ECLI:NL:PHR:2026:736

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
25/04253
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1 lid 10 WvggzArt. 278 lid 2 RvArt. 278 lid 3 RvArt. 33 lid 1 RvArt. 33 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek zorgmachtiging wegens ontbrekende ondertekening niet gegrond bij ICT-problemen OM

In deze zaak betrof het verzoekschrift voor een zorgmachtiging dat door het Openbaar Ministerie (OM) niet was ondertekend vanwege ICT-problemen die het OM hadden gedwongen hun systemen af te koppelen van het internet. De rechtbank Rotterdam had het verweer van betrokkene dat het verzoek niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het ontbreken van een handtekening verworpen. De rechtbank oordeelde dat het OM voldoende garanties had gegeven over de authenticiteit van het verzoek, onder meer door het gebruik van vaste e-mailadressen en dagelijkse lijsten van ingediende verzoekschriften aan de griffie.

Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank onjuist had geoordeeld omdat het ontbreken van de ondertekening een fundamenteel gebrek vormde dat niet hersteld was. De advocaat voerde aan dat het belang van een voortvarende afhandeling niet zwaarder mocht wegen dan het formele vereiste van ondertekening, zeker gezien de grote persoonlijke belangen van betrokkene. De Hoge Raad overwoog dat hoewel ondertekening van een verzoekschrift van wezenlijk belang is, de rechter ook de ruimte heeft om de sanctie van niet-ontvankelijkheid achterwege te laten, zeker als er voldoende waarborgen zijn voor authenticiteit en het belang van voortvarende afhandeling zwaar weegt.

De Hoge Raad bevestigde dat het verzoekschrift, ondanks het ontbreken van een handtekening, ontvankelijk is omdat het OM garanties had gegeven over de authenticiteit en het verzoekschrift daadwerkelijk door de officier van justitie was ingediend. De rechtbank had terecht geen sanctie verbonden aan het ontbreken van de ondertekening, mede gezien de bijzondere omstandigheden van overmacht en de tijdelijke aard van de situatie. De klachten in cassatie faalden en het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het verzoekschrift ondanks het ontbreken van een handtekening ontvankelijk is vanwege voldoende authenticiteitswaarborgen en het belang van voortvarende afhandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04253
Zitting17 juli 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. J.A.J. Leeman,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,
hierna: de officier van justitie,
advocaat: mr. R. de Graaff.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak is het verzoekschrift van de officier van justitie voor een zorgmachtiging niet ondertekend. Achtergrond hiervan is het feit dat de ICT-systemen van het openbaar ministerie (hierna ook: OM) ten tijde van de indiening van het verzoekschrift (begin augustus 2025) waren afgekoppeld van het net wegens zorgen over de integriteit en veiligheid. De rechtbank heeft het verweer van betrokkene dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het verzoekschrift niet is ondertekend, verworpen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer, kort weergegeven, overwogen dat door het OM garanties zijn gegeven dat het via Veilig Mailen ingediende verzoekschrift daadwerkelijk door de daarin genoemde officier van justitie is ingediend en dat daarmee voldoende waarborgen bestaan over de authenticiteit van het verzoek. In cassatie wordt opgekomen tegen dit ontvankelijkheidsoordeel.
1.2
Het vereiste van ondertekening van een verzoekschrift is van wezenlijk belang. Als het inleidende verzoekschrift niet is ondertekend, kan dit gebrek, als het niet wordt hersteld, leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker. Ik meen echter dat de rechter ook de ruimte heeft om die sanctie achterwege te laten. De rechtbank heeft mijns inziens in dit bijzondere geval zonder schending van enige rechtsregel en goed gemotiveerd van deze sanctie afgezien. Het oordeel van de rechtbank dat met de door het OM gegeven garanties voldoende waarborgen bestaan over de authenticiteit van het verzoekschrift en dat zij geen gevolgen verbindt aan het niet-ondertekend zijn daarvan, is niet onjuist of onbegrijpelijk. De klachten in cassatie falen mijns inziens dan ook.
1.3
De kwestie van de ontbrekende ondertekening van het verzoekschrift is ook aan de orde in de zaak 25/04098, waarin ik vandaag eveneens concludeer. [1]

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) op 8 augustus 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden te verlenen.
2.2
Dit verzoekschrift is verzonden per Zivver-mail en is niet ondertekend. In dit verzoekschrift is vermeld:
“De officier van justitie is wegens technische redenen niet in staat dit verzoekschrift te ondertekenen. Dit verzoekschrift is ingediend onder verantwoordelijkheid van en met goedkeuring van de [officier van justitie 1].”
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen: betrokkene en zijn advocaat, een verpleegkundig specialist en een verpleegkundige. De officier van justitie is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.4
De advocaat van betrokkene heeft het verweer gevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek. In het proces-verbaal is dit als volgt opgetekend: [2]
“(…) Vooraf heb ik een formeel punt. U heeft het verzoek ontvangen van de officier. Het verzoek is per mail gedaan. Dat is geen ondertekend verzoek. Ik weet dat er een storing is geweest. Deze mail is van 8 augustus. Wij zijn 14 dagen verder en wij hebben nog steeds geen ondertekend verzoek. Wij hebben in andere gevallen ook een technische storing gezien en hebben toen wel een ondertekend verzoek ontvangen. Het is belangrijk dat het verzoek ondertekend is. De officier van justitie is daarom niet ontvankelijk. Je dient iets in per mail en tekent het niet. Je kan het verzoek ook tekenen, scannen en indienen. Dat is mijn punt. (…)”
2.5
Bij beschikking van 22 augustus 2025 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de verzochte duur van twaalf maanden. [3] Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie heeft de rechtbank in r.o. 2.2 en 2.3 het volgende overwogen: [4]
“2.2. De advocaat heeft het verweer gevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek. De officier heeft het verzoek per mail gedaan en heeft dit verzoek niet ondertekend. Het verzoek dateert van 8 augustus jl. In de afgelopen dagen heeft de officier van justitie wel de mogelijkheid gehad om een ondertekend verzoek in te dienen maar dit nagelaten. Aan dit formele verzuim dient zoveel gewicht te worden toegekend dat niet-ontvankelijkverklaring de gepaste sanctie is.
2.3.
De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat en overweegt daartoe het volgende.
Het verzoekschrift is gedaan per Zivver-mail en is daarom niet ondertekend. Achtergrond hiervan is het feit dat de IT-systemen van het OM zijn afgekoppeld van het net wegens zorgen over de integriteit en veiligheid ervan. Het OM heeft echter garanties gegeven dat het verzoekschrift daadwerkelijk door de officier is ingediend. Die garanties omvatten de afspraak dat indiening van de verzoekschriften geschiedt vanuit vaste, tevoren opgegeven adressen, dat het OM dagelijks een lijst van ingediende verzoekschriften aan de griffie van de rechtbank stuurt waarmee de rechtbank heeft kunnen vaststellen dat het verzoekschrift daadwerkelijk afkomstig is van het OM en de uitdrukkelijke toezegging van het OM dat elke mail die vanaf bedoeld mailadres wordt verstuurd, verstuurd wordt onder de verantwoordelijkheid van en met de uitdrukkelijke goedkeuring van de officier van justitie, die bij naam in de e-mail is vermeld. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende waarborgen bestaan over de authenticiteit van het verzoek en verbindt aan het niet ondertekend zijn van het verzoekschrift geen gevolgen, nu sprake is van overmacht, dit een tijdelijke situatie is en het belang van een voortvarende afhandeling van deze verzoeken voor een kwetsbare doelgroep onder deze omstandigheden zwaarder weegt dan het formele vereiste van een handtekening. Van een daadwerkelijke schending van de belangen van betrokkene door de hiervoor geschetste gang van zaken blijkt overigens niet. De rechtbank merkt daarbij op dat de advocaat dat ook niet aangevoerd heeft.”
2.6
Betrokkene heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 22 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking). Daarbij is een voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel gemaakt in verband met het ten tijde van de indiening van de procesinleiding nog ontbrekende proces-verbaal van de mondelinge behandeling. Van de mogelijkheid tot aanvulling is geen gebruik gemaakt. [5]
2.7
De officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend.

3.Het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
3.2
Onderdeel 1is gericht tegen r.o. 2.3 van de bestreden beschikking waarin de rechtbank het ontvankelijkheidsverweer van betrokkene heeft verworpen. Het onderdeel acht dit oordeel, gelezen in samenhang met r.o. 1.3 [6] en 2.2, rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk en niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed. Hiertoe wordt aangevoerd, kort weergegeven, dat de wet voorschrijft dat een verzoekschrift, voordat het wordt ingediend, moet worden ondertekend, dat vast staat dat dat in dit geval niet is gebeurd en dat de officier van justitie dit verzuim niet (tijdig) heeft hersteld, terwijl niet is gebleken dat daartoe niet de gelegenheid bestond. De rechtbank had de officier van justitie althans het OM daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren in het verzoek. Deze kernklacht is uitvoerig toegelicht. [7]
3.3
Uit de toelichting op het onderdeel maak ik verder nog de volgende subklachten (hierna onder 3.4) en overige punten (hierna onder 3.5) op.
3.4
Het gaat in dit geval om een procedure in het kader van de Wvggz, waarbij een verzoek voor een aansluitende zorgmachtiging is ingediend. De vormen van verplichte zorg kunnen voor betrokkene van grote invloed zijn. Onder deze omstandigheden is het onjuist en onbegrijpelijk dat de rechtbank overweegt dat het belang van een voortvarende afhandeling zwaarder weegt dan het formele vereiste van een handtekening, en dat van een daadwerkelijke schending van de belangen van betrokkene door de geschetste gang van zaken niet blijkt. In tegenstelling tot wat de rechtbank heeft overwogen, worden de belangen van betrokkene wel degelijk geschonden, nu aan de wettelijke vereisten bij de indiening van het verzoekschrift niet is voldaan. Een voortvarende afhandeling van een verzoek als hier aan de orde, dat ertoe strekt dat een zorgmachtiging met een aantal vormen van verplichte zorg ten aanzien van betrokkene wordt verleend, kan en mag er niet toe leiden dat de aan het verzoekschrift verbonden wettelijke vereisten opzij worden gezet. Hiermee heeft de rechtbank niet alleen de aard en het karakter van de procedure miskend, maar is zij ook voorbijgegaan aan de (grote) persoonlijke belangen van betrokkene. Het oordeel dat van een daadwerkelijke schending van zijn belangen niet blijkt, is dan ook rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk en niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed (zie de procesinleiding onder 17-18).
3.5
Betrokkene is van de ICT-storing slechts in (zeer) algemene zin op de hoogte en niet in detail. In ieder geval is betrokkene er niet mee bekend welke gevolgen deze storing heeft gehad op het ten aanzien van hem ingediende verzoek. De officier van justitie heeft in zijn verzoekschrift geen nadere aandacht gegeven aan de ICT-storing en heeft niet vermeld of de ICT-storing hierop van invloed was, behalve dat hij onderaan zijn verzoekschrift de tekst (zoals hiervoor onder 2.2 geciteerd) heeft genoteerd. Kennelijk moet hieruit worden afgeleid dat de officier van justitie daarmee van oordeel is dat de (wettelijk voorgeschreven) handtekening onder zijn verzoekschrift hierdoor kan worden vervangen. Deze tekst moet daartoe echter volstrekt onvoldoende worden beschouwd, althans kan, gelet op artikel 278 lid 3 Rv Pro in verbinding met artikel 43 lid 2 Rv Pro, niet (als voldoende) worden aanvaard. De officier van justitie geeft geen nadere informatie en heeft zich beperkt tot de notatie dat hij om “technische redenen” het verzoekschrift niet heeft kunnen ondertekenen. Hierdoor heeft – in beginsel – geen beoordeling kunnen plaatsvinden van de vragen hoe en in hoeverre de ICT-storing van invloed is geweest op de onderhavige procedure en evenmin waarom “technische redenen” de ondertekening hebben verhinderd (zie de procesinleiding onder 9-10).
3.6
Onderdeel 2bevat een voortbouwklacht.

4.Juridisch kader

4.1
Vereiste van ondertekening van het verzoekschrift
Artikel 278 Rv Pro: ondertekening van het verzoekschrift
4.1
Op grond van artikel 278 lid 2 Rv Pro wordt een verzoekschrift ondertekend en ter griffie ingediend. Ingevolge artikel 278 lid 3 Rv Pro wordt het verzoekschrift ondertekend door een advocaat, tenzij indiening bij de kantonrechter plaatsvindt of ingevolge bijzondere wettelijke bepaling niet door een advocaat behoeft te geschieden.
4.2
In een procedure tot verkrijging van een zorgmachtiging op grond van de Wvggz zijn de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, in aanvulling op hetgeen uit de Wvggz voortvloeit (art. 6:1 lid 10 Wvggz Pro). [8] Ook voor een verzoekschrift voor een zorgmachtiging geldt dus dat deze voor de indiening moet worden ondertekend. Een dergelijk verzoekschrift wordt ingevolge artikel 5:17 lid 1 Wvggz Pro door de officier van justitie ingediend, en moet dus ook door deze worden ondertekend. Hier doet zich de tweede in artikel 278 lid 3 Rv Pro genoemde uitzondering voor dat indiening van het verzoekschrift ingevolge bijzondere wettelijke bepaling niet door een advocaat behoeft te geschieden. [9]
Functie van ondertekening van het verzoekschrift
4.3
Artikel 429d (oud) Rv, de voorloper van het huidige artikel 278 Rv Pro, bepaalde wel dat het verzoekschrift ter griffie wordt ingediend, maar bevatte niet uitdrukkelijk de eis van ondertekening. [10] Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 278 Rv Pro volgt dat in het tweede lid “voor de duidelijkheid” is bepaald dat het verzoekschrift vóór indiening ondertekend moet worden. [11] Een nadere toelichting over de functie of het doel van die ondertekening ontbreekt daarbij.
4.4
Van de verschillende te onderscheiden functies van ondertekening [12] staat bij de ondertekening van een processtuk zoals een verzoekschrift mijns inziens de functie van identificatie van de indiener van het processtuk voorop. [13] Door het plaatsen van de handtekening onder het verzoekschrift is duidelijk wie de indiener is (individualisering) en is ook duidelijk dat deze indiener de inhoud van het verzoekschrift voor zijn rekening neemt. [14] Aangezien de bevoegdheid tot het indienen van een verzoekschrift veelal is voorbehouden aan personen met een bepaalde hoedanigheid (advocaat, officier van justitie), is in het verlengde hiervan ook van belang dat zo kan worden vastgesteld dat het verzoekschrift is ingediend door een persoon die daartoe bevoegd is. [15]
Artikel 33 Rv Pro: elektronisch verzenden van berichten
4.5
Op grond van artikel 33 lid 1 Rv Pro kunnen verzoeken en mededelingen elektronisch worden gedaan, en processtukken elektronisch ter griffie worden ingediend, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement.
4.6
Het Procesreglement Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wet zorg en dwang (hierna: het procesreglement) biedt de mogelijkheid van digitaal procederen (zie hierna onder 4.9 e.v.) en van, het daarvan te onderscheiden, Veilig Mailen (zie hierna onder 4.23 e.v.). [16]
4.7
Ingevolge artikel 33 lid 2 Rv Pro worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gegeven aangaande de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en de verzending van processtukken als bedoeld in het eerste lid en kunnen in verband met deze wijze van verzending nadere regels worden gesteld. Deze AMvB is het Besluit elektronisch procederen (hierna: Bep). [17]
4.8
Artikel 33 Rv Pro bevat geen voorschriften over het ondertekenen van elektronisch ingediende verzoeken of andere processtukken of mededelingen. Het Bep bevat wel een bepaling over het ondertekenen in geval van elektronisch procederen (art. 5 Bep Pro, zie hierna onder 4.17). Verder bevat artikel 2.7 van Bijlage 2 bij het procesreglement een bepaling over het ondertekenen van stukken in geval van Veilig Mailen (zie hierna onder 4.31).
Procesreglement Wvggz en Wzd: digitaal procederen
4.9
Digitaal procederen in Wvggz- en Wzd-zaken is geregeld in hoofdstuk 2 van het procesreglement. Uit artikel 2.1 in verbinding met bijlage 1 van het procesreglement volgt dat partijen in dit soort zaken bij alle rechtbanken vrijwillig digitaal kunnen procederen. Het is dus ook nog altijd mogelijk om niet-digitaal te procederen.
4.1
Artikel 2.2 van het procesreglement bepaalt dat naast de bepalingen over digitaal procederen in hoofdstuk 2 van het procesreglement ook de regels die zijn opgenomen in het Bep gelden. [18]
4.11
De nota van toelichting bij het Bep hanteert de volgende definitie van elektronisch procederen:
“Onder elektronisch procederen wordt verstaan het langs elektronische weg verzenden van berichten in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures via een door de rechterlijke instanties aangewezen systeem voor gegevensverwerking aan en door de (…) rechterlijke instanties.”
4.12
Artikel 2 Bep Pro bepaalt dat als bij een rechterlijke instantie in een categorie van zaken elektronisch kan of moet worden geprocedeerd, in het voor die rechterlijke instantie vastgestelde procesreglement een digitaal systeem voor gegevensverwerking dient te worden aangewezen. Dit digitale systeem wordt in de praktijk op twee manieren benaderd, te weten via de website van de rechterlijke instantie via een portaal, of met gebruikmaking van een systeemkoppeling. [19] Via een dergelijke systeemkoppeling kunnen digitale systemen van bepaalde organisaties worden gekoppeld aan het digitale systeem van de rechterlijke instanties. [20]
4.13
In dit verband zijn de artikelen 2.4 en 2.9 van het procesreglement van belang. In artikel 2.4 van het procesreglement is namelijk bepaald dat digitale communicatie tussen de rechtbank en het OM [21] plaatsvindt via het zogeheten ‘Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid’ en dat digitale communicatie tussen de rechtbank en andere procesdeelnemers plaatsvindt via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’. [22] Artikel 2.9 van het procesreglement voegt hieraan toe dat de indiening van het verzoekschrift, verweerschrift en overige processtukken plaatsvindt door toezending aan de griffie van de rechtbank via het ‘Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid’ of via het webportaal.
