse democratie, zoals het onderwijssysteem en in het specifiek de [universiteit] . Er werden leuzen geroepen en diverse spandoeken en vlaggen waren opgehangen met onder meer de teksten ‘End exploitative food systems!’ en ‘
Welcome to the destruction site', waarbij verwezen werd naar de directe en indirecte destructieve effecten van de bouw van het pand van [A] op de campus.
16. De protestactie valt als sit-in of bezetting onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM. Dat de actie tijdelijk de activiteiten van derden hinderde of onmogelijk maakte doet daaraan niet af.
17. De demonstratie was vreedzaam: deze werd uitgevoerd doordat cliënten op de kraan gingen zitten en op de bouwkeet, terwijl zij spandoeken en vlaggen hadden opgehangen. Er is op geen enkele wijze geweld gebruikt. Ook zijn geen vernielingen aangericht. Verder blijkt niet dat de actie gepaard is gegaan met [4] strafbare feiten of wanordelijkheden. Tot slot ontbrak bij cliënten ook een intentie tot geweld of ernstige verstoring van de openbare orde. Dat blijkt reeds uit de aard van de actie.
‘Necessity’-test
18. Nu dient te worden vastgesteld dat de actie van cliënten onder deze bescherming valt, zal vervolgens moeten worden onderzocht of de beperkingen die aan de demonstratievrijheid van cliënten zijn gesteld voldoen aan de eisen van de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM. De demonstratievrijheid is immers niet absoluut. De overheid mag deze beperken. Echter uitsluitend indien voorzien bij wet, indien daarmee wordt voldaan aan een van de limitatief in de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM opgesomde doelen en indien ‘
necessary in a democratic society’.
19. De verdediging betwist niet dat de jegens cliënten genomen maatregelen een basis in de wet hadden en dat sprake was van een of meer van de geformuleerde doelcriteria. Immers de universiteit en/of het bouwbedrijf, in ieder geval niet cliënten, is rechthebbende op de plaats, waar het protest plaatsvond.
20. Echter het bestaan van een legitiem doel is onvoldoende om te beslissen dat de tegen demonstranten genomen maatregelen rechtmatig zijn. Zo oordeelt – expliciet – het EHRM.
21. Als strikte voorwaarde daarnaast geldt dat een beperkende maatregel ‘
necessary in a democratic society’ moet zijn.
22. Dit noodzakelijkheidsvereiste is ingedeeld in een aantal aspecten. In de eerste plaats dient de beperkende maatregel geschikt te zijn om het gestelde doel te bereiken. In de tweede plaats dient er geen minder vergaande maatregel te zijn die hetzelfde doel kan bereiken. Dit zogenoemde subsidiariteitsvereiste komt erop neer dat wanneer duidelijk is dat de autoriteiten hadden kunnen volstaan met minder vergaande beperkingen, deze alternatieven gekozen hadden moeten worden. In de derde plaats dient het door de maatregel gediende belang op te wegen tegen de beperking: de beperking moet beantwoorden aan een ‘
pressing social need’, proportioneel zijn in relatie tot het nagestreefde doel en gebaseerd zijn op ‘
relevant and sufficient reasons’.
23. In Straatsburg wordt aan ‘
necessary’ een strikte betekenis gegeven. Dit vereiste mag niet worden ingevuld met ‘nuttig’, ‘redelijk’ of ‘wenselijk’.
24. In dit verband moeten ook overheidsmaatregelen, genomen na een demonstatie, worden beoordeeld. Dergelijke maatregelen achteraf zijn bijvoorbeeld: arrestatie, detentie op een politiebureau, strafrechtelijke vervolging en het opleggen van bestraffende maatregelen. [5]
25. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van een strafrechtelijke maatregel moet tot slot het ontmoedigende, ‘
chilling’, effect daarvan in ogenschouw worden genomen.
26. Het EHRM oordeelt dat terughoudendheid is geboden voor het bestraffen van ‘
illegal conduct’ dat
verwevenis met een demonstratie. Maatregelen van strafrechtelijke aard vereisen in het bijzonder rechtvaardiging. Roorda, Brouwer en Schilder constateren dat strafrechtelijke vervolging, laat staat strafrechtelijke veroordeling van vreedzame demonstranten ‘in beginsel niet [is] toegestaan.’
27. Als de
‘necessity’-testniet wordt gehaald, vormt een relatief lage sanctie niet een compenserende factor.
28. Roorda, Brouwer en Schilder stellen dat bestraffing niet mogelijk is zolang de demonstrant geen
‘reprehensible’, laakbaar, gedrag vertoont tijdens de manifestatie.
29. Wat als
‘reprehensible’gedrag kan worden aangemerkt, wordt volgens het EHRM bepaald door
‘the extent of the “disruption of ordinary life”’die de demonstratie veroorzaakt.
30. Het veroorzaken van wanorde of ergernis, of het tijdelijk verhinderen of hinderen van de activiteiten van derden is nog niet
‘reprehensible’. Ook
‘disruption (..) of (..) economic activity’doet niet af aan de bescherming van het recht op vreedzame vergadering. Wel
‘reprehensible’kan zijn, aldus EHRM Glukhin tegen Rusland:
‘(T)he obstruction of traffic, damage to property or acts of violence’.
31. Uit EHRM
Açik and otherstegen Turkije, alsmede uit de zaak
Tuskia and Otherstegen Georgië volgt dat een legitieme verwijdering van demonstranten van een niet-publieke plaats niet zonder meer betekent dat daaropvolgende strafrechtelijke maatregelen
‘necessary in a democratic society’zijn. Ik benadruk dat in beide zaken de demonstranten weigerden zelf te vertrekken. [6]
32. Op 19 december 2023 oordeelde de Hoge Raad het
‘reprehensible’dat de verdachte, tijdens een demonstratie tegen Shell, ‘nep-olie’ over de trappen van het hoofdkantoor had gesprenkeld en aldus een
gevaarlijke situatiein het leven had geroepen.
33. Uit HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126 moet worden afgeleid dat ook
‘reprehensible’kan zijn het belemmeren van andermans recht als bedoeld in artikel 10 EVRM Pro. De Hoge Raad stelde vast dat de demonstranten een bouwbedrijf op een beurs in de RAI belemmerden in zijn promotieactiviteiten.
Of de Hoge Raad daarmee in de pas loopt met het EHRM moet ernstig worden betwijfeld. Deze zaak is er niet een van ‘obstruction of traffic, damage to property or acts of violence (..)’.
34. Maar als het louter gaat om een demonstratieve bezetting of sit-in, terwijl de demonstranten weigeren te vertrekken, valt de beoordeling anders uit, zo blijkt uit de conclusie van de A-G van 27 augustus 2024 in een zaak over Extinction Rebellion.
35. Voorbeelden zijn ook toenemend te vinden in de rechtspraak van hoven. Zo oordeelde uw hof in 2023 niet
‘reprehensible’de bezetting van het gebouw van een pensioenverzekeraar door 14 demonstranten die na vorderingen daartoe van de rechthebbende weigerden te vertrekken. De demonstranten, vervolgd wegens lokaalvredebreuk, werden daarom allen ontslagen van alle rechtsvervolging.
36. Hetzelfde oordeelde uw hof in juni dit jaar voor het plakken van ramen en deurdelen van een bank, vervolgd als vernieling: niet ‘laakbaar’. [7]
37. Het gerechtshof Amsterdam ontsloeg in 2023 vier demonstranten van alle rechtsvervolging voor lokaalvredebreuk wegens een demonstratie in een H&M-filiaal. Niet laakbaar, ofschoon daarbij
beperkte schadewas ontstaan. Beroepshalve is mij bekend dat de schade onder meer bestond uit lijmresten.
38. Ik wijs ook op de bestendige niet-vervolgingspraktijk van het OM rondom de A12-blokkades in Den Haag. Het gaat hier, aldus het OM, om geringe strafbare feiten en om vreedzame demonstranten, waardoor vervolging geen meerwaarde heeft. Omdat hier sprake is van vreedzaamheid en het ontbreken van laakbaar gedrag zoals vernieling, zou de rechter waarschijnlijk geen reden zien straf op te leggen, aldus het OM.
39. Bij de A12-acties is telkens enorme politiecapaciteit nodig. Maar uit de beoordeling van het OM blijkt – terecht – dat die factor geen rol kan spelen bij de vraag of sprake is van ‘
reprehensible' gedrag. Daarvoor is geen enkel aanknopingspunt te vinden in de rechtspraak van het EHRM of de oordelen van het VN-Mensenrechtencomité. De Nationale ombudsman stelt:
‘Je kunt activisten niet wagen thuis te blijven omdat een demonstratie een te zware last op de politie legt.’
40. In zijn in februari 2024 verschenen
position paperheeft de VN-speciale rapporteur inzake
Environmental Defenders under the Aarhus Conventionopgemerkt:
‘Due to the growing sense of urgency, and because of the inadequate response from governments to the environmental emergency, environmental defenders are (..) increasingly using forms of peaceful protest that may cause disruption in the public space, such as occupying construction sites (..). Despite being peaceful, these forms of protest, sometimes labelled as civil disobedience, attract considerable media attention, and are often wrongly described by the media and political figures as “anti-democratic” or even “violent”.
41. De partijen bij het Verdrag van Aarhus hebben, aldus dit rapport,
‘a binding obligation under article 3(8) of the Convention to ensure that environmental defenders are not penalized, persecuted, or harassed for exercising their rights under the Convention.’
42. Door onder meer
‘lengthy (..) court proceedings’en
‘disproportionate sentences’dragen volgens de rapporteur ook de gerechten bij aan
‘the repression and criminalization of environmental defenders engaged in peaceful protest and civil disobedience’.
43. De rapporteur concludeert onder meer:
‘States should ensure that peaceful protest and civil disobedience have the same safeguards as other forms of assembly, and that any restrictions imposed are kept to the minimum (..). This includes preventing and repealing measures and practices that may have a chilling effect on environmental activism and protests, such as (..) the arrest, detention and prosecution of peaceful protesters (..). States must also ban law enforcement techniques that involve inflicting pain on protesters (..).
44. Ik vraag tot slot nog aandacht voor rechtbank Oost-Brabant 6 november 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:6955. De politierechter legde wegens een vreedzame bezetting van een varkensstal aan ruim 60 demonstranten 300 euro geldboete en twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk op. Deze zaak werd in onderhavige zaak in eerste aanleg in stelling gebracht door de officier van justitie. Inmiddels heeft de A-G bij het hof Den Bosch het advocatenteam laten weten dat gelet op de ontwikkelingen in de rechtspraak een zaak als deze in de huidige tijd niet vervolgd zou worden. De behandeling van het hoger beroep in die zaak start in november.
De zaak tegen cliënten
45. De autoriteiten hebben jegens cliënten op twee manieren ingegrepen. Ten eerste is hun demonstratie beëindigd door hen van het terrein te verwijderen. Daardoor kon [A] weer volop haar eigendom gebruiken of laten gebruiken zoals zij wilde.
46. Maar ten tweede hebben de autoriteiten ook strafrechtelijk ingegrepen. Cliënten zijn aangehouden, in het politiebureau gedetineerd en strafrechtelijk vervolgd. Zij hebben in eerste aanleg in het openbaar terecht gestaan en hun is een geldboete van 225 euro en twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Vervolgens heeft na het instellen van hoger beroep hun vervolging nog meer dan drie jaren geduurd.
47. In het geval van cliënten vormt dit strafrechtelijk ingrijpen een ontoelaatbare inbreuk op de artilen 10 en/of 11 EVRM. Deze maatregelen kunnen niet ‘
necessary in a democratie society’ worden geoordeeld.
48. De volgende elementen van de zaak zijn voor dit oordeel van belang. [8]
49. Cliënten hebben hun vreedzame actie zorgvuldig uitgevoerd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de aanwezigheid van een woordvoerder. Daarmee beoogden cliënten de actie in goede banen te laten verlopen.
50. De actie was van beperkte duur: deze heeft slechts een halve dag geduurd.
51. De actie maakte geringe inbreuk op de rechten van [A] en de aldaar werkzame personen. De bouw heeft niet lang stilgelegen. Cliënten stellen dat de bouwwerkzaamheden gewoon doorgingen, behalve tijdens de verwijdering van personen van de kraan, die ongeveer een uur duurde. [9]
52. Het is veelzeggend dat [A] niet een vordering als benadeelde partij heeft ingediend of andere juridische vervolgstappen jegens cliënten heeft genomen. Niet is komen vast te staan dat er schade is. [10]
53. De kraanmachinist beweert dat de liftsleutel weg was, het dashbord in de cabine van de kraan was ondergesmeerd met een substantie die leek op chili con carne en dat splitpennen waren verwijderd uit vier borgpennen van de contragiek (p. 9 en p. 215). Hij suggereert dat cliënten en hun mededemonstranten voor dit alles verantwoordelijk zijn.
54. Daar is echter geen enkel bewijs voor. De liftsleutel werd door de politie niet aangetroffen in de fouillering van cliënten en hun mededemonstranten (zie p. 219). Cliënten hadden bepaald geen belang bij verwijdering van de splitpennen. Temeer omdat enkelen van hen bovenin de kraan zaten zodat voor die personen ernstig gevaar zou kunnen ontstaan. De machinist moest overigens toegeven dat hij enkele dagen voorafgaand aan de actie een controle op de pennen heeft uitgevoerd. Als we de machinist willen ondervragen over al deze suggesties geeft hij niet thuis: hij is niet bereid te getuigen, luidt het botweg.
55. Volgens verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] draaide tijdens de protestactie de kraan rond (p. 155). Daardoor zijn de cliënten op de kraan onnodig blootgesteld aan gevaar. Dat geldt echter ook voor de cliënten op de keet, omdat – volgens cliënten op roekeloze wijze – de kraankabel naar hen en boven hen werd bewogen.
56. Uit p. 214 blijkt dat de aanhoudende ambtenaren een methode ter uitvoering van de arrestatie hebben gekozen waarbij letsel kon worden veroorzaakt: ‘Hierop heeft een medewerker van het arrestatieteam een haakse slijper gepakt en hebben we duidelijk in zowel Engels als Nederlands verteld dat we de zogenaamde kokermouwen zouden doorslijpen en dat hierbij kans op enig letsel aanwezig was.’
57. Cliënten en [getuige] hebben in hun verklaringen nader toegelicht hoe onvoorzichtig het er bij de aanhoudingen op de kraan aan toe ging.
58. De personen, aangehouden op het dak van de bouwkeet zijn geboeid. De personen op de kraan ook. In het dossier kan geen enkele reden worden gevonden waarom dit nodig was. Daarom was dit onrechtmatig. Dat is in strijd met de Ambtsinstructie en het recht op bescherming van de lichamelijke integriteit als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Onrechtmatig gebruik van handboeien is een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. [11]
59. Verder is de bejegening van de cliënten die door de politie op de keet zijn aangehouden – cliënten hebben hierover verklaard – in strijd met de beginselen van evenredigheid en de-escalatie en van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze bejegeningswijze was – gezien het vreedzame karakter van de demonstraite – volstrekt onnodig. [12]
60. Aan cliënten is aangeboden dat wanneer zij de actie zouden staken, zij een geldboete zouden krijgen wegens ‘verboden toegang’. Dat is in het licht van de EHRM-rechtspraak op zichzelf reeds een disproportionele reactie op een vreedzame demonstratie.
61. Cliënten hebben zich geen van allen verzet bij de aanhouding. Zij hebben zich geweldloos en passief laten afvoeren, maar bleven vreedzaam.
62. Dat cliënten er niet happig op waren zich onmiddellijk te identificeren heeft als achtergrond dat volstrekt vreedzaam demonstreren in Nederland reeds voldoende reden geeft om op te worden genomen in de Contraterrorisme, extremisme en radicalisering-lijst (CTER-lijst) van de politie, terwijl dergelijke informatie als persoonsgegevens door Nederlandse instanties buiten Nederland worden verspreid, wat zeer nadelige gevolgen kan opleveren voor individuen, nagenoeg oncontroleerbaar en bijna onmogelijk terug te draaien blijkt. Dit is in 2023 uitgebreid beschreven in onder meer Follow The Money. Verder worden demonstranten kenbaar of onkenbaar geconfronteerd met informatie-inwinning door bijvoorbeeld Teams openbare orde inlichtingen van de politie terwijl ook daarvan de rechtmatigheid niet vaststaat. Amnesty International Nederland is zeer kritisch over deze gang van zaken. [13]
63. Volstaan had in dit geval kunnen en moeten worden met de verwijdering van cliënten en het hun ontzeggen van verdere toegang tot het terrein van [A] . Cliënten [14] echter aangehouden en vervolgens ruim vijf uren van hun vrijheid beroofd. In drie gevallen heeft het ophouden voor onderzoek zelfs langer geduurd dan wettelijk toegestaan. Dat vormt een schending van artikel 5 EVRM Pro.
64. Tot slot levert de duur van de vervolging in hoger beroep een schending op van het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. Ook is zo’n
‘lengthy procedure’in strijd met het Verdrag van Aarhus.
Conclusie
65. Gezien al deze omstandigheden zijn de aanhouding en/of de daaropvolgende detentie in het politiebureau en/of de strafrechtelijke vervolging en/of een schuldigverklaring van cliënten niet
‘necessary in a democratic society’. Deze maatregelen zijn in het licht van de vrijheid van demonstratie niet proportioneel. Ook waren minder ingrijpende maatregelen voorhanden. Dat geldt ook voor het feit waarvoor cliënten worden vervolgd: het primaire feit is immers een misdrijf, terwijl, ook had [15] kunnen worden volstaan met louter de zelfstandige vervolging wegens een overtreding. Van de strafrechtelijke vervolging en/of schuldigverklaring bovenop de arrestatie en detentie gaat een ontoelaatbaar
chilling effectuit.
66. Zelfs een schuldigverklaring zonder oplegging van straf vormt in dit geval een disproportionele reactie. Daaraan kleeft immers een aantekening in de justitiële documentatie, die gevolgen kan hebben voor toekomstige aanvragen van een Verklaring omtrent het gedrag. [16]
67. Aldus verzoek ik uw hof in de specifieke omstandigheden van dit geval de artikelen 138 Sr of 461 Sr buiten toepassing te laten wegens strijd met de artikelen 10 en/of 11 EVRM. In het verlengde daarvan verzoek ik u cliënten te ontslaan van alle rechtsvervolging.”

