ECLI:NL:PHR:2026:740

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
25/03528
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:334f BWArt. 2:334s BWArt. 7:852 BWArt. 7:857 BWArt. 3:33 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid borgstelling ondanks betwisting splitsing en zorgplicht

In deze civiele zaak heeft Cumberland een borg aangesproken voor de schuld van Megalim, een vennootschap gelieerd aan de borg. De borg werd in eerste aanleg en hoger beroep veroordeeld tot betaling van €9 miljoen. Hij stelde in cassatie onder meer dat de splitsing van vorderingen niet rechtsgeldig was, dat hij als particuliere borg onvoldoende was voorgelicht en dat de vordering onvoldoende was gespecificeerd.

De Hoge Raad overweegt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de beschrijving van de af te splitsen vorderingen in de splitsingsakte voldoende nauwkeurig was, ook al waren deze aangeduid met interne BCDB-nummers. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de borg niet persoonlijk geïnformeerd hoefde te worden over de splitsing en dat hij onvoldoende had gesteld dat hij redelijkerwijs bezwaar had kunnen maken.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat de borg geen particuliere borg is in de zin van art. 7:857 BW Pro, zodat het beroep op een bijzondere zorgplicht en dwaling faalt. Ook de stelplicht van de borg is niet geschonden. Ten slotte is het hof terecht van oordeel dat de vordering van Cumberland voldoende is gespecificeerd en dat de borg geen concreet bewijs heeft geleverd dat betalingen vóór 15 juli 2020 in mindering moeten worden gebracht. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de borg wordt verworpen en de veroordeling tot betaling van €9 miljoen aan Cumberland blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/03528
Zitting17 juli 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
[eiser] (hierna:
[eiser])
tegen
Cumberland Investments Designated Activity Company (hierna:
Cumberland)
Inleiding
In deze zaak heeft een schuldeiser (Cumberland) een borg ([eiser]) aangesproken tot nakoming van de verbintenis van de hoofdschuldenaar (een aan [eiser] gelieerde vennootschap). In eerste aanleg en in hoger beroep is [eiser] veroordeeld tot het betalen van € 9.000.000,- aan Cumberland. Daartegen komt hij in cassatie op, m.i. zonder succes.

1.Feiten

1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.2 onder (i) t/m (viii) van het bestreden arrest [1] van het gerechtshof Den Haag (hierna: het
arrestrespectievelijk het
hof).
(i) [eiser] is bestuurder en enig aandeelhouder van Megalim Investments B.V. (hierna:
Megalim).
(ii) In 2006 heeft Fortis Bank (Nederland) N.V. (hierna:
Fortis) een recht van hypotheek verkregen op de toenmalige woning van [eiser] tot een bedrag van € 1.400.000,-, te vermeerderen met rente en kosten. In de hypotheekakte zijn de Algemene voorwaarden van hypotheekverlening van Fortis van toepassing verklaard, alsmede de Algemene kredietvoorwaarden van Fortis en de Algemene voorwaarden van Fortis.
(iii) Op 12 juni 2007 hebben Fortis en [eiser] een borgtochtovereenkomst gesloten. [eiser] heeft zich daarbij borg gesteld tot een maximumbedrag van € 15.040.000,-, te vermeerderen met rente en kosten, voor al hetgeen Megalim op enig moment verschuldigd mocht zijn aan Fortis.
(iv) Op 8 april 2013 is een kredietovereenkomst tot stand gekomen tussen ABN AMRO Bank N.V. (hierna:
ABN AMRO) en Megalim. Uit hoofde van deze overeenkomst heeft ABN AMRO een krediet in rekening-courant verstrekt aan Megalim van in totaal € 22.940.000,-.
(v) Op 8 juli 2016 heeft ABN AMRO het krediet van Megalim met onmiddellijke ingang opgezegd. Zij heeft Megalim gesommeerd het krediet uiterlijk op 1 augustus 2016 volledig terug te betalen.
(vi) In 2017 heeft ABN AMRO een deel van haar vorderingen op derden afgesplitst en ondergebracht bij een nieuw opgerichte vennootschap, Stack NewCo B.V. (hierna:
Stack NewCo). Vervolgens heeft Stack NewCo op 5 juli 2017 de vordering van ABN AMRO op Megalim gecedeerd aan Cumberland.
(vii) Bij vonnis van 15 juli 2020 heeft de rechtbank Noord-Nederland Megalim veroordeeld tot betaling van € 10.000.000,- aan Cumberland. Megalim heeft daarop een vordering ingesteld tot herroeping van het vonnis op de grond dat de onder (vi) hiervoor bedoelde afsplitsing niet op correcte wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 5 maart 2025 die vordering afgewezen (ECLI:NL:RBNNE:2025:736).
(viii) Op 29 september 2020 is de aan Cumberland verhypothekeerde woning van [eiser] verkocht voor een bedrag van € 640.000,-. De opbrengst is in mindering gebracht op de schuld van [eiser] aan Cumberland.

2.Procesverloop

In eerste aanleg

2.1
Bij inleidende dagvaarding van 4 juli 2022 heeft Cumberland [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam (hierna: de
rechtbank). [2] Met haar vorderingen vroeg Cumberland de rechtbank - samengevat, en na vermindering van eis - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiser] te veroordelen tot betaling aan Cumberland van € 9.000.000,-;
II. [eiser] te veroordelen tot afgifte van zijn aangifte(n) inkomstenbelasting 2019-2021, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. [eiser] te veroordelen in de proceskosten.
2.2
[eiser] heeft een incidentele conclusie tot (relatieve) onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie ingediend (hierna: de
CvA). Met zijn reconventionele vorderingen vroeg [eiser] de rechtbank - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de akte van borgstelling van 12 juni 2007 te vernietigen;
II. Cumberland te veroordelen om binnen een maand na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser] een gespecifieerd en inzichtelijk overzicht te verstrekken van de verkopen die Cumberland vanwege de overname van de (krediet)vordering van ABN AMRO op het Megalim-concern heeft verricht of heeft doen verrichten, en aan te geven in hoeverre Cumberland deze opbrengsten in mindering heeft gebracht op haar vordering op het Megalim-concern, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. Cumberland te veroordelen om binnen een maand na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser] een specificatie te verstrekken van het door haar gevorderde bedrag, inhoudende dat Cumberland aangeeft welk gedeelte van dit bedrag betrekking heeft op de componenten ‘hoofdsom’, ‘rente’ en ‘boetes en kosten’, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
IV. Cumberland te veroordelen in de proces- en nakosten.
2.3
Cumberland heeft een conclusie in het incident ingediend.
2.4
Op 14 december 2022 heeft de rechtbank een vonnis in het incident gewezen. [3] Daarin heeft de rechtbank het door [eiser] in het incident gevorderde afgewezen.
2.5
Cumberland heeft een conclusie van antwoord in reconventie ingediend (hierna: de
CvA i.r.).
2.6
Op 10 juli 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank.
2.7
Bij eindvonnis van 9 augustus 2023 (hierna: het
vonnis) [4] heeft de rechtbank, samengevat: in conventie de vordering onder I toegewezen, de vordering onder II afgewezen en [eiser] veroordeeld in de proceskosten; en in reconventie de vorderingen afgewezen en [eiser] veroordeeld in de proceskosten.
In hoger beroep
2.8
Bij appeldagvaarding van 24 augustus 2023 is [eiser] in hoger beroep gekomen van het vonnis.