Met het ‘Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid’ is, als ik het goed zie, sprake van de hiervoor bedoelde koppeling tussen de systemen van het OM en de Rechtspraak. [23]
4.14
Aan het in een procesreglement aan te wijzen digitale systeem voor gegevensverwerking worden in het Bep eisen gesteld. Zo is in artikel 3 lid 1 Bep Pro voor zover thans van belang het volgende bepaald:
1 Een op grond van artikel 2, eerste of tweede lid, aangewezen digitaal systeem voor gegevensverwerking voldoet aan de volgende eisen:
a. de gebruiker van het systeem wordt geïdentificeerd;
b. een procespartij, procesvertegenwoordiger of een bij de procedure betrokken derde die toegang verkrijgt tot het systeem anders dan via een koppeling met een ander digitaal systeem voor gegevensverwerking, wordt geauthenticeerd;
c. na te gaan is wie wordt beschouwd als de indiener van een bericht;
(…)
4.15
Het Bep stelt in artikel 3 aldus Pro niet alleen eisen aangaande de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid (zoals in art. 33 lid 2 Rv Pro is voorzien), maar ook aan het controleren van de identiteit van de gebruiker van het systeem. [24] In de nota van toelichting is ter toelichting van artikel 3 lid 1 Bep Pro onder meer het volgende opgemerkt (mijn onderstreping): [25]

Eerste lid, onderdeel a
De gebruiker is degene die inlogt in het systeem. De gebruiker kan inloggen om stukken te verzenden of (als er een digitaal dossier is) te raadplegen. (…) De identificatie van een externe gebruiker die anders dan via een systeemkoppeling (bijvoorbeeld via een webportaal) het systeem benadert, dient betrekking te hebben op de natuurlijke persoon die toegang wenst tot het digitale systeem (ook als deze natuurlijke persoon namens een rechtspersoon optreedt).
Het systeem moet de rechterlijke instanties in staat stellen eenieder die via het webportaal toegang verkrijgt te identificeren (wie is de gebruiker), diens identiteit te kunnen controleren (authenticeren: nagaan of de gebruiker is wie hij zegt te zijn), alsmede te controleren of deze persoon gerechtigd is om toegang te krijgen tot de stukken. (…)
Eerste lid, onderdeel b
Dit onderdeel (…) vereist authenticatie van een procespartij, procesvertegenwoordiger of een bij de procedure betrokken derde die anders dan via een systeemkoppeling (bijvoorbeeld via een webportaal of app) toegang verkrijgt tot het systeem. (…)
Eerste lid, onderdeel c
Degene die wordt beschouwd als de indiener is de persoon die de proceshandeling verricht. De gebruiker van het systeem en de indiener kunnen een en dezelfde persoon zijn, maar dit hoeft niet. Zo zal het regelmatig voorkomen dat de secretariaatsmedewerker van de advocaat de stukken van de advocaat namens hem indient. De secretariaatsmedewerker is in dat geval de onder a bedoelde gebruiker die inlogt met zijn of haar gemachtigdenpas om stukken afkomstig van de advocaat in te dienen. De advocaat is in dat geval degene die wordt beschouwd als indiener als bedoeld in onderdeel c. (…)”
4.16
Wanneer een gebruiker via een systeemkoppeling gebruikmaakt van het aangewezen digitale systeem voor gegevensverwerking (van de Rechtspraak), wordt de authenticatie van de individuele gebruiker verricht door het te koppelen systeem (in dit geval het systeem van het OM). [26] In verband hiermee is in artikel 3 lid 2 Bep Pro bepaald dat toegang tot een aangewezen digitaal systeem voor gegevensverwerking via een koppeling met een ander digitaal systeem voor gegevensverwerking slechts wordt verleend als het betrouwbaarheidsniveau van dat systeem ten minste gelijkwaardig is aan het betrouwbaarheidsniveau van het aangewezen digitale systeem.
4.17
Die eisen die het Bep stelt aan het aangewezen digitale systeem voor gegevensverwerking en aan het te koppelen systeem op het vlak van identificatie en authenticatie, werken door in de voorschriften over ondertekening van elektronisch in te dienen stukken. Voor de ondertekening van stukken bij het indienen daarvan in het daartoe aangewezen systeem bevat artikel 5 Bep Pro de volgende regeling:
1. Tenzij de wet anders bepaalt, ondertekent degene die op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (…) een stuk dient te ondertekenen, het stuk voorafgaand aan de indiening, verzending of plaatsing in het aangewezen systeem. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een gewone elektronische handtekening, tenzij bij procesreglement een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening is voorgeschreven. Artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid, geldt een stuk dat langs elektronische weg is ingediend in een daartoe aangewezen digitaal systeem voor gegevensverwerking door een op persoonsniveau geauthenticeerde procespartij, procesvertegenwoordiger of bij de procedure betrokken derde, als ondertekend door die persoon. (…).
4.18
Artikel 5 lid 1 Bep Pro verwijst naar artikel 3:15a BW. Laatstgenoemde bepaling vindt op grond van artikel 3:15c BW overeenkomstige toepassing buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. [27] Artikel 3:15a BW onderscheidt in navolging van de eIDAS-verordening [28] drie soorten elektronische handtekeningen: de gekwalificeerde, de geavanceerde en een andere elektronische handtekening (ook wel een ‘gewone’ elektronische handtekening genoemd). Van deze drie heeft alleen de gekwalificeerde elektronische handtekening zonder meer dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening. De geavanceerde en de andere elektronische handtekening hebben slechts dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening indien de voor ondertekening gebruikte methode voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en op alle overige omstandigheden van het geval. De gewone elektronische handtekening, waartoe een ingescande natte handtekening behoort, [29] biedt de minste waarborgen.
4.19
Op grond van artikel 5 lid 1 Bep Pro kan in beginsel dus worden volstaan met een gewone elektronische handtekening, tenzij in het procesreglement iets anders is bepaald, wat in het Procesreglement Wvggz en Wzd niet het geval is.
4.2
Dat in Wvggz-zaken bij digitaal procederen met een gewone elektronische handtekening kan worden volstaan, houdt verband met de hiervoor genoemde eisen die worden gesteld aan het aangewezen digitale systeem voor gegevensverwerking, en in het bijzonder aan de toegang tot dat systeem. Dit wordt bevestigd in de nota van toelichting bij het ook in Wvggz-zaken geldende Bep, [30] waarin het volgende is geschreven (mijn onderstreping): [31]
“Het eerste lid bepaalt dat, tenzij de wet zelf anders bepaalt, stukken waarvoor de wet ondertekening voorschrijft voorafgaand aan de indiening, plaatsing of verzending in het digitale systeem, moeten worden ondertekend. (…) Hierbij moet op grond van artikel 3:15a BW gebruik gemaakt worden van een elektronische handtekening waarbij de gebruikte ondertekeningsmethode voldoende betrouwbaar is gelet op het doel van de ondertekening en alle overige omstandigheden van het geval. (…)
(…)
Gelet op de wijze waarop de toegangscontrole is vormgegeven kan bij gebruik van het aangewezen systeem als hoofdregel worden volstaan met een gewone elektronische handtekening.Daarbij valt te denken aan een ingescande natte handtekening op een papieren drager (zie Kamerstukken II 2000/01, 27 743, nr. 3, p. 2). Uit de definitie van de gewone elektronische handtekening volgt dat deze moet zijn gehecht aan of logisch verbonden met het stuk dat moet worden ondertekend. In geval van twijfel kan het originele fysieke stuk worden opgevraagd. (…)”
4.21
Als de identiteit van de gebruiker bij de toegangverlening tot het systeem op persoonsniveau wordt geauthenticeerd, dan geldt het stuk als ondertekend, zo volgt artikel 5 lid 2 Bep Pro en kan het plaatsen van een elektronische handtekening dus zelfs helemaal achterwege blijven. Deze indienen=ondertekenen-regel geldt alleen wanneer het stuk wordt ingediend door degene die het stuk volgens de wet moet ondertekenen (zoals de officier van justitie of de advocaat zelf) en niet door bijvoorbeeld een secretaresse. [32]
4.22
Verzoekschriften in Wvggz-zaken worden veelal digitaal en voorzien van een elektronische handtekening ingediend. [33] Ter illustratie van deze praktijk wijs ik op de noot van Berton bij een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 april 2023 waarin die elektronische handtekening aan de orde was. In deze noot merkt zij het volgende op (met weglating van de voetnoten): [34]
“Met de komst van de Wvggz is beoogd zoveel mogelijk elektronisch te communiceren. Binnen een digitale werkomgeving kan een systeem dat voorziet in een elektronische handtekening niet ontbreken. (…)
Binnen het Openbaar Ministerie wordt steeds meer gewerkt met de elektronische handtekening, ook in Wvggz-zaken. Het behoeft geen betoog dat er dan geen enkele twijfel mag ontstaan over de integriteit en de ondertekening van het verzoekschrift. Het document mag na ondertekening niet meer gewijzigd kunnen worden tenzij de wijzigingen zijn te achterhalen en het moet duidelijk zijn wie het document heeft ondertekend. De ondertekening moet dus plaatsvinden in een betrouwbaar proces. Hierbij moet voor de ontvanger duidelijk zijn dat het document in overeenstemming met de wet is ondertekend.
(…)
Voor het ondertekenen van verzoekschriften in Wvggz-zaken, wordt door de officier van justitie gebruikgemaakt van een gekwalificeerde elektronische handtekening, de meest beveiligde variant van de mogelijke digitale handtekeningen, met een drie-factorauthenticatie. Drie-factorauthenticatie is een vorm van authenticatie die de identiteit van een gebruiker bevestigt met behulp van drie verschillende authenticatiefactoren: iets dat je weet, iets dat je hebt en iets dat je bent.
(…)
Nog niet overal in het land maakt de officier van justitie in Wvggz-zaken gebruik van de e-handtekening, maar het is de verwachting dat hiervan steeds vaker gebruik zal worden gemaakt.”
Procesreglement Wvggz en Wzd: Veilig Mailen
4.23
Niet-digitaal procederen is geregeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement.
4.24
Op grond van artikel 1.2 van het procesreglement is Veilig Mailen een van de wijzen om processtukken en berichten in te dienen in geval van niet-digitaal procederen. Deze bepaling luidt als volgt:
Als niet-digitaal wordt geprocedeerd, worden de processtukken en berichten als volgt ingediend:
 door toezending per post aan de griffie van de rechtbank, afdeling familie- en jeugdzaken (…);
 door afgifte aan de Centrale Balie van de rechtbank (…);
 door toezending via Veilig Mailen, mits het processtuk of het bericht, met eventuele bijlage(n), direct per post aan de griffie van de rechtbank wordt nagezonden of wordt afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft.
Voor toezending via Veilig Mailen gelden daarnaast de in Bijlage 2 vermelde regels. (…)
4.25
Onder Veilig Mailen wordt in artikel 1.3 van het procesreglement verstaan: “de voorziening van de Rechtspraak voor het verzenden en ontvangen van beveiligde e-mail naar en door de rechtbank”. Op de webpagina waarnaar in dat artikel vervolgens wordt verwezen, [35] is verder te lezen:
“Veilig mailen biedt een veel betere bescherming van gegevens dan e-mailen. Berichten die u via Veilig Mailen verzendt, worden versleuteld. Om toegang te krijgen tot een bericht, moet de ontvanger bovendien een extra stap doen om te bewijzen dat hij of zij ook echt de juiste ontvanger is.”
4.26
Veilig Mailen is dus, kort gezegd, het versturen van een e-mail waarbij het bericht versleuteld is. De bedoeling van Veilig Mailen is om vertrouwelijke gegevens beter te beschermen. [36] Er zijn, zo blijkt uit de hiervoor vermelde webpagina, verschillende aanbieders van Veilig Mailen die voldoen aan de eisen van de Rechtspraak en technisch zijn gekoppeld. ZIVVER wordt in artikel 1.4 van het procesreglement genoemd als het systeem voor gegevensverwerking waarvoor de rechtbank verantwoordelijkheid draagt.
4.27
Hoewel dus ook bij Veilig Mailen sprake is van een aangewezen systeem voor gegevensverwerking voldoet het systeem niet aan de eisen die artikel 3 Bep Pro aan een digitaal systeem voor gegevensverwerking stelt.
4.28
Uit de nota van toelichting bij het Bep blijkt dat Veilig Mailen niet valt onder de definitie (zie hiervoor onder 4.11) van elektronisch procederen in de zin van het Bep. De nota van toelichting luidt op dit punt als volgt (mijn onderstreping): [37]
“De ABRvS signaleert dat de definitie van elektronisch procederen in de nota van toelichting mogelijk van invloed is op andere digitale initiatieven en ontwikkelingen, zoals het verzenden per fax en het uitwisselen van stukken via een berichtenbox (ook wel aangeduid als veilig mailen). Het is juist dat de digitale fax en mailverkeer kunnen worden gebruikt voor het langs elektronische weg uitwisselen van berichten. Om door de rechtspraak te kunnen worden aangewezen als systeem voor elektronisch procederen moet echter steeds worden voldaan aan de eisen van het Bep. Het Bep stelt niet alleen eisen aan de vertrouwelijkheid en betrouwbaarheid van het systeem maar ook aan het controleren van de identiteit van de gebruiker van het systeem.
Bij veilig mailen zijn er waarborgen getroffen voor de vertrouwelijkheid en betrouwbaarheid van de verbinding waarlangs de elektronische communicatie verloopt maar is er – anders dan bij gebruik van het aangewezen systeem – geen controle op de identiteit van de afzender. Dit maakt dat de stukken na mailverzending alsnog fysiek moeten worden aangeboden.
en

Als stukken langs andere weg dan via het aangewezen digitale systeem elektronisch aan de rechterlijke instanties worden verzonden (bijvoorbeeld via de fax of door middel van beveiligd emailverkeer), dan zal nazending van de fysieke stukken noodzakelijk zijn om de stukken op te nemen in het procesdossier.(…)”
4.29
Bij Veilig Mailen vindt dus geen controle op de identiteit van de afzender plaats. [38] Daarom moet in geval van Veilig Mailen het aldus ingediende processtuk of bericht altijd nog per post worden nagezonden of bij de Centrale Balie van het gerecht worden afgegeven. De ratio van de nazendverplichting is, blijkens de nota van toelichting bij het Bep, de controle op de identiteit van de indiener. Vanwege deze nazendplicht is bij deze op zich digitale vorm van indienen van stukken volgens het procesreglement toch sprake van niet-digitaal procederen. In feite gaat het om een hybride vorm van indienen van stukken: zowel digitaal als fysiek.
4.3
Bij Veilig Mailen moeten verder de in Bijlage 2 bij het procesreglement (hierna: de bijlage) vermelde regels in acht worden genomen. In deze bijlage zijn aanvullende regels over het gebruik van Veilig Mailen opgenomen. Artikel 2.2 van de bijlage houdt voor zover hier van belang in dat het e-mailbericht het karakter heeft van een envelop en dat de inhoud wordt opgenomen in de bijlage(n) bij het e-mailbericht. Dit komt ook terug in artikel 2.5 van de bijlage, dat voor zover hier van belang voorschrijft dat (proces)stukken en berichten als afzonderlijke bestanden bij het e-mailbericht zijn gevoegd en voldoen aan het Pdf-formaat, tenzij het stuk niet in Pdf-formaat kan worden verstuurd of de aard van het stuk zich daartegen verzet.
4.31
Artikel 2.7 van de bijlage betreft vervolgens een bepaling over het Veilig Mailen van stukken die moeten worden voorzien van een originele (‘natte’) handtekening:
Als de wet ondertekening van stukken vereist, worden deze voorzien van een originele (“natte”) handtekening en gescand als Pdf-bestand via Veilig Mailen ingediend.
4.32
In geval van Veilig Mailen wordt het verzoekschrift dus handgeschreven ondertekend, gescand en als afzonderlijk Pdf-bestand als bijlage bij het e-mailbericht ingediend. Het nat getekende verzoekschrift moet vervolgens direct per post aan de griffie van de rechtbank worden nagezonden of worden afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het een reeds eerder via Veilig Mailen ingediend stuk betreft (zie art. 1.2, derde bolletje, van het procesreglement).
4.2
Gevolgen van ontbrekende ondertekening van verzoekschrift: herstel of sanctie?
Artikel 278 Rv Pro: herstel of sanctie bij geen ondertekening?
4.33
Artikel 278 Rv Pro bevat geen regels over het herstel van gebreken in een verzoekschrift, zoals een ondertekeningsgebrek, [39] of over een sanctie op dergelijke gebreken. [40] Wel blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de rechter gelegenheid kan geven het gebrek te herstellen: [41]
“De eerste drie leden van artikel 3.4.1 [artikel 278 Rv Pro; A-G] stemmen vrijwel overeen met de eerste drie leden van het huidige artikel 429d Rv. Indien aan de eisen met betrekking tot inhoud of ondertekening van het verzoekschrift niet of onvoldoende is voldaan, leidt dit niet tot nietigheid. De rechter zal, in overeenstemming met zijn actievere rol in deze procedure, naar bevind van zaken gelegenheid kunnen geven het gebrek te herstellen. Een wettelijke herstelregeling, zoals het wetsvoorstel die kent ten aanzien van exploten in het algemeen en dagvaardingsexploten in het bijzonder, is hier dus niet geboden.”
4.34
Sinds 1 juli 2025 bevat de wet wel een algemene herstelmogelijkheid in geval van elektronisch procederen. Artikel 33 lid 6 Rv Pro luidt als volgt:
Indien niet is voldaan aan een verplichting tot het elektronisch verrichten van handelingen op grond van de wet dan wel bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid, stelt de rechter de desbetreffende partij of andere betrokkene in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door de rechter te bepalen termijn. Maakt eiser of verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan de rechter eiser of verzoeker niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering of verzoek dan wel het stuk buiten beschouwing laten. Ook in andere gevallen waarin geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het verzuim te herstellen, kan de rechter het stuk buiten beschouwing laten.
4.35
De voorloper van deze bepaling is artikel 30c lid 6 KEI-Rv. [42] In de parlementaire geschiedenis van artikel 33 lid 6 Rv Pro wordt over zijn voorloper artikel 30c lid 6 KEI-Rv opgemerkt dat “die regeling [inhield] dat de rechter een partij die stukken op papier indiende terwijl zij dat langs elektronische weg moest doen, de gelegenheid moest bieden dit verzuim te herstellen (…)”. [43] Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat artikel 30 c lid 6 KEI-Rv louter betrekking had op het ten onrechte kiezen van de niet-elektronische route. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt volgens Tjong Tjin Tai evenwel “dat deze bepaling een grond voor herstel van andere verzuimen, in het bijzonder vormverzuimen bij de inhoud van het digitale procesinleidende stuk” is. [44]
4.36
In de toelichting op artikel 33 lid 6 Rv Pro is verder duidelijk gemaakt dat de bepaling mede betrekking heeft op het verzuim een stuk elektronisch te ondertekenen: [45]
“De leden sluiten vrijwel geheel aan bij de tekst van de wetgeving uit 2016 (artikel 30c, leden 6 en 7, Rv). Op een aantal punten was een iets andere formulering nodig, omdat de tekst van artikel 30c, leden 6 en 7, Rv ruimer was dan alleen het doen van verzoeken en mededelingen en het indienen van processtukken genoemd in artikel 33 Rv Pro. Daarom staat er nu «een verplichting tot het elektronisch verrichten van handelingen». Daaronder valt naast het doen van verzoeken en mededelingen en het indienen van processtukken ook de verplichting om elektronisch te ondertekenen (artikel 5 Besluit Pro elektronisch procederen). Het bieden van de gelegenheid om een verzuim te herstellen, ziet op al deze handelingen.”
4.37
Artikel 33 lid 6 Rv Pro betreft gevallen waarin niet is voldaan aan “een verplichting tot het elektronisch verrichten van handelingen op grond van de wet dan wel bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid”. Het lijkt mij onjuist om hieraan de gevolgtrekking te verbinden dat de toepasselijkheid van deze bepaling beperkt is tot gevallen waarin elektronisch procederen verplicht is, en die bepaling dus zo uit te leggen dat toepassing ervan uitgesloten is in procedures waarin op vrijwillige basis elektronisch wordt geprocedeerd (zoals in zaken als de onderhavige). [46] Niet blijkt dat dit de bedoeling van de wetgever is geweest en er is mijns inziens ook geen goede reden voor een dergelijk onderscheid. [47]
4.38
Uit de tekst van artikel 33 lid 6 Rv Pro lijkt te volgen dat de rechter gelegenheid tot herstel van het gebrek
moetbieden. Uit de toelichting op de bepaling blijkt echter dat het niet om een verplichting tot het bieden van een herstelmogelijkheid gaat. Die toelichting op artikel 33 lid 6 Rv Pro, die deels is ontleend aan een samenvatting van de toelichting op de voorloper, artikel 30c lid 6 KEI-Rv, luidt dienaangaande: [48]
“Die regeling [art. 30c lid 6 KEI-Rv; A-G] hield in dat de rechter een partij die stukken op papier indiende terwijl zij dat langs elektronische weg moest doen, de gelegenheid moest bieden dit verzuim te herstellen binnen een bepaalde termijn. (…) De rechter kon ook beslissen dat de partij mocht voortgaan op de papieren weg. In de toelichting werd als voorbeeld genoemd dat pas tijdens de zitting blijkt dat ten onrechte op papier wordt geprocedeerd. Het aanhouden van de mondelinge behandeling om de desbetreffende partij in de gelegenheid te stellen alle stukken alsnog elektronisch in te dienen, zou dan niet bijdragen aan de doelmatigheid en snelheid van de procedure.”
4.39
Uit de tekst van artikel 33 lid 6 Rv Pro volgt verder dat de rechter een verzoeker die van de gelegenheid tot herstel geen gebruik maakt niet-ontvankelijk
kanverklaren in zijn verzoek. De rechter heeft dus ook de mogelijkheid heeft om die sanctie achterwege te laten, en mijns inziens ook zonder het eerst bieden van een herstelmogelijkheid, wanneer herstel niet zinvol is.
4.4
Het voorgaande lijkt bevestiging te vinden in een recente uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart jl., in een zaak waarin artikel 33 lid 6 Rv Pro (nog) niet van toepassing was, maar waarin bij de motivering wel aan die bepaling werd gerefereerd. [49] In die zaak, een echtscheidingsprocedure, ging het om een gebrek met betrekking tot de wijze van indiening van een processtuk. Het beroepschrift van de man was per gewone (onbeveiligde) e-mail bij het hof ingediend en niet per beveiligde e-mail (‘Veilig Mailen’) zoals voor de indiening van processtukken per e-mail was voorgeschreven in het in die zaak toepasselijke procesreglement. Het hof had de man desalniettemin ontvankelijk verklaard. Naar aanleiding van de daartegen gerichte klachten in cassatie heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“3.2 In dit geval heeft de man het beroepschrift met de gronden tijdig, dus binnen de appeltermijn, ingediend bij het hof. Het beroepschrift is evenwel op gebrekkige wijze ingediend omdat het per gewone (onbeveiligde) e-mail is ingediend en niet per beveiligde e-mail (‘Veilig Mailen’) zoals voor de indiening van processtukken per e-mail is voorgeschreven in het in deze zaak toepasselijke procesreglement.
Uitgangspunt in een dergelijk geval is dat de rechter de indienende partij in de gelegenheid stelt om dit gebrek te herstellen door binnen een door de rechter te bepalen termijn hetzelfde beroepschrift alsnog via Veilig Mailen in te dienen. Maakt de indienende partij van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan de rechter haar niet-ontvankelijk verklaren. De rechter kan evenwel in een geval als dit in de omstandigheid dat het alsnog indienen van het beroepschrift via Veilig Mailen geen zinvol herstel is van het eerder onbeveiligd mailen, aanleiding zien om deze herstelmogelijkheid achterwege te laten en de indienende partij zonder herstel ontvankelijk te verklaren.
Het voorgaande strookt met het sinds 1 juli 2025 geldende art. 33 lid 6 Rv Pro, dat een algemene herstelmogelijkheid ingeval van elektronisch procederen behelst.”
4.3
Feitenrechtspraak over ICT-problemen bij het OM en ondertekening verzoekschrift
4.41
In de gepubliceerde feitenrechtspraak uit de tweede helft van 2025 [50] zijn mij, naast de bestreden beschikking in de onderhavige procedure, slechts twee andere uitspraken bekend waarin het, als gevolg van de ICT-problemen bij het OM, niet-ondertekend zijn van het verzoekschrift van de officier van justitie aan bod is gekomen. Dat betekent vanzelfsprekend niet dat het niet in meer zaken een rol heeft gespeeld. [51] De twee andere gepubliceerde uitspraken bespreek ik in het navolgende.
4.42
In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2025 heeft de rechtbank de advocaat van de betrokkene gevolgd in het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek omdat het verzoekschrift niet is ondertekend. [52] De rechtbank heeft daartoe in die zaak als volgt overwogen:
“2.1. Tijdens de mondelinge behandeling bepleit de advocaat dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in het verzoek wegens het niet-ondertekenen van het verzoekschrift. De advocaat voert aan dat het Openbaar Ministerie sinds 17 juli jl. is ontkoppeld van het internet en tussen 17 juli en 4 augustus jl. heeft het Openbaar Ministerie alsnog ondertekende verzoekschriften ingediend. In de onderhavige zaak heeft de officier op 6 augustus jl. het verzoekschrift zonder (digitale) handtekening ingediend en de officier is niet ter zitting verschenen om het gebrek te herstellen. Hiermee voldoet het verzoekschrift niet aan artikel 278, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit wetsartikel staat immers dat verzoekschriften ondertekend moeten worden. Het Openbaar Ministerie is al twintig dagen ontkoppeld van het internet, waardoor geen sprake is van een noodtoestand. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie van 17 juli tot 4 augustus jl. wel rechtsgeldige verzoekschriften ingediend. Bovengenoemde handelswijze is bovendien in strijd met artikel 6 van Pro het EVRM, aangezien andere eisen worden gesteld aan het Openbaar Ministerie dan aan betrokkene. Daarom moet de officier niet-ontvankelijk worden verklaard.
2.2.
De rechtbank volgt de advocaat in haar standpunt dat de officier niet-ontvankelijk is in het verzoek vanwege het niet-ondertekenen van het verzoekschrift.”
4.43
Uit deze uitspraak blijkt (nog) niet van een vast tekstblok van de officier van justitie over de ontbrekende ondertekening en de vermelding van de naam van de officier van justitie onder wiens verantwoordelijkheid en met wiens goedkeuring het verzoekschrift is ingediend.
4.44
De rechtbank Den Haag heeft in haar beschikking van 11 augustus 2025, waartegen ook beroep in cassatie is ingesteld, [53] het betoog van de betrokkene dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, verworpen. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

Standpunten ter zitting
(…)
De advocaat heeft aan de hand van pleitaantekeningen primair betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is omdat het verzoekschrift niet is ondertekend en de officier van justitie niet ter zitting is verschenen om het gebrek te herstellen. Dat is strijdig met artikel 278 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). Een noodtoestand is na twintig dagen ontkoppeling niet meer aanwezig en een eventueel beroep daarop kan daarom niet slagen. Dat de rechtspraak hieraan meewerkt is in strijd met artikel 6 EVRM Pro. Een praktische manier van werken is geen reden om de wet met voeten te treden. Verwezen wordt naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 augustus jl. waarbij de officier van justitie wegens het ontbreken van een handtekening niet-ontvankelijk is verklaard.
(…)
Beoordeling
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Sedert een aantal dagen worden de verzoekschriften van het openbaar ministerie per e-mail ingediend. Ondertekening daarvan is wegens technische redenen niet mogelijk. Dit gebrek is op voorhand ondervangen. Onder het verzoekschrift is een apart tekstblok opgenomen met de volgende inhoud:
“De officier van justitie is wegens technische redenen niet in staat dit verzoekschrift te ondertekenen. Dit verzoekschrift is ingediend onder verantwoordelijkheid van en met goedkeuring van de [officier van justitie 2].”
De rechtbank is van oordeel dat het gebrek van de ontbrekende handtekening hiermee voldoende is hersteld. Uit deze tekst blijkt helder onder wiens verantwoordelijkheid en met wiens goedkeuring het verzoekschrift is opgesteld. De vermelding van de naam maakt duidelijk door wie het verzoek is ingediend en maakt het ook mogelijk rechtstreeks de betreffende officier van justitie te adiëren ter verificatie, indien nodig. Van strijd met artikel 6 EVRM Pro is geen sprake.
Dat leidt er toe dat het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op deze grond, wordt gepasseerd.”
4.45
In deze zaak is dus, net als in de onderhavige zaak, wel sprake van het tekstblok van de officier van justitie in het verzoekschrift.
4.46
In de drie gepubliceerde uitspraken waarin het verzoekschrift niet is ondertekend vanwege de ICT-problemen bij het OM pakken de rechtbanken het in elke zaak anders aan. In chronologische volgorde:
- 8 augustus 2025, rechtbank Rotterdam: niet-ontvankelijk, omdat het verzoekschrift niet is ondertekend;
- 11 augustus 2025, rechtbank Den Haag: ontvankelijk, omdat het gebrek van de ontbrekende handtekening
voldoende hersteldis door het tekstblok van de officier van justitie in zijn verzoekschrift;
- 22 augustus 2025, rechtbank Rotterdam (de bestreden beschikking): ontvankelijk, omdat de rechtbank
geen gevolgenverbindt aan het niet ondertekend zijn van het verzoekschrift.
4.47
Vanuit het oogpunt van rechtseenheid en rechtszekerheid zijn deze verschillen natuurlijk niet gelukkig.

5.Bespreking van het cassatiemiddel

5.1
Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop.
De wijze van indienen van het verzoekschrift in deze zaak
5.2
Als gevolg van ICT-problemen bij het OM kon in de zomer van 2025 kennelijk niet de gebruikelijke werkwijze met betrekking tot indiening en ondertekening van verzoekschriften worden gevolgd.
5.3
In deze procedure is het verzoekschrift via Veilig Mailen ingediend. De in het procesreglement voorgeschreven werkwijze voor indiening van stukken door middel van toezending via Veilig Mailen, dus bij
niet-digitaalprocederen, is hier echter niet gevolgd. De inhoud van het verzoekschrift is direct opgenomen in het e-mailbericht, en er is niet een scan (in Pdf-formaat) van het verzoekschrift met daarop een originele ‘natte’ handtekening als bijlage bijgevoegd. Het e-mailbericht bevat overigens ook niet een elektronische handtekening. In plaats van een handtekening is in het e-mailbericht een tekstblok opgenomen waarin is verklaard dat de officier wegens technische redenen niet in staat is het verzoekschrift te ondertekenen alsmede dat het verzoekschrift is ingediend onder verantwoordelijkheid van en met goedkeuring van de met naam genoemde officier van justitie. [54]
5.4
Ook is niet voldaan aan de voorwaarde uit het procesreglement voor het gebruik van Veilig Mailen dat het processtuk, kort gezegd, wordt nagezonden. Dat hangt evenwel, naar ik aanneem, samen met het voorgaande. Na te zenden is immers het van een originele, natte handtekening voorziene stuk. Dat ontbrak nu juist.
5.5
Dat bij Veilig Mailen het stuk op papier moet worden nagezonden, is niet voor niks. Veilig Mailen biedt immers wel waarborgen voor vertrouwelijkheid, maar niet (zoals bij digitaal procederen) waarborgen voor identificatie van de afzender. In dat manco voorziet nazending van het papieren stuk met natte handtekening.
De vergelijking met
digitaal procederenbiedt inzicht. Van een verplichting tot nazending is daar geen sprake. De controle op de identiteit die daar bij de toegang tot het digitale systeem voor gegevensverwerking plaatsvindt, maakt dat met de ingescande natte handtekening kan worden volstaan. Het is daar dus een optelsom van waarborgen, te weten waarborgen die zijn gelegen in controle ‘aan de poort’ en die zijn gelegen in ondertekening door middel van een gewone elektronische handtekening.
5.6
Bij de werkwijze van de officier van justitie in deze zaak wordt op beide termen uit deze optelsom ingeleverd. Veilig Mailen biedt geen of onvoldoende controle aan de poort. Des te belangrijker is dus de ondertekening, maar die ontbreekt nu juist in zijn geheel.
(Achtergrond)informatie over de wijze van indienen van het verzoekschrift in deze zaak
5.7
Welke (achtergrond)informatie is af te leiden uit de stukken van het geding (inclusief de bestreden beschikking) en het verhandelde ter zitting in eerste aanleg over de wijze waarop het verzoekschrift in deze zaak is ingediend?
5.8
Wat van de zijde van de officier van justitie naar voren is gebracht, is beperkt tot wat in het verzoekschrift is vermeld. Op het punt van de ICT-problemen is dat niet meer dan het hiervoor onder 2.2 geciteerde tekstblok, waarin is vermeld dat de officier van justitie “wegens technische redenen” niet in staat is het verzoekschrift te ondertekenen.
5.9
De advocaat van betrokkene heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij weet dat er een storing is geweest (zie hiervoor onder 2.4). Dàt sprake is geweest van ICT-problemen, lijkt mij overigens ook wel te beschouwen als een feit van algemene bekendheid.
5.1
De rechtbank lijkt als gegeven te aanvaarden dat het verzoekschrift niet is ondertekend nu het per Zivver-mail is ingediend en dat de achtergrond daarvan de ICT-verstoring bij het OM is. De rechtbank heeft ter zitting het volgende overwogen over de werkwijze van het OM bij het indienen van verzoekschriften in verband met de ICT-problemen: [55]
“Het verzoekschrift is gedaan per Zivver-mail en is daarom niet ondertekend. Achtergrond hiervan is het feit dat de IT-systemen van het OM zijn afgekoppeld van het net wegens zorgen over de integriteit en veiligheid ervan. Het OM heeft echter garanties gegeven dat het verzoekschrift daadwerkelijk door de officier is ingediend. Die garanties omvatten de afspraak dat indiening van de verzoekschriften geschiedt vanuit vaste, tevoren opgegeven adressen, dat het OM dagelijks een lijst van ingediende verzoekschriften aan de griffie van de rechtbank stuurt waarmee de rechtbank heeft kunnen vaststellen dat het verzoekschrift daadwerkelijk afkomstig is van het OM, en de uitdrukkelijke toezegging van het OM dat elke mail die vanaf bedoeld mailadres wordt verstuurd, verstuurd wordt onder de verantwoordelijkheid van, en met de uitdrukkelijke goedkeuring van de officier van justitie, die bij naam in de e-mail is vermeld.”
5.11
Uit dit een en ander blijkt dat de rechtbank ambtshalve bekend was met de feitelijke gang van zaken rond het indienen van verzoekschriften in de periode van de ICT-problemen. In het bijzonder doel ik daarbij op de door de rechtbank genoemde garanties die het OM heeft gegeven dat het verzoekschrift daadwerkelijk door de officier is ingediend.
5.12
Deze informatie heeft de rechtbank ook ten grondslag gelegd aan haar beslissing (r.o. 2.3). Zie ik het goed, dan wordt in cassatie niet erover geklaagd dàt de rechtbank deze feitelijke informatie aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd die niet door een van de partijen naar voren is gebracht. [56] Ik ga dan ook van de door de rechtbank genoemde feitelijke informatie uit.
5.13
De officier van justitie heeft in zijn verweerschrift in cassatie nader aandacht besteed aan de ICT-problemen, de problemen die als gevolg daarvan rezen in verband met de indiening van verzoekschriften en de werkwijze die vervolgens werd gekozen. In het verweerschrift is hierover het volgende opgemerkt (met weglating van een deel van de voetnoten):
“2.6 Op 17 juli 2025 zag het college van procureurs-generaal zich inderdaad genoodzaakt om de digitale omgeving van het OM los te koppelen van het internet, nadat een kwetsbaarheid was gesignaleerd in het ICT-systeem van het OM. Dit is algemeen bekend en was - zo blijkt uit de hierboven weergegeven overwegingen als mede uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling - ook bekend bij de rechtbank. Het is - zo blijkt eveneens uit het verzoekschrift van betrokkene - ook algemeen bekend dat deze afsluiting heeft geleid tot grote verstoringen van het contact met het OM. Zo werkte Outlook alleen intern en was er bijvoorbeeld geen digitale verbinding meer mogelijk met de rechtspraak. Hierdoor was het niet meer mogelijk om op de gebruikelijke wijze berichten en stukken te ontvangen van of te delen met ketenpartners. Hoewel veel ICT-problemen inmiddels zijn verholpen, werken de gevolgen van de ongekende crisissituatie die op 17 juli 2025 begon nog tot de dag van vandaag door.
2.7
In de eerste dagen na de afsluiting is in afstemming met de rechtspraak een tijdelijke oplossing bedacht waarbij stukken fysiek werden ondertekend en ingediend bij de rechtbanken. Deze arbeidsintensieve werkwijze bleek vanwege beperkte scancapaciteit en de vakantieperiode uiteindelijk niet houdbaar voor de griffie van de rechtbank. [57] In overleg met de rechtspraak is toen besloten om vanaf 5 augustus 2025 de verzoekschriften als begeleidende mail bij een doorgestuurd Zivver-bericht in te dienen. In deze externe Zivver-omgeving, die speciaal buiten de ICT-omgeving van het OM toegankelijk was gemaakt, was het niet mogelijk om een (digitale) handtekening te zetten. Daarom spraken het OM en de rechtspraak na onderling overleg af dat in ieder verzoekschrift het hierboven weergegeven tekstblok zou worden opgenomen. [58] Uit de beschikking en uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt dat de rechtbank op de hoogte was van deze werkafspraken.
2.8
Om de authenticiteit en herkomst van de ingediende verzoekschriften te kunnen verifiëren waren vooraf de e-mailadressen gecommuniceerd waarlangs de verzoekschriften zouden worden verstuurd. Ook was er aan het einde van iedere dag contact tussen het OM en de griffie van de rechtbank over de ingediende verzoekschriften. Deze werkafspraken waren eveneens bij de rechtbank bekend en heeft de rechtbank ook uitdrukkelijk ten grondslag gelegd aan haar oordeel dat de authenticiteit van het verzoekschrift voldoende is gewaarborgd.
(…)”
5.14
Deze informatie is in eerste aanleg echter niet naar voren gebracht door de officier van justitie en kan in cassatie dus slechts worden meegewogen, voor zover daarvan ook blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting in eerste aanleg. Daarbij heb ik in deze zaak in het bijzonder het oog op de informatie in het tekstblok van de officier van justitie in het verzoekschrift en op de informatie die de rechtbank ter zitting heeft meegedeeld over de werkwijze van het OM en de door het OM gegeven garanties.
5.15
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten.
5.16
De
kernklacht(hiervoor samengevat weergegeven onder 3.2) van het middel is dat de rechtbank de officier van justitie vanwege het niet-voldoen aan het wettelijke vereiste van ondertekening niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
5.17
Hoewel het vereiste van ondertekening van wezenlijk belang is en in dit geval gelet op de wijze van indiening via Veilig Mailen nog eens extra aandacht behoefde, meen ik dat dit betoog niet opgaat.
5.18
De rechtbank heeft in r.o. 2.3 onder ogen gezien dat het verzoekschrift niet is ondertekend. Zij heeft vervolgens evenwel overwogen dat het OM garanties heeft gegeven dat het verzoekschrift daadwerkelijk door de officier van justitie is ingediend. Die garanties omvatten, aldus de rechtbank, de afspraak dat indiening van de verzoekschriften geschiedt vanuit vaste, tevoren opgegeven adressen, dat het OM dagelijks een lijst van ingediende verzoekschriften aan de griffie van de rechtbank stuurt waarmee de rechtbank heeft kunnen vaststellen dat het verzoekschrift daadwerkelijk afkomstig is van het OM en de uitdrukkelijke toezegging van het OM dat elke mail die vanaf bedoeld mailadres wordt verstuurd, verstuurd wordt onder de verantwoordelijkheid van en met de uitdrukkelijk goedkeuring van de officier van justitie, die bij naam in de e-mail is vermeld. Hiermee bestaan naar het oordeel van de rechtbank voldoende waarborgen over de authenticiteit van het verzoek.
5.19
De rechtbank is van oordeel dat langs andere weg, namelijk door de genoemde garanties die door het OM zijn gegeven, voldoende is gewaarborgd dat het verzoekschrift is ingediend door de daarin met naam genoemde officier van justitie, zodat, hoewel het verzoekschrift niet is ondertekend, aan de strekking of het doel van de ondertekeningseis wel is tegemoetgekomen.
5.2
Ik stel, nogmaals, vast dat het middel niet erover klaagt dàt de rechtbank de genoemde garanties in haar motivering heeft betrokken, [59] en evenmin een klacht bevat tegen het oordeel dat de rechtbank daaraan verbindt, te weten dat voldoende waarborgen bestaan over de authenticiteit van het verzoek. Die overwegingen dienen dus in cassatie tot uitgangspunt (vgl. hiervoor onder 5.12 en ook hierna onder 5.22).
5.21
Uitgangspunt in een geval als hier aan de orde, waarin een verzoekschrift is ingediend dat niet vooraf is ondertekend, is mijns inziens dat de rechter de indienende partij in de gelegenheid stelt om dit gebrek te herstellen door binnen een door de rechter te bepalen termijn hetzelfde verzoekschrift waarin het verzuim is hersteld (dus: alsnog voorzien van een handtekening) in te dienen. De rechter heeft mijns inziens evenwel in voorkomend geval ook de ruimte om de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten (zonder herstelmogelijkheid te bieden). Dat volgt mijns inziens uit de wetsgeschiedenis van artikel 33 lid 6 Rv Pro, welke bepaling hier van toepassing is [60] en is ook in lijn met de hiervoor aangehaalde uitspraak van 27 maart jl. van de Hoge Raad. [61]
5.22
In dit geval heeft de rechtbank uitgebreid aandacht besteed aan de vraag of het verzoekschrift is ingediend door de in het verzoekschrift met naam genoemde officier van justitie. Concrete aanknopingspunten voor ontkennende beantwoording van die vraag ontbreken. Integendeel: de rechtbank heeft in cassatie onbestreden overwogen dat garanties zijn gegeven dat het verzoekschrift daadwerkelijk door de officier van justitie is ingediend en vast staat – want ook dat oordeel is in cassatie niet bestreden – dat daarmee voldoende waarborgen bestaan over de authenticiteit van het verzoek. [62]
5.23
De rechtbank heeft zich daarbij voorts ook rekenschap ervan gegeven dat het hier om een bijzondere situatie gaat, die, afgezien van de meergenoemde garanties, mede hierdoor wordt gekenmerkt dat sprake is van overmacht en dat het om een tijdelijke situatie gaat, en voorts door het zwaarwegende belang van een voortvarende afhandeling van verzoeken als deze voor een kwetsbare doelgroep. De rechtbank overweegt dat laatstgenoemd belang onder de omstandigheden van deze zaak zwaarder weegt dan het formele vereiste van een handtekening. Verder heeft de rechtbank aan het slot van r.o. 2.3 in haar beoordeling betrokken dat van een daadwerkelijke schending van de belangen van betrokkene door de geschetste gang van zaken niet is gebleken, en dat de advocaat dat ook niet heeft aangevoerd.
5.24
Dit is mijns inziens bij uitstek een situatie waarin de rechter aanleiding kan zien om een herstelmogelijkheid achterwege te laten en de verzoeker zonder herstel ontvankelijk te verklaren. Daarbij is te bedenken dat het procesrecht niet een doel op zich dient, maar slechts de verwerkelijking van het materiële recht. [63] Als materieel is tegemoetgekomen aan hetgeen de ondertekeningseis beoogt te waarborgen, heeft herstel geen meerwaarde.
5.25
Resumerend: hoewel in dit geval niet is voldaan aan het vereiste van ondertekening van het via Veilig Mailen ingediende verzoekschrift, is het oordeel van de rechtbank, dat met de door het OM gegeven garanties voldoende waarborgen bestaan over de authenticiteit van het verzoek en dat zij geen gevolgen verbindt aan het niet-ondertekend zijn van het verzoekschrift, gelet op het voorgaande niet onjuist of onbegrijpelijk.
5.26
Op dit een en ander stuit de kernklacht van onderdeel 1 af.
5.27
Tegen de overwegingen van de rechtbank dat het belang van een voortvarende afhandeling zwaarder weegt dan het formele vereiste van een handtekening en dat van een daadwerkelijke schending van de belangen van betrokkene niet is gebleken, zijn in de toelichting op het onderdeel afzonderlijke
subklachtengeformuleerd (zie de procesinleiding onder 17-18; hiervoor onder 3.4 samengevat weergegeven).
5.28
Ook die subklachten falen. Mijns inziens is dat reeds het geval, omdat zij de context van de betreffende overwegingen uit het oog verliezen. De rechtbank heeft juist tot uitgangspunt genomen dat het verzoekschrift niet voldoet aan de eis dat het ondertekend moet zijn, en heeft geoordeeld dat (niettemin) voldoende waarborgen bestaan over de authenticiteit van het verzoek. Naar het kennelijke oordeel van de rechtbank wordt dus, hoewel niet aan het formele vereiste van ondertekening is voldaan, wel tegemoetgekomen aan de strekking van dat vereiste. Daarmee kan niet worden gezegd dat de aan het verzoekschrift verbonden voorgeschreven wettelijke vereisten door de rechtbank zijn genegeerd of opzijgezet. Daaraan wordt juist recht gedaan.
5.29
De overweging van de rechtbank dat het bezwaar van een voortvarende afhandeling onder de omstandigheden als in deze zaak aan de orde zwaarder weegt dan het formele vereiste van een handtekening begrijp ik tegen de achtergrond van de eraan voorafgaande overwegingen als volgt. De rechtbank motiveert waarom het bieden van een herstelmogelijkheid niet als een haalbare kaart wordt gezien: dat zou – gelet op de al bestaande waarborgen over de authenticiteit van het verzoek – geen meerwaarde opleveren, terwijl het wel leidt tot een uitstel dat zich slecht verdraagt met het belang van een voortvarende afhandeling. Overigens is dat streven naar een voortvarende afhandeling mijns inziens ook een belang van betrokkene.
5.3
Uit de toelichting op het onderdeel maakte ik tot slot nog
overige puntenop (zie de procesinleiding onder 9-10; hiervoor onder 3.5 samengevat weergegeven). Hierbij wordt, kort gezegd, betoogd dat, doordat de officier van justitie geen nadere informatie heeft verstrekt over de (gevolgen van de) ICT-storing, geen beoordeling heeft kunnen plaatsvinden van de vragen hoe en in hoeverre de ICT-storing van invloed is geweest op de onderhavige procedure en evenmin waarom ‘technische redenen’ de ondertekening hebben verhinderd.
5.31
Dit betoog is mijns inziens niet als een afzonderlijke klacht tegen de bestreden beschikking aan te merken. Het springende punt is dat het verzoekschrift niet is ondertekend. De rechtbank neemt in haar beslissing tot uitgangspunt dat het verzoekschrift niet is ondertekend. Dat dit zijn achtergrond hierin had dat de ICT-systemen van het OM zijn afgekoppeld van het net wegens zorgen over de integriteit en veiligheid ervan, zoals de rechtbank heeft overwogen, is in cassatie niet bestreden.
5.32
De advocaat van betrokkene heeft bij de rechtbank niet aangevoerd dat ontoelaatbaar onduidelijk was welke andere gevolgen de ICT-problemen voor de onderhavige procedure hebben gehad. Het onderdeel maakt ook niet duidelijk op welke mogelijke andere gevolgen het daarbij het oog heeft.
5.33
Nu onderdeel 1 in zijn geheel faalt, faalt in het voetspoor daarvan ook onderdeel 2, dat slechts een voortbouwklacht bevat.

6.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Naast deze twee zaken waarin het verzoekschrift niet is ondertekend, zijn er in ieder geval nog twee zaken waarin de ICT-problemen bij het OM een rol spelen (25/04180 en 25/04403). In deze andere zaken gaat het erom, voor zover hier van belang, dat bepaalde stukken niet bij het verzoekschrift waren gevoegd. In deze zaken zal nog conclusie worden genomen.
2.Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 5, voorlaatste tekstblok.
4.In gelijke zin ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 5-6.
5.De cassatieadvocaat van betrokkene heeft op 4 december 2025 de Hoge Raad bericht dat het proces-verbaal geen aanleiding geeft tot een nadere reactie.
6.In r.o. 1.3 van de bestreden beschikking is vermeld dat de officier van justitie tijdens de mondelinge behandeling niet is verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
7.Voor zover de toelichting een nadere uitwerking van deze kernklacht bevat, geef ik die hier niet weer.
8.Art. 6:1 lid 10 Wvggz Pro is niet van overeenkomstige toepassing verklaard in art. 7:8 lid 2 Wvggz Pro, waar het de machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel betreft. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat aangenomen moet worden dat op dit punt sprake is van een omissie en dat het daarom ervoor moet worden gehouden dat de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ook bij de verlening van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel aanvullend van toepassing zijn; zie o.a. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012,
9.In de procesinleiding wordt mijns inziens in dit verband dus ten onrechte ook naar art. 43 lid 2 Rv Pro verwezen. Zie ook
10.Niettemin gold ook onder het oude recht al dat een verzoekschrift ondertekend moest zijn; zie bijvoorbeeld HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0778,
11.Zie
12.Zie hierover F.P.A. Dondorp,
13.Vgl. in verband met ondertekening van een onderhandse akte HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6698,
14.Vgl. vaste rechtspraak in het kader van de medische verklaring: o.a. HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1143,
15.Vgl. ook A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, art. 278 Rv Pro, aant. 7b (actueel t/m 15 februari 2026), waar is opgemerkt dat artikel 278 lid 3 Rv Pro aldus mag worden verstaan dat het verzoekschrift wordt ondertekend door – kort gezegd – degene die bevoegd is het verzoekschrift in te dienen of, in voorkomend geval, aan de voorzieningenrechter ter hand te stellen. Vgl. voorts HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1887,
16.Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in de onderhavige zaak gold de versie van juli 2025,
18.En de regels van het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT Rechtspraak.
19.Zie de NvT bij het Bep,
20.Zie de NvT bij het Bep,
21.En ook het Centrum Indicatiesteling Zorg (CIZ) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
22.Het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ is in artikel 2.3 onder h van het procesreglement gedefinieerd als ‘de beveiligde digitale omgeving waarin belanghebbenden, advocaten en andere (professionele) gemachtigden toegang hebben tot het digitale systeem van de rechtbank en het digitale dossier’ en het begrip ‘Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid’ in artikel 2.3 onder a als ‘het koppelvlak bestemd voor digitaal verkeer tussen systemen van partijen dan wel hun advocaten of gemachtigden en de rechtbank’.
23.De definitie in artikel 2.3 onder a van het procesreglement van het ‘Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid’ als ‘het koppelvlak bestemd voor digitaal verkeer tussen systemen van partijen dan wel hun advocaten of gemachtigden en de rechtbank’ duidt hier al op. Zie daarnaast ook het Basisplan digitalisering civiel recht en bestuursrecht (reset digitalisering KEI), p. 10.
24.Zie ook aldus de NvT bij het Bep,
25.NvT bij het Bep,
26.Zie de NvT bij het Bep,
27.Zie over de toepassing van artikel 3:15a BW in verband met de geneeskundige verklaring die vereist was voor een machtiging tot voortgezet verblijf onder de Wet Bopz HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:957,
28.Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (
29.Zie
30.Zie art. 2.2 Procesreglement Wvggz en Wzd.
31.De NvT bij het Bep,
32.De NvT bij het Bep,
33.Zie bijvoorbeeld rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3251,
34.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3251,
35.https://www.rechtspraak.nl/veilig-mailen-met-de-rechtspraak, voor het laatst geraadpleegd op 14 juli 2026.
36.Zie aldus A-G De Bock in haar conclusie van 28 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1305, onder 3.9, voor HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:514,
37.De NvT bij het Bep,
38.Daarmee is in lijn dat de rechtbank in r.o. 2.3 van de bestreden beschikking, als een van de garanties die door het OM zijn gegeven dat het verzoekschrift daadwerkelijk door de officier van justitie is ingediend, noemt “de uitdrukkelijk toezegging van het OM dat elke mail die vanaf bedoeld mailadres wordt verstuurd, verstuurd wordt onder de verantwoordelijkheid van en met de uitdrukkelijke goedkeuring van de officier van justitie (…)”. Dat hier een toezegging voor nodig is, onderstreept mijns inziens dat dit niet al is ondervangen bij Veilig Mailen.
39.Vgl. art. 281 Rv Pro, dat wel uitdrukkelijk voorziet in een herstelmogelijkheid voor het geval het verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend.
40.Zie o.m. E.L. Schaafsma-Beversluis,
42.Zie
43.Zie
44.Zie aldus T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 33 Rv Pro, aant. 10 (actueel t/m 14 juli 2025), met verwijzing naar HR 29 september 2017,
46.Zo ook A-G De Bock in voetnoot 32 van haar hiervoor aangehaalde conclusie van 28 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1305, voor HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:514,
47.Met dien verstande dat in het geval van vrijwillig elektronisch procederen (elektronisch procederen op vrijwillige basis) het op papier indienen van het
49.HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:514,
50.De ICT-problemen bij het OM speelden immers in de zomer van 2025.
51.De officier van justitie heeft in zijn verweerschrift in cassatie (onder 2.7, voetnoot 12) vermeld dat aannemelijk is dat in de periode van 5 augustus 2025 tot en met 20 augustus 2025, waarin volgens de officier van justitie de in deze procedure gevolgde werkwijze met het tekstblok werd gehanteerd, ongeveer 1.000 tot 1.100 verzoekschriften zijn ingediend.
52.Rechtbank Rotterdam 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:10500. Ik kwam deze uitspraak op het spoor, omdat deze wordt genoemd in de hierna te bespreken beschikking van de rechtbank Den Haag van 11 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15797. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2025 was aanvankelijk niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, maar op mijn verzoek is dat recent alsnog gedaan.
53.ECLI:NL:RBDHA:2025:15797. Dit betreft de zaak met het nummer 25/04098, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
54.Aldus blijkt uit het in cassatie overgelegde inleidend verzoekschrift.
55.Proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 5-6.
56.Zie ook hierna onder 5.20.
57.Voetnoot 11: Ter illustratie: in de maand augustus zijn 760 verzoekschriften voor een voortzetting van een crisismaatregel en 1328 verzoekschriften voor een zorgmachtiging ingediend bij de rechtbank.
58.Voetnoot 12: Deze werkwijze kon op 21 augustus 2025 2025 worden beëindigd. Het is aannemelijk dat in de periode van 5 augustus 2025 tot en met 20 augustus 2025 ongeveer 1000 tot 1100 verzoekschriften zijn ingediend.
59.Wel wordt in de toelichting op onderdeel 1 van het middel o.m. betoogd dat de officier van justitie geen nadere informatie heeft verstrekt over de gevolgen die de ICT-storing heeft gehad op het ingediende verzoek; zie de procesinleiding onder 9-10. Hierin lees ik echter niet de klacht dat de rechtbank niet de genoemde garanties in haar overwegingen had mogen betrekken. Op genoemd betoog kom ik hierna onder 5.30 e.v. terug.
60.Het verzoekschrift is ingediend na 1 juli 2025.
61.HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:514,
62.Zie ook hiervoor onder 5.20.
63.Zie onder meer A-G Snijders in zijn conclusie van 16 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1179, onder 3.20, voor HR 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:997,