4.De bewijsvoering door het hof

4.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“primair
zij op 20 mei 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, het besloten erf, gelegen aan de Bronland 18 en in gebruik bij van [B] BV en/of [A] , wederrechtelijk is binnengedrongen.”
4.2
De aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a jo. 415 Sr houdt het volgende in:

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
Ten aanzien het feit is sprake van een bekennende verdachte. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat het hof met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
1. De bekennende verklaring van verdachte ter zitting van het hof van 12 september 2024.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte van [betrokkene 1] namens [B] BV, genummerd PL0600-2021225586-3 gesloten en getekend op 20 mei 2021 door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Oost- Nederland (p. 151-152).
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aanhouding verdachte NN PL0600 V 210520 1644, genummerd PL0600-2021225586-10, gesloten en getekend op 20 mei 2021 door [verbalisant 4] en [verbalisant 3] , brigadier respectievelijk hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland (p. 30-32).
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding, genummerd PL0600-2021225586-24, gesloten en getekend op 20 mei 2021 door [verbalisant 5] , inspecteur van politie Eenheid Oost-Nederland (p.35 36).
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen), genummerd PL0600-2021225586-4 gesloten en getekend op 20 mei 2021 door [verbalisant 2] en [verbalisant 6] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en [verbalisant 1] , aspirant van politie Eenheid Oost-Nederland (p. 155-156).
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2021225586-53 gesloten en getekend op 25 mei 2021 door [verbalisant 7] , inspecteur van politie Eenheid Oost-Nederland (p. 213-215).
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte aanvullende proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2021225586-63, gesloten en getekend op 20 november 2021 door [verbalisant 8] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland.”