2.9
[eiser] heeft een memorie van grieven (met 5 grieven, waarvan grief 1 onderverdeeld is in grief 1A t/m grief 1D) ingediend (hierna: de
MvG). Daarin heeft [eiser] gevorderd, samengevat: dat het vonnis zowel in conventie als in reconventie wordt vernietigd; dat in conventie de vorderingen van Cumberland alsnog worden afgewezen; en in reconventie om:
1. de akte van borgstelling van 12 juni 2007 te vernietigen;
2. Cumberland te veroordelen om binnen een maand na betekening van het te wijzen arrest aan [eiser] een gespecifieerd en inzichtelijk overzicht te verstrekken van de verkopen die Cumberland vanwege de overname van de (krediet)vordering van ABN AMRO op het Megalim-concern heeft verricht of heeft doen verrichten, en aan te geven in hoeverre Cumberland deze opbrengsten in mindering heeft gebracht op haar vordering op het Megalim-concern op straffe van verbeurte van een dwangsom;
3. Cumberland te veroordelen om binnen een maand na betekening van het te wijzen arrest aan [eiser] een specificatie te verstrekken van het door Cumberland gevorderde bedrag, inhoudende dat Cumberland aangeeft welk gedeelte van dit bedrag betrekking heeft op de componenten ‘hoofdsom’, ‘rente’ en ‘boetes en kosten’, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Een en ander met veroordeling van Cumberland in de kosten van beide instanties, zowel in conventie als in reconventie.
2.1
Cumberland heeft een memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens akte houdende vermeerdering en wijziging van eis ingediend (hierna: de
MvA). Zij heeft in principaal hoger beroep verzocht om de grieven van [eiser] te verwerpen en in incidenteel hoger beroep verzocht om het vonnis te vernietigen voor zover het zag op de afwijzing van haar vordering onder II. Cumberland heeft die vordering verder vermeerderd door ook te vragen om afgifte van de belastingaangifte over het jaar 2022 en subsidiair gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld om de deurwaarder een gedetailleerd en met bewijsstukken gestaafde opgave van zijn inkomen vanaf 2019 te geven (inclusief door hem sindsdien genoten dividenden).
2.11
[eiser] heeft een memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep ingediend en geconcludeerd tot afwijzing van het incidentele hoger beroep.
2.12
Op 25 maart 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt (hierna: het
p-v).
2.13
Op 30 april 2025 is de mondelinge behandeling voortgezet teneinde een schikking te beproeven. Partijen hebben geen schikking getroffen.
2.14
Bij het arrest heeft het hof, samengevat: het vonnis bekrachtigd; [eiser] veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep; Cumberland veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep; en het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.15
Het hof heeft de beoordeling in het arrest als volgt onderverdeeld:
- “De vorderingen in hoger beroep” (rov. 4.1-4.3)
- “Rechtsgeldige splitsing?”(rov. 4.4-4.11)
- “Dwaling?” (rov. 4.12-4.16)
- “Uitleg borgtochtovereenkomst” (rov. 4.17-4.18)
- “Reeds geïncasseerde bedragen” (rov. 4.19-4.23)
- “Specificatie van de vordering” (rov. 4.24-4.25)
- “Incidenteel hoger beroep: aangiften inkomstenbelasting” (rov. 4.26-4.27)
- “Conclusie en proceskosten” (rov. 4.28-4.30)
Voor de onderliggende overwegingen van het hof verwijs ik hier kortheidshalve naar het arrest.
In cassatie
2.16
Bij procesinleiding van 1 oktober 2025 heeft [eiser] (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest.
2.17
Cumberland heeft een verweerschrift ingediend, strekkende tot verwerping van het cassatieberoep van [eiser].
2.18
Cumberland heeft haar standpunten schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] nog heeft gerepliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel van [eiser] bevat onder A een inleiding zonder klacht en onder B vier onderdelen met klachten (I t/m IV).
Onderdeel I(“Onjuiste rechtsopvatting art. 2:334f BW (splitsingsakte onvoldoende bepaald)”)
3.2
Het onderdeel is gericht tegen rov. 4.4-4.11 van het arrest en klaagt dat dit oordeel van het hof hetzij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het onderdeel bevat subonderdelen met klachten onder I.1 t/m I.4, voorafgegaan door een samenvatting van stellingen van [eiser] in de MvG en zijn spreekaantekeningen in hoger beroep onder I.01.
3.3
Subonderdeel I.1bevat meerdere klachten en loopt, samengevat, langs de volgende lijnen.
3.3.1
Het hof gaat in rov. 4.4-4.10 van het arrest uit van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de maatstaf van art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW ter zake van de specificatie van het af te splitsen vermogen, en dus van de kenbaarheid die minimaal noodzakelijk is wil een vermogensbestanddeel bij splitsing overgaan op de afgesplitste vennootschap (ik begrijp: de verkrijgende vennootschap). Dit onder meer door te oordelen dat de beschrijving van de activa in de splitsingsakte en het splitsingsvoorstel aan de hand van BCDB-nummers voldoende nauwkeurig is in de zin van de bepaling, en door in rov. 4.7 de in rov. 4.6 aangehaalde overwegingen van de rechtbank Noord-Nederland in haar vonnis van 15 juli 2020 over te nemen. Die rechtbank en het hof gaan uit van een onjuiste rechtsopvatting om de navolgende redenen. Daarbij merkt het subonderdeel nog op dat blijkens de onder 3.2 hiervoor bedoelde stellingen van [eiser] uitvoerig is onderbouwd dat en waarom de vordering die Cumberland in de onderhavige procedure pretendeert niet op haar is overgegaan. Kort gezegd: de omschrijving van de vorderingen aan de hand van BCDB-nummers is onvoldoende om dit rechtsgevolg te laten intreden. [5]
3.3.2
Immers, bij de hier relevante Europese richtlijnen waarop art. 2:334f BW is gebaseerd, [6] gaat het om derdenwerking. De beschrijving moet niet alleen voor de bij de splitsing betrokken vennootschappen zelf, maar juist ook voor derden [7] voldoende duidelijk zijn. Het gaat dus nadrukkelijk om de openbare kenbaarheid: de beschrijving dient voor derden zelfstandig toetsbaar te zijn. Nu art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW richtlijnconform moet worden uitgelegd, dient de eis van nauwkeurigheid aldus te worden uitgelegd dat het derden (onder wie de partij die het aangaat) onmiddellijk duidelijk is welke vermogensbestanddelen (van welke schuldenaar) van de splitsende rechtspersoon overgaan op de nieuwe rechtspersoon, en welke achterblijven. Aan de hand van de BCDB-nummers is dat echter niet vast te stellen. Daaruit blijkt niet wie/wat het betreft en welke omvang de vordering heeft die zou moeten overgaan. Gesteld noch gebleken is immers dat derden wisten of konden kennisnemen van wat er met die BCDB-nummers werd bedoeld. Interne codenummers volstaan dus niet. Omtrent de richtlijnconforme uitleg kunnen zo nodig prejudiciële vragen aan het HvJEU worden gesteld, zo voegt het subonderdeel hier nog toe.
3.3.3
Dit heeft het hof miskend.
3.3.4
Het hof heeft vervolgens ook miskend dat, nu de beschrijving tekortschiet, de vangnetbepalingen van art. 2:334s BW gelden.
3.3.5
Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu zonder nadere motivering niet valt in te zien hoe derden zelfstandig uit de splitsingsstukken konden afleiden dat de vorderingen op Megalim en [eiser] onder de overgang vielen.
Behandeling
3.4
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.5
Ik begin met de
rechtsklachtover art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW (zie onder 3.3.1-3.3.3 hiervoor).
3.6
Laat ik beginnen met het citeren, voor zover relevant, van de wettelijke bepalingen die het subonderdeel noemt.
