Conclusie
[eiser])
Cumberland)
1.Feiten
arrestrespectievelijk het
hof).
Megalim).
Fortis) een recht van hypotheek verkregen op de toenmalige woning van [eiser] tot een bedrag van € 1.400.000,-, te vermeerderen met rente en kosten. In de hypotheekakte zijn de Algemene voorwaarden van hypotheekverlening van Fortis van toepassing verklaard, alsmede de Algemene kredietvoorwaarden van Fortis en de Algemene voorwaarden van Fortis.
ABN AMRO) en Megalim. Uit hoofde van deze overeenkomst heeft ABN AMRO een krediet in rekening-courant verstrekt aan Megalim van in totaal € 22.940.000,-.
Stack NewCo). Vervolgens heeft Stack NewCo op 5 juli 2017 de vordering van ABN AMRO op Megalim gecedeerd aan Cumberland.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank). [2] Met haar vorderingen vroeg Cumberland de rechtbank - samengevat, en na vermindering van eis - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
CvA). Met zijn reconventionele vorderingen vroeg [eiser] de rechtbank - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
CvA i.r.).
vonnis) [4] heeft de rechtbank, samengevat: in conventie de vordering onder I toegewezen, de vordering onder II afgewezen en [eiser] veroordeeld in de proceskosten; en in reconventie de vorderingen afgewezen en [eiser] veroordeeld in de proceskosten.
MvG). Daarin heeft [eiser] gevorderd, samengevat: dat het vonnis zowel in conventie als in reconventie wordt vernietigd; dat in conventie de vorderingen van Cumberland alsnog worden afgewezen; en in reconventie om:
MvA). Zij heeft in principaal hoger beroep verzocht om de grieven van [eiser] te verwerpen en in incidenteel hoger beroep verzocht om het vonnis te vernietigen voor zover het zag op de afwijzing van haar vordering onder II. Cumberland heeft die vordering verder vermeerderd door ook te vragen om afgifte van de belastingaangifte over het jaar 2022 en subsidiair gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld om de deurwaarder een gedetailleerd en met bewijsstukken gestaafde opgave van zijn inkomen vanaf 2019 te geven (inclusief door hem sindsdien genoten dividenden).
p-v).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
rechtsklachtover art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW (zie onder 3.3.1-3.3.3 hiervoor).
of het voldoende duidelijk was voor [eiser] en de vennootschap [Megalim, A-G] dat zijn vordering was afgesplitst naar de nieuwe vennootschapen (2) stellingen die verder gaan en zien op de geldigheid van de afsplitsing als zodanig, zoals de stelling dat niet is voldaan aan het publicatievereiste. U houdt mij voor dat dat laatste erop zou wijzen dat [eiser] het standpunt inneemt dat de splitsing volledig onderuit wordt gehaald en vraagt mij of dat inderdaad het standpunt is? Ik heb inmiddels begrepen dat er publicatie in Trouw heeft plaatsgevonden, dus mijn eerdere stelling dat dat niet is gebeurd, is onjuist.
U vraagt mij hierop of het [eiser] alleen gaat om zijn eigen positie (en de positie van Megalim) bij de splitsing in die zin [dat] de vermelding in het splitsingsvoorstel en de splitsingsakte onvoldoende duidelijk is. Ja, het klopt dat grief 1A hierop betrekking heeft.”
de vordering van ABN AMRO op Megalimop
voor Megalim/[eiser]voldoende duidelijke wijze vermeldt.
nietwordt bestreden.
de vordering van ABN AMRO op Megalimop
voor Megalim/[eiser]voldoende duidelijke wijze vermeldt. Bovendien redeneert het hof (ook) daar dus niet vanuit enig zuiver ‘intern codenummer’ (BCBD-nummer), zie onder 3.13.5 hiervoor. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.
rechtsklachtover art. 2:334s BW (zie onder 3.3.4 hiervoor).
motiveringsklacht(zie onder 3.3.5 hiervoor).
Daarnaastheeft [eiser] gesteld dat hij, indien hij tijdig op de hoogte was, met succes bezwaar had kunnen maken, omdat de splitsing niet aan de eisen voldeed. Rechtens onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is dus het oordeel van het hof in rov. 4.8 dat [eiser] “te weinig heeft gesteld dat hij als borg redelijkerwijs bezwaar zou hebben kunnen maken”.
klacht a.
klacht b.
waaromhet hof diens verwerping van dit betoog van [eiser] nog weer nader had moeten motiveren dan het doet in rov. 4.12-4.13. [45] Dát het hof die verwerping nader had moeten motiveren, valt zonder meer ook niet in te zien. Als de klacht veronderstelt dat het hof in rov. 4.12-4.13 niet respondeert op dit betoog van [eiser], ontbeert zij feitelijke grondslag in het arrest.
klacht a. Naar het hof vooropstelt in rov. 4.14 rust in dit geval op [eiser] de bewijslast (met bijbehorende stelplicht) dat de daar bedoelde art. 6:228 lid Pro 1, aanhef en onder b BW-situatie zich voordoet, oftewel van de feiten die zo’n dwaling opleveren. [49] Het probleem dat het hof signaleert in rov. 4.15 is dat dit dwalingsberoep van [eiser] reeds erop vastloopt dat hijzelf dienaangaande überhaupt onvoldoende feiten heeft gesteld, onder meer wat betreft hetgeen Fortis ter zake wist of behoorde te weten. Daarbij betrekt het hof het verweer van Cumberland, dat insluit dat Fortis - gegeven de door Cumberland uiteengezette gang van zaken - niet wist of behoorde te weten dat [eiser] de bijsluiter met voorlichting over de risico’s van borgstelling niet had ontvangen of dat [eiser] die risico’s niet kende. [50] Hierop loopt de klacht reeds stuk.
klacht b. Deze is niet eenvoudig te doorgronden. De redenering is kennelijk dat Fortis jegens [eiser] een zorg- of informatieplicht heeft geschonden, wat dan weer als consequentie zou hebben dat Fortis wist of behoorde te weten dat [eiser] aldus de borgtochtovereenkomst sloot op basis van onvolledige en voor [eiser] essentiële informatie. Wat daarvan verder zij: dit “kader” speelt niet in de onderhavige zaak, nu het hof nergens in het arrest ervan uitgaat dat Fortis jegens [eiser] een zorg- of informatieplicht heeft geschonden, wat in cassatie ook niet (met vrucht) wordt bestreden. Zou de klacht moeten worden bezien in verbinding met klacht c (duidelijk is het allemaal niet), dan baat dit de klacht evenmin gelet op het volgende.
klacht c. Het daarin bedoelde Hoge Raad-arrest uit 2016, waar de klacht om draait, is toegesneden op de invulling van de bijzondere zorgplicht van een bank als professionele kredietverstrekker jegens een bepaalde persoon als
particuliereborg. [51] In de onderhavige zaak gaat het evenwel om een
niet-particuliere borg. Als het hof aankomt bij rov. (4.14 en) 4.15 heeft het immers al ongegrond bevonden de stelling van [eiser] dat hij als particuliere borg moet worden aangemerkt (zie rov. 4.12-4.13), welk oordeel in cassatie zonder vrucht is bestreden. [52] De rechtsopvatting die de klacht voor een geval als het onderhavige leest in voornoemde Hoge Raad-arrest ligt derhalve niet besloten in dit arrest, en vindt m.i. ook overigens geen steun in het recht (zie ook onder 3.54-3.60 hierna). Bovendien veronderstelt de klacht dat Fortis jegens [eiser] een zorg- of informatieplicht heeft geschonden, maar nergens in het arrest gaat het hof daarvan uit, wat in cassatie ook niet (met vrucht) wordt bestreden. Dit een en ander is al fataal voor de klacht: de daarin bedoelde onjuiste rechtsopvatting van het hof doet zich in werkelijkheid niet voor.
klacht d. Zij legt niet uit waarom sprake zou zijn van een onvoldoende (begrijpelijke) motivering van het hof in rov. 4.15. Overigens valt zonder meer ook niet in te zien dat het hof diens oordeel in rov. 4.15 nog weer nader had moeten motiveren. Daarmee valt reeds het doek voor de klacht.
dezeprocedure pretendeert en vordert. [63]
daarvoorborg heeft gesteld. Wat telt, is wat met het partijdebat in de onderhavige zaak op grond van art. 149 en Pro 150 Rv is komen vast te staan. Daarbij is de borg dus niet gebonden aan wat in een procedure tussen derden is geoordeeld, maar aan wat er aan vordering in deze procedure is vast komen te staan.
