ECLI:NL:PHR:2026:738

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
25/04098
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1 lid 10 WvggzArt. 7:2 lid 2 WvggzArt. 7:4 lid 1 WvggzArt. 7:5 WvggzArt. 7:7 lid 1 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid officier van justitie wegens ontbreken ondertekening verzoekschrift voortzetting crisismaatregel

In deze zaak gaat het om de ontvankelijkheid van het verzoekschrift van de officier van justitie tot voortzetting van een crisismaatregel jegens betrokkene. Het verzoekschrift was niet ondertekend vanwege ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie (OM), dat sinds 17 juli 2025 was afgekoppeld van het internet. De rechtbank verklaarde het OM ontvankelijk, omdat het ontbreken van de handtekening volgens haar voldoende was hersteld door een tekstblok onder het verzoekschrift waarin werd verklaard dat het verzoekschrift onder verantwoordelijkheid van en met goedkeuring van de officier van justitie was ingediend.

Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank onjuist had geoordeeld en dat het verzoekschrift niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard wegens het ontbreken van de vereiste ondertekening. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft getoetst of de identiteit van de indiener en de authenticiteit van het verzoekschrift voldoende waren gewaarborgd. Het enkele tekstblok onder het verzoekschrift volstaat niet als vervanging van de ondertekening, zeker niet bij gebruik van Veilig Mailen, dat geen controle op de identiteit van de afzender biedt. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en wijst de zaak terug.

Daarnaast klaagt betrokkene dat het verzoekschrift te laat is ingediend. De Hoge Raad overweegt dat overschrijding van de termijn van artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, tenzij het verzoek wordt ingediend nadat de crisismaatregel is vervallen. In deze zaak is het verzoek tijdig ingediend. De klachten over de termijnoverschrijding slagen daarom niet.

De Hoge Raad benadrukt het belang van de ondertekening van verzoekschriften, ook bij digitale indiening, en wijst op de wettelijke en procesreglementaire eisen omtrent elektronische handtekeningen en Veilig Mailen. De zaak illustreert de problematiek rond ICT-problemen bij het OM en de noodzaak van rechtszekerheid en zorgvuldigheid in procedures die de vrijheid van kwetsbare personen raken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug wegens onvoldoende toetsing van de authenticiteit van het niet-ondertekende verzoekschrift; overschrijding van de termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid zolang het verzoek tijdig is ingediend.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04098
Zitting17 juli 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. J.A.J. Leeman,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Den Haag,
hierna: de officier van justitie,
advocaat: mr. R. de Graaff.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak is het verzoekschrift van de officier van justitie voor een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel voor betrokkene niet ondertekend. Achtergrond hiervan is het feit dat de ICT-systemen van het openbaar ministerie ten tijde van de indiening van het verzoekschrift (begin augustus 2025) waren afgekoppeld van het net wegens zorgen over de integriteit en veiligheid.
1.2
De rechtbank heeft het verweer van betrokkene dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het verzoekschrift niet is ondertekend, verworpen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het gebrek van de ontbrekende handtekening voldoende is hersteld door een tekstblok onder het verzoekschrift.
1.3
In cassatie wordt mijns inziens met succes opgekomen tegen dit ontvankelijkheidsoordeel van de rechtbank. Van een kenbare toets door de rechtbank van de identiteit van de indiener van het verzoek en de authenticiteit van het verzoekschrift en van een voldoende motivering van haar oordeel daaromtrent is in de onderhavige zaak geen sprake.
1.4
In cassatie wordt verder geklaagd over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat het verzoekschrift te laat is ingediend. Deze klachten slagen niet. Op de enkele overschrijding van de termijn van artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro staat niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn verzoek. Slechts wanneer het verzoek wordt ingediend nadat de crisismaatregel is vervallen door het verstrijken van de geldigheidsduur van maximaal drie dagen, kan niet-ontvankelijkheid aan de orde zijn. Van die situatie is in deze zaak echter geen sprake, nu het verzoek is ingediend voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de crisismaatregel. Hierop stuiten de klachten van het tweede onderdeel af.
1.5
De kwestie van de ontbrekende ondertekening van het verzoekschrift is ook aan de orde in de zaak 25/04253, waarin ik vandaag eveneens concludeer. [1]

2.Feiten en procesverloop

2.1
Op 4 augustus 2025 heeft de burgemeester van de gemeente Vlaardingen een crisismaatregel genomen ten aanzien van betrokkene.
2.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) op 6 augustus 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht ten aanzien van betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen. Dit verzoekschrift is verzonden per Zivver-mail en is niet ondertekend. In dit verzoekschrift is onderaan vermeld:
“[De officier van justitie is wegens technische redenen niet in staat dit verzoekschrift te ondertekenen. Dit verzoekschrift is ingediend onder verantwoordelijkheid van en met goedkeuring van de [officier van justitie]]”
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen: betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, een arts in opleiding tot psychiater en de dochter en de zoon van betrokkene. De officier van justitie is niet verschenen. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.4
De advocaat van betrokkene heeft het verweer gevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, kort gezegd, omdat het verzoekschrift niet is ondertekend en dit verzoek te laat is ingediend. Dit verweer is uitgewerkt in de ter zitting door de advocaat van betrokkene overgelegde pleitnota, waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen [2] en die als bijlage 1 aan dat proces-verbaal is gehecht. In de pleitnota, waaraan ook weer verschillende bijlagen zijn gehecht, is het volgende vermeld:

Feiten t.a.v. niet ondertekenen
1. Op 17 juli jl. heeft het OM zichzelf ontkoppeld van internet.
2. In de periode 17 juli tot 4 augustus heeft het OM – al dan niet met administratieve ondersteuning van de rechtbank – ondertekende verzoekschriften ingediend.
3. Op 4 augustus jl. heeft “De Rechtspraak”, bericht dat er een praktische manier van werken is voor de resterende duur van de ICT-verstoring, waarbij verzoekschriften per mail zonder handtekening kunnen worden ingediend door het OM. De rechtbank hoeft hierdoor geen administratieve ondersteuning te leveren.
4. Op 6 augustus jl. is het verzoekschrift zonder handtekening van de officier van justitie, zelfs geen digitale handtekening, ingediend.
5. De officier van justitie is niet ter zitting verschenen om het gebrek te repareren.
Feiten t.a.v. datum indienen
1. Blijkens Khonraad, het landelijk platform dat de communicatieprocessen faciliteert en uitwisselt, is direct nadat door de Burgemeester tot de crisismaatregel is besloten, deze op 4 augustus om 16.20 uur gecommuniceerd aan (…) het Openbaar Ministerie en de Raad voor de Rechtsbijstand (bijlage 1). Ondergetekende heeft via de Raad voor de Rechtsbijstand om 16.23 – dus al 3 minuten later - de melding ontvangen (bijlage 2).
2. Het verzoekschrift wordt door de Officier van Justitie op woensdag 6 augustus om 10.36 per mail ingediend. Bijgevoegd is een bijlage met de crisismaatregel met kenmerk 05-08-2025 08.59.
De wet
Art. 278, lid 2 Rv bepaalt dat het verzoekschrift
wordt ondertekenden ter griffie wordt ingediend.
Art. 7:7, lid 1 WvGGZ bepaalt zover relevant dat de officier van justitie na ontvangst van de bescheiden krachtens art. (…) 7:2, lid 2 WvGGZ door de Burgemeester gezonden aan o.a. de officier van justitie en de advocaat, een verzoekschrift indient
uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst.
Art. 7:5, onder a WvGGZ bepaalt voor zover relevant dat de crisismaatregel vervalt, indien de geldigheidsduur is verstreken, tenzij de officier van justitie onder toepassing van art. 7:7 heeft Pro ingediend.
OvJ niet-ontvankelijk wegens niet ondertekenen verzoekschrift
De eisen die aan een verzoekschrift worden gesteld zijn niet zo groot. Er is echter een belangrijke eis namelijk de ondertekening. Ook voor (en zeker wat betreft een rechtshandhaver als) het OM geldt: lex dura sed lex.
Een noodtoestand is na 20 dagen ontkoppeling niet meer aanwezig en een eventueel beroep daarop kan niet slagen. [Nog] daargelaten dat bij een overheidsinstantie als het OM mag worden verwacht dat er een noodscenario klaar ligt, is het OM er van 17 juli tot en met 4 augustus wel in geslaagd rechtsgeldige verzoekschriften in te dienen. Waarom (…) het OM thans verzoekschriften per mail indient zonder handtekening is onbegrijpelijk. Een praktische manier van werken is geen reden om de wet met voeten te treden.
Onbegrijpelijk is ook dat “De rechtspraak” en dus de rechtbank hier aan meewerkt en sterker nog de informatievoorziening voor zijn rekening neemt. Onafhankelijke en onpartijdige rechtspleging is een groot goed. Deze handelswijze is in strijd met art. 6 EVRM Pro een recht op een eerlijk proces nu er andere eisen worden gesteld aan het OM dan aan cliënte.
De rechtbank Rotterdam heeft op 8 augustus jl. in de zaak met nummer C/10/704685 FA RK 20/6035 de Officier van Justitie wegens het ontbreken van een handtekening niet-ontvankelijk verklaard (bijlage 3)
Te laat indienen verzoekschrift
Nu de stukken direct na afgifte van de crisismaatregel zijn verstrekt aan en ontvangen door de betrokkenen, te weten de Officier van Justitie, de Raad voor Rechtsbijstand/Advocaat en ook door deze laatsten op maandag binnen kantoortijd, zijn ontvangen, moet het ervoor worden gehouden dat de Officier van Justitie de stukken ook op maandag binnen kantoortijd heeft ontvangen.
Het kan niet zo zijn dat de Officier van Justitie zich beroept op ontvangst van de stukken een dag later doordat zij zelf zijn ontkoppeld, dan wel het sluiten van welke postbus dan ook. Het onbereikbaar zijn van het Openbaar Ministerie moet voor rekening van het OM komen. Het OM had sinds de ontkoppeling op 17 juli jl., 18 dagen de tijd gehad om maatregelen te nemen om de stukken tijdig te ontvangen. Dat betekent tegelijkertijd dat de Officier van Justitie, als het OM die (…) maatregelen niet heeft getroffen, weken na de ontkoppeling, dan maar harder moet doorwerken om de termijn te halen. Dat had in dit geval ook gemakkelijk gekund. Als de stukken inderdaad pas op dinsdag om 8.59 zijn binnengekomen, dan moet het opstellen van een verzoekschrift; uit praktisch oogpunt een via de e-mail en korter, met gemak dezelfde dag mogelijk zijn geweest.
Door het verzoekschrift eerst op woensdag in te dienen, heeft betrokkene, zoals iedere betrokkene in de WvGGZ, een kwetsbaar persoon, ten minste twee dagen (een weekend) langer op de behandeling van het verzoek moeten wachten. Niet een behandeling uiterlijk op vrijdag, maar een behandeling op maandag valt betrokkene ten deel.
(…)”
2.5
Bij beschikking van 11 augustus 2025 heeft de rechtbank de officier van justitie [3] ontvankelijk verklaard in het verzoek en de verzochte machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend. [4] Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie heeft de rechtbank het volgende overwogen:

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Sedert een aantal dagen worden de verzoekschriften van het openbaar ministerie per e-mail ingediend. Ondertekening daarvan is wegens technische redenen niet mogelijk. Dit gebrek is op voorhand ondervangen. Onder het verzoekschrift is een apart tekstblok opgenomen met de volgende inhoud: “
De officier van justitie is wegens technische redenen niet in staat dit verzoekschrift te ondertekenen. Dit verzoekschrift is ingediend onder verantwoordelijkheid van en met goedkeuring van de [officier van justitie].”
De rechtbank is van oordeel dat het gebrek van de ontbrekende handtekening hiermee voldoende is hersteld. Uit deze tekst blijkt helder onder wiens verantwoordelijkheid en met wiens goedkeuring het verzoekschrift is opgesteld. De vermelding van de naam maakt duidelijk door wie het verzoek is ingediend en maakt het ook mogelijk rechtstreeks de betreffende officier van justitie te adiëren ter verificatie, indien nodig. Van strijd met artikel 6 EVRM Pro is geen sprake.
Dat leidt er toe dat het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op deze grond, wordt gepasseerd.
Ten aanzien van het verweer dat het verzoekschrift te laat zou zijn ingediend wordt het volgende overwogen. Anders dan de advocaat heeft betoogd kan uit het episodejournaal niet worden afgeleid dat de op grond van artikel 7:2 lid 2 Wvggz Pro vereiste bescheiden op 4 augustus 2025 naar het openbaar ministerie zijn gezonden. Uit het episodejournaal blijkt dat [naam 5] op 5 augustus 2025 om 08.41 uur de stukken heeft aangeboden aan PostNL. Het openbaar ministerie heeft het verzoekschrift ingediend op 6 augustus 2025. Aldus is de wettelijke termijn ex artikel 7:7 Wvggz Pro in acht genomen.
De rechtbank stelt vast dat het verzoekschrift tijdig is ingediend. Het openbaar ministerie is ook in dit opzicht ontvankelijk.”
2.6
Betrokkene heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 11 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking). De officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend.

3.Het cassatiemiddel

3.1
Het middel bestaat uit drie onderdelen.
Onderdeel 1betreft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de ontbrekende handtekening onder het verzoekschrift.
Onderdeel 2komt op tegen de verwerping door de rechtbank van het verweer dat het verzoekschrift te laat is ingediend. Het middel sluit in
onderdeel 3af met een voortbouwklacht.
3.2
Onderdeel 1komt op tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de ontbrekende handtekening onder het verzoekschrift. De rechtbank heeft de officier van justitie ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het gebrek van de ontbrekende handtekening door het in het verzoekschrift opgenomen tekstblok (hiervoor onder 2.2 geciteerd) voldoende is hersteld. Geklaagd wordt – samengevat – dat de rechtbank met dat oordeel heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in artikel 278 lid 3 Rv Pro in verbinding met artikel 43 lid 2 Rv Pro. Volgens het onderdeel had de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn verzoek, nu de officier van justitie het verzuim van het ontbreken van de handtekening niet (tijdig) heeft hersteld, terwijl niet is gebleken dat daartoe niet de gelegenheid bestond. Dat de rechtbank het hierop gerichte verweer van betrokkene heeft gepasseerd, is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk en niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed, aldus, samengevat weergegeven, onderdeel 1.
3.3
Deze
kernklachtvan onderdeel 1 is uitvoerig toegelicht. Van deze uitvoerige toelichting wijs ik in het bijzonder op de procesinleiding, onder 14. Daar wordt aangevoerd dat in feite de vraag aan de orde wordt gesteld of vanwege de technische problemen waarmee het Openbaar Ministerie een aantal weken in de zomer van 2025 heeft geworsteld, het voor verzoekschriften geldende ondertekeningsvereiste opzij kon worden gezet, althans kon worden vervangen door het onderaan het verzoekschrift geplaatste tekstblok (zoals hiervoor onder 2.2 geciteerd). In dat kader wordt erop gewezen dat deze vraag ook op de zitting door de advocaat van betrokkene met zoveel woorden aan de orde is gesteld, waarbij is betoogd dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord. De daartoe aangevoerde gronden zijn dat (a) de zogenaamde technische problemen geen reden (kunnen) zijn om niet te voldoen aan het wettelijk vereiste van ondertekening van het verzoekschrift, (b) de officier van justitie voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om het gebrek (onder meer op de zitting) te herstellen en ten slotte dat (c) de bestreden handelwijze, althans het ontbreken van de ondertekening, in strijd met artikel 6 EVRM Pro moet worden geacht. Ook in cassatie dient de vraag, op de hiervoor aangevoerde gronden, ontkennend te worden beantwoord, aldus het onderdeel.
3.4
Uit de toelichting op onderdeel 1 maak ik verder nog de volgende
overige puntenop (procesinleiding, onder 8-9). Aangevoerd wordt dat zowel door (de advocaat van) betrokkene als door de rechtbank aandacht is besteed aan de zogenaamde ICT-storing waarmee het Openbaar Ministerie een aantal weken in de zomer van 2025 is geconfronteerd. De officier van justitie heeft bij de indiening van zijn verzoek hieraan geen nadere aandacht besteed, behalve de opmerking dat technische redenen hem verhinderen het verzoekschrift te ondertekenen, maar dit dient als volstrekt onvoldoende te worden beschouwd. Immers, juist de officier van justitie moet als de meest gerede partij worden aangemerkt die dienaangaande de nadere informatie verstrekt, omdat hij geacht kan worden over alle relevante informatie betreffende de (gevolgen van de) ICT-storing te beschikken. Hij heeft dit echter achterwege gelaten en (zelfs) geen enkele nadere informatie verstrekt. Mede ten gevolge hiervan heeft geen beoordeling kunnen plaatsvinden van de vraag of en in hoeverre de ICT-storing van invloed is geweest op de behandeling van de onderhavige zaak. Het is bekend dat ten gevolge van de ICT-storing het Openbaar Ministerie een bepaalde periode niet of moeilijk digitaal bereikbaar is geweest, waarbij zij genoteerd dat betrokkene niet bekend is met de details dienaangaande en zich daarbij uitsluitend heeft kunnen baseren op algemene informatie, al of niet van het Openbaar Ministerie. In ieder geval ontbreekt iedere informatie, algemeen en of in detail, met betrekking tot de onderhavige procedure, temeer nu de officier van justitie heeft nagelaten hieromtrent nader te verklaren.
Verder wordt aangevoerd dat de officier van justitie met zijn verwijzing naar “technische redenen” in het tekstblok onderaan het verzoekschrift kennelijk het oog heeft op de ICT-storing bij het OM. Deze vermelding van “technische redenen” is niet toegelicht en dat moet als volstrekt onvoldoende worden beschouwd als verklaring of redengeving voor het niet-ondertekenen van het verzoekschrift, aldus de toelichting.
3.5
Onderdeel 2komt op tegen de verwerping door de rechtbank van het verweer dat het verzoekschrift te laat is ingediend. Geklaagd wordt – samengevat – dat dit oordeel rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk en niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed. Daartoe wordt aangevoerd dat zowel uit de beschikking van de burgemeester als uit het episodejournaal blijkt dat de beschikking, inhoudende de crisismaatregel, op 4 augustus 2025 om 16.20 uur is genomen en tegelijkertijd, althans binnen enkele minuten daarna aan de betrokken partijen, waaronder het Openbaar Ministerie, is verzonden, zodat de officier van justitie op uiterlijk 5 augustus 2025 zijn verzoekschrift bij de rechtbank had (kunnen en) moeten indienen. Nu de officier van justitie zijn verzoekschrift pas op 6 augustus 2025, en op grond van artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro dus een dag te laat, heeft ingediend, had de rechtbank hem niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn verzoek. De beslissing van de rechtbank om de officier van justitie ontvankelijk te verklaren, is daarmee rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk en niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed.

4.Onderdeel 1

I. Juridisch kader

4.1
Vereiste van ondertekening van het verzoekschrift
Artikel 278 Rv Pro: ondertekening van het verzoekschrift
4.1
Op grond van artikel 278 lid 2 Rv Pro wordt een verzoekschrift ondertekend en ter griffie ingediend. Ingevolge artikel 278 lid 3 Rv Pro wordt het verzoekschrift ondertekend door een advocaat, tenzij indiening bij de kantonrechter plaatsvindt of ingevolge bijzondere wettelijke bepaling niet door een advocaat behoeft te geschieden.
4.2
In een procedure tot verkrijging van een zorgmachtiging op grond van de Wvggz zijn de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, in aanvulling op hetgeen uit de Wvggz voortvloeit (art. 6:1 lid 10 Wvggz Pro). Ook voor een verzoekschrift voor een zorgmachtiging geldt dus dat deze voor de indiening moet worden ondertekend. Een dergelijk verzoekschrift wordt ingevolge artikel 5:17 lid 1 Wvggz Pro door de officier van justitie ingediend, en moet dus ook door deze worden ondertekend. Hier doet zich de tweede in artikel 278 lid 3 Rv Pro genoemde uitzondering voor dat indiening van het verzoekschrift ingevolge bijzondere wettelijke bepaling niet door een advocaat behoeft te geschieden. [5]
4.3
Artikel 6:1 lid 10 Wvggz Pro is niet van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 7:8 lid 2 Wvggz Pro, waar het de machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel betreft. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat aangenomen moet worden dat op dit punt sprake is van een omissie en dat het daarom ervoor moet worden gehouden dat de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ook bij de verlening van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel aanvullend van toepassing zijn. [6]
Functie van ondertekening van het verzoekschrift
4.4
Artikel 429d (oud) Rv, de voorloper van het huidige artikel 278 Rv Pro, bepaalde wel dat het verzoekschrift ter griffie wordt ingediend, maar bevatte niet uitdrukkelijk de eis van ondertekening. [7] Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 278 Rv Pro volgt dat in het tweede lid “voor de duidelijkheid” is bepaald dat het verzoekschrift vóór indiening ondertekend moet worden. [8] Een nadere toelichting over de functie of het doel van die ondertekening ontbreekt daarbij echter.
4.5
Van de verschillende te onderscheiden functies van ondertekening [9] staat bij de ondertekening van een processtuk zoals een verzoekschrift mijns inziens de functie van identificatie van de indiener van het processtuk voorop. [10] Door het plaatsen van de handtekening onder het verzoekschrift is duidelijk wie de indiener is (individualisering) en is ook duidelijk dat deze indiener de inhoud van het verzoekschrift voor zijn rekening neemt. [11] Aangezien de bevoegdheid tot het indienen van een verzoekschrift veelal is voorbehouden aan personen met een bepaalde hoedanigheid (advocaat, officier van justitie), is in het verlengde hiervan ook van belang dat zo kan worden vastgesteld dat het verzoekschrift is ingediend door een persoon die daartoe bevoegd is. [12]
Artikel 33 Rv Pro: elektronisch verzenden van berichten
4.6
Op grond van artikel 33 lid 1 Rv Pro kunnen verzoeken en mededelingen elektronisch worden gedaan, en processtukken elektronisch ter griffie worden ingediend, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement.
4.7
Het Procesreglement Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wet zorg en dwang (hierna: het procesreglement) biedt de mogelijkheid van digitaal procederen (zie hierna onder 4.10 e.v.) en van, het daarvan te onderscheiden, Veilig Mailen (zie hierna onder 4.24 e.v.). [13]
4.8
Ingevolge artikel 33 lid 2 Rv Pro worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gegeven aangaande de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het doen van verzoeken en mededelingen en de indiening en de verzending van processtukken als bedoeld in het eerste lid en kunnen in verband met deze wijze van verzending nadere regels worden gesteld. Deze AMvB is het Besluit elektronisch procederen (hierna: Bep). [14]
4.9
Artikel 33 Rv Pro bevat geen voorschriften over het ondertekenen van elektronisch ingediende verzoeken of andere processtukken of mededelingen. Het Bep bevat wel een bepaling over het ondertekenen in geval van elektronisch procederen (art. 5 Bep Pro, zie hierna onder 4.18). Verder bevat artikel 2.7 van Bijlage 2 bij het procesreglement een bepaling over het ondertekenen van stukken in geval van Veilig Mailen (zie hierna onder 4.32).
Procesreglement Wvggz en Wzd: digitaal procederen
4.1
Digitaal procederen in Wvggz- en Wzd-zaken is geregeld in hoofdstuk 2 van het procesreglement. Uit artikel 2.1 in verbinding met bijlage 1 van het procesreglement volgt dat partijen in dit soort zaken bij alle rechtbanken vrijwillig digitaal kunnen procederen. Het is dus ook nog altijd mogelijk om niet-digitaal te procederen.
4.11
Artikel 2.2 van het procesreglement bepaalt dat naast de bepalingen over digitaal procederen in hoofdstuk 2 van het procesreglement ook de regels die zijn opgenomen in het Bep gelden. [15]
4.12
De nota van toelichting bij het Bep hanteert de volgende definitie van elektronisch procederen:
“Onder elektronisch procederen wordt verstaan het langs elektronische weg verzenden van berichten in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures via een door de rechterlijke instanties aangewezen systeem voor gegevensverwerking aan en door de (…) rechterlijke instanties.”
4.13
Artikel 2 Bep Pro bepaalt dat als bij een rechterlijke instantie in een categorie van zaken elektronisch kan of moet worden geprocedeerd, in het voor die rechterlijke instantie vastgestelde procesreglement een digitaal systeem voor gegevensverwerking dient te worden aangewezen. Dit digitale systeem wordt in de praktijk op twee manieren benaderd, te weten via de website van de rechterlijke instantie via een portaal, of met gebruikmaking van een systeemkoppeling. [16] Via een dergelijke systeemkoppeling kunnen digitale systemen van bepaalde organisaties worden gekoppeld aan het digitale systeem van de rechterlijke instanties. [17]
4.14
In dit verband zijn de artikelen 2.4 en 2.9 van het procesreglement van belang. In artikel 2.4 van het procesreglement is namelijk bepaald dat digitale communicatie tussen de rechtbank en het OM [18] plaatsvindt via het zogeheten ‘Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid’ en dat digitale communicatie tussen de rechtbank en andere procesdeelnemers plaatsvindt via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’. [19] Artikel 2.9 van het procesreglement voegt hieraan toe dat de indiening van het verzoekschrift, verweerschrift en overige processtukken plaatsvindt door toezending aan de griffie van de rechtbank via het Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid of via het webportaal.
Met het ‘Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid’ is, als ik het goed zie, sprake van de hiervoor bedoelde koppeling tussen de systemen van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) en de Rechtspraak. [20]
4.15
Aan het in een procesreglement aan te wijzen digitale systeem voor gegevensverwerking worden in het Bep eisen gesteld. Zo is in artikel 3 lid 1 Bep Pro voor zover thans van belang het volgende bepaald:
1 Een op grond van artikel 2, eerste of tweede lid, aangewezen digitaal systeem voor gegevensverwerking voldoet aan de volgende eisen:
a. de gebruiker van het systeem wordt geïdentificeerd;
b. een procespartij, procesvertegenwoordiger of een bij de procedure betrokken derde die toegang verkrijgt tot het systeem anders dan via een koppeling met een ander digitaal systeem voor gegevensverwerking, wordt geauthenticeerd;
c. na te gaan is wie wordt beschouwd als de indiener van een bericht;
(…)
4.16
Het Bep stelt in artikel 3 aldus Pro niet alleen eisen aangaande de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid (zoals in art. 33 lid 2 Rv Pro is voorzien), maar ook aan het controleren van de identiteit van de gebruiker van het systeem. [21] In de nota van toelichting is ter toelichting van artikel 3 lid 1 Bep Pro onder meer het volgende opgemerkt (mijn onderstreping): [22]

Eerste lid, onderdeel a
De gebruiker is degene die inlogt in het systeem. De gebruiker kan inloggen om stukken te verzenden of (als er een digitaal dossier is) te raadplegen. (…) De identificatie van een externe gebruiker die anders dan via een systeemkoppeling (bijvoorbeeld via een webportaal) het systeem benadert, dient betrekking te hebben op de natuurlijke persoon die toegang wenst tot het digitale systeem (ook als deze natuurlijke persoon namens een rechtspersoon optreedt).
Het systeem moet de rechterlijke instanties in staat stellen eenieder die via het webportaal toegang verkrijgt te identificeren (wie is de gebruiker), diens identiteit te kunnen controleren (authenticeren: nagaan of de gebruiker is wie hij zegt te zijn), alsmede te controleren of deze persoon gerechtigd is om toegang te krijgen tot de stukken. (…)
Eerste lid, onderdeel b
Dit onderdeel (…) vereist authenticatie van een procespartij, procesvertegenwoordiger of een bij de procedure betrokken derde die anders dan via een systeemkoppeling (bijvoorbeeld via een webportaal of app) toegang verkrijgt tot het systeem. (…)
Eerste lid, onderdeel c
Degene die wordt beschouwd als de indiener is de persoon die de proceshandeling verricht. De gebruiker van het systeem en de indiener kunnen een en dezelfde persoon zijn, maar dit hoeft niet. Zo zal het regelmatig voorkomen dat de secretariaatsmedewerker van de advocaat de stukken van de advocaat namens hem indient. De secretariaatsmedewerker is in dat geval de onder a bedoelde gebruiker die inlogt met zijn of haar gemachtigdenpas om stukken afkomstig van de advocaat in te dienen. De advocaat is in dat geval degene die wordt beschouwd als indiener als bedoeld in onderdeel c. (…)”
4.17
Wanneer een gebruiker via een systeemkoppeling gebruikmaakt van het aangewezen digitale systeem voor gegevensverwerking (van de Rechtspraak), wordt de authenticatie van de individuele gebruiker verricht door het te koppelen systeem (in dit geval het systeem van het OM). [23] In verband hiermee is in artikel 3 lid 2 Bep Pro bepaald dat toegang tot een aangewezen digitaal systeem voor gegevensverwerking via een koppeling met een ander digitaal systeem voor gegevensverwerking slechts wordt verleend als het betrouwbaarheidsniveau van dat systeem ten minste gelijkwaardig is aan het betrouwbaarheidsniveau van het aangewezen digitale systeem.
4.18
Die eisen die het Bep stelt aan het aangewezen digitale systeem voor gegevensverwerking en aan het te koppelen systeem op het vlak van identificatie en authenticatie, werken door in de voorschriften over ondertekening van elektronisch in te dienen stukken. Voor de ondertekening van stukken bij het indienen daarvan in het daartoe aangewezen systeem bevat artikel 5 Bep Pro de volgende regeling:
1. Tenzij de wet anders bepaalt, ondertekent degene die op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (…) een stuk dient te ondertekenen, het stuk voorafgaand aan de indiening, verzending of plaatsing in het aangewezen systeem. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een gewone elektronische handtekening, tenzij bij procesreglement een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening is voorgeschreven. Artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid, geldt een stuk dat langs elektronische weg is ingediend in een daartoe aangewezen digitaal systeem voor gegevensverwerking door een op persoonsniveau geauthenticeerde procespartij, procesvertegenwoordiger of bij de procedure betrokken derde, als ondertekend door die persoon. (…).
4.19
Artikel 5 lid 1 Bep Pro verwijst naar artikel 3:15a BW. Laatstgenoemde bepaling vindt op grond van artikel 3:15c BW overeenkomstige toepassing buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. [24] Artikel 3:15a BW onderscheidt in navolging van de eIDAS-verordening [25] drie soorten elektronische handtekeningen: de gekwalificeerde, de geavanceerde en een andere elektronische handtekening (ook wel een ‘gewone’ elektronische handtekening genoemd). Van deze drie heeft alleen de gekwalificeerde elektronische handtekening zonder meer dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening. De geavanceerde en de andere elektronische handtekening hebben slechts dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening indien de voor ondertekening gebruikte methode voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en op alle overige omstandigheden van het geval. De gewone elektronische handtekening, waartoe een ingescande natte handtekening behoort, [26] biedt de minste waarborgen.
4.2
Op grond van artikel 5 lid 1 Bep Pro kan in beginsel dus worden volstaan met een gewone elektronische handtekening, tenzij in het procesreglement iets anders is bepaald, wat in het Procesreglement Wvggz en Wzd niet het geval is.
4.21
Dat in Wvggz-zaken bij digitaal procederen met een gewone elektronische handtekening kan worden volstaan, houdt verband met de hiervoor genoemde eisen die worden gesteld aan het aangewezen digitale systeem voor gegevensverwerking, en in het bijzonder aan de toegang tot dat systeem. Dit wordt bevestigd in de nota van toelichting bij het ook in Wvggz-zaken geldende Bep, [27] waarin het volgende is geschreven (mijn onderstreping): [28]
“Het eerste lid bepaalt dat, tenzij de wet zelf anders bepaalt, stukken waarvoor de wet ondertekening voorschrijft voorafgaand aan de indiening, plaatsing of verzending in het digitale systeem, moeten worden ondertekend. (…) Hierbij moet op grond van artikel 3:15a BW gebruik gemaakt worden van een elektronische handtekening waarbij de gebruikte ondertekeningsmethode voldoende betrouwbaar is gelet op het doel van de ondertekening en alle overige omstandigheden van het geval. (…)
(…)
Gelet op de wijze waarop de toegangscontrole is vormgegeven kan bij gebruik van het aangewezen systeem als hoofdregel worden volstaan met een gewone elektronische handtekening.Daarbij valt te denken aan een ingescande natte handtekening op een papieren drager (zie Kamerstukken II 2000/01, 27 743, nr. 3, p. 2). Uit de definitie van de gewone elektronische handtekening volgt dat deze moet zijn gehecht aan of logisch verbonden met het stuk dat moet worden ondertekend. In geval van twijfel kan het originele fysieke stuk worden opgevraagd. (…)”
4.22
Als de identiteit van de gebruiker bij de toegangverlening tot het systeem op persoonsniveau wordt geauthenticeerd, dan geldt het stuk als ondertekend, zo volgt artikel 5 lid 2 Bep Pro en kan het plaatsen van een elektronische handtekening dus zelfs helemaal achterwege blijven. Deze indienen=ondertekenen-regel geldt alleen wanneer het stuk wordt ingediend door degene die het stuk volgens de wet moet ondertekenen (zoals de officier van justitie of de advocaat zelf) en niet door bijvoorbeeld een secretaresse. [29]
4.23
Verzoekschriften in Wvggz-zaken worden veelal digitaal en voorzien van een elektronische handtekening ingediend. [30] Ter illustratie van deze praktijk wijs ik op de noot van Berton bij een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 april 2023 waarin die elektronische handtekening aan de orde was. In deze noot merkt zij het volgende op (met weglating van voetnoten): [31]
“Met de komst van de Wvggz is beoogd zoveel mogelijk elektronisch te communiceren. Binnen een digitale werkomgeving kan een systeem dat voorziet in een elektronische handtekening niet ontbreken. (…)
Binnen het Openbaar Ministerie wordt steeds meer gewerkt met de elektronische handtekening, ook in Wvggz-zaken. Het behoeft geen betoog dat er dan geen enkele twijfel mag ontstaan over de integriteit en de ondertekening van het verzoekschrift. Het document mag na ondertekening niet meer gewijzigd kunnen worden tenzij de wijzigingen zijn te achterhalen en het moet duidelijk zijn wie het document heeft ondertekend. De ondertekening moet dus plaatsvinden in een betrouwbaar proces. Hierbij moet voor de ontvanger duidelijk zijn dat het document in overeenstemming met de wet is ondertekend.
(…)
Voor het ondertekenen van verzoekschriften in Wvggz-zaken, wordt door de officier van justitie gebruikgemaakt van een gekwalificeerde elektronische handtekening, de meest beveiligde variant van de mogelijke digitale handtekeningen, met een drie-factorauthenticatie. Drie-factorauthenticatie is een vorm van authenticatie die de identiteit van een gebruiker bevestigt met behulp van drie verschillende authenticatiefactoren: iets dat je weet, iets dat je hebt en iets dat je bent.
(…)
Nog niet overal in het land maakt de officier van justitie in Wvggz-zaken gebruik van de e-handtekening, maar het is de verwachting dat hiervan steeds vaker gebruik zal worden gemaakt.”
Procesreglement Wvggz en Wzd: Veilig Mailen
4.24
Niet-digitaal procederen is geregeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement.
4.25
Op grond van artikel 1.2 van het procesreglement is Veilig Mailen een van de wijzen om processtukken en berichten in te dienen in geval van niet-digitaal procederen. Deze bepaling luidt als volgt:
Als niet-digitaal wordt geprocedeerd, worden de processtukken en berichten als volgt ingediend:
 door toezending per post aan de griffie van de rechtbank, afdeling familie- en jeugdzaken (…);
 door afgifte aan de Centrale Balie van de rechtbank (…);
 door toezending via Veilig Mailen, mits het processtuk of het bericht, met eventuele bijlage(n), direct per post aan de griffie van de rechtbank wordt nagezonden of wordt afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft.
Voor toezending via Veilig Mailen gelden daarnaast de in Bijlage 2 vermelde regels. (…)
4.26
Onder Veilig Mailen wordt in artikel 1.3 van het procesreglement verstaan: “de voorziening van de Rechtspraak voor het verzenden en ontvangen van beveiligde e-mail naar en door de rechtbank”. Op de webpagina waarnaar in dat artikel vervolgens wordt verwezen, [32] is verder te lezen:
“Veilig mailen biedt een veel betere bescherming van gegevens dan e-mailen. Berichten die u via Veilig Mailen verzendt, worden versleuteld. Om toegang te krijgen tot een bericht, moet de ontvanger bovendien een extra stap doen om te bewijzen dat hij of zij ook echt de juiste ontvanger is.”
4.27
Veilig Mailen is dus, kort gezegd, het versturen van een e-mail waarbij het bericht versleuteld is. De bedoeling van Veilig Mailen is om vertrouwelijke gegevens beter te beschermen. [33] Er zijn, zo blijkt uit de hiervoor vermelde webpagina, verschillende aanbieders van Veilig Mailen die voldoen aan de eisen van de Rechtspraak en technisch zijn gekoppeld. ZIVVER wordt in artikel 1.4 van het procesreglement genoemd als het systeem voor gegevensverwerking waarvoor de rechtbank verantwoordelijkheid draagt.
4.28
Hoewel dus ook bij Veilig Mailen sprake is van een aangewezen systeem voor gegevensverwerking voldoet het systeem niet aan de eisen die artikel 3 Bep Pro aan een digitaal systeem voor gegevensverwerking stelt.
4.29
Uit de nota van toelichting bij het Bep blijkt dat Veilig Mailen niet valt onder de definitie (zie hiervoor onder 4.12) van elektronisch procederen in de zin van het Bep. De nota van toelichting luidt op dit punt als volgt (mijn onderstreping): [34]
“De ABRvS signaleert dat de definitie van elektronisch procederen in de nota van toelichting mogelijk van invloed is op andere digitale initiatieven en ontwikkelingen, zoals het verzenden per fax en het uitwisselen van stukken via een berichtenbox (ook wel aangeduid als veilig mailen). Het is juist dat de digitale fax en mailverkeer kunnen worden gebruikt voor het langs elektronische weg uitwisselen van berichten. Om door de rechtspraak te kunnen worden aangewezen als systeem voor elektronisch procederen moet echter steeds worden voldaan aan de eisen van het Bep. Het Bep stelt niet alleen eisen aan de vertrouwelijkheid en betrouwbaarheid van het systeem maar ook aan het controleren van de identiteit van de gebruiker van het systeem.
Bij veilig mailen zijn er waarborgen getroffen voor de vertrouwelijkheid en betrouwbaarheid van de verbinding waarlangs de elektronische communicatie verloopt maar is er – anders dan bij gebruik van het aangewezen systeem – geen controle op de identiteit van de afzender. Dit maakt dat de stukken na mailverzending alsnog fysiek moeten worden aangeboden.
en

Als stukken langs andere weg dan via het aangewezen digitale systeem elektronisch aan de rechterlijke instanties worden verzonden (bijvoorbeeld via de fax of door middel van beveiligd emailverkeer), dan zal nazending van de fysieke stukken noodzakelijk zijn om de stukken op te nemen in het procesdossier.(…)”
4.3
Bij Veilig Mailen vindt dus geen controle op de identiteit van de afzender plaats. Daarom moet in geval van Veilig Mailen het aldus ingediende processtuk of bericht altijd nog per post worden nagezonden of bij de Centrale Balie van het gerecht worden afgegeven. De ratio van de nazendverplichting is, blijkens de nota van toelichting bij het Bep, de controle op de identiteit van de indiener. Vanwege deze nazendplicht is bij deze op zich digitale vorm van indienen van stukken volgens het procesreglement toch sprake van niet-digitaal procederen. In feite gaat het om een hybride vorm van indienen van stukken: zowel digitaal als fysiek.
4.31
Bij Veilig Mailen moeten verder de in Bijlage 2 bij het procesreglement (hierna: de bijlage) vermelde regels in acht worden genomen. In deze bijlage zijn aanvullende regels over het gebruik van Veilig Mailen opgenomen. Artikel 2.2 van de bijlage houdt voor zover hier van belang in dat het e-mailbericht het karakter heeft van een envelop en dat de inhoud wordt opgenomen in de bijlage(n) bij het e-mailbericht. Dit komt ook terug in artikel 2.5 van de bijlage, dat voor zover hier van belang voorschrijft dat (proces)stukken en berichten als afzonderlijke bestanden bij het e-mailbericht zijn gevoegd en voldoen aan het Pdf-formaat, tenzij het stuk niet in Pdf-formaat kan worden verstuurd of de aard van het stuk zich daartegen verzet.
4.32
Artikel 2.7 van de bijlage betreft vervolgens een bepaling over het Veilig Mailen van stukken die moeten worden voorzien van een originele (‘natte’) handtekening:
Als de wet ondertekening van stukken vereist, worden deze voorzien van een originele (“natte”) handtekening en gescand als Pdf-bestand via Veilig Mailen ingediend.
4.33
In geval van Veilig Mailen wordt het verzoekschrift dus handgeschreven ondertekend, gescand en als afzonderlijk Pdf-bestand als bijlage bij het e-mailbericht ingediend. Het natgetekende verzoekschrift moet vervolgens direct per post aan de griffie van de rechtbank worden nagezonden of worden afgegeven aan de Centrale Balie van de rechtbank, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het een reeds eerder via Veilig Mailen ingediend stuk betreft (zie art. 1.2, derde bolletje, van het procesreglement).
4.2
Gevolgen van ontbrekende ondertekening van verzoekschrift: herstel of sanctie?
Artikel 278 Rv Pro: herstel of sanctie bij geen ondertekening?
4.34
Artikel 278 Rv Pro bevat geen regels over het herstel van gebreken in een verzoekschrift, zoals een ondertekeningsgebrek, [35] of over een sanctie op dergelijke gebreken. [36] Wel blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de rechter gelegenheid kan geven het gebrek te herstellen: [37]
“De eerste drie leden van artikel 3.4.1 [artikel 278 Rv Pro; A-G] stemmen vrijwel overeen met de eerste drie leden van het huidige artikel 429d Rv. Indien aan de eisen met betrekking tot inhoud of ondertekening van het verzoekschrift niet of onvoldoende is voldaan, leidt dit niet tot nietigheid. De rechter zal, in overeenstemming met zijn actievere rol in deze procedure, naar bevind van zaken gelegenheid kunnen geven het gebrek te herstellen. Een wettelijke herstelregeling, zoals het wetsvoorstel die kent ten aanzien van exploten in het algemeen en dagvaardingsexploten in het bijzonder, is hier dus niet geboden.”
4.35
Sinds 1 juli 2025 bevat de wet wel een algemene herstelmogelijkheid in geval van elektronisch procederen. Artikel 33 lid 6 Rv Pro luidt als volgt:
Indien niet is voldaan aan een verplichting tot het elektronisch verrichten van handelingen op grond van de wet dan wel bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid, stelt de rechter de desbetreffende partij of andere betrokkene in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door de rechter te bepalen termijn. Maakt eiser of verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan de rechter eiser of verzoeker niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering of verzoek dan wel het stuk buiten beschouwing laten. Ook in andere gevallen waarin geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het verzuim te herstellen, kan de rechter het stuk buiten beschouwing laten.
4.36
De voorloper van deze bepaling is artikel 30c lid 6 KEI-Rv. [38] In de parlementaire geschiedenis van artikel 33 lid 6 Rv Pro wordt over zijn voorloper artikel 30c lid 6 KEI-Rv opgemerkt dat “die regeling [inhield] dat de rechter een partij die stukken op papier indiende terwijl zij dat langs elektronische weg moest doen, de gelegenheid moest bieden dit verzuim te herstellen (…)”. [39] Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat artikel 30 c lid 6 KEI-Rv louter betrekking had op het ten onrechte kiezen van de niet-elektronische route. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt volgens Tjong Tjin Tai evenwel “dat deze bepaling een grond voor herstel van andere verzuimen, in het bijzonder vormverzuimen bij de inhoud van het digitale procesinleidende stuk” is. [40]
4.37
In de toelichting op artikel 33 lid 6 Rv Pro is voorts duidelijk gemaakt dat de bepaling mede betrekking heeft op het verzuim een stuk elektronisch te ondertekenen: [41]
“De leden sluiten vrijwel geheel aan bij de tekst van de wetgeving uit 2016 (artikel 30c, leden 6 en 7, Rv). Op een aantal punten was een iets andere formulering nodig, omdat de tekst van artikel 30c, leden 6 en 7, Rv ruimer was dan alleen het doen van verzoeken en mededelingen en het indienen van processtukken genoemd in artikel 33 Rv Pro. Daarom staat er nu «een verplichting tot het elektronisch verrichten van handelingen». Daaronder valt naast het doen van verzoeken en mededelingen en het indienen van processtukken ook de verplichting om elektronisch te ondertekenen (artikel 5 Besluit Pro elektronisch procederen). Het bieden van de gelegenheid om een verzuim te herstellen, ziet op al deze handelingen.”
4.38
Artikel 33 lid 6 Rv Pro betreft gevallen waarin niet is voldaan aan “een verplichting tot het elektronisch verrichten van handelingen op grond van de wet dan wel bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid”. Het lijkt mij onjuist om hieraan de gevolgtrekking te verbinden dat de toepasselijkheid van deze bepaling beperkt is tot gevallen waarin elektronisch procederen verplicht is, en die bepaling dus zo uit te leggen dat toepassing ervan uitgesloten is in procedures waarin op vrijwillige basis elektronisch wordt geprocedeerd (zoals in zaken als de onderhavige). [42] Niet blijkt dat dit de bedoeling van de wetgever is geweest en er is mijns inziens ook geen goede reden voor een dergelijk onderscheid. [43]
4.39
Uit de tekst van artikel 33 lid 6 Rv Pro lijkt te volgen dat de rechter gelegenheid tot herstel van het gebrek
moetbieden. Uit de toelichting op de bepaling blijkt echter dat het niet om een verplichting tot het bieden van een herstelmogelijkheid gaat. Die toelichting op artikel 33 lid 6 Rv Pro, die deels is ontleend aan een samenvatting van de toelichting op de voorloper, artikel 30c lid 6 KEI-Rv, luidt dienaangaande: [44]
“Die regeling [art. 30c lid 6 KEI-Rv; A-G] hield in dat de rechter een partij die stukken op papier indiende terwijl zij dat langs elektronische weg moest doen, de gelegenheid moest bieden dit verzuim te herstellen binnen een bepaalde termijn. (…) De rechter kon ook beslissen dat de partij mocht voortgaan op de papieren weg. In de toelichting werd als voorbeeld genoemd dat pas tijdens de zitting blijkt dat ten onrechte op papier wordt geprocedeerd. Het aanhouden van de mondelinge behandeling om de desbetreffende partij in de gelegenheid te stellen alle stukken alsnog elektronisch in te dienen, zou dan niet bijdragen aan de doelmatigheid en snelheid van de procedure.”
4.4
Uit de tekst van artikel 33 lid 6 Rv Pro volgt verder dat de rechter een verzoeker die van de gelegenheid tot herstel geen gebruik maakt niet-ontvankelijk
kanverklaren in zijn verzoek. De rechter heeft dus ook de mogelijkheid heeft om die sanctie achterwege te laten, en mijns inziens ook zonder het eerst bieden van een herstelmogelijkheid, wanneer herstel niet zinvol is.
4.41
Het voorgaande lijkt bevestiging te vinden in een recente uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart jl., in een zaak waarin artikel 33 lid 6 Rv Pro (nog) niet van toepassing was, maar waarin bij de motivering wel aan die bepaling werd gerefereerd. [45] In die zaak, een echtscheidingsprocedure, ging het om een gebrek met betrekking tot de wijze van indiening van een processtuk. Het beroepschrift van de man was per gewone (onbeveiligde) e-mail bij het hof ingediend en niet per beveiligde e-mail (‘Veilig Mailen’) zoals voor de indiening van processtukken per e-mail was voorgeschreven in het in die zaak toepasselijke procesreglement. Het hof had de man desalniettemin ontvankelijk verklaard. Naar aanleiding van de daartegen gerichte klachten in cassatie heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“3.2 In dit geval heeft de man het beroepschrift met de gronden tijdig, dus binnen de appeltermijn, ingediend bij het hof. Het beroepschrift is evenwel op gebrekkige wijze ingediend omdat het per gewone (onbeveiligde) e-mail is ingediend en niet per beveiligde e-mail (‘Veilig Mailen’) zoals voor de indiening van processtukken per e-mail is voorgeschreven in het in deze zaak toepasselijke procesreglement.
Uitgangspunt in een dergelijk geval is dat de rechter de indienende partij in de gelegenheid stelt om dit gebrek te herstellen door binnen een door de rechter te bepalen termijn hetzelfde beroepschrift alsnog via Veilig Mailen in te dienen. Maakt de indienende partij van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan de rechter haar niet-ontvankelijk verklaren. De rechter kan evenwel in een geval als dit in de omstandigheid dat het alsnog indienen van het beroepschrift via Veilig Mailen geen zinvol herstel is van het eerder onbeveiligd mailen, aanleiding zien om deze herstelmogelijkheid achterwege te laten en de indienende partij zonder herstel ontvankelijk te verklaren.
Het voorgaande strookt met het sinds 1 juli 2025 geldende art. 33 lid 6 Rv Pro, dat een algemene herstelmogelijkheid ingeval van elektronisch procederen behelst.”
4.3
Feitenrechtspraak over ICT-problemen bij het OM en ondertekening verzoekschrift
4.42
In de gepubliceerde feitenrechtspraak uit de tweede helft van 2025 [46] zijn mij, naast de bestreden beschikking in de onderhavige procedure, slechts twee andere uitspraken bekend waarin het, als gevolg van de ICT-problemen bij het OM, niet-ondertekend zijn van het verzoekschrift van de officier van justitie aan bod is gekomen. Dat betekent vanzelfsprekend niet dat het niet in meer zaken een rol heeft gespeeld. [47] De twee andere gepubliceerde uitspraken bespreek ik in het navolgende.
4.43
In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2025 heeft de rechtbank de advocaat van de betrokkene gevolgd in het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek omdat het verzoekschrift niet is ondertekend. [48] De rechtbank heeft daartoe in die zaak als volgt overwogen:
“2.1. Tijdens de mondelinge behandeling bepleit de advocaat dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in het verzoek wegens het niet-ondertekenen van het verzoekschrift. De advocaat voert aan dat het Openbaar Ministerie sinds 17 juli jl. is ontkoppeld van het internet en tussen 17 juli en 4 augustus jl. heeft het Openbaar Ministerie alsnog ondertekende verzoekschriften ingediend. In de onderhavige zaak heeft de officier op 6 augustus jl. het verzoekschrift zonder (digitale) handtekening ingediend en de officier is niet ter zitting verschenen om het gebrek te herstellen. Hiermee voldoet het verzoekschrift niet aan artikel 278, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit wetsartikel staat immers dat verzoekschriften ondertekend moeten worden. Het Openbaar Ministerie is al twintig dagen ontkoppeld van het internet, waardoor geen sprake is van een noodtoestand. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie van 17 juli tot 4 augustus jl. wel rechtsgeldige verzoekschriften ingediend. Bovengenoemde handelswijze is bovendien in strijd met artikel 6 van Pro het EVRM, aangezien andere eisen worden gesteld aan het Openbaar Ministerie dan aan betrokkene. Daarom moet de officier niet-ontvankelijk worden verklaard.
2.2.
De rechtbank volgt de advocaat in haar standpunt dat de officier niet-ontvankelijk is in het verzoek vanwege het niet-ondertekenen van het verzoekschrift.”
4.44
Uit deze uitspraak blijkt (nog) niet van een vast tekstblok van de officier van justitie over de ontbrekende ondertekening en de vermelding van de naam van de officier van justitie onder wiens verantwoordelijkheid en met wiens goedkeuring het verzoekschrift is ingediend.
4.45
De rechtbank Rotterdam heeft in haar beschikking van 22 augustus 2025, waartegen ook beroep in cassatie is ingesteld, [49] het betoog van de betrokkene dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, verworpen. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“2.2. De advocaat heeft het verweer gevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek. De officier heeft het verzoek per mail gedaan en heeft dit verzoek niet ondertekend. Het verzoek dateert van 8 augustus jl. In de afgelopen dagen heeft de officier van justitie wel de mogelijkheid gehad om een ondertekend verzoek in te dienen maar dit nagelaten. Aan dit formele verzuim dient zoveel gewicht te worden toegekend dat niet-ontvankelijkverklaring de gepaste sanctie is.
2.3.
De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat en overweegt daartoe het volgende.
Het verzoekschrift is gedaan per Zivver-mail en is daarom niet ondertekend. Achtergrond hiervan is het feit dat de IT-systemen van het OM zijn afgekoppeld van het net wegens zorgen over de integriteit en veiligheid ervan. Het OM heeft echter garanties gegeven dat het verzoekschrift daadwerkelijk door de officier is ingediend. Die garanties omvatten de afspraak dat indiening van de verzoekschriften geschiedt vanuit vaste, tevoren opgegeven adressen, dat het OM dagelijks een lijst van ingediende verzoekschriften aan de griffie van de rechtbank stuurt waarmee de rechtbank heeft kunnen vaststellen dat het verzoekschrift daadwerkelijk afkomstig is van het OM en de uitdrukkelijke toezegging van het OM dat elke mail die vanaf bedoeld mailadres wordt verstuurd, verstuurd wordt onder de verantwoordelijkheid van en met de uitdrukkelijke goedkeuring van de officier van justitie, die bij naam in de e-mail is vermeld. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende waarborgen bestaan over de authenticiteit van het verzoek en verbindt aan het niet ondertekend zijn van het verzoekschrift geen gevolgen, nu sprake is van overmacht, dit een tijdelijke situatie is en het belang van een voortvarende afhandeling van deze verzoeken voor een kwetsbare doelgroep onder deze omstandigheden zwaarder weegt dan het formele vereiste van een handtekening. Van een daadwerkelijke schending van de belangen van betrokkene door de hiervoor geschetste gang van zaken blijkt overigens niet. De rechtbank merkt daarbij op dat de advocaat dat ook niet aangevoerd heeft.”
4.46
In deze zaak is dus, net als in de onderhavige zaak, wel sprake van het tekstblok van de officier van justitie in het verzoekschrift.
4.47
In de drie gepubliceerde uitspraken waarin het verzoekschrift niet is ondertekend vanwege de ICT-problemen bij het OM pakken de rechtbanken het in elke zaak anders aan. In chronologische volgorde:
- 8 augustus 2025, rechtbank Rotterdam: niet-ontvankelijk, omdat het verzoekschrift niet is ondertekend;
- 11 augustus 2025, rechtbank Den Haag (de bestreden beschikking): ontvankelijk, omdat het gebrek van de ontbrekende handtekening
voldoende hersteldis door het tekstblok van de officier van justitie in zijn verzoekschrift;
- 22 augustus 2025, rechtbank Rotterdam: ontvankelijk, omdat de rechtbank
geen gevolgenverbindt aan het niet ondertekend zijn van het verzoekschrift.
4.48
Vanuit het oogpunt van rechtseenheid en rechtszekerheid zijn deze verschillen natuurlijk niet gelukkig.
II. Bespreking van onderdeel 1
4.49
Onderdeel 1 komt op tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de ontbrekende handtekening onder het verzoekschrift. Ik verwijs naar de weergave van dit onderdeel hiervoor onder 3.2-3.4.
4.5
Bij de bespreking van de klachten van onderdeel 1 stel ik het volgende voorop.
De wijze van indienen van het verzoekschrift in deze zaak
4.51
Als gevolg van ICT-problemen bij het OM kon in de zomer van 2025 kennelijk niet de gebruikelijke werkwijze met betrekking tot indiening en ondertekening van verzoekschriften worden gevolgd.
4.52
In deze procedure is het verzoekschrift via Veilig Mailen ingediend. De in het procesreglement voorgeschreven werkwijze voor indiening van stukken door middel van toezending via Veilig Mailen, dus bij
niet-digitaalprocederen, is hier echter niet gevolgd. De inhoud van het verzoekschrift is direct opgenomen in het e-mailbericht, en er is niet een scan (in Pdf-formaat) van het verzoekschrift met daarop een originele ‘natte’ handtekening als bijlage bijgevoegd. Het e-mailbericht bevat overigens ook niet een elektronische handtekening. In plaats van een handtekening is in het e-mailbericht een tekstblok opgenomen waarin is verklaard dat de officier wegens technische redenen niet in staat is het verzoekschrift te ondertekenen alsmede dat het verzoekschrift is ingediend onder verantwoordelijkheid van en met goedkeuring van de met naam genoemde officier van justitie. [50]
4.53
Ook is niet voldaan aan de voorwaarde uit het procesreglement voor het gebruik van Veilig Mailen dat het processtuk, kort gezegd, wordt nagezonden. Dat hangt evenwel, naar ik aanneem, samen met het voorgaande. Na te zenden is immers het van een originele, natte handtekening voorziene stuk. Dat ontbrak nu juist.
4.54
Dat bij Veilig Mailen het stuk op papier moet worden nagezonden, is niet voor niks. Veilig Mailen biedt immers wel waarborgen voor vertrouwelijkheid, maar niet (zoals bij digitaal procederen) waarborgen voor identificatie van de afzender. In dat manco voorziet nazending van het papieren stuk met natte handtekening.
De vergelijking met
digitaal procederenbiedt inzicht. Van een verplichting tot nazending is daar geen sprake. De controle op de identiteit die daar bij de toegang tot het digitale systeem voor gegevensverwerking plaatsvindt, maakt dat met de ingescande natte handtekening kan worden volstaan. Het is daar dus een optelsom van waarborgen, te weten waarborgen die zijn gelegen in controle ‘aan de poort’ en die zijn gelegen in ondertekening door middel van een gewone elektronische handtekening.
4.55
Bij de werkwijze van de officier van justitie in deze zaak wordt op beide termen uit deze optelsom ingeleverd. Veilig Mailen biedt geen of onvoldoende controle aan de poort. Des te belangrijker is dus ondertekening, maar die ontbreekt nu juist in zijn geheel.
(Achtergrond)informatie over de wijze van indienen van het verzoekschrift in deze zaak
4.56
Welke (achtergrond)informatie is af te leiden uit de stukken van het geding (inclusief de bestreden beschikking) en het verhandelde ter zitting in eerste aanleg over de wijze waarop het verzoekschrift in deze zaak is ingediend?
4.57
Wat van de zijde van de officier van justitie naar voren is gebracht, is beperkt tot wat in het verzoekschrift is vermeld. Op het punt van de ICT-problemen is dat niet meer dan het hiervoor onder 2.2 geciteerde tekstblok, waarin is vermeld dat de officier van justitie “wegens technische redenen” niet in staat is het verzoekschrift te ondertekenen.
4.58
Uit hetgeen de advocaat van betrokkene ter zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat hij weet dat het OM zichzelf heeft ontkoppeld van het internet. De advocaat spreekt in dit verband van een ICT-verstoring. Dàt sprake is geweest van ICT-problemen, lijkt mij overigens ook wel te beschouwen als een feit van algemene bekendheid. Verder blijkt uit de pleitnota dat de advocaat van betrokkene op de hoogte is van de wijze waarop verzoekschriften op dat moment worden ingediend. De advocaat heeft immers ter zitting als volgt verklaard: [51]
“3. Op 4 augustus jl. heeft “De Rechtspraak”, bericht dat er een praktische manier van werken is voor de resterende duur van de ICT-verstoring, waarbij verzoekschriften per mail zonder handtekening kunnen worden ingediend door het OM. De rechtbank hoeft hierdoor geen administratieve ondersteuning te leveren.
4. Op 6 augustus jl. is het verzoekschrift zonder handtekening van de officier van justitie, zelfs geen digitale handtekening, ingediend.”
4.59
De rechtbank beperkt zich in haar overwegingen met betrekking tot de feitelijke achtergrond van de zaak op het punt van de niet-ondertekening van het verzoekschrift tot de constatering dat sinds een aantal dagen de verzoekschriften van het OM per e-mail worden ingediend, en dat ondertekening daarvan wegens technische redenen niet mogelijk is. [52] De rechtbank legt op deze plaats in haar beschikking niet expliciet het verband met ICT-problemen bij het OM. Mede gelet op hetgeen namens betrokkene dienaangaande ter zitting is aangevoerd (zie hiervoor onder 4.58), is mijns inziens duidelijk dat de context van deze beslissing van de rechtbank wordt gevormd door de ICT-problemen bij het OM.
4.6
De officier van justitie heeft in zijn verweerschrift in cassatie nader aandacht besteed aan deze ICT-problemen, de problemen die als gevolg daarvan rezen in verband met de indiening van verzoekschriften en de werkwijze die vervolgens werd gekozen. In het verweerschrift is hierover het volgende opgemerkt (met weglating van een deel van de voetnoten):
“2.5 Het is – zo blijkt ook uit het verzoekschrift van betrokkene – algemeen bekend dat op 17 juli 2025 het College van procureurs-generaal zich genoodzaakt zag om de digitale omgeving van het OM los te koppelen van het internet, nadat een kwetsbaarheid was gesignaleerd in het ICT-systeem van het OM. Het is – zo blijkt eveneens uit het verzoekschrift van betrokkene – ook algemeen bekend dat deze afsluiting heeft geleid tot grote verstoringen van het contact met het OM. Als gezegd maakte deze afsluiting het onmogelijk om per (beveiligde) mail stukken van ketenpartners te ontvangen en was er ook geen digitale verbinding meer mogelijk met de rechtspraak en het beveiligde elektronische systeem Khonraad, dat onder andere wordt gebruikt voor de verzending van crisismaatregelen aan het OM. Hoewel veel ICT-problemen inmiddels zijn verholpen, werken de gevolgen van de ongekende crisissituatie die op 17 juli 2025 begon nog tot de dag van vandaag door.
2.6
In de eerste dagen na de afsluiting is in afstemming met de rechtspraak een tijdelijke oplossing bedacht waarbij stukken fysiek werden ondertekend en ingediend bij de rechtbank. Deze arbeidsintensieve werkwijze bleek vanwege beperkte scancapaciteit en de vakantieperiode uiteindelijk niet houdbaar voor de griffie van de rechtbank. In overleg met de rechtspraak is toen besloten om vanaf 5 augustus 2025 de verzoekschriften als begeleidende mail bij een doorgestuurd Zivver-bericht in te dienen. In deze externe Zivver-omgeving, die speciaal buiten de ICT-omgeving van het OM toegankelijk was gemaakt, was het niet mogelijk om een (digitale) handtekening te zetten. Daarom spraken het OM en de rechtspraak na onderling overleg af dat in ieder verzoekschrift het hiervóór weergegeven tekstblok zou worden opgenomen. Om de authenticiteit en herkomst van de ingediende verzoekschriften te kunnen verifiëren waren vooraf de e-mailadressen gecommuniceerd waarlangs de verzoekschriften zouden worden verstuurd. Ook was er aan het einde van iedere dag contact tussen het OM en de griffie van de rechtbank over de ingediende verzoekschriften. De rechtspraak heeft de Vereniging van Psychiatrisch Patiëntenrecht Advocaten Nederland op 4 augustus 2025 over deze werkwijze ingelicht, zodat mag worden aangenomen dat (de advocaat in feitelijke instantie van) betrokkene van deze werkwijze en de achtergrond daarvan op de hoogte was. Betrokkene heeft (de achtergrond van) deze werkwijze tijdens de zitting ook met de rechtbank gedeeld.”
4.61
Deze informatie is in eerste aanleg echter niet naar voren gebracht door de officier van justitie en kan in cassatie dus slechts worden meegewogen, voor zover daarvan ook blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting in eerste aanleg. Daarbij heb ik in deze zaak in het bijzonder het oog op de informatie in het tekstblok van de officier van justitie in het verzoekschrift en op de informatie die de advocaat van betrokkene ter zitting heeft meegedeeld over de werkwijze van het OM.
4.62
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten.
4.63
De
kernklacht(hiervoor samengevat weergegeven onder 3.2 en 3.3) van het middel is dat de rechtbank de officier van justitie vanwege het niet-voldoen aan het wettelijke vereiste van ondertekening niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
4.64
Ik meen dat deze klacht slaagt.
4.65
De rechtbank heeft onder ogen gezien dat het verzoekschrift niet is ondertekend en heeft daarbij overwogen dat ondertekening wegens technische redenen niet mogelijk is. Volgens de rechtbank is dit gebrek op voorhand ondervangen doordat onder het verzoekschrift het hiervoor onder 2.2 geciteerde tekstblok is opgenomen. De rechtbank acht het ondertekeningsgebrek daarmee voldoende hersteld en overweegt daartoe:
“Uit deze tekst blijkt helder onder wiens verantwoordelijkheid en met wiens goedkeuring het verzoekschrift is opgesteld. De vermelding van de naam maakt duidelijk door wie het verzoek is ingediend en maakt het ook mogelijk rechtstreeks de betreffende officier van justitie te adiëren ter verificatie, indien nodig. Van strijd met artikel 6 EVRM Pro is geen sprake.”
4.66
Anders dan de rechtbank Rotterdam in haar beschikking van 22 augustus 2025 [53] gaat de rechtbank in de onderhavige zaak ervan uit dat de enkele vermelding van de naam van de officier van justitie in het tekstblok duidelijk maakt door wie het verzoek is ingediend. Verder wordt overwogen dat de vermelding van de naam het ook mogelijk maakt de betreffende officier rechtstreeks te adiëren ter verificatie “indien nodig”. Wanneer dat dan nodig zou kunnen zijn, laat de rechtbank in het midden.
4.67
De beslissing van de rechtbank dat de (enkele) vermelding van de naam in het verzoekschrift duidelijk maakt door wie het verzoek is ingediend, is mijns inziens onjuist en zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Bij Veilig Mailen ontbreken immers waarborgen voor identificatie van de afzender. Daarom schrijft het procesreglement voor dat het via Veilig Mailen ingediende – en getekende – stuk ook nog op papier nagezonden moet worden.
4.68
De rechtbank heeft in deze zaak echter niet kenbaar getoetst of in dat manco betreffende identificatie op andere wijze is voorzien. Dat is het grote verschil met de andere zaak waarin ik vandaag ook concludeer. [54] In die andere zaak heeft de rechtbank Rotterdam namelijk expliciet en voldoende gemotiveerd overwogen dat het OM garanties heeft gegeven dat het verzoekschrift daadwerkelijk door de in het tekstblok genoemde officier van justitie is ingediend. Daarbij overweegt de rechtbank in die andere zaak ook uitvoerig om welke garanties het gaat, te weten de afspraak dat indiening van de verzoekschriften geschiedt vanuit vaste, tevoren opgegeven adressen, dat het OM dagelijks een lijst van ingediende verzoekschriften aan de griffie van de rechtbank stuurt waarmee de rechtbank heeft kunnen vaststellen dat het verzoekschrift daadwerkelijk afkomstig is van het OM en de uitdrukkelijke toezegging van het OM dat elke mail die vanaf bedoeld mailadres wordt verstuurd, verstuurd wordt onder de verantwoordelijkheid van en met de uitdrukkelijk goedkeuring van de officier van justitie, die bij naam in de e-mail is vermeld. Hiermee bestaan naar het oordeel van de rechtbank in die andere zaak voldoende waarborgen over de authenticiteit van het verzoek. Van een dergelijke kenbare toets door de rechtbank van de identiteit van de indiener van het verzoek en de authenticiteit van het verzoekschrift en van een voldoende motivering van haar oordeel daaromtrent is in de onderhavige zaak echter geen sprake.
4.69
Maakt het dan nog uit dat in de onderhavige zaak geen concrete aanknopingspunten zijn aangevoerd waarom het verzoekschrift niet zou zijn ingediend door de daarin genoemde officier van justitie? Mijns inziens niet, zoals ik hierna zal toelichten.
4.7
Uitgangspunt in een geval als hier aan de orde, waarin een verzoekschrift is ingediend dat niet vooraf is ondertekend, is immers dat de rechter de indienende partij in de gelegenheid stelt om dit gebrek te herstellen door binnen een door de rechter te bepalen termijn hetzelfde verzoekschrift waarin het verzuim is hersteld (dus: alsnog voorzien van een handtekening) in te dienen.
4.71
Herstel op een andere wijze, zoals de rechtbank in de onderhavige zaak lijkt aan te nemen, is mijns inziens onder bijzondere omstandigheden ook mogelijk. Maar ook dan moet wel kenbaar voldaan zijn aan de eisen van identificatie van de indiener. Als dat het geval is, heeft de rechter in voorkomend geval ook de ruimte om de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten, ook al is het verzoekschrift niet ondertekend. Dat volgt mijns inziens uit de wetsgeschiedenis van artikel 33 lid 6 Rv Pro, welke bepaling hier van toepassing is [55] en is ook in lijn met de hiervoor aangehaalde uitspraak van 27 maart jl. van de Hoge Raad. [56]
4.72
In dit geval ontbreekt echter de kenbare toets door de rechtbank van de identiteit van de in het verzoekschrift genoemde officier van justitie en daarmee van de authenticiteit van het verzoekschrift. Ook in een dergelijke bijzondere situatie van ongekende ICT-problemen moet de rechtbank deze formele vereisten rond identificatie van de indiener van een verzoekschrift kenbaar in acht nemen. Dat geldt te meer in zaken als de onderhavige, waarbij het gaat om de vraag of en zo ja, in hoeverre kwetsbare persoenen in hun vrijheid mogen worden beperkt.
4.73
Vanwege het voorgaande slaagt de kernklacht van onderdeel 1.
4.74
Uit de toelichting op het onderdeel maakte ik ook nog
overige puntenop (zie de procesinleiding onder 8-9; hiervoor onder 3.4 samengevat weergegeven). Hierbij wordt, kort gezegd, betoogd dat, doordat de officier van justitie geen nadere informatie heeft verstrekt over de (gevolgen van de) ICT-storing, geen beoordeling heeft kunnen plaatsvinden van de vragen hoe en in hoeverre de ICT-storing van invloed is geweest op de behandeling van de onderhavige procedure en evenmin waarom “technische redenen” de ondertekening hebben verhinderd.
4.75
Dit betoog is mijns inziens niet als een afzonderlijke klacht tegen de bestreden beschikking aan te merken. Het springende punt is dat het verzoekschrift niet is ondertekend. De rechtbank neemt in haar beslissing tot uitgangspunt dat het verzoekschrift niet is ondertekend. Dat dit zijn achtergrond hierin had dat de ICT-systemen van het OM zijn afgekoppeld van het net wegens zorgen over de integriteit en veiligheid ervan, zoals uit de bestreden beschikking voortvloeit, is in cassatie niet bestreden.
4.76
De advocaat van betrokkene heeft bij de rechtbank niet aangevoerd dat ontoelaatbaar onduidelijk was welke andere gevolgen de ICT-problemen voor de onderhavige procedure hebben gehad. Het onderdeel maakt ook niet duidelijk op welke mogelijke andere gevolgen het daarbij het oog heeft.
4.77
Nu de kernklacht van onderdeel 1 slaagt, slaagt het onderdeel.

5.Onderdeel 2

5.1
Onderdeel 2komt op tegen de verwerping door de rechtbank van het verweer dat het verzoekschrift een dag te laat is ingediend.
5.2
De klachten van dit onderdeel spitsen zich toe op het moment waarop de burgemeester een afschrift van zijn beslissing tot het nemen van een crisismaatregel en de afgegeven medische verklaring heeft verzonden aan de officier van justitie en daarmee ook op het moment waarop die stukken door laatstgenoemde zijn ontvangen. Het moment van ontvangst van de stukken is bepalend voor de termijn waarbinnen de officier van justitie zijn verzoekschrift voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel moet indienen. Artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro bepaalt immers dat de officier van justitie het verzoekschrift uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van de genoemde stukken indient bij de rechter.
Voor de beoordeling van dit onderdeel kan echter in het midden blijven op welke datum de burgemeester de genoemde stukken aan de officier van justitie heeft verzonden en op welke datum de officier van justitie de stukken heeft ontvangen. Ik ben namelijk van oordeel dat de klachten van dit onderdeel hoe dan ook niet kunnen slagen, zoals ik hierna zal toelichten.
5.3
Bij de bespreking van de klachten van dit onderdeel stel ik het volgende voorop.
De rol van de burgemeester
5.4
Op grond van artikel 7:1 lid 1 Wvggz Pro kan de burgemeester een crisismaatregel nemen. De burgemeester bepaalt de geldigheidsduur van die maatregel, die ten hoogste drie dagen bedraagt (art. 7:4 lid 1 Wvggz Pro).
5.5
Na het nemen van een crisismaatregel dient de burgemeester
onverwijldeen afschrift van deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende medische verklaring te zenden aan – onder meer – de officier van justitie (art. 7:2 lid 2 Wvggz Pro). [57]
Termijn voor indienen verzoekschrift tot voortzetting crisismaatregel
5.6
Na ontvangst van de stukken als bedoeld in artikel 7:2 lid 2 Wvggz Pro is het vervolgens aan de officier van justitie om te beoordelen of de crisismaatregel moet worden voortgezet. Voor die beoordeling en het vervolgens indienen van een verzoekschrift voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel heeft de officier van justitie niet veel tijd: het verzoekschrift moet uiterlijk de dag na de datum van ontvangst van de genoemde stukken worden ingediend, niet zijnde een zaterdag, zondag of feestdag. Artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro bepaalt in dit verband (mijn onderstreping):
Indien de officier van justitie na ontvangst van de in artikel 7:2, tweede lid, bedoelde bescheiden van oordeel is dat ten aanzien van betrokkene de grondslag voor het nemen van een crisismaatregel, bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, aanwezig is, dient hij
uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van deze stukken die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag als bedoeld in de Algemene termijnenwet is,bij de rechter een verzoekschrift in voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor betrokkene.
Het belang van de termijnen van artikelen 7:2 lid 2 en 7:7 lid 1 Wvggz
5.7
In de wetsgeschiedenis van de Wvggz wordt de achtergrond van de door artikel 7:2 lid 2 Wvggz Pro vereiste onverwijlde toezending van de stukken door de burgemeester aan de officier en de uiterlijke indieningstermijn van het verzoekschrift een dag na ontvangst van die stukken door de officier van justitie van artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro niet nader toegelicht. [58]
5.8
De Krankzinnigenwet en de Wet Bopz bevatten een regeling met betrekking tot de inbewaringstelling, de voorloper van de huidige crisismaatregel. Die regelingen bevatten grotendeels met de Wvggz vergelijkbare voorschriften voor de (voortzetting) van een inbewaringstelling, zo ook met betrekking tot de termijnen van de artikelen 7:2 lid 2 en 7:7 lid 1 Wvggz. [59] Uit de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7:7 Wvggz Pro in de tweede nota van wijziging blijkt dat de procedure van de artikelen 7:7 Wvggz tot en met 7:10 Wvggz overeenkomt met de procedure voor een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling onder de Wet Bopz. [60]
5.9
Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Krankzinnigenwet volgt dat de verplichting van de burgemeester om (onder anderen) de officier van justitie onverwijld in te lichten over de last tot inbewaringstelling gelegen is in het belang van de officier daarbij omdat de officier “dient te waken voor de bescherming der vrijheid van de burgers (…) en in het bijzonder omdat hij mogelijk een machtiging zal wensen te vorderen (…)”. [61]
5.1
Uit de tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel voor de Wet Bopz is door de wetgever toegelicht dat de tijdslimieten worden gesteld aan de burgemeester, officier van justitie en de rechter om “te bevorderen dat de noodzaak tot het gedwongen verblijf van de betrokken patiënt in het (psychiatrisch) ziekenhuis zo spoedig mogelijk door de rechter wordt vastgelegd”. [62]
5.11
Ik neem op grond van het voorgaande aan dat ook de termijnen van het samenstel van de artikelen 7:2 lid 2 en 7:7 lid 1 Wvggz zijn ingegeven door het belang van een betrokkene bij het spoedig voorleggen aan en de beoordeling door de rechter van een verzoek tot voorzetting van de crisismaatregel. Ook dienen deze termijnen het specifieke, processuele belang van de officier van justitie in de procedure rondom de voortzetting van een crisismaatregel dat deze een eventueel verzoek om voortzetting in kan dienen binnen drie dagen na het nemen van de crisismaatregel, dus voordat die crisismaatregel vervalt. Daarbij is de officier immers deels afhankelijk van de voortvarendheid waarmee de burgemeester hem de stukken toezendt. Dit wordt ook zo in de literatuur begrepen. [63]
Sanctie op overschrijding van de termijnen van artikelen 7:2 lid 2 en 7:7 lid 1 Wvggz?
5.12
Omdat de termijnen van de artikelen 7:2 lid 2 en 7:7 lid 1 Wvggz aldus met elkaar samenhangen, wordt in het hiernavolgende niet alleen ingegaan op termijnoverschrijding door de officier van justitie maar ook op de gevolgen van overschrijding van de eis van onverwijlde toezending door de burgemeester aan de officier van justitie.
5.13
De Wvggz bevat geen sanctie voor overschrijding van deze termijnen. Ook in de wetsgeschiedenis van de Wvggz zijn voor een dergelijke sanctie geen aanknopingspunten te vinden. Een sanctie volgt ook niet uit de rechtspraak van de Hoge Raad onder de Wvggz.
5.14
Wel heeft de Hoge Raad in 2020 geoordeeld dat niet-naleving van de verplichting van de burgemeester om onverwijld afschrift van zijn beslissing tot het nemen van de crisismaatregel en de medische verklaring te verzenden [64] de rechtmatigheid van de genomen crisismaatregel niet aantast, omdat schending van dit vormvoorschrift niet een fout oplevert bij de beoordeling van de vraag of ten aanzien van de betrokkene is voldaan aan de vereisten voor het kunnen nemen van een crisismaatregel (art. 7:1 lid 1 Wvggz Pro). [65] Bij schending van deze verplichting kan op grond van artikel 10:12 lid 1 Wvggz Pro wel een schadevergoeding worden toegekend, aldus de Hoge Raad.
5.15
In twee uitspraken onder de Krankzinnigenwet uit 1987 en 1989 oordeelde de Hoge Raad dat vertraging in het zenden van de stukken met betrekking tot een inbewaringstelling van de burgemeester naar het OM en van het OM naar de rechtbank niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, en dat het verzoek om de voortzetting van de inbewaringstelling inhoudelijk beoordeeld kon worden. [66] In beide zaken voegde de Hoge Raad daaraan toe dat met de termijnoverschrijding wel rekening kan worden gehouden bij het bepalen van de termijn van de voortzetting, en dat de termijnoverschrijding ook zou kunnen leiden tot afwijzing van de vordering, voor zover de omvang van de termijnoverschrijding daartoe aanleiding zou geven.
5.16
Ook onder de Wet Bopz volgde de Hoge Raad deze lijn door de te late indiening van het verzoekschrift te verdisconteren in de duur van de machtiging tot voortzetting. In een beschikking uit 2016 oordeelde de Hoge Raad als volgt: [67]
“3.5.1 Indien de officier van justitie na ontvangst van de in art. 25 lid 2 Wet Pro Bopz bedoelde bescheiden van oordeel is dat er grond is voor voortzetting van de inbewaringstelling, doet hij uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van deze bescheiden die niet is een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet, een verzoek aan de rechtbank tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Pro Bopz). De datum van ontvangst ter griffie van de rechtbank is bepalend voor het antwoord op de vraag of het verzoekschrift door de officier van justitie tijdig is ingediend. Nu het onderhavige verzoekschrift eerst op maandag 23 november 2015 ter griffie van de rechtbank is binnengekomen (…), terwijl de officier van justitie de in art. 25 lid 2 Wet Pro Bopz bedoelde bescheiden reeds op donderdag 19 november 2015 had ontvangen (…), is het verzoekschrift een dag te laat ingediend. De klacht is derhalve gegrond. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
3.5.2
De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend voor een periode van drie weken. Nu de looptijd van de machtiging is verstreken, zal de Hoge Raad de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarin de verzochte machtiging is verleend voor de volle periode van drie weken als bedoeld in art. 30 Wet Pro Bopz in plaats van voor een periode van drie weken min een dag. (vgl. HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:842,
NJ2015/218).”
5.17
Samengevat: in de wet en wetsgeschiedenis ontbreekt een grondslag voor de door betrokkene voorgestane sanctie van niet-ontvankelijkheid (of afwijzing) bij overschrijding door de officier van justitie van de termijn voor indiening van het verzoekschrift van artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro. Bovendien volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad onder de Krankzinnigenwet en de Wet Bopz juist dat deze overschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid.
5.18
Wel zou gedacht kunnen worden aan het verdisconteren van de te late indiening van het verzoekschrift in de duur van de machtiging tot voortzetting door deze duur te bekorten met het aantal dagen van de termijnoverschrijding (vgl. hiervoor onder 5.16). Hoewel artikel 7:9 Wvggz Pro (net als zijn voorloper art. 30 Wet Pro Bopz) bepaalt dat de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel een geldigheidsduur van drie weken heeft – hetgeen dus geen
maximaleduur is, maar een vaste duur – is in dit geval dus wel bekorting van de duur denkbaar. [68]
Indienen verzoek voor verval van de crisismaatregel
5.19
In het kader van het indienen van zijn verzoekschrift heeft de officier van justitie ook rekening te houden met de vervalregeling van artikel 7:5, aanhef en onder a, Wvggz. Krachtens deze bepaling vervalt de crisismaatregel, indien de geldigheidsduur (van ten hoogste drie dagen) is verstreken, tenzij de officier van justitie voordat de geldigheidsduur is verstreken een verzoekschrift voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel bij de rechter heeft ingediend, in welk geval de crisismaatregel vervalt als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de beslistermijn van uiterlijk drie dagen na ontvangst van het verzoekschrift, als bedoeld in artikel 7:8 lid 3 Wvggz Pro.
5.2
De consequentie van niet-naleving van de termijnen van artikel 7:2 lid 2 Wvggz Pro (door de burgemeester) en/of artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro (door de officier van justitie) is dus mogelijk dat de officier van justitie een verzoekschrift voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel pas indient wanneer deze al is vervallen door het verstrijken van de geldigheidsduur van ten hoogste drie dagen (art. 7:5, aanhef en onder a, Wvggz).
5.21
De Wvggz bevat geen sanctie voor een na verval van de crisismaatregel ingediend verzoekschrift voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. De Hoge Raad heeft zich over de vraag of dit leidt tot niet-ontvankelijkheid nog niet hoeven uitlaten. In de literatuur wordt bepleit dat het verval van een crisismaatregel door het verstrijken van de geldigheidsduur in geval van een te laat ingediend verzoek van de officier van justitie of het verstrijken van de beslistermijn van de rechter, betekent dat geen machtiging tot
voortzettingvan de crisismaatregel kan worden verleend, omdat er dan geen crisismaatregel meer is die kan worden voortgezet, zodat niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie of afwijzing in een dergelijk geval in de rede ligt. [69] Ik deel deze opvatting.
Resumerend
5.22
Ik meen dat overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro door de officier van justitie niet tot gevolg heeft dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn verzoek voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. Van niet-ontvankelijkheid zou mijns inziens slechts sprake zijn, indien de overschrijding van de termijn ertoe leidt dat het verzoek wordt ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van de crisismaatregel, waardoor deze is vervallen en dus niet meer van voortzetting ervan sprake kan zijn.
5.23
Zou de consequentie van overschrijding van de termijn van artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro wel tot gevolg hebben dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is, dan zou dat kunnen leiden tot de situatie waarin de officier van justitie al niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot voortzetting, terwijl de geldigheidsduur van de voort te zetten crisismaatregel nog niet is verstreken. Die crisismaatregel zal dan zonder voortzetting vervallen na het verstrijken van de geldigheidsduur. Als toch nog een crisismaatregel nodig is, zal een nieuwe crisismaatregel genomen moeten worden, waarna voortzetting van die tweede crisismaatregel verzocht kan worden. Gelet op de spoedeisende aard van de procedure rondom het nemen van een crisismaatregel en de voortzetting daarvan, het belang van een betrokkene bij zo snel mogelijke duidelijkheid over zijn rechtspositie, en de hoge druk die al ligt op de psychiatrische zorg (en de rechterlijke macht) acht ik dat een zeer onwenselijke, vertragende consequentie en bovendien een onwenselijke stapeling van maatregelen.
5.24
Kortom: overschrijding van de termijn van artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van de officier in zijn verzoek voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, in ieder geval niet zolang dit verzoek wordt ingediend voordat de crisismaatregel is vervallen door het verstrijken van de geldigheidsduur van maximaal drie dagen. Het bekorten van de geldigheidsduur van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel met het aantal dagen van de termijnoverschrijding is wel mogelijk. Verder kan op grond van artikel 10:12 lid 3 Wvggz Pro schadevergoeding worden gevraagd wegens de termijnoverschrijding bij het indienen van het verzoek. [70]
5.25
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten van
onderdeel 2.
5.26
Vast staat dat de crisismaatregel is genomen op 4 augustus 2025 met een geldigheidsduur van drie dagen en dat het verzoek door de officier van justitie is ingediend op 6 augustus 2025, dus voor het verstrijken van de geldigheidsduur (art. 7:5, aanhef en onder a, Wvggz). Voor zover dus al sprake is geweest van overschrijding van de termijn van artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro door indiening van het verzoek op 6 en niet op 5 augustus 2025, heeft dit hoe dan ook niet het gevolg dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel. Op de enkele overschrijding van de termijn van artikel 7:7 lid 1 Wvggz Pro staat immers niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid. Slechts wanneer het verzoek wordt ingediend nadat de crisismaatregel is vervallen door het verstrijken van de geldigheidsduur van maximaal drie dagen, is niet-ontvankelijkheid aan de orde. Van die situatie is in deze zaak geen sprake. Hierop stuiten de klachten van het tweede onderdeel af.

6.Onderdeel 3

Onderdeel 3 bevat de voortbouwklacht dat, in geval van het slagen van een of beide voorgaande onderdelen, het oordeel van de rechtbank dat het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel wordt ingewilligd, niet in stand kan blijven en dat de beschikking vernietigd moet worden. Nu onderdeel 1 slaagt, slaagt in het voetspoor daarvan ook onderdeel 3.

7.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Naast deze twee zaken waarin het verzoekschrift niet is ondertekend, zijn er in ieder geval nog twee zaken waarin de ICT-problemen bij het OM een rol spelen (25/04180 en 25/04403). In deze andere zaken gaat het erom, voor zover hier van belang, dat bepaalde stukken niet bij het verzoekschrift waren gevoegd. In deze zaken zal nog conclusie worden genomen.
2.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 1, onderaan: “Ik heb allereerst een juridisch punt.
3.Krachtens art. 7:7 Wvggz Pro wordt het verzoekschrift voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel door de officier van justitie en niet door het Openbaar Ministerie (OM) ingediend. De rechtbank verklaart echter het OM ontvankelijk in zijn verzoek.
4.ECLI:NL:RBDHA:2025:15797. De rechtbank heeft de beslissing dat het openbaar ministerie ontvankelijk wordt verklaard in het dictum vermeld.
5.In de procesinleiding wordt mijns inziens in dit verband dus ten onrechte ook naar art. 43 lid 2 Rv Pro verwezen. Zie ook
6.Zie o.a. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012,
7.Niettemin gold ook onder het oude recht al dat een verzoekschrift ondertekend moest zijn; zie bijvoorbeeld HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0778,
8.Zie
9.Zie hierover F.P.A. Dondorp,
10.Vgl. in verband met ondertekening van een onderhandse akte HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6698,
11.Vgl. vaste rechtspraak in het kader van de medische verklaring; o.a. HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1143,
12.Vgl. ook A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, art. 278 Rv Pro, aant. 7b (actueel t/m 15 februari 2026), waar is opgemerkt dat artikel 278 lid 3 Rv Pro aldus mag worden verstaan dat het verzoekschrift wordt ondertekend door – kort gezegd – degene die bevoegd is het verzoekschrift in te dienen of, in voorkomend geval, aan de voorzieningenrechter ter hand te stellen.
13.Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in de onderhavige zaak gold de versie van juli 2025,
15.En de regels van het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT Rechtspraak.
16.Zie de NvT bij het Bep,
17.Zie de NvT bij het Bep,
18.En ook het Centrum Indicatiesteling Zorg (CIZ) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
19.Het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ is in artikel 2.3 onder h van het procesreglement gedefinieerd als ‘de beveiligde digitale omgeving waarin belanghebbenden, advocaten en andere (professionele) gemachtigden toegang hebben tot het digitale systeem van de rechtbank en het digitale dossier’ en het begrip ‘Aansluitpunt Rechtspraak – Digitale Toegankelijkheid’ in artikel 2.3 onder a als ‘het koppelvlak bestemd voor digitaal verkeer tussen systemen van partijen dan wel hun advocaten of gemachtigden en de rechtbank’.
20.De definitie in artikel 2.3 onder a van het procesreglement van het ‘Aansluitpunt Rechtspraak - Digitale Toegankelijkheid’ als ‘het koppelvlak bestemd voor digitaal verkeer tussen systemen van partijen dan wel hun advocaten of gemachtigden en de rechtbank’ duidt hier al op. Zie daarnaast ook het Basisplan digitalisering civiel recht en bestuursrecht (reset digitalisering KEI), p. 10.
21.Zie ook aldus de NvT bij het Bep,
22.NvT bij het Bep,
23.Zie de NvT bij het Bep,
24.Zie over de toepassing van artikel 3:15a BW in verband met de geneeskundige verklaring die vereist was voor een machtiging tot voortgezet verblijf onder de Wet Bopz HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:957,
25.Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (
26.Zie
27.Zie art. 2.2 Procesreglement Wvggz en Wzd.
28.De NvT bij het Bep,
29.De NvT bij het Bep,
30.Zie bijvoorbeeld rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3251,
31.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3251,
32.https://www.rechtspraak.nl/veilig-mailen-met-de-rechtspraak, voor het laatst geraadpleegd op 14 juli 2026.
33.Zie aldus A-G De Bock in haar conclusie van 28 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1305, onder 3.9, voor HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:514,
34.De NvT bij het Bep,
35.Vgl. art. 281 Rv Pro, dat wel uitdrukkelijk voorziet in een herstelmogelijkheid voor het geval het verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend.
36.Zie o.m. E.L. Schaafsma-Beversluis, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 278 Rv Pro, aant. 15 (actueel t/m 1 maart 2024).
38.Zie
39.Zie
40.Zie aldus T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 33 Rv Pro, aant. 10 (actueel t/m 14 juli 2025), met verwijzing naar HR 29 september 2017,
42.Zo ook A-G De Bock in voetnoot 32 van haar hiervoor aangehaalde conclusie van 28 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1305, voor HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:514,
43.Met dien verstande dat in het geval van vrijwillig elektronisch procederen (elektronisch procederen op vrijwillige basis) het op papier indienen van het
45.HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:514,
46.De ICT-problemen bij het OM speelden immers in de zomer van 2025.
47.De officier van justitie heeft in zijn verweerschrift in cassatie (onder 2.6, voetnoot 10) vermeld dat aannemelijk is dat in de periode van 5 augustus 2025 tot en met 20 augustus 2025, waarin volgens de officier van justitie de in deze procedure gevolgde werkwijze met het tekstblok werd gehanteerd, ongeveer 1.000 tot 1.100 verzoekschriften zijn ingediend.
48.Rechtbank Rotterdam 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:10500. Dit is de uitspraak waaraan de advocaat van betrokkene in de pleitnota in de onderhavige zaak refereert; zie hiervoor onder 2.4. Deze uitspraak was aanvankelijk niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, maar dat is op mijn verzoek recent alsnog gedaan.
49.ECLI:NL:RBROT:2025:13669. Dit betreft de zaak met het nummer 25/04253, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
50.Aldus blijkt uit het in cassatie overgelegde inleidend verzoekschrift.
51.Zie hiervoor onder 2.4.
52.Zie hiervoor onder 2.5.
53.Rechtbank Rotterdam 22 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13669. Dit betreft de zaak met het nummer 25/04253, waarin ik vandaag eveneens concludeer. Zie hiervoor onder 4.45.
54.Zie de vorige voetnoot.
55.Het verzoekschrift is ingediend na 1 juli 2025.
56.HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:514,
57.Op grond van art. 7:2 lid 2 Wvggz Pro moet de beslissing ook worden toegezonden aan betrokkene, de advocaat, de geneesheer-directeur, de inspectie en, voor zover aanwezig, de vertegenwoordiger en de gezinsvoogdijwerker.
58.De eerdere versie van art. 7:2 bevatte Pro het vereiste dat de burgemeester “spoedig” moest overgaan tot toezending van de stukken. De vervanging van “spoedig” door “onverwijld” is, blijkens de Vierde Nota van Wijziging een onderdeel van de ‘wetstechnische en redactionele verbeteringen’, die niet nader is toegelicht. Zie
59.De inbewaringstelling was onder de Krankzinnigenwet neergelegd in de artikelen 35b tot en met 35j. In de Wet Bopz was een en ander neergelegd in de artikelen 20 tot en met 31.
63.R.H. Zuijderhoudt en I.H. Ploos van Amstel,
64.En ook het niet-nakoming van de verplichting van de burgemeester om binnen 24 uur na het nemen van de crisismaatregel zorg te dragen voor bijstand door een advocaat (art. 7:2 lid 3 Wvggz Pro).
65.HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, r.o. 4.4 en HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1807,
66.HR 24 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5578,
67.HR 27 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:997,
68.Zie bijv. rechtbank Noord-Nederland 29 mei 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4830.
69.Zie de annotatie van W.J.A.M. Dijkers bij HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1724 in
70.Vgl. HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, r.o. 4.4 en HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1807,