3.6.1
In art. 2:334f BW is onder meer het volgende bepaald: [8]
1. De besturen van de partijen bij de splitsing stellen een voorstel tot splitsing op.
2. Dit voorstel vermeldt ten minste:
(…)
d. een beschrijving aan de hand waarvan nauwkeurig kan worden bepaald welke vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon zullen overgaan op elk van de verkrijgende rechtspersonen en, indien niet het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon zal overgaan, welke vermogensbestanddelen door hem zullen worden behouden, alsmede een pro forma winst- en verliesrekening dan wel exploitatierekening van de verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande splitsende rechtspersoon;
(…).
3.6.2
In art. 2:334s BW is onder meer het volgende bepaald:
1. De leden 2 tot en met 4 zijn van toepassing indien van een vermogensbestanddeel aan de hand van de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke rechtspersoon daarop na de splitsing rechthebbende is.
3.7
Ik wend mij nu tot het arrest, specifiek rov. 4.4-4.11 (onder “Rechtsgeldige splitsing?”) waar het hof ingaat op grief 1A van [eiser]. [9]
3.8
Te beginnen met rov. 4.4-4.5.
3.8.1
In rov. 4.4 wijst het hof erop dat grief 1A “is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de splitsing van ABN AMRO erin heeft geresulteerd dat de vordering van ABN AMRO op Megalim is overgegaan op Stack NewCo”. En dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep door [eiser] is verduidelijkt “dat het er niet om gaat de afsplitsing als zodanig aan te vechten, maar dat [eiser] van mening is dat de splitsing niet tot gevolg heeft gehad dat de vordering van ABN AMRO [dus op Megalim, A-G] op Stack NewCo is overgegaan”.
3.8.2
Daaraan voegt het hof nog toe:
“4.5 In essentie gaat het [eiser] erom dat hij niet is geïnformeerd over de afsplitsing, dat het splitsingsvoorstel de vordering [dus van ABN AMRO op Megalim, A-G] niet op voldoende duidelijke wijze vermeldt en dat hij aldus niet in de gelegenheid is gesteld bezwaar te maken tegen de splitsing.”
3.8.3
Ik wijs in dit verband ook op de volgende passage uit het p-v, waar zijdens [eiser] desgevraagd is verklaard (p. 4, met mijn onderstreping):
“U houdt mij voor dat in grief 1A twee dingen door elkaar heen lijken te lopen, namelijk (1)
of het voldoende duidelijk was voor [eiser] en de vennootschap [Megalim, A-G] dat zijn vordering was afgesplitst naar de nieuwe vennootschapen (2) stellingen die verder gaan en zien op de geldigheid van de afsplitsing als zodanig, zoals de stelling dat niet is voldaan aan het publicatievereiste. U houdt mij voor dat dat laatste erop zou wijzen dat [eiser] het standpunt inneemt dat de splitsing volledig onderuit wordt gehaald en vraagt mij of dat inderdaad het standpunt is? Ik heb inmiddels begrepen dat er publicatie in Trouw heeft plaatsgevonden, dus mijn eerdere stelling dat dat niet is gebeurd, is onjuist.
U vraagt mij hierop of het [eiser] alleen gaat om zijn eigen positie (en de positie van Megalim) bij de splitsing in die zin [dat] de vermelding in het splitsingsvoorstel en de splitsingsakte onvoldoende duidelijk is. Ja, het klopt dat grief 1A hierop betrekking heeft.”
3.8.4
In dit licht moet dus ’s hofs verdere behandeling van grief 1A in rov. 4.6-4.11 worden bezien. Dit betekent onder meer dat waar het hof inzake grief 1A ingaat op de aan art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW gerelateerde vraag “of het splitsingsvoorstel de vordering niet op voldoende duidelijke wijze vermeldt”, wat het doet in rov. 4.6-4.7 en in rov. 4.9, het hof de analyse erop toespitst of het onderhavige splitsingsvoorstel
de vordering van ABN AMRO op Megalimop
voor Megalim/[eiser]voldoende duidelijke wijze vermeldt.
3.8.5
In rov. 4.4-4.5 lees ik geen oordeel van het hof als door de klacht verondersteld, erop neerkomend dat het volstaat voor doeleinden van art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW dat in het onderhavige splitsingsvoorstel de vorderingen van ABN AMRO die door de afsplitsing zullen overgaan naar Stack NewCo, waaronder de vordering van ABN AMRO op Megalim, zijn omschreven aan de hand van zuiver ’interne codenummers’ (BCBD-nummers). Hetzelfde geldt indien de klacht veronderstelt, preluderend op de motiveringsklacht (zie onder 3.3.5 hiervoor), dat volgens het hof hier is voldaan aan de bepaling omdat derden zelfstandig uit de splitsingsstukken konden afleiden dat de vordering van ABN AMRO op Megalim, althans de vorderingen van ABN AMRO op Megalim en [eiser], onder de overgang viel(en). Ook zo’n oordeel geeft het hof niet, evenmin in verbinding met het splitsingsvoorstel en enige omschrijving daarin via BCBD-nummers.
3.9
Blijkens rov. 4.6-4.10 verwerpt het hof grief 1A. Het sluitstuk van ’s hofs oordelen is rov. 4.11, dat door het subonderdeel
nietwordt bestreden.
3.9.1
Daarin zet het hof uiteen waarom het voorbijgaat aan het aanbod van [eiser] om te bewijzen dat de splitsing ten opzichte van hem en Megalim niet correct is verlopen: [10]
“[eiser] heeft nagelaten om in zijn bewijsaanbod de feiten te vermelden die hij door middel van het horen van getuigen wil bewijzen. Voor zover het bewijsaanbod ziet op het overleggen van stukken, had [eiser] deze stukken direct bij de memorie van grieven kunnen voegen of deze stukken kunnen overleggen ten behoeve van de mondelinge behandeling. Het hof zal hem niet in de gelegenheid stellen dat alsnog te doen.”
3.9.2
Volledigheidshalve: ook hierin lees ik niet een oordeel van het hof als door de klacht verondersteld (zie onder 3.8.5 hiervoor).
3.1
Ik werk van hieruit mijn weg terug naar het begin (rov. 4.4-4.5), te beginnen met rov. 4.10.
3.10.1
Daarin gaat het hof in op de stellingen van [eiser] in grief 1A “dat niet vaststaat dat het splitsingsvoorstel bij de Kamer van Koophandel is gedeponeerd en dat de splitsing niet is doorgegeven aan het Handelsregister”. Deze stellingen, [11] door het hof geduid als bloot en door Cumberland betwist, heeft [eiser] volgens het hof niet of onvoldoende onderbouwd.
“Deze stellingen worden daarom verworpen.”
3.10.2
Ook hierin lees ik niet een oordeel van het hof als door de klacht verondersteld (zie onder 3.8.5 hiervoor). Ook in zoverre strandt de klacht dus reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
3.11
Dan rov. 4.9.
3.11.1
Daarin wijst het hof eerst erop dat [eiser] als onderdeel van grief 1A heeft opgeworpen “dat zijn naam niet in het splitsingsvoorstel is opgenomen en dat dat een gegrond verweer tegen de splitsing zou kunnen zijn geweest”. [12] Dit betreft de aan art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW gerelateerde vraag “of het splitsingsvoorstel de vordering niet op voldoende duidelijke wijze vermeldt” (rov. 4.5). Vervolgens noemt het hof art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW, dat:
“bepaalt dat het splitsingsvoorstel een beschrijving bevat aan de hand waarvan nauwkeurig kan worden bepaald welke vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon zullen overgaan op de verkrijgende rechtspersoon en welke vermogensbestanddelen door hem zullen worden behouden.”
Daaruit maakt het hof dan op (“dus”) dat “vermelding van de naam van [eiser]” niet noodzakelijk is, zolang maar nauwkeurig kan worden bepaald of de onderhavige vordering is overgegaan op Stack NewCo.
3.11.2
Daarop aansluitend wijst het hof erop dat uit het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 15 juli 2020 volgt, [13] dus naar het oordeel van die rechtbank, dat de hoofdvordering van ABN AMRO op Megalim (die in het onderhavige splitsingsvoorstel is aangeduid met een BCDB-nummer) voldoende nauwkeurig is beschreven. Volgens het hof heeft die rechtbank dan ook, dus gegeven die door haar vastgestelde voldoende nauwkeurige beschrijving, terecht geoordeeld dat deze hoofdvordering naar Stack NewCo is overgegaan. Alleen dit laatste behelst een eigen oordeel van het hof (“terecht geoordeeld”, etc.), dit eerste is beperkt tot een uitleg door het hof van dit vonnis (daaruit “volgt”, etc.). Gelet op het accessoire karakter van de borgtochtovereenkomst geldt hetzelfde voor de vordering van ABN AMRO op [eiser], zo voegt het hof nog toe.
3.11.3
Aldus verwerpt het hof die stelling van [eiser] inzake het niet in het splitsingsvoorstel vermeld zijn van zijn naam. Alsook diens kennelijk nauw verwante stelling in grief 1A, die eveneens betreft de aan art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW gerelateerde vraag “of het splitsingsvoorstel de vordering niet op voldoende duidelijke wijze vermeldt”, dat, nu “het splitsingsvoorstel geen bepaling over vermogensbestanddelen bevat”, de beschrijving in het splitsingsvoorstel onvoldoende nauwkeurig is en dus niet kan worden bepaald welke rechtspersoon daarop na de splitsing rechthebbende is. [14] Daaruit volgt dan ook, naar het hof ter afronding overweegt, dat, anders dan [eiser] aanvoert bij die verwante stelling, [15] , [16] hier geen sprake is van enige onduidelijkheid in de zin van art. 2:334s BW.
3.11.4
Ook hierin lees ik niet een oordeel van het hof als door de klacht verondersteld (zie onder 3.8.5 hiervoor). Ook in zoverre strandt de klacht dus reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
3.12
Daarmee beland ik bij rov. 4.8.
3.12.1
Daarin respondeert het hof op de stelling van [eiser] in grief 1A “dat hij ten onrechte niet tijdig is geïnformeerd over de splitsing”. Deze stelling [17] loopt volgens het hof reeds vast bij gebreke aan een rechtsregel op grond waarvan [eiser] (persoonlijk) had moeten worden geïnformeerd over de splitsing (of van het voornemen daartoe).
3.12.2
Bovendien, zo vervolgt het hof, heeft [eiser] niet gemotiveerd gesteld waarom hij (in zijn hoedanigheid van borg) redelijkerwijs bezwaar zou hebben kunnen maken tegen de splitsing, althans tegen de overdracht van de vordering van ABN AMRO op Megalim. Het is niet volledig uitgesloten dat er aan de splitsing gebreken kleven, maar gezien de gang van zaken die in het voornoemde vonnis van 15 juli 2020 is beschreven, is er onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat die situatie zich hier voordoet.
3.12.3
Ook hierin lees ik niet een oordeel van het hof als door de klacht verondersteld (zie onder 3.8.5 hiervoor). Ook in zoverre strandt de klacht dus reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
3.13
Dan resteren rov. 4.6-4.7.
3.13.1
In rov. 4.6 citeert het hof uit voornoemde vonnis van 15 juli 2020, waarin de rechtbank Noord-Nederland “uitvoerig [is] ingegaan op het verweer van Megalim (en een aantal andere aan [eiser] gelieerde vennootschappen) dat de splitsing ondeugdelijk zou zijn geweest”. In rov. 4.7 overweegt het hof dat voor zover [eiser] in grief 1A dezelfde stellingen inneemt als Megalim heeft gedaan in de procedure tegen Cumberland, deze stellingen ongegrond zijn op grond van de redenen genoemd in dit vonnis. Dit laatste ziet logischerwijs niet op de stellingen van [eiser] die het hof behandelt in rov. 4.8-4.11, nu het hof die stellingen dan niet had hoeven te behