Conclusie
1.Inleiding
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht 1) dat geoordeeld moet worden dat er in dit geval geen sprake is geweest van een termijnoverschrijding, maar van een administratieve fout, welke voor herstel vatbaar is geweest en welke ook door het op 17 februari 2022 indienen van een volledig beroepschrift is hersteld. In de uitwerking op deze klacht wordt er onder meer op gewezen dat op 16 februari 2022 de stukken van de eerste aanleg van deze zaak en het V1-formulier zijn ingediend bij de Centrale Balie van het Paleis van Justitie Den Haag, dat het V1-formulier door die balie is voorzien van een ontvangststempel en dat bij de ingeleverde stukken ten onrechte het appelschrift van 15 februari 2022 ontbrak. Wel is dat appelschrift op 16 februari 2022 met het V1-formulier aan de advocaat van de vrouw gezonden. Het middel betoogt dat het V-1 formulier in dit geval gelijk kan worden gesteld met een “blanco” appelrekest, omdat daaruit de bedoeling van de man tot het instellen van hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 16 november 2021 afgeleid kan worden. Dat het appelschrift niet was bijgevoegd, betreft volgens het middel een voor herstel vatbare administratieve fout, welk herstel de volgende dag heeft plaatsgevonden.
Voorts voert het middel aan (
klacht 2) dat de griffie niet overeenkomstig art. 278 lid 4 Rv Pro op het verzoekschrift de dag van indiening heeft aangetekend, maar op het V1-formulier. Zou art. 278 lid 4 Rv Pro wel zijn gevolgd dan was direct geconstateerd dat het appelschrift zich niet onder de stukken bevond en had herstel nog op dezelfde dag kunnen plaatsvinden. Dit kan (eveneens) worden aangemerkt als administratieve fout, die voor herstel vatbaar was en de volgende dag is hersteld.
klacht 3) althans met dit verzuim van de griffie sprake van een apparaatsfout of een met een apparaatsfout te vergelijken verzuim. Ook daarom was de man ontvankelijk in zijn hoger beroep, zo begrijp ik het middel. [5]
klacht 4) dat het hof in rov. 2.6 heeft miskend dat het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven geen sanctie voorschrijft in het geval een beroepschrift dat via Veilig mailen is ingediend, niet direct per post aan de griffie wordt nagezonden. Daarnaast meent de man dat hem in ieder geval nog een redelijke hersteltermijn had moeten worden gegeven, zoals in art. 30c lid 6 Rv (KEI) wordt voorzien.