Reeds geïncasseerde bedragen
klacht a. Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest, want het hof oordeelt in het bestreden oordeel - in het bijzonder rov. 4.20, tweede zin - niet dat in de onderhavige zaak gezag van gewijsde (art. 236 lid 1 Rv Pro) toekomt aan het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 15 juli 2020 en [eiser] uit dien hoofde gebonden is aan het vonnis. [68] Nee, het hof gaat hier ervan uit dat in de onderhavige zaak als feit vaststaat dat bij voornoemde vonnis Megalim is veroordeeld tot betaling van € 10.000.000,- aan Cumberland. Daarmee herhaalt het hof de feitenvaststelling in rov. 3.2 onder (vii), eerste zin, [69] een van de reeds door de rechtbank in het vonnis vastgestelde feiten waarover tussen partijen geen geschil bestaat zodat ook het hof van deze feiten uitgaat (zie rov. 3.1). Overigens blijkt ook uit het partijdebat in hoger beroep dat [eiser] en Cumberland het erover eens zijn dat op grond van voornoemde vonnis Megalim per 15 juli 2020 nog een bedrag van € 10.000.000,- aan Cumberland moet betalen. [70]
klacht b. Zij strandt in lijn met klacht a. Eenmaal aangekomen bij grief 1D van [eiser], die het hof dus behandelt in rov. 4.19-4.21, is gegeven dat [eiser] op grond van de borgtochtovereenkomst borg staat voor hetgeen Megalim verschuldigd is aan Cumberland. Want dan heeft het hof grief 1A (“Rechtsgeldige splitsing?”), grief 1B (“Dwaling?”) en grief 1C (“Uitleg borgtochtovereenkomst”) van [eiser] al verworpen, en onderdeel van ’s hofs feitenvaststelling is dat [eiser] de borgtochtovereenkomst heeft gesloten (zie rov. 3.2 onder (iii)). Iets meer of anders brengt het hof m.i. niet tot uitdrukking met rov. 4.20, derde zin. In het bijzonder staat daar niet dat gezien voornoemde vonnis in de onderhavige zaak vaststaat dat, behoudens na 15 juli 2020 aan Cumberland gedane betalingen, [71] de vordering van Cumberland op [eiser] als borg € 10.000.000,- beloopt. Het is niet voor niets dat het hof verderop in rov. 4.20 (zie de laatste twee zinnen) duidelijk maakt te hebben onderzocht of, gelet op het partijdebat in de onderhavige zaak, hier van een lager bedrag dan € 10.000.000,- moet worden uitgegaan. [72] Daaraan doet niet af dat het hof die vraag gemotiveerd ontkennend beantwoordt. Kortom, de klacht strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
klacht c. Voor zover zij voortbouwt op klacht b (“Dit klemt temeer”, etc.), die dus faalt, deelt de klacht in het lot daarvan. Ook overigens strandt de klacht, gelet op het volgende. Het hof oordeelt in rov. 4.20, vierde zin dat, gegeven het vaststaan in de onderhavige zaak (i) dat bij voornoemde vonnis Megalim is veroordeeld tot betaling van € 10.000.000,- aan Cumberland en (ii) dat [eiser] op grond van de borgtochtovereenkomst borg staat voor hetgeen Megalim verschuldigd is aan Cumberland, zonder meer niet valt in te zien (“Het valt niet goed te begrijpen”, etc.) waarom op dit bedrag van € 10.000.000,- nog betalingen van vóór 15 juli 2020 in aftrek zouden moeten worden gebracht. Ik wees er al op dat het hof nog onderzoekt of, gelet op het partijdebat in de onderhavige zaak, hier van een lager bedrag dan € 10.000.000,- moet worden uitgegaan (zie onder 3.67 hiervoor). Daarbij wijst het hof erop dat [eiser] daarvoor zelfs “geen enkel aanknopingspunt” heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van zo’n aanknopingspunt [73] wel tot zijn mogelijkheden zou moeten behoren als bestuurder en enig aandeelhouder van hoofdschuldenaar Megalim; het gaat dus niet enkel om gegevens die tot het domein van Cumberland behoren. Daarmee komt het hof tot verwerping van grief 1D, waarmee [eiser] heeft aangevoerd dat de bedragen die Cumberland vóór 15 juli 2020 heeft geïncasseerd in mindering moeten worden gebracht op de vordering die Cumberland op hem heeft. Kortom, [eiser] heeft dit verweer onvoldoende gemotiveerd. Dit acht ik onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
klacht d. Zij strandt in het voetspoor van de klachten a t/m c. Kort en goed: het hof oordeelt in rov. 4.20-4.21 niet dat [eiser] in beginsel gebonden is aan voornoemde vonnis, gewezen tussen Megalim en Cumberland in een procedure waarin [eiser] geen partij was. En: evenmin valt in te zien dat in de onderhavige zaak Cumberland haar vordering op [eiser] onvoldoende zou hebben onderbouwd. Dit behoeft geen verdere toelichting.
klacht e. Voor de stelling dat [eiser] heeft aangevoerd dat de door Cumberland geproduceerde stukken niet inzichtelijk maken welke zekerheden zijn uitgewonnen en voor welke bedragen, verwijst de klacht slechts naar “MvG rnr. 54-61”. Dit komt neer op de gehele grief 1D van [eiser], inclusief toelichting. Ik lees in de MvG, nrs. 54-61 zelfs nog geen begin van zo’n stelling. Dat het hof dit blijkens rov. 4.19-4.21 evenmin doet, is dan geenszins onbegrijpelijk. [82] Zonder meer, en dat meerdere ontbreekt in de klacht, valt niet in te zien waarom het hof niet kon oordelen, zoals het doet, dat Cumberland in de onderhavige zaak haar vordering op [eiser] voldoende heeft onderbouwd. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht. Voor zover de klacht moet worden gelezen in samenhang met klacht f geldt dat laatstgenoemde klacht evenmin succes boekt, gelet op het volgende.
klacht f. De stellingname van [eiser] waarop de klacht doelt, dus in de MvG, nrs. 57-59, culmineert erin dat in de procedure tussen Megalim en Cumberland niet is komen vast te staan hoe Cumberlands toegewezen vordering van € 10.000.000,- op Megalim is opgebouwd/gespecificeerd en evenmin in hoeverre betalingen vóór 15 juli 2020 daarin zijn verdisconteerd, wat betekent dat er alle aanleiding is ook de bedragen die vóór 15 juli 2020 door Cumberland zijn geïncasseerd te betrekken in haar vordering op [eiser] in de onderhavige zaak. Blijkens rov. 4.19 (“[eiser] licht dit als volgt toe:”, etc.) onderkent het hof die stellingname van [eiser], als onderdeel van diens grief 1D. Blijkens rov. 4.20-4.21 acht het hof grief 1D ongegrond. Gelet op het voorgaande en mijn behandeling van de klachten a t/m e, gaf die stellingname van [eiser] het hof geen reden diens verwerping van grief 1D nog weer nader te motiveren. Dit behoeft geen verdere toelichting.
klachten g en h, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking. Uit de behandeling van de klachten a t/m f volgt reeds dat de klachten, in wezen een herhaling van zetten, doel missen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
mutatis mutandishetzelfde als ten aanzien van rov. 4.20-4.21 [83] is gesteld in subonderdeel III.1.
klacht b. Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest. Het hof doelt in rov. 4.25 op de stelling van Cumberland in de MvA, nr. 41 (inzake grief 4 van [eiser]) dat [eiser] het desbetreffende overzicht reeds ontvangen heeft, en wel in eerste aanleg (als productie bij de CvA i.r.). [85]
klacht c. Ik lees in de MvG, nrs. 66-75 (inzake de grieven 3 en 4) geen stelling van [eiser] waarin hij concreet maakt waarom hij niet uit de voeten kan met het door Cumberland al in eerste aanleg overgelegde overzicht. [86] Zoals reeds volgt uit 3.69 hiervoor bood dit overzicht, met de daarop door Cumberland gegeven toelichting, [eiser] wel degelijk voldoende aanknopingspunten daartoe. Het is gelet daarop onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat volgens het hof Cumberland heeft aangevoerd dat zij in de procedure bij de rechtbank al een gespecificeerd en inzichtelijk overzicht heeft verstrekt, en dat [eiser] niet heeft toegelicht waarom dat overzicht voor hem niet afdoende is.
verkopen. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel.