Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak
3.De terechtzitting in hoger beroep
Ontslag van alle rechtsvervolging
necessary in a democratic society’is ten opzichte van de in artikel 10 lid 2 en Pro/of 11 lid 2 EVRM genoemde doelen, dan levert dit strijd op met artikel 10 en Pro/of 11 EVRM. Indien dan toch wordt vervolgd, [1] zal de strafrechter naar Nederlands recht op grond van artikel 94 Grondwet Pro de strafbepaling(en) waarop de dagvaarding berust buiten toepassing dienen te laten. Een geslaagd beroep op artikel 11 EVRM Pro brengt met zich mee dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is. Dit leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging.
collective civil disobedience’-acties.
rechtvan de demonstrant om de tijd, plaats en vorm van demonstratie te bepalen. Expliciet mag dus de demonstrant zelf kiezen hoe
the message may have the strongest impact’.
the strongest impact’ heeft. Het zoeken van deze aandacht is een door het EHRM – maar ook het HvJ-EU – expliciet erkend belang van demonstranten. De Nationale ombudsman stelt:
conduct that may annoy or give offence, and even conduct that temporarily hinders, impedes or obstructs the activities of third parties.’ Iedere vorm van betoging veroorzaakt volgens het EHRM namelijk onvermijdelijk ontwrichting van het dagelijkse leven.
Welcome to the destruction site', waarbij verwezen werd naar de directe en indirecte destructieve effecten van de bouw van het pand van [A] op de campus.
necessary in a democratic society’.
necessary in a democratic society’ moet zijn.
pressing social need’, proportioneel zijn in relatie tot het nagestreefde doel en gebaseerd zijn op ‘
relevant and sufficient reasons’.
necessary’ een strikte betekenis gegeven. Dit vereiste mag niet worden ingevuld met ‘nuttig’, ‘redelijk’ of ‘wenselijk’.
chilling’, effect daarvan in ogenschouw worden genomen.
illegal conduct’ dat
verwevenis met een demonstratie. Maatregelen van strafrechtelijke aard vereisen in het bijzonder rechtvaardiging. Roorda, Brouwer en Schilder constateren dat strafrechtelijke vervolging, laat staat strafrechtelijke veroordeling van vreedzame demonstranten ‘in beginsel niet [is] toegestaan.’
‘necessity’-testniet wordt gehaald, vormt een relatief lage sanctie niet een compenserende factor.
‘reprehensible’, laakbaar, gedrag vertoont tijdens de manifestatie.
‘reprehensible’gedrag kan worden aangemerkt, wordt volgens het EHRM bepaald door
‘the extent of the “disruption of ordinary life”’die de demonstratie veroorzaakt.
‘reprehensible’. Ook
‘disruption (..) of (..) economic activity’doet niet af aan de bescherming van het recht op vreedzame vergadering. Wel
‘reprehensible’kan zijn, aldus EHRM Glukhin tegen Rusland:
Açik and otherstegen Turkije, alsmede uit de zaak
Tuskia and Otherstegen Georgië volgt dat een legitieme verwijdering van demonstranten van een niet-publieke plaats niet zonder meer betekent dat daaropvolgende strafrechtelijke maatregelen
‘necessary in a democratic society’zijn. Ik benadruk dat in beide zaken de demonstranten weigerden zelf te vertrekken. [6]
‘reprehensible’dat de verdachte, tijdens een demonstratie tegen Shell, ‘nep-olie’ over de trappen van het hoofdkantoor had gesprenkeld en aldus een
gevaarlijke situatiein het leven had geroepen.
‘reprehensible’kan zijn het belemmeren van andermans recht als bedoeld in artikel 10 EVRM Pro. De Hoge Raad stelde vast dat de demonstranten een bouwbedrijf op een beurs in de RAI belemmerden in zijn promotieactiviteiten.
Of de Hoge Raad daarmee in de pas loopt met het EHRM moet ernstig worden betwijfeld. Deze zaak is er niet een van ‘obstruction of traffic, damage to property or acts of violence (..)’.
‘reprehensible’de bezetting van het gebouw van een pensioenverzekeraar door 14 demonstranten die na vorderingen daartoe van de rechthebbende weigerden te vertrekken. De demonstranten, vervolgd wegens lokaalvredebreuk, werden daarom allen ontslagen van alle rechtsvervolging.
beperkte schadewas ontstaan. Beroepshalve is mij bekend dat de schade onder meer bestond uit lijmresten.
reprehensible' gedrag. Daarvoor is geen enkel aanknopingspunt te vinden in de rechtspraak van het EHRM of de oordelen van het VN-Mensenrechtencomité. De Nationale ombudsman stelt:
position paperheeft de VN-speciale rapporteur inzake
Environmental Defenders under the Aarhus Conventionopgemerkt:
‘lengthy (..) court proceedings’en
‘disproportionate sentences’dragen volgens de rapporteur ook de gerechten bij aan
‘the repression and criminalization of environmental defenders engaged in peaceful protest and civil disobedience’.
necessary in a democratie society’ worden geoordeeld.
‘lengthy procedure’in strijd met het Verdrag van Aarhus.
‘necessary in a democratic society’. Deze maatregelen zijn in het licht van de vrijheid van demonstratie niet proportioneel. Ook waren minder ingrijpende maatregelen voorhanden. Dat geldt ook voor het feit waarvoor cliënten worden vervolgd: het primaire feit is immers een misdrijf, terwijl, ook had [15] kunnen worden volstaan met louter de zelfstandige vervolging wegens een overtreding. Van de strafrechtelijke vervolging en/of schuldigverklaring bovenop de arrestatie en detentie gaat een ontoelaatbaar
chilling effectuit.
4.De bewijsvoering door het hof
Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
5.De beslissing van het hof over de strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Standpunt van het openbaar ministerie
6.De strafoplegging door het hof
7.De bespreking van het eerste middel
8.De bespreking van het tweede middel
Het middel
NJ2025/326, m.nt. N. Rozemond:
NJ2024/233, m.nt. EJ. Dommering waarin privé-eigendom (tijdelijk) onbruikbaar werd gemaakt en door het optreden van de demonstranten een gevaarlijke situatie voor derden werd gecreëerd.
NJ2025/39, m.nt. N. Rozemond. De verdachte en de medeverdachten hadden een zogenaamde “sit-in” gehouden in de lobby van het gebouw van Algemeen Pensioen Groep NV (hierna: APG) in Heerlen. Het hof kwam tot het oordeel dat sprake is geweest van een “toelaatbare inperking van het grondwettelijk en verdragsrechtelijk in ons recht verankerde demonstratierecht” en dat het bewezen verklaarde feite kon worden gekwalificeerd als strafbaar feit. Het hof besloot vervolgens geen straf of maatregel op te leggen. Daarbij nam het hof in aanmerking dat bij het optreden tegen de demonstranten had kunnen worden volstaan met het uit de lobby verwijderen van de verdachte en de medeverdachten en dat het verderstrekkende optreden dat bestond uit de aanhouding, het ophouden voor verhoor en het uitreiken van de strafbeschikking vanwege lokaalvredebreuk disproportioneel is, omdat de verdachte en de medeverdachten als gevolg van dit optreden hun demonstratierecht niet meer konden voortzetten. Ook deze uitspraak strandde in cassatie. De Hoge Raad oordeelde dat het hof eraan voorbijgezien had dat bij de beoordeling of de door de justitiële autoriteiten getroffen maatregelen op grond van art. 10 en Pro 11 EVRM toegelaten zijn, niet alleen acht moet worden geslagen op de door de justitiële autoriteiten getroffen maatregelen in aanloop naar of tijdens de betreffende bijeenkomst, maar ook op de maatregelen die na afloop daarvan zijn getroffen. Het hof had reeds dus bij de beantwoording van de vraag of het bewezen verklaarde als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd, moeten betrekken of het optreden dat is gevolgd op het verwijderen van de verdachte en de medeverdachten – de aanhouding, het ophouden voor verhoor en het uitreiken van de strafbeschikking vanwege lokaalvredebreuk – op grond van art. 10 en Pro 11 EVRM toegelaten was. Nu het hof had vastgesteld dat door het optreden tegen de verdachte en de medeverdachten dat is gevolgd op hun verwijdering disproportioneel was en daarmee een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering betrof, had het hof de verdachte moeten ontslaan van alle rechtsvervolging. De Hoge Raad vernietigde de beslissing van het hof en deed de zaak zelf af door de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
NJ2022/222, m.nt. E.J. Dommering nog tot een ander oordeel. In die zaak ging het om een optreden tegen demonstranten die weigerden om een bouwvakbeurs in het RAI-gebouw in Amsterdam te verlaten, ook nadat aan hen telkens een redelijk alternatief was geboden om de demonstratie buiten of bij de ingang van het betreffende gebouw voort te zetten, waarbij dat optreden bestond uit het aanhouden, het gedurende meerdere uren ophouden voor verhoor en een daarop volgende strafvervolging. Het hof verwierp het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en Pro 11 EVRM en oordeelde dat er een dringende maatschappelijke noodzaak bestond tot beperking van de verdere uitoefening van het demonstratierecht van de verdachte en van haar aanwezigheid daartoe in het RAI-gebouw. De Hoge Raad achtte dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk. Daarvoor achtte de Hoge Raad onder meer van belang dat uit rechtspraak van het EHRM volgt dat het recht van vrijheid op vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een “reprehensible act” pleegt tijdens de demonstratie. Daarbij betrok de Hoge Raad ook dat de verdachte en de mededader weliswaar waren beperkt in hun mogelijkheid om in de directe nabijheid van het kraampje van het bouwbedrijf en zich voordoende als medewerkers van het bouwbedrijf folders uit te delen en borden met teksten te tonen, maar dat zij wel meermalen de mogelijkheid geboden kregen om bij de ingang van de vakbeurs hun demonstratie tegen het bouwbedrijf voort te zetten. De Hoge Raad woog tot slot mee dat het hof zich ervan rekenschap had gegeven dat het strafrechtelijke optreden niet van een zo ingrijpend karakter mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering, door de oplegging van strafrechtelijke sancties achterwege te laten en te volstaan met schuldigverklaring. Omdat het hof hier – anders dan in de zaak die leidde tot het arrest van 12 november 2024 – had geoordeeld dat het optreden van de justitiële autoriteiten in de omstandigheden van die zaak niet disproportioneel was, gaf die beslissing volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was dat oordeel niet onbegrijpelijk.
Kudrevičius e.a./Litouwen) dat de vrijheid om deel te nemen aan een vreedzame vergadering evenwel van zo groot belang is dat iemand niet mag worden onderworpen aan een sanctie – zelfs een sanctie aan de onderkant van de schaal van disciplinaire maatregelen – wegens deelname aan een demonstratie die niet is verboden, zolang die persoon bij die gelegenheid zelf geen laakbare gedraging begaat. [32] Daarbij geldt dat vreedzame deelnemers aan een demonstratie niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor laakbare gedragingen van andere demonstranten. [33] Van laakbaar gedrag is volgens het EHRM sprake wanneer een demonstrant het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoort, in een grotere mate dan in het geval van een normale uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek. [34] Het EHRM staat strafrechtelijk optreden dus in ieder geval toe tegen een demonstrant die zich schuldig maakt aan laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’).
Kári Orrason e.a./IJsland). Het ging in die zaak om enkele demonstranten die na sluitingstijd van het ministerie van Justitie in Reykjavik door de politie uit het gebouw werden verwijderd, aangehouden, enkele uren vastgehouden op het politiebureau voor verhoor en vervolgens van de strafrechter een boete opgelegd kregen van omgerekend € 74,- wegens verstoring van de openbare orde. Het EHRM achtte die beperking van het demonstratierecht ten behoeve van de bescherming van de belangen van anderen – tegen de achtergrond van de ‘margin of appreciation’ van staten – niet disproportioneel, hoewel het EHRM tegelijkertijd erkende dat het handelen van de demonstranten niet kon worden gekwalificeerd als een ‘reprehensible act’. Het EHRM vereiste in deze zaak, zo concluderen Swart e.a. alsook Rozemond, voor het opleggen van een (proportionele) straf dus niet dat sprake is van een ‘reprehensible act’. [35]
Kudrevičius and Others,cited above, § 149, and
Tuskia and Others,cited above, § 74). The Court therefore considers that the demonstration, viewed as a whole, was not of such a nature and degree as to exclude the applicants from the scope of protection under Article 11 of the Convention. Accordingly, their convictions constituted an interference with their right to freedom of assembly. The Court therefore dismisses the Government’s objection in this respect (see paragraph 42 above).”
Kudrevičius e.a./Litouwen, betrok het EHRM het laakbare karakter van de gedragingen juist bij de vraag of strafrechtelijk optreden kan worden gerechtvaardigd op grond van art. 11 lid 2 EVRM Pro. [36] In die zaak oordeelde het EHRM dat de demonstratie (het blokkeren van snelwegen) vreedzaam was verlopen en de demonstranten dus bescherming genoten van art. 11 lid 1 EVRM Pro. Vervolgens oordeelde het hof dat de beperking van dit recht door strafrechtelijk optreden noodzakelijk was op grond van art. 11 lid 2 EVRM Pro, omdat de snelwegblokkade een ‘reprehensible act’ was. In dat kader overwoog het EHRM onder meer dat de demonstranten weliswaar geen gewelddadige handelingen hadden gepleegd, noch anderen daartoe hadden aangezet, maar dat de vrijwel volledige blokkade van drie belangrijke snelwegen, waarbij op flagrante wijze geen rekening werd gehouden met de bevelen van de politie en met de belangen van de weggebruikers, een gedraging is die als ‘reprehensible’ kan worden omschreven.
Kudrevičius e.a./Litouwenen noemt daarin niet ook de zaak
Kári Orrason e.a./IJsland. Gelet daarop, ga ik ervan uit dat laatstgenoemde zaak in zoverre geen aanpassing heeft aangebracht in het toetsingskader van het EHRM en aldus aan het ‘reprehensible’ karakter van een gedraging (nog steeds) betekenis kan toekomen bij de vraag of een beperking van het demonstratierecht noodzakelijk is en dat nog steeds als uitgangspunt heeft te gelden dat een demonstrant niet het subject van een sanctie mag worden wegens deelname aan een demonstratie die niet is verboden, zolang die persoon bij die gelegenheid zelf geen laakbare handeling begaat. Daarin zie ik mij tevens gesteund door de ‘Guide on Article 11 of the Convention’ van het EHRM (laatst geüpdatet op 28 februari 2026), waarin bedoeld uitgangspunt vooropgesteld wordt. [37]
derden.