5.De beslissing van het hof over de strafbaarheid van het bewezen verklaarde

5.1
Het hof heeft het volgende overwogen en beslist op het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging:

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op grond van de feiten en omstandigheden die in het overgelegde schriftelijk requisitoir zijn opgenomen, op het standpunt gesteld dat de beperking van het demonstratierecht proportioneel en gerechtvaardigd was en dat er derhalve geen sprake is van schending van de artikelen 10 en 11 van het EVRM. Het feit is derhalve strafbaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de op schrift gestelde pleitnota bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de tenlastegelegde gedragingen onder de reikwijdte van de artikelen 10 en 11 van het EVRM vallen en de actie van verdachte een vreedzame actie betrof. Het strafrechtelijk ingrijpen vormt een ontoelaatbare inbreuk op de artikelen 10 en 11 van het EVRM. De aanhouding van en de daaropvolgende detentie in het politiebureau en de strafrechtelijke vervolging en/of een schuldigverklaring van verdachte zijn niet ‘necessary in a democratic society’. Deze maatregelen zijn in het licht van de vrijheid van demonstratie niet proportioneel. Daarnaast waren minder ingrijpende maatregelen voorhanden. Van de strafrechtelijke vervolging en schuldigverklaring bovenop de arrestatie en detentie gaat een ontoelaatbaar ‘chilling effect’ uit, aldus de raadsman.
Oordeel van het hof
Feiten en omstandigheden
Op 21 mei 2021 [17] vond er een demonstratie plaats van een groep actievoerders van Extinction Rebellion op het bouwterrein van [A] , een onderneming van [C] , op de campus van de [universiteit] . De actievoerders hebben gedemonstreerd tegen de bouw van het kantoor vanwege de rol die volgens de actievoerders [C] heeft in het creëren en in stand houden van het voedselsysteem onder andere door (financiële) beïnvloeding van belangrijke pilaren van de Nederlandse democratie zoals het onderwijssysteem en in het bijzonder de [universiteit] . Er werden leuzen geroepen en diverse spandoeken en vlaggen zijn opgehangen met onder meer de teksten ‘End exploitative food systems!' en ‘Welcome to the destruction site’. Rond 05:30 uur zijn de actievoerders het bouwterrein opgelopen en rond 07:00 uur heeft de politiemeldkamer verbalisanten naar het bouwterrein gestuurd. Drie demonstranten zaten/stonden op het dak van een bouwkeet en een aantal demonstranten, waaronder verdachte, zijn in een op het bouwterrein aanwezige hijskraan geklommen en hebben daar een spandoek opgehangen; uiteindelijk stonden zij op de zijarm van de hijskraan op circa 40 meter hoogte. Buiten het bouwterrein was een woordvoerster van actiegroep Extinction Rebellion aanwezig. Uit het dossier volgt dat nadat de officier van dienst ter plaatse was gekomen, met de woordvoerster afgesproken is dat de actievoerders die zich op het terrein tot 10.30 uur de kans hadden om vrijwillig het terrein te verlaten en dat de politie dan een bekeuring ter zake van huisvredebreuk zou uitreiken. Verder zou meegedeeld zijn dat als de bouwwerkzaamheden langer stil moesten liggen, de actievoerders zouden worden aangehouden. Omstreeks 11.00 uur is er een arrestatieteam ter plaatse gekomen. Eerst zijn de demonstranten van de bouwkeet gehaald en aangehouden en vervolgens zijn de demonstranten van de hijskraan gehaald en aangehouden. Omstreeks 12.30 uur zijn de leden van het arrestatieteam naar de hijskraan gegaan, waarna verdachte die zich daarop bevond om 12.51 uur is aangehouden. Vervolgens zijn verdachte en de medeverdachten overgebracht naar het cellencomplex in Arnhem. Namens de bedrijven [A] en [B] is op 20 mei 2021 omstreeks 06:30 uur aangifte gedaan van huisvredebreuk.
Het juridische kader
Het hof stelt voorop dat het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering en vereniging, zoals onder andere neergelegd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM, belangrijke grondrechten zijn. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen en hebben betrekking op uiteenlopende vormen van protest (zoals protestmarsen, blokkades, sit-ins en bezettingen) en omvatten mede het recht om – binnen de door het tweede lid van die bepalingen gestelde grenzen – tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen.
Artikel 11 van Pro het EVRM beschermt het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent dat een samenkomst waarbij de organisatoren en deelnemers gewelddadige intenties hebben, niet valt onder de reikwijdte van artikel 11 van Pro het EVRM.
De vrijheden waarin de artikelen 10 en 11 van het EVRM voorzien, zijn evenwel niet absoluut en kunnen worden ingeperkt, mits deze inperking is voorzien bij wet en noodzakelijk is (proportioneel en subsidiair) in een democratische samenleving in het belang van, onder meer, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de rechten van anderen, zoals voorgeschreven door het tweede lid van beide artikelen. Of anders geformuleerd, het moet gaan om een bij wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke beperking van die vrijheden.
De vraag of een beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving laat zich niet in algemene zin beantwoorden en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het Europees Hof voor de Bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) een ‘overall' toets aanlegt. Het EHRM kijkt daarbij naar de vraag of de beperking van de vrijheden als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van het EVRM voldoet aan een dringende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’) en of de beperking voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij de proportionaliteit van de inperking gaat het om een evenwicht tussen het in de artikelen 10 en 11 van het EVRM beschermde belang en andere belangen, zoals het belang van het eigendomsrecht van een ander.
De uitoefening van de rechten zoals beschermd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM kunnen een zekere mate van verstoring van het dagelijks of openbare leven ('disruption of ordinary life') met zich brengen. Die enkele verstoring vormt echter geen rechtvaardiging voor een beperking op bedoelde rechten en de overheid moet daarbij een zekere mate van tolerantie in acht nemen.
De vraag welke mate van tolerantie de overheid moet opbrengen laat zich ook niet in algemene zin beantwoorden en hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van verstoring van het dagelijks leven. Waarbij heeft te gelden dat ook demonstraties die uitmonden in schade of wanordelijkheden voor een individueel persoon niet dienen te leiden tot sanctionering, als diegene zelf geen gewelddadig of laakbaar gedrag laat zien. Als een bepaald persoon echter zelf wel laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’) laat zien, kan dat wel tot sanctionering leiden, ook als de vergadering op zichzelf vreedzaam was.
Ook hier heeft weer te gelden dat de vraag of er wel of niet sprake is van laakbaar gedrag zich niet in algemene zin laat beantwoorden. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat sprake kan zijn van laakbaar gedrag indien de deelnemers aan een demonstratie het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan ingeval van een normale uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek.
Bij de vraag naar de proportionaliteit van een beperking spelen naast de aard van de gedraging en de eerlijkheid van het proces als geheel, ook de aard van en de zwaarte van de opgelegde sancties in relatie tot het nagestreefde doel een rol, waarbij heeft te gelden dat daarvan geen ‘chilling effect’ mag uitgaan. De enkele deelname aan een vreedzame demonstratie mag niet worden bedreigd met een strafrechtelijke sanctionering; daar is een bijzondere rechtvaardiging voor vereist. Zo kan het zijn dat wanneer er verschillende maatregelen worden genomen, zoals de beëindiging van een betoging, een aanhouding, een voorarrest, een vervolging en een veroordeling, die maatregelen gezamenlijk als een (ontoelaatbare) beperking worden gezien.
Met inachtneming van dit juridisch kader is het aan de rechter om in het concrete geval op basis van een belangenafweging te beoordelen of sprake is van een al dan niet toelaatbare beperking van genoemde grondrechten.
Toepassing op de onderhavige zaak
Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat op 20 mei 2021 sprake is geweest van een vreedzame vergadering door de actievoerders op het bouwterrein van [A] en dat de deelnemers aan die vergadering dus de bescherming van de artikelen 10 en 11 van het EVRM toekomt. Van gewelddadig gedrag dan wel het aanzetten daartoe is niet gebleken bij het medeplegen van de erfvredebreuk, evenmin van de intentie tot dergelijk gedrag.
Het optreden van de politie tegen de handelingen van verdachte en haar medeverdachten heeft naar het oordeel van het hof een beperking op de vrijheden van verdachte zoals beschermd onder de artikelen 10 en 11 van het EVRM opgeleverd. Door dat optreden is immers de actie beëindigd en zijn verdachte en haar medeverdachten enige tijd (en in geval van verdachte langer dan toegestaan) van hun vrijheid beroofd geweest. Zij konden hierdoor hun recht op demonstratie niet meer uitoefenen.
Dat stelt het hof voor de vraag of die beperking bij wet was voorzien, een gerechtvaardigd doel diende en noodzakelijk was in een democratische samenleving. Niet staat ter discussie dat in het onderhavige geval de beperking bij wet was voorzien en een gerechtvaardigd doel diende. De beantwoording van de vraag of de beperking ook noodzakelijk was in een democratische samenleving laat zich minder makkelijk beantwoorden.
Bij de beantwoording van die vraag is van belang dat, zoals hiervoor onder het juridische kader omschreven, een persoon die deelneemt aan een vreedzame vergadering in principe geen subject van een sanctie mag zijn, zolang die persoon zich niet laakbaar gedraagt.
Vanaf dit punt maakt het hof onderscheid tussen de actievoerders op het dak van de bouwkeet en de actievoerders op de hijskraan. Nu verdachte een van de actievoerders is geweest die op de hijskraan is geklommen zal het hof hier verder op in gaan.
Het hof stelt vast dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een groep actievoerders die het bouwterrein van [A] hebben betreden. Een aantal actievoerders, waaronder verdachte, is zonder uitrusting op de zijarm van de aldaar aanwezige 40 meter hoge hijskraan geklommen om ‘de demonstratie kracht bij te zetten’, aldus verdachte. Uit een proces-verbaal van bevindingen volgt dat gedurende de hele tijd van de actie belangrijke bouwwerkzaamheden stil lagen, omdat de bouwkraan niet kon worden gebruikt.
Het hof stelt vast dat door het handelen van verdachte ‘private property’ (privé-eigendom) in het geding is gekomen. Het gaat hier namelijk om de hijskraan van [A] en deze kon (tijdelijk) niet meer worden gebruikt omdat er actievoerders in waren geklommen.
Zoals aangegeven is van belang dat het EHRM aanvaardt dat demonstraties veelal een ‘disruption to ordinary life’ meebrengen. Het hof stelt vast dat, gelet op het voorgaande, hier sprake van is. De vraag is vervolgens of de overheid dit had moeten tolereren. Dit is niet het geval indien verdachte gewelddadig of laakbaar gedrag heeft laten zien. Van gewelddadig gedrag is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest.
De vraag of en wanneer sprake is van een “reprehensible act” (laakbare gedraging), laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.
Van ‘reprehensible gedrag’ kan sprake zijn als demonstranten het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan ingeval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek. Verdachte heeft haar demonstratierecht niet uitgeoefend op een publieke plek, maar op een hijskraan die zich bevond op een afgesloten besloten erf. Het hof is van oordeel dat verdachte hierdoor een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd, zowel voor verdachte zelf als voor andere personen die op het bouwterrein aanwezig waren. Het hof is van oordeel dat de aanwezigheid van verdachte (en anderen), zijnde niet bevoegde personen, op een 40 meter hoge hijskraan zodanig gevaarlijk is, dat dit niet geduld kan en hoeft te worden ook als dit wordt afgewogen tegen het demonstratierecht van verdachte. De politie heeft dan ook gerechtvaardigd opgetreden, nu zij deze personen heeft weggehaald uit een gevaarlijke situatie en daarmee de gevaarlijke situatie heeft beëindigd. Het hof is van oordeel dat ook zonder het klimmen in de hoge hijskraan en deze voor anderen (tijdelijk) onbruikbaar maken en een gevaarlijke situatie creëren, de actievoerders voldoende de gelegenheid hadden om zich op een andere wijze uit te spreken tegen de bouw van grote bedrijven op het terrein van de [universiteit] . Het strafrechtelijke optreden van de politie op het bouwterrein tegen verdachte is niet gelegen in het deelnemen aan het protest tegen [A] en/of [C] , maar de combinatie van het overtreden van artikel 138 Sr Pro en vervolgens het creëren van een gevaarlijke situatie. Het demonstratierecht biedt geen vrijbrief voor het maken van een inbreuk op het eigendomsrecht van anderen en het vervolgens creëren van een gevaarlijke situatie op een wijze zoals verdachte en haar mededemonstranten op de kraan dat hebben gedaan. Verdachte heeft naar het oordeel van het hof door haar handelen laakbaar gedrag vertoond wat de overheid niet heeft behoeven tolereren en waartegen opgetreden mocht worden door in de eerste plaats de gevaarlijke situatie te beëindigen. In zoverre is dan ook geen sprake geweest van een ontoelaatbare beperking van de rechten en vrijheden van verdachte.
De vraag is vervolgens of de hiervoor weergegeven gang van zaken in combinatie met het daarop volgende overheidsoptreden, bestaande uit een aanhouding, vrijheidsbeneming, vervolging, en bestraffing (zie verder onder het kopje ‘Oplegging van straf) maken dat het overheidsoptreden ‘overall’ bezien een ontoelaatbare beperking van de rechten en vrijheden van verdachte en daarmee een schending van de artikelen 10 een 11 van het EVRM oplevert. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Verdachte wilde niet meewerken aan onderzoek en wilde haar persoonsgegevens niet kenbaar maken. Gelet daarop lag het, naar het oordeel van het hof, in de rede verdachte aan te houden en te vervoeren naar het politiebureau teneinde op te houden voor onderzoek. Weliswaar mag het strafrechtelijk optreden – waaronder ook de bestraffing – niet zo ingrijpend zijn dat daarvan een ‘chilling effect’ uitgaat op de personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering, maar vanuit het oogpunt van generale preventie (en normhandhaving) is in dit specifieke geval naar het oordeel van het hof enige vorm van chilling effect gerechtvaardigd. Dit ter voorkoming van het creëren van een (soortgelijke) gevaarlijke situaties door actievoerders. Het hof zal – zoals verderop in dit arrest blijkt – bij het bepalen van (de hoogte van) de op te leggen straf(soort) wel rekening houden met het ‘chilling effect’.
Concluderend is het hof dan ook van oordeel dat de beperkingen van de rechten en vrijheden van verdachte zoals die zich in het onderhavige geval hebben voorgedaan, daaronder mede de aanhouding, vrijheidsbeneming, vervolging en bestraffing begrepen, noodzakelijk waren in een democratische samenleving in het belang van het voorkomen van wanordelijkheden, strafbare feiten en de rechten van anderen, waaronder naar het oordeel van het hof mede dient te worden verstaan het voorkomen van gevaarlijke situaties. Het overheidsoptreden heeft daarbij voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Van een schending van de artikelen 10 en 11 van het EVRM is dan ook geen sprake. De hiervoor geconstateerde vormverzuimen doen daaraan niet af, nu zij niet zodanig zijn dat zij maken dat het overheidsoptreden ‘overall’ bezien niet noodzakelijk was.
Het verweer dat het primair bewezenverklaarde feit niet strafbaar is, wordt derhalve verworpen.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van in het besloten erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

6.De strafoplegging door het hof

6.1
Het hof heeft in het kader van de strafoplegging – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich met anderen wederrechtelijk toegang verschaft tot een besloten erf toebehorende aan [A] en/of [B] , is daar op de zijarm van een veertig meter hoge hijskraam geklommen en is daarop uren blijven zitten. Vervolgens heeft verdachte geen gehoor gegeven aan de vorderingen van de politie om het bouwterrein (en dus de kraan) te verlaten. De politie heeft uiteindelijk op grote hoogte de actievoerders van de kraan moeten halen. De bouw heeft gedurende enkele uren stilgelegen. Hiermee heeft verdachte zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan erfvredebreuk, waarmee zij het recht heeft aangetast tot het ongestoord gebruik maken van het terrein door de rechthebbende en heeft zij een gevaarlijke situatie gecreëerd waaraan enkel door politie-ingrijpen een eind is gekomen.
(…)
Zoals hiervoor al genoemd, moet de rechter zich in zaken als de onderhavige ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden – waaronder ook de bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Naar het oordeel van het hof is een zeker “chilling effect” wel gerechtvaardigd indien dit effect ziet op het feit dat er bij de gebruikmaking van bedoelde rechten in strijd met het recht een gevaarlijke situatie is gecreëerd en dus op het in de toekomst voorkomen daarvan.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van € 225,00 een passende en geboden reactie vormt. Het hof is van oordeel dat oplegging van deze geheel voorwaardelijke boete proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een dermate “chilling effect” uitgaat op personen die door deelname aan een protestactie gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en van het recht op vrijheid van vergadering dat zij deze rechten niet meer durven of willen effectueren. Het hof is van oordeel dat met deze straf deze rechten gewaarborgd blijven.
Redelijke termijn
In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
De verdediging heeft immers op 17 december 2021 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 26 september 2024 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. Deze overschrijding valt niet aan de verdachte toe te rekenen. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
Nu aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf zal worden opgelegd, wordt er geen strafvermindering toegepast. Het hof volstaat met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden.”

7.De bespreking van het eerste middel

7.1
Het eerste middel klaagt in de kern dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door het bestanddeel ‘besloten erf’ bewezen te verklaren en het bewezen verklaarde te kwalificeren als erfvredebreuk in de zin van art. 138 Sr Pro.
7.2
Voor de bespreking van dit middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
Art. 138 Sr Pro
“1. Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Hij die zich de toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum, of die, zonder voorkennis van de rechthebbende en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in de voor de nachtrust bestemde tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen.
3. Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
4. De in het eerste en derde lid bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.”
Art. 139 Sr Pro
“1. Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. Hij die zich de toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum, of die zonder voorkennis van de bevoegde ambtenaar en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in de voor de nachtrust bestemde tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen.
3. Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
4. De in het eerste en derde lid bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.”
7.3
Art. 138 Sr Pro stelt onder meer strafbaar het wederrechtelijk binnendringen in een woning, besloten lokaal of erf dat het recht van de gebruiker van die plaatsen aantast om daar ongestoord gebruik van te maken. [18] In de voorliggende zaak gaat het om een besloten erf. Van een besloten erf als bedoeld in art. 138 Sr Pro is sprake indien dat erf kenbaar van de omgeving is afgescheiden, bijvoorbeeld doordat het desbetreffende erf is afgesloten door bouwhekken. [19]
7.4
In art. 139 Sr Pro is afzonderlijk strafbaar gesteld het wederrechtelijk binnendringen in een voor de openbare dienst bestemd lokaal. Daaruit volgt volgens de Hoge Raad dat het in art. 138 Sr Pro bedoelde ‘besloten erf’ niet mede omvat een erf bestemd voor de openbare dienst. [20] In de aan dit arrest ter grondslag liggende zaak bevond de verdachte zich op het door een hek afgesloten en niet voor een ieder toegankelijk parkeerterrein van het detentiecentrum te Alphen aan den Rijn. In die vaststelling lag besloten dat de verdachte zich bevond op een besloten erf dat bestemd is voor de openbare dienst, zo concludeerde de Hoge Raad.
7.5
De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat in de voorliggende zaak geen sprake is van een besloten erf in de betekenis van art. 138 Sr Pro. Daartoe wordt gewezen op de vaststelling van het hof dat de demonstratie plaatsvond “op het bouwterrein van [A] , een onderneming van [C] , op de campus van de [universiteit] ”. Volgens de steller van het middel maakt het bouwterrein dus deel uit van een openbare universiteit en gaat het daarmee om een voor de openbare dienst bestemd erf.
7.6
Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het bouwterrein van het bedrijf [A] , dat onderdeel is van het bedrijf [C] niet bestemd is voor de openbare dienst en dat daaraan niet afdoet dat dit bouwterrein zich bevond op de campus van de [universiteit] . Dat oordeel, dat verweven is met vaststellingen van feitelijke aard, acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk en behoefde verder geen motivering, nu in hoger beroep door de verdediging daar geen verweer op is gevoerd.
7.7
Het middel faalt.

8.De bespreking van het tweede middel

Het middel

8.1
Het tweede middel richt zich met de volgende deelklachten tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging en de strafoplegging:
(i) het oordeel van het hof dat de gedraging van de verdachte als ‘reprehensible’ dient te worden aangemerkt geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd;
(ii) het oordeel van het hof dat de genomen strafrechtelijke maatregelen noodzakelijk waren in de zin van art. 10 lid 2 en Pro 11 lid 2 EVRM geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd;
(iii) het oordeel van het hof dat een voorwaardelijke geldboete van € 225,- “een passende en geboden reactie vormt” en derhalve ‘necessary in a democratic society’ is, is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd en voldoet niet aan het vereiste dat de beoordeling van de noodzaak van het toepassen van maatregelen jegens vreedzame betogers moet zijn gegrond op ‘relevant and sufficient reasons’;
(iv) het oordeel van het hof dat strafrechtelijke sanctionering gerechtvaardigd is vanwege het creëren van een gevaarlijke situatie, is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd;
(v) het hof heeft ten onrechte in zijn straftoemetingsbeslissing geen gevolg gegeven aan de geconstateerde schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro en art. 14 IVBPR Pro.
8.2
Daarnaast wordt aan het slot van de tweede deelklacht een verzoek gedaan tot het stellen van een vijftal prejudiciële vragen. Aan het slot van het middel wordt vervolgens betoogd dat ook in verband met deelklacht (iii) tot en met (v) het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU van belang is. Daarbij wordt vervolgens opgemerkt dat de derde voorgestelde vraag moet worden gelezen als: “in het bijzonder: een strafrechtelijke sanctionering wegens overtreding van artikel 138 Sr Pro”. Ik ga in op dit verzoek tot het stellen van prejudiciële na de bespreking van de verschillende deelklachten.
Het juridisch kader
8.3
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
Art. 138 Sr Pro
“1. Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Hij die zich de toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum, of die, zonder voorkennis van de rechthebbende en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in de voor de nachtrust bestemde tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen.
3. Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
4. De in het eerste en derde lid bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.”
Art. 10 EVRM Pro
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
Art. 11 EVRM Pro
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
Art. 94 Grondwet Pro (hierna: Gw)
“Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.”
8.4
Art. 11 lid 1 EVRM Pro beschermt het recht op vrijheid van ‘vreedzame’ vergadering, dat dient te worden gezien in het licht van het recht op vrijheid van meningsuiting van artikel 10 EVRM Pro. Het recht op vreedzame vergadering is een fundamenteel recht in een democratische samenleving en vormt, net als het recht op vrijheid van meningsuiting, een van de pijlers van een dergelijke samenleving. Het zijn echter geen absolute rechten. Onder bepaalde voorwaarden kan op grond van lid 2 gerechtvaardigd zijn dat een vreedzame vergadering (waaronder een demonstratie) wordt beperkt. Het WODC publiceerde in oktober 2025 een onderzoek naar het Nederlands demonstratierecht van Swart e.a. In dit rapport wordt uitgebreid het toetsingskader geschetst zoals dat volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM). Daarin wordt onder meer beschreven wanneer een demonstratie kan worden aangemerkt als niet ‘vreedzaam’. Daaronder vallen niet noodzakelijk demonstraties die bestaan uit hinderlijk of verstorend gedrag. Hoewel dat soort demonstraties niet de kern van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering behelzen, vallen zij in beginsel wél onder de bescherming van art. 11 EVRM Pro. [21]
8.5
De in artt. 10 en 11 lid 2 EVRM genoemde beperkingen omvatten niet alleen beperkingen die gesteld worden voorafgaand of tijdens een demonstratie, maar ook na afloop ervan, zoals het aanhouden en strafrechtelijk vervolgen en veroordelen van demonstranten. [22] Ingeval verschillende maatregelen – bijvoorbeeld het respectievelijk aanhouden, in voorarrest houden, vervolgen en veroordelen – tegen een demonstrant zijn genomen, beschouwt het EHRM deze gezamenlijk als een beperking (‘interference’). [23] Een beperking van het demonstratierecht moet achtereenvolgens:
- voorzien zijn bij wet,
- een legitiem doel dienen, zoals het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en
- noodzakelijk zijn in een democratische samenleving.
8.6
Ik beperk me in deze uiteenzetting van het juridisch kader tot de derde voorwaarde. Dit noodzakelijkheidsvereiste brengt tot uitdrukking dat de beperking moet voorzien in een dringende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’), proportioneel is ten opzichte van het nagestreefde legitieme doel, de minst ingrijpende maatregel is die kan dienen ter bescherming van het nagestreefde belang (het subsidiariteitsvereiste), en dat de door de nationale autoriteiten aangevoerde redenen ter rechtvaardiging van de beperking ‘relevant en voldoende’ zijn. Het proportionaliteitsbeginsel vereist dat een evenwicht wordt gevonden tussen enerzijds de vereisten van de in art. 11 lid 2 EVRM Pro genoemde legitieme doelen en anderzijds de vrije meningsuiting van personen die op straat of andere openbare plaatsen bijeenkomen. [24]
8.7
Een vreedzame demonstratie mag in principe niet worden blootgesteld aan de dreiging van een strafrechtelijke sanctie, en met name niet aan vrijheidsbeneming. [25] De enkele omstandigheid dat een demonstratie een zekere mate van verstoring van het dagelijks leven veroorzaakt, rechtvaardigt op zichzelf nog geen beperking van het demonstratierecht. Op dat front mag enige ‘tolerantie’ van de overheid worden verlangd. Het opzettelijk demonstreren op een manier dat het dagelijks leven en andere activiteiten in een mate wordt verstoord die verder gaat dan wat onder de gegeven omstandigheden onvermijdelijk is, komt volgens het EHRM echter niet dezelfde bevoorrechte bescherming toe als ‘political speech’ of debat over kwesties van algemeen belang of de vreedzame uiting van meningen over dergelijke aangelegenheden. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van de beperking van een demonstratie kan onder meer meespelen in hoeverre sprake is van laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’) aan de zijde van de demonstrant. Ook is bij die beoordeling van belang in hoeverre er een ‘chilling effect’ kan uitgaan van de beperking. Van een ‘chilling effect’ kan nog steeds sprake zijn na een vrijspraak of de intrekking van de vervolging tegen de demonstranten, aangezien de vervolging op zichzelf al een ontmoedigend effect kan hebben om aan soortgelijke bijeenkomsten deel te nemen. [26] Staten beschikken over een ruime ‘margin of appreciation’ in de beoordeling van de noodzaak om maatregelen te nemen ter beperking van dergelijke gedragingen. [27] Op een aantal van deze aspecten kom ik nader terug onder randnummer 8.14 en verder.
Rechtspraak van de Hoge Raad
8.8
Op 30 september 2025 wees de Hoge Raad een aantal arresten over de verhouding tussen strafrechtelijke vervolging en het door art. 10 en Pro 11 EVRM beschermde demonstratierecht. Ik citeer uit het arrest met nummer ECLI:NL:HR:2025:1437,
NJ2025/326, m.nt. N. Rozemond:
“2.3.2 Het onder meer in artikel 10 en Pro 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 en Pro 11 lid 2 EVRM toegelaten – te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van die vrijheden vormt.
2.3.3
Over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in zijn uitspraak van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen) onder meer overwogen:
“100. (...) the Court will establish whether the applicants’ right to freedom of assembly has been interfered with. It reiterates that the interference does not need to amount to an outright ban, legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards (see Ezelin, cited above, § 39; Kasparov and Others v. Russia, no. 21613/07 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 84, 3 October 2013; Primov and Others, cited above, § 93; and Nemtsov, cited above, § 73). For instance, a prior ban can have a chilling effect on the persons who intend to participate in a rally and thus amount to an interference, even if the rally subsequently proceeds without hindrance on the part of the authorities. A refusal to allow an individual to travel for the purpose of attending a meeting amounts to an interference as well. So too do measures taken by the authorities during a rally, such as dispersal of the rally or the arrest of participants, and penalties imposed for having taken part in a rally (see Kasparov and Others, cited above, § 84, with further references).”
2.3.4
Over de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, heeft het EHRM in diezelfde uitspraak onder meer overwogen:
“144. The proportionality principle demands that a balance be struck between the requirements of the purposes listed in paragraph 2 on the one hand, and those of the free expression of opinions by word, gesture or even silence by persons assembled on the streets or in other public places, on the other (see Osmani and Others, cited above; Skiba, cited above; Fáber, cited above, § 41; and Taranenko, cited above, § 65).
(...)
146. The nature and severity of the penalties imposed are also factors to be taken into account when assessing the proportionality of an interference in relation to the aim pursued (see Öztürk v. Turkey [GC], no. 22479/93, § 70, ECHR 1999-VI; Osmani and Others, cited above; and Gün and Others, cited above, § 82). Where the sanctions imposed on the demonstrators are criminal in nature, they require particular justification (see Rai and Evans, cited above). A peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction (see Akgöl and Göl v. Turkey, nos. 28495/06 and 28516/06, § 43, 17 May 2011), and notably to deprivation of liberty (see Gün and Others, cited above, § 83). Thus, the Court must examine with particular scrutiny the cases where sanctions imposed by the national authorities for non-violent conduct involve a prison sentence (see Taranenko, cited above, § 87).
(...)
149. (...) the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see Ezelin, cited above, § 53; Galstyan, cited above, § 115; and Barraco, cited above, § 44). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see Taranenko, cited above, § 88).”
2.3.5
Waar het gaat om het optreden van de autoriteiten in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, is van belang dat in de rechtspraak van het EHRM wordt benadrukt dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction, and notably to deprivation of liberty”. Als zo’n strafbaar feit wordt vervolgd, moet de rechter zich daarom ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijk optreden als geheel – waaronder niet alleen de aanhouding en de (mogelijke) toepassing van andere vrijheidsbenemende dwangmiddelen, maar ook de (eventuele) vervolging en bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. (Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
2.3.6
Bij de beantwoording van de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, kan onder meer de locatie van de demonstratie, in het verband waarvan het strafbare feit heeft plaatsgevonden, van belang zijn. Zo kan mede betekenis toekomen aan de omstandigheid dat “private property” in het geding is (vgl., in een enigszins andere context, EHRM 6 mei 2003, nr. 44306/98 (Appleby tegen het Verenigd Koninkrijk)). Als dat strafbare feit leidt tot een wezenlijke aantasting van het genot van “private property” geldt niet zonder meer de “degree of tolerance” die in beginsel wel in acht moet worden genomen als een vreedzame, tegen het overheidsbeleid gerichte, demonstratie in een publieke plaats – zoals een gebouw dat bij de overheid in gebruik is of een gebouw dat anderszins een publieke functie heeft – tot “a certain level of disruption to ordinary life” leidt (vgl. EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen), overweging 155).
2.3.7
Als, in een geval als dit, waarin de verdachte wordt vervolgd wegens overtreding van artikel 139 Sr Pro, de rechter tot het oordeel komt dat in de concrete omstandigheden van het geval het strafrechtelijk optreden als geheel disproportioneel is en het daarmee een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering betreft, moet de rechter artikel 139 Sr Pro buiten toepassing laten en de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging (vgl. HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623, rechtsoverweging 2.4.3 met betrekking tot artikel 138 Sr Pro).”
8.9
In deze zaak ging het om een verdachte die samen met vijf anderen in het pand van ING in Den Haag demonstreerde tegen investeringen van de bank in fossiele brandstof, door voorbij de ingangsdeur op de grond te gaan zitten en herrie te maken met fluitjes en het zingen van liedjes. Het hof verklaarde bewezen huisvredebreuk (art. 138 Sr Pro) en verwierp het verweer van de verdediging strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met de artt. 10 en 11 EVRM. Dat oordeel hield in cassatie geen stand. De Hoge Raad achtte daarvoor onder meer van belang de vaststellingen van het hof dat (i) de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had, waarbij niemand is gehinderd bij het in- of uitgaan van het gebouw en geen schade is toegebracht of andere hinder is veroorzaakt, en (ii) de politie en het openbaar ministerie hadden kunnen volstaan met minder verstrekkende maatregelen dan de aanhouding van de verdachte, het overbrengen van de verdachte naar het politiebureau, het daar gedurende meerdere uren ophouden voor verhoor en het strafrechtelijk vervolgen van de verdachte. Het daarin besloten liggende oordeel dat het had volstaan om de verdachte – nadat deze had geweigerd om op vordering van een medewerker van ING het gebouw te verlaten – aan te houden, eventueel gevolgd door een korte periode van vrijheidsontneming, en dat een verdergaand strafrechtelijk optreden, zoals dat in deze zaak plaatsvond, een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft opgeleverd, die verder is gegaan dan noodzakelijk was, was volgens de Hoge Raad niet verenigbaar met de verwerping van het gevoerde verweer. Voorts merkte de Hoge Raad op dat uit de overwegingen van het hof ook anderszins niet van zo’n wezenlijke aantasting van het genot van ‘private property’ is gebleken dat een verdergaand strafrechtelijk optreden toch was geboden. In dat opzicht verschilde deze zaak volgens de Hoge Raad van het feitencomplex dat ten grondslag lag aan HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742,
NJ2024/233, m.nt. EJ. Dommering waarin privé-eigendom (tijdelijk) onbruikbaar werd gemaakt en door het optreden van de demonstranten een gevaarlijke situatie voor derden werd gecreëerd.
8.1
De verdachte in de zaak die leidde tot het arrest van 19 december 2023 maakte deel uit van een groep van ongeveer 25 tot 30 actievoerders die bij een kantoorgebouw van Shell demonstreerden en had – als een “symbolische actie en om de demonstratie kracht bij te zetten” – een zwarte, op olie gelijkende vloeistof over de trap voor dat gebouw gegoten. Een medewerker van Shell had vervolgens de trap afgezet omdat het erg glad en gevaarlijk was en men wilde voorkomen dat bezoekers van het gebouw zouden uitglijden en ernstig gewond zouden raken. Het hof had het verweer van de raadsvrouw verworpen dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met de artt. 10 en 11 EVRM. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was ook toereikend gemotiveerd. Daarvoor achtte de Hoge Raad onder meer van belang dat het hof kennelijk bij zijn oordeel had betrokken dat de verdachte, ook zonder door het gieten van de vloeistof privé-eigendom (tijdelijk) onbruikbaar te maken en zo een gevaarlijke situatie voor derden te creëren, de gelegenheid had om zich uit te spreken tegen de activiteiten van Shell. In de overwegingen van het hof lag volgens de Hoge Raad besloten dat de aanleiding voor het strafrechtelijke optreden tegen en de vervolging van de verdachte dan ook niet was gelegen in het deelnemen aan het protest tegen Shell, maar in het tijdens die protestactie plegen van een strafbaar feit. In die overwegingen lag voorts het oordeel besloten dat de verdachte een ‘reprehensible act’ pleegde, waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was. Tot slot woog de Hoge Raad mee dat het hof had volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 350,-, waarmee het hof had gewaarborgd dat de bestraffing proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een ‘chilling effect’ uitgaat op personen die door deelname aan een protestactie gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en van hun recht op vrijheid van vergadering.
8.11
Een andere recente zaak waarin een demonstratie op ‘private property’ centraal stond betreft het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623,
NJ2025/39, m.nt. N. Rozemond. De verdachte en de medeverdachten hadden een zogenaamde “sit-in” gehouden in de lobby van het gebouw van Algemeen Pensioen Groep NV (hierna: APG) in Heerlen. Het hof kwam tot het oordeel dat sprake is geweest van een “toelaatbare inperking van het grondwettelijk en verdragsrechtelijk in ons recht verankerde demonstratierecht” en dat het bewezen verklaarde feite kon worden gekwalificeerd als strafbaar feit. Het hof besloot vervolgens geen straf of maatregel op te leggen. Daarbij nam het hof in aanmerking dat bij het optreden tegen de demonstranten had kunnen worden volstaan met het uit de lobby verwijderen van de verdachte en de medeverdachten en dat het verderstrekkende optreden dat bestond uit de aanhouding, het ophouden voor verhoor en het uitreiken van de strafbeschikking vanwege lokaalvredebreuk disproportioneel is, omdat de verdachte en de medeverdachten als gevolg van dit optreden hun demonstratierecht niet meer konden voortzetten. Ook deze uitspraak strandde in cassatie. De Hoge Raad oordeelde dat het hof eraan voorbijgezien had dat bij de beoordeling of de door de justitiële autoriteiten getroffen maatregelen op grond van art. 10 en Pro 11 EVRM toegelaten zijn, niet alleen acht moet worden geslagen op de door de justitiële autoriteiten getroffen maatregelen in aanloop naar of tijdens de betreffende bijeenkomst, maar ook op de maatregelen die na afloop daarvan zijn getroffen. Het hof had reeds dus bij de beantwoording van de vraag of het bewezen verklaarde als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd, moeten betrekken of het optreden dat is gevolgd op het verwijderen van de verdachte en de medeverdachten – de aanhouding, het ophouden voor verhoor en het uitreiken van de strafbeschikking vanwege lokaalvredebreuk – op grond van art. 10 en Pro 11 EVRM toegelaten was. Nu het hof had vastgesteld dat door het optreden tegen de verdachte en de medeverdachten dat is gevolgd op hun verwijdering disproportioneel was en daarmee een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering betrof, had het hof de verdachte moeten ontslaan van alle rechtsvervolging. De Hoge Raad vernietigde de beslissing van het hof en deed de zaak zelf af door de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
8.12
De Hoge Raad kwam eerder in zijn arrest van 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126,
NJ2022/222, m.nt. E.J. Dommering nog tot een ander oordeel. In die zaak ging het om een optreden tegen demonstranten die weigerden om een bouwvakbeurs in het RAI-gebouw in Amsterdam te verlaten, ook nadat aan hen telkens een redelijk alternatief was geboden om de demonstratie buiten of bij de ingang van het betreffende gebouw voort te zetten, waarbij dat optreden bestond uit het aanhouden, het gedurende meerdere uren ophouden voor verhoor en een daarop volgende strafvervolging. Het hof verwierp het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en Pro 11 EVRM en oordeelde dat er een dringende maatschappelijke noodzaak bestond tot beperking van de verdere uitoefening van het demonstratierecht van de verdachte en van haar aanwezigheid daartoe in het RAI-gebouw. De Hoge Raad achtte dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk. Daarvoor achtte de Hoge Raad onder meer van belang dat uit rechtspraak van het EHRM volgt dat het recht van vrijheid op vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een “reprehensible act” pleegt tijdens de demonstratie. Daarbij betrok de Hoge Raad ook dat de verdachte en de mededader weliswaar waren beperkt in hun mogelijkheid om in de directe nabijheid van het kraampje van het bouwbedrijf en zich voordoende als medewerkers van het bouwbedrijf folders uit te delen en borden met teksten te tonen, maar dat zij wel meermalen de mogelijkheid geboden kregen om bij de ingang van de vakbeurs hun demonstratie tegen het bouwbedrijf voort te zetten. De Hoge Raad woog tot slot mee dat het hof zich ervan rekenschap had gegeven dat het strafrechtelijke optreden niet van een zo ingrijpend karakter mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering, door de oplegging van strafrechtelijke sancties achterwege te laten en te volstaan met schuldigverklaring. Omdat het hof hier – anders dan in de zaak die leidde tot het arrest van 12 november 2024 – had geoordeeld dat het optreden van de justitiële autoriteiten in de omstandigheden van die zaak niet disproportioneel was, gaf die beslissing volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was dat oordeel niet onbegrijpelijk.
8.13
In het hiervoor genoemde WODC-rapport zijn de arresten van de Hoge Raad van 30 september 2025 niet meegenomen. Wél wordt uitgebreid stilgestaan bij de hiervoor omschreven lokaalvredebreukzaken van 2024 en 2022. Swart e.a. concluderen daaruit dat de strafrechter bij een beroep op het demonstratierecht moet beoordelen of er sprake is van een disproportionele inbreuk op dat recht door aanhouding, ophouding voor verhoor, vervolging en bestraffing van de verdachte. Als in een specifiek geval kan worden volstaan met verwijdering van een bepaalde plaats waarna de demonstranten buiten het gebouw de demonstratie kunnen voortzetten, kunnen daaropvolgende strafvorderlijke handelingen (aanhouding, ophouding voor verhoor, vervolging en bestraffing) disproportioneel worden geacht, dat wil zeggen: niet noodzakelijk in een democratische samenleving ter bescherming van de rechten van de rechthebbende op het gebouw waar de lokaalvredebreuk wordt gepleegd. Wanneer strafvorderlijke handelingen wel noodzakelijk worden geacht, bijvoorbeeld ter bescherming van de rechthebbenden, kan vervolgens worden geoordeeld dat geen straf of maatregel moet worden opgelegd ter voorkoming van een ‘chilling effect’ op de uitoefening van het demonstratierecht. [28] De onderzoekers plaatsen bij dit laatste punt wel een kritische kanttekening. Zij stellen voorop dat bestraffing geen ‘chilling effect’ mag hebben op de rechtmatige uitoefening van het demonstratierecht, maar achten wel verdedigbaar dat bestraffing een ‘chilling effect’ mag hebben op het begaan van laakbaar gedrag (‘reprehensible acts’) dat een disproportionele inbreuk maakt op de rechten van anderen. De rechter zou de oplegging van een straf dan kunnen rechtvaardigen door te motiveren dat de straf uitsluitend verband houdt met de preventie van ‘reprehensible acts’ en de bescherming van de rechten en belangen van anderen en niet met de deelname aan de vreedzame demonstratie zelf. [29]
Rechtspraak van het EHRM
8.14
Zoals gezegd is het uitgangspunt dat een vreedzame demonstratie in principe niet mag worden blootgesteld aan de dreiging van een strafrechtelijke sanctie, en met name niet aan vrijheidsbeneming. [30] De kern van het recht op vreedzame vergadering zou worden aangetast indien de staat een demonstratie weliswaar niet zou verbieden, maar de deelnemers sancties zou opleggen louter vanwege het feit dat zij eraan deelnemen, zonder dat zij zich schuldig maken aan laakbaar gedrag. [31] Kennisgevings- en zelfs vergunningsprocedures die kunnen resulteren in het verbod van een demonstratie, leveren in beginsel geen strijd op met de essentie van art. 11 EVRM Pro, zolang het doel van deze procedures is om de autoriteiten in staat te stellen redelijke en passende maatregelen te nemen om het soepele verloop van demonstraties te waarborgen. Een staat moet dan ook sancties kunnen opleggen aan degenen die deelnemen aan demonstraties die niet de vereiste vergunning hebben. Tegen die achtergrond overwoog het EHRM onder meer in zijn arrest van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (
Kudrevičius e.a./Litouwen) dat de vrijheid om deel te nemen aan een vreedzame vergadering evenwel van zo groot belang is dat iemand niet mag worden onderworpen aan een sanctie – zelfs een sanctie aan de onderkant van de schaal van disciplinaire maatregelen – wegens deelname aan een demonstratie die niet is verboden, zolang die persoon bij die gelegenheid zelf geen laakbare gedraging begaat. [32] Daarbij geldt dat vreedzame deelnemers aan een demonstratie niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor laakbare gedragingen van andere demonstranten. [33] Van laakbaar gedrag is volgens het EHRM sprake wanneer een demonstrant het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoort, in een grotere mate dan in het geval van een normale uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek. [34] Het EHRM staat strafrechtelijk optreden dus in ieder geval toe tegen een demonstrant die zich schuldig maakt aan laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’).
8.15
In verband hiermee verdient opmerking de uitspraak van het EHRM van 27 mei 2025, nr. 29791/21 (
Kári Orrason e.a./IJsland). Het ging in die zaak om enkele demonstranten die na sluitingstijd van het ministerie van Justitie in Reykjavik door de politie uit het gebouw werden verwijderd, aangehouden, enkele uren vastgehouden op het politiebureau voor verhoor en vervolgens van de strafrechter een boete opgelegd kregen van omgerekend € 74,- wegens verstoring van de openbare orde. Het EHRM achtte die beperking van het demonstratierecht ten behoeve van de bescherming van de belangen van anderen – tegen de achtergrond van de ‘margin of appreciation’ van staten – niet disproportioneel, hoewel het EHRM tegelijkertijd erkende dat het handelen van de demonstranten niet kon worden gekwalificeerd als een ‘reprehensible act’. Het EHRM vereiste in deze zaak, zo concluderen Swart e.a. alsook Rozemond, voor het opleggen van een (proportionele) straf dus niet dat sprake is van een ‘reprehensible act’. [35]
8.16
Opvallend aan deze uitspraak is verder dat het EHRM de beoordeling van de vraag of de gedragingen van de demonstranten een ‘reprehensible act’ waren aan de orde stelde bij de vraag of hen een beroep toekwam op de bescherming van art. 11 lid 1 EVRM Pro:
“57. It is undisputed that the physical activity engaged in by the applicants fell within concept of a “peaceful assembly”, although the applicants interfered with the activities carried out by others, including the employees who continued working after the building closed to the public and the security staff, and they demanded to meet with the Minister of Justice. Thus, it cannot be said that they committed “any reprehensible act”, or demonstrated “physical conduct which deliberately obstructed the ordinary course of life and seriously disrupted activities carried out by others”, so that their behaviour was not protected by Article 11 (see, among others,
Kudrevičius and Others,cited above, § 149, and
Tuskia and Others,cited above, § 74). The Court therefore considers that the demonstration, viewed as a whole, was not of such a nature and degree as to exclude the applicants from the scope of protection under Article 11 of the Convention. Accordingly, their convictions constituted an interference with their right to freedom of assembly. The Court therefore dismisses the Government’s objection in this respect (see paragraph 42 above).”
8.17
Daarmee lijkt het EHRM te suggereren dat een ‘reprehensible act’ niet onder de bescherming van art. 11 lid 1 EVRM Pro valt. Eerder, in meergenoemde zaak
Kudrevičius e.a./Litouwen, betrok het EHRM het laakbare karakter van de gedragingen juist bij de vraag of strafrechtelijk optreden kan worden gerechtvaardigd op grond van art. 11 lid 2 EVRM Pro. [36] In die zaak oordeelde het EHRM dat de demonstratie (het blokkeren van snelwegen) vreedzaam was verlopen en de demonstranten dus bescherming genoten van art. 11 lid 1 EVRM Pro. Vervolgens oordeelde het hof dat de beperking van dit recht door strafrechtelijk optreden noodzakelijk was op grond van art. 11 lid 2 EVRM Pro, omdat de snelwegblokkade een ‘reprehensible act’ was. In dat kader overwoog het EHRM onder meer dat de demonstranten weliswaar geen gewelddadige handelingen hadden gepleegd, noch anderen daartoe hadden aangezet, maar dat de vrijwel volledige blokkade van drie belangrijke snelwegen, waarbij op flagrante wijze geen rekening werd gehouden met de bevelen van de politie en met de belangen van de weggebruikers, een gedraging is die als ‘reprehensible’ kan worden omschreven.
8.18
In zijn arresten van 30 september 2025 gaat de Hoge Raad uit van het kader van
Kudrevičius e.a./Litouwenen noemt daarin niet ook de zaak
Kári Orrason e.a./IJsland. Gelet daarop, ga ik ervan uit dat laatstgenoemde zaak in zoverre geen aanpassing heeft aangebracht in het toetsingskader van het EHRM en aldus aan het ‘reprehensible’ karakter van een gedraging (nog steeds) betekenis kan toekomen bij de vraag of een beperking van het demonstratierecht noodzakelijk is en dat nog steeds als uitgangspunt heeft te gelden dat een demonstrant niet het subject van een sanctie mag worden wegens deelname aan een demonstratie die niet is verboden, zolang die persoon bij die gelegenheid zelf geen laakbare handeling begaat. Daarin zie ik mij tevens gesteund door de ‘Guide on Article 11 of the Convention’ van het EHRM (laatst geüpdatet op 28 februari 2026), waarin bedoeld uitgangspunt vooropgesteld wordt. [37]
Deelklacht (i)
8.19
De eerste deelklacht ziet op het oordeel van het hof dat de verdachte door haar handelen laakbaar gedrag heeft vertoond.
8.2
Het hof heeft bij zijn beoordeling van de strafbaarheid van het bewezen verklaarde een juridisch kader uiteengezet. Daarin heeft het hof onder meer vooropgesteld dat art. 11 EVRM Pro het recht op vreedzame vergadering beschermt, maar dat dit recht kan worden ingeperkt, mits deze inperking is voorzien bij wet en noodzakelijk is (proportioneel en subsidiair) in een democratische samenleving in het belang van, onder meer, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de rechten van anderen. Wat betreft de vraag of een beperking noodzakelijk is, heeft het hof onder meer benadrukt dat de uitoefening van de rechten van art. 10 en Pro 11 EVRM een zekere mate van ‘disruption of ordinary life’ met zich kan brengen en dat de overheid – afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van verstoring van het dagelijks leven – daarbij een zekere mate van tolerantie moet opbrengen. Daarbij heeft volgens het hof te gelden dat demonstraties die uitmonden in schade of wanordelijkheden voor een persoon niet dienen te leiden tot sanctionering, als diegene zelf geen gewelddadig of laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’) laat zien, maar dat een demonstrant wél gesanctioneerd kan worden als hij zelf laakbaar gedrag vertoont, ook als de demonstratie op zichzelf vreedzaam was. Het hof heeft daarbij de jurisprudentie van het EHRM betrokken, waaruit volgt dat de vraag of sprake is van laakbaar gedrag zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar dat daar sprake van kan zijn indien de deelnemers aan een demonstratie het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan ingeval van een normale uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek.
8.21
Tegen de achtergrond van dit kader heeft het hof allereerst vastgesteld – conform het standpunt van de verdediging en het openbaar ministerie – dat sprake is geweest van een vreedzame demonstratie, dat de deelnemers daaraan bescherming op grond van art. 10 en Pro 11 EVRM toekomt en dat die rechten zijn beperkt door het optreden van de politie. Vervolgens heeft het hof bij de vraag naar de noodzakelijkheid van die beperking als uitgangspunt genomen dat de overheid een ‘disruption to ordinary life’ niet hoeft te tolereren indien de verdachte gewelddadig of laakbaar gedrag heeft laten zien. Bij zijn beoordeling van de laakbaarheid van het gedrag van de actievoerders heeft het hof een onderscheid gemaakt tussen de actievoerders op het dak van de bouwkeet en de actievoerders op de hijskraan (waaronder de verdachte). Ten aanzien van deze laatste groep heeft het hof vastgesteld dat zij het bouwterrein van [A] heeft betreden en vervolgens zonder uitrustig op de zijarm van de aldaar aanwezige 40 meter hoge hijskraan is geklommen om – blijkens de verklaring van de verdachte – “de demonstratie kracht bij te zetten”. Het hof heeft voorts vastgesteld dat door het handelen ‘private property’ in het geding is gekomen, omdat gedurende deze actie de bouwkraan niet kon worden gebruikt en belangrijke bouwwerkzaamheden stillagen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte hierdoor een zodanige gevaarlijke situatie gecreëerd, zowel voor haarzelf als voor andere personen die op het bouwterrein aanwezig waren, dat sprake is van laakbaar gedrag dat niet door de overheid getolereerd hoefde te worden en waartegen opgetreden mocht worden door in de eerste plaats de gevaarlijke situatie te beëindigen, ook als dit wordt afgewogen tegen het demonstratierecht van de verdachte. Het hof heeft in dat kader overwogen dat ook zonder het klimmen in de hoge hijskraan en deze voor anderen (tijdelijk) onbruikbaar maken en een gevaarlijke situatie creëren, de actievoerders voldoende de gelegenheid hadden om zich op een andere wijze uit te spreken tegen [A] .
8.22
In de toelichting bij de eerste deelklacht wordt – als ik het goed begrijp – allereerst aangevoerd dat het oordeel van het hof dat sprake is van laakbaar gedrag blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof bij zijn beoordeling kennelijk aansluiting heeft gezocht bij het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 december 2023, terwijl dat arrest alleen ziet op laakbaar gedrag jegens
derden.
8.23
Zoals ik hiervoor in het juridisch kader uiteengezet heb, volgt uit de rechtspraak van het EHRM – waarnaar de Hoge Raad in zijn arresten van 30 september 2025 verwijst – dat “a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion”. Het hof heeft dit terecht als uitgangspunt genomen bij zijn beoordeling van de beperking van het demonstratierecht van de verdachte. De eerste deelklacht faalt.
8.24
Voorts wordt in de toelichting bepleit dat het hof zijn oordeel over de laakbaarheid van het gedrag van de verdachte ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat het hof daarbij in het midden heeft gelaten waarom haar beklimming van hijskraan tot een gevaarlijke situatie leidde. De deelklacht treft op dit punt evenmin doel. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte samen met andere actievoerders, zijnde niet bevoegde personen, zonder uitrusting op de zijarm van een zich op een afgesloten bouwterrein aanwezige 40 meter hoge hijskraan is geklommen. Het – met waarderingen van feitelijke aard verweven – oordeel van het hof dat sprake was van ‘reprehensible gedrag’ omdat de verdachte hiermee een gevaarlijke situatie voor haarzelf en anderen heeft veroorzaakt en de hijskraan tijdelijk onbruikbaar heeft gemaakt, acht ik niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Deelklacht (i) faalt.
Deelklacht (ii)
8.25
De tweede deelklacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de genomen strafrechtelijke maatregelen – de aanhouding, vrijheidsbeneming, vervolging en uiteindelijke bestraffing – ‘overall’ noodzakelijk waren in een democratische samenleving in het belang van het voorkomen van wanordelijkheden, strafbare feiten en de rechten van anderen.
8.26
Het hof heeft bij dat oordeel in aanmerking genomen dat de verdachte niet wilde meewerken aan onderzoek en haar persoonsgegevens niet kenbaar wilde maken. Gelet daarop lag het volgens het hof in de rede verdachte aan te houden en te vervoeren naar het politiebureau teneinde op te houden voor onderzoek. Vanuit het oogpunt van generale preventie (en normhandhaving) was in dit specifieke geval naar het oordeel van het hof enige vorm van ‘chilling effect’ gerechtvaardigd, ter voorkoming van het creëren van (soortgelijke) gevaarlijke situaties door actievoerders. Het hof heeft vervolgens in de strafoplegging stilgestaan bij het ‘chilling effect’ dat kan uitgaan van de bestraffing (zie daarover deelklacht (iii)).
8.27
De steller betoogt dat het hof hiermee ten onrechte in het midden heeft gelaten waarom het door hem gerechtvaardigd geoordeelde ‘chilling effect’ al niet was bereikt door de aanhouding en/of het ophouden voor onderzoek en/of de strafrechtelijke vervolging. Dat klemt volgens de steller van het middel temeer omdat de raadsman een punt heeft gemaakt van het onrechtmatigheden in de toepassing van die maatregelen en het hof ook vormverzuimen heeft geconstateerd in het onderzoek, namelijk het onrechtmatig gebruik van handboeien bij de aanhouding en het overschrijden van de termijn voor het ophouden van onderzoek met 15 minuten.
8.28
Daarover klaagt het middel tevergeefs. Dat is in lijn met rechtspraak van het EHRM, waaruit volgt dat wanneer meerdere (strafrechtelijke) maatregelen worden genomen tegenover een demonstrant, deze gezamenlijk als een ‘beperking’ in de zin van art. 10 en Pro 11 lid 2 EVRM worden beschouwd, die aan het oordeel van de rechter is onderworpen (zie hiervoor onder randnummer 8.5). Het hof heeft aldus terecht bij de beoordeling van het ‘chilling effect’ van de beperking die is gemaakt in de rechten van art. 10 en Pro 11 EVRM het strafrechtelijk ingrijpen van politie en justitie als één geheel beoordeeld. Voorts heeft het hof er blijk van gegeven de geconstateerde vormverzuimen te hebben betrokken in deze beoordeling, blijkens zijn overweging dat de geconstateerde vormverzuimen doen niet zodanig zijn (ik neem aan dat het hof bedoelt: in ernst) dat zij maken dat het overheidsoptreden ‘overall’ bezien niet noodzakelijk was.
8.29
Verder wordt aangevoerd dat het hof er in zijn beoordeling ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan het feit dat de aanwezigheid van de verdachte op hijskraan slechts ten doel had “de demonstratie kracht bij te zetten” en dat haar handelen bezwaarlijk anders kan worden gekwalificeerd dan als ‘collective civil disobedience’ en een ‘direct action campaign’.
8.3
Daarin volg ik de steller van het middel evenmin. Het hof heeft vooropgesteld dat de uitoefening van de rechten in art. 10 en Pro 11 van het EVRM een zekere mate van verstoring van het dagelijks of openbare leven met zich kunnen brengen en dat die enkele verstoring geen rechtvaardiging vormt voor een beperking op de bedoelde rechten. Het hof heeft vastgesteld dat van een dergelijke verstoring in dit geval sprake was en geconcludeerd dat de overheid die verstoring in dit geval niet hoefde te tolereren, omdat sprake was van laakbaar gedrag door de gevaarlijke situatie die was gecreëerd. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat ook zonder het klimmen in de hoge hijskraan en deze voor anderen (tijdelijk) onbruikbaar maken en een gevaarlijke situatie creëren, de actievoerders voldoende de gelegenheid hadden om zich op een andere wijze uit te spreken tegen de bouw van [A] . Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat demonstraties met een verstorend karakter zijn toegestaan, voor zover deze geen gevaarzettend karakter hebben. Ik verwijs in dat kader naar de beslissing van het hof in de zaken van de medeverdachten die op de bouwkeet zaten, die inhield dat door hun handelen weliswaar sprake was van een verstoring van het dagelijks leven, maar niet van zodanige ernst dat een beperking daarvan gerechtvaardigd was. Met zijn oordeel dat het gedrag van de verdachte in de voorliggende zaak laakbaar was, heeft het hof het in art. 10 en Pro 11 EVRM neergelegde demonstratierecht van de verdachte geenszins uitgehold. De bescherming van dat recht reikt niet zo ver dat gevaarlijke gedragingen die in het kader van de uitoefening van dat recht worden gepleegd niet mogen worden ingeperkt. [38] Daarbij merk ik op dat het hof heeft overwogen dat het strafrechtelijke optreden van de politie op het bouwterrein tegen verdachte geen verband hield met haar deelname aan de demonstratie, maar met het overtreden van art. 138 Sr Pro en vervolgens het creëren van een gevaarlijke situatie.
8.31
Op diezelfde gronden faalt mijns inziens ook het betoog in de toelichting dat het hof geen oog heeft gehad voor de rechten en plichten die voortvloeien uit het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: Verdrag van Aarhus), in het bijzonder het recht op inspraak in besluitvorming (art. 1 [39] ) en de plicht van de overheid dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dit verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid (art. 3 lid Pro 8 [40] ). Ik verwijs daarvoor naar de notitie ‘The Right to Peaceful Environmental Protest and Civil Disobedience’ van de ‘Special Rapporteur on Environmental Defenders’ van 6 oktober 2025, waarin voor de uitleg van de bescherming die milieuprotesten genieten onder dit verdrag aansluiting wordt gezocht bij het kader van art. 10 en Pro 11 EVRM.
8.32
Tot slot stelt de steller van het middel zich op het standpunt dat het hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan het feit dat de verdachte is vervolgd voor een misdrijf in plaats van een overtreding en niet heeft nagegaan of een minder vergaande maatregel voorhanden was die hetzelfde doel kon bereiken. Ook op dit punt mist de deelklacht doel. Het hof heeft overwogen dat vanuit het oogpunt van generale preventie (en normhandhaving) in dit specifieke geval enige vorm van ‘chilling effect’ gerechtvaardigd was ter voorkoming van het creëren van (soortgelijke) gevaarlijke situaties door actievoerders en dat het strafrechtelijk overheidsoptreden daarbij heeft voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het daarin besloten liggende oordeel dat het geheel aan getroffen maatregelen – waaronder de vervolging voor een misdrijf – in dit geval noodzakelijk was en passend waren voor het beoogde doel in de zin van art. 10 lid 2 en Pro 11 lid 2 EVRM, komt mij niet onbegrijpelijk voor en is ook toereikend gemotiveerd. Deelklacht (ii) faalt.
8.33
Deelklacht (iii)
8.34
De derde deelklacht heeft betrekking op de strafoplegging van het hof. Het hof heeft in zijn beslissing over de strafoplegging vooropgesteld dat het strafrechtelijke optreden – waaronder ook de bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een ‘chilling effect’ uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun demonstratierecht. Naar het oordeel van het hof is een zeker ‘chilling effect’ wel gerechtvaardigd indien dit effect ziet op het feit dat er bij de gebruikmaking van bedoelde rechten in strijd met het recht een gevaarlijke situatie is gecreëerd en dus op het in de toekomst voorkomen daarvan. Tegen die achtergrond heeft het hof geoordeeld dat een geheel voorwaardelijke geldboete van € 225,- een passende en geboden reactie vormt. Volgens het hof is de oplegging van een dergelijke straf proportioneel en niet zo ingrijpend dat daarvan een dermate ‘chilling effect’ uitgaat op personen die door deelname aan een protestactie gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en van het recht op vrijheid van vergadering dat zij deze rechten niet meer durven of willen effectueren.
8.35
De steller van het middel bepleit dat dit oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is en niet voldoet aan het vereiste dat de beoordeling van de noodzaak van het toepassen van maatregelen jegens vreedzame betogers moet zijn gegrond op ‘relevant and sufficient reasons’. Ter onderbouwing van deze klacht wordt volstaan met een verwijzing naar de gronden die in het kader van deelklacht (ii) zijn aangevoerd.
8.36
Om de redenen vermeld bij de bespreking van deelklacht (ii), acht ik het oordeel van het hof dat oplegging van deze geheel voorwaardelijke boete proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een dermate “chilling effect” uitgaat mij niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd voor. Deelklacht (iii) faalt.
Deelklacht (iv)
8.37
Deze deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat een zeker ‘chilling effect’ wel gerechtvaardigd is indien dit effect ziet op het creëren van een gevaarlijke situatie bij de uitoefening van de rechten van art. 10 en Pro 11 EVRM en dus op het in de toekomst voorkomen daarvan. Volgens de steller van het middel is oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, omdat ten laste van de verdachte slechts is bewezen verklaard het wederrechtelijk binnendringen van een erf in de zin van art. 138 Sr Pro en daarin het veroorzaken van gevaar niet tot uitdrukking wordt gebracht.
8.38
Daarin volg ik de steller van het middel niet. Onder verwijzing naar hetgeen ik in het juridisch kader heb besproken (zie randnummer 8.13), meen ik dat het hof de oplegging van de straf kon rechtvaardigen ter voorkoming van laakbaar gedrag (‘reprehensible acts’) in de toekomst. Dat de precieze omstandigheden die maakten dat in dit geval sprake was van laakbaar gedrag op zichzelf niet blijken uit de inhoud van de bewezenverklaring staat daar mijns inziens niet aan in de weg. Deelklacht (iv) treft geen doel.
Deelklacht (v)
8.39
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden in hoger beroep. Het hof heeft evenwel volstaan met een constatering van deze schending, omdat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf wordt opgelegd.
8.4
Anders dan de steller van het middel wil, is de strafoplegging van het hof op dit punt niet onjuist, noch onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad over overschrijdingen van de redelijke termijn. [41] De verwijzing naar de steller van het middel naar opmerkingen van de ‘Special Rapporteur on Environmental Defenders’ dat ten gevolge van “lengthy (..) court proceedings” gerechten bijdragen aan “the repression and criminalization of environmental defenders engaged in peaceful protest and civil disobedience”, maakt dat niet anders.
8.41
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen
8.42
De steller van het middel wenst een vijftal vragen te stellen aan het HvJ EU die in de kern betrekking hebben op de reikwijdte van de bescherming die de verdachte toekomt op grond van art. 3 lid 8 Verdrag Pro van Aarhus, bij welk verdrag de EU sinds 2005 partij is, en art. 11 en Pro 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Kort gezegd is de redenering dat de staat door het treffen van strafrechtelijke maatregelen tegen de verdachte mogelijk zou handelen binnen de werkingssfeer van het recht van de EU, zodat op grond van art. 51 lid 1 kan Pro worden getoetst aan art. 3 lid 8 Verdrag Pro van Aarhus en art. 11 en Pro 12 Handvest.
8.43
De vragen impliceren dat de bedoelde bepalingen een andere bescherming bieden dan het EVRM tegen overheidsingrijpen bij demonstraties. Er is echter geen aanleiding om dat aan te nemen, niet in de laatste plaats omdat bij de uitleg van de reikwijdte van het demonstratierecht onder deze bepalingen wordt aangesloten bij het EVRM-kader. Ik refereer in dat verband aan art. 52 lid 3 Handvest Pro, alsook aan de notitie over het Verdrag van Aarhus die ik in randnummer 8.31 aanhaalde. Gelet hierop meen ik dat de opgeworpen prejudiciële vragen niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil en dat hierom kan worden afgezien van het stellen van deze vragen aan het HvJ EU. [42]

9.De bespreking van het derde middel

9.1
Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
9.2
Namens de verdachte is op 7 oktober 2024 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 oktober 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim vier maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Gelet echter op het feit dat een geheel voorwaardelijke straf is opgelegd, meen ik dat in dit geval kan worden volstaan met een constatering van de overschrijding. [43] Voor zover de steller van het middel hier verwijst naar hetgeen is aangevoerd in het kader van deelklacht (v) van het tweede middel, merk ik op dat dit niet tot een ander oordeel leidt.

10.Slotsom

10.1
De middelen falen. In ieder geval het eerste middel kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
10.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Noot VS: hieraan is op schrift toegevoegd: “of een schuldigverklaring wordt uitgesproken”.
2.Noot VS: “is” is op schrift vervangen door “zijn”.
3.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Dat is ‘eigen’ aan het demonstratierecht. Het is aan de demonstranten hoe zij het ventileren naar het publiek toe. De opmerking van de advocaat-generaal dat de demonstratie ‘slechts’ lokaal media aandacht heeft gegenereerd, lijkt te zijn gekoppeld dat het standpunt dat het een kleinschaligere actie betrof. De volgende keer moeten cliënten het dus groter aanpakken, zodat de landelijke media lucht van de standpunten van cliënten krijgt. Dit zal de advocaat-generaal echter wel niet bedoeld hebben. Het is een kwestie van gevoel of de media een zaak wel of niet oppakt, dat heeft niets te maken met kleinschaligheid.”
4.Noot VS: hieraan is op schrift toegevoegd: “andere”.
5.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “De strikte noodzaak moet worden beoordeeld.”
6.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Het gaat om demonstrerende studenten op de universiteit. Er zijn geen strafrechtelijke maatregelen opgelegd.”
7.Noot VS: “plakken” is op schrift vervangen door “beplakken”.
8.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Vandaag is naar voren gekomen dat de bezetting van het terrein onderdeel is van een langere campagne van Extinction Rebellion.”
9.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Wat de advocaat-generaal zegt, klopt niet. De werkzaamheden hebben niet de hele ochtend stil gelegen.”
10.Noot VS: op schrift is een randnummer 52a toegevoegd, dat luidt: “Geen gevaarlijke situatie veroorzaakt. Niet voor het publiek, niet voor de politie. De politie stelt nergens dat zij in gevaar is gebracht. Ook over het [onleesbaar] stelt de politie in dit verband niets. “Gevaar” of een “gevaarlijke situatie”, die zou zijn veroorzaakt, blijkt niets uit het dossier. Het demonstreren door op een kraan te klimmen, valt onder het recht van de demonstrant om zelf de wijze van demonstreren te bepalen. Dat de actie politie-inzet vergde, doet niet ter zake voor de beantwoording van de vraag of inbreuk op art. 10/11 EVRM is gemaakt.” Blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Cliënten hebben geen gevaarlijke situatie veroorzaakt. De gevaarlijke situatie is niet aangetoond in het dossier. Dit geldt ook niet ten aanzien van het luik op de kraan. Er is geen gevaar ontstaan voor het publiek of voor de politie. Het Openbaar Ministerie miskent dat de wijze van demonstreren een grondrecht is. Het is een basisrecht en dit recht is erkend door het EHRM. De demonstrant mag zelf kiezen op welke wijze hij/zij zijn of haar mening wil laten horen. Het klimmen op een kraan en daar een spandoek ophangen is een logische keuze. De demonstratie is vreedzaam verlopen. Er is geen jurisprudentie te vinden waaruit volgt dat Extinction Rebellion niet vreedzaam te werk gaat. In het dossier zijn geen foto’s aanwezig van de viezigheid door chili in de kraan. Er zijn nog allerlei mogelijkheden tot het horen van getuige Rensen hierover.”
11.Noot VS: hieraan is op schrift toegevoegd: “Echter in het kader van dit verweer gaat het om een niet-noodzakelijke strafvorderlijke maatregel, die bijdraagt aan de schending van art. 10/11 EVRM.”
12.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “De advocaat-generaal geeft aan dat dit niet aantoonbaar is. Dat is het wel. Medeverdachte Van Vlastuin had een bult.”
13.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Artikel 5 EVRM Pro betreft een absoluut recht. De termijnen zijn in de wet beschreven. Overschrijding betreft een rechtstatelijk probleem. Aan de overschrijding moeten gevolgen worden verbonden.”
14.Noot VS: hieraan is op schrift toegevoegd: “zijn”.
15.Noot VS: hieraan is op schrift toegevoegd: “zo nodig”.
16.Noot VS: blijkens het p-v van de terechtzitting heeft de raadsman aanvullend aangevoerd: “Het gaat om jonge mensen die nog een heel maatschappelijk leven voor de boeg hebben.”
17.Noot VS: de demonstratie vond plaats op 20 mei 2021. Dit lijkt mij een kennelijke verschrijving.
18.J.M. ten Voorde, in:
19.HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7104, rov. 4.2; HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8685.
20.HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9866.
21.N.J.L. Swart e.a,
22.Swart e.a.,
23.Zie de in randnr. 22 en voetnoot 52 van de conclusie van P-G Bleichrodt van 19 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:815 (vóór ECLI:NL:HR:2023:1742), opgenomen verwijzingen naar EHRM rechtspraak, waaronder EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (
24.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (
25.EHRM 17 mei 2011, appl. nr. 28495/06 e.a. (
26.EHRM 18 december 2007, nr. 32124/02 e.a. (
27.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (
28.Swart e.a.,
29.Swart e.a.,
30.EHRM 17 mei 2011, nr. 28495/06 e.a. (
31.EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (
32.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (
33.Zie o.a. EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (
34.EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (
35.Swart e.a.,
36.Zie over dit verschil Rozemond,
37.Zie hoofdstuk I, onder G, randnr. 116.
38.Vgl. het arrest van het EHRM van 16 januari 2025, nr. 35834/22 e.a. (
39.“Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.”
40.“Elke partij waarborgt dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheden van de nationale rechter om in een rechtsgeding redelijke kosten toe te wijzen.”
41.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
42.Zie o.a. HvJ 6 oktober 1982, zaak C-283/81 (
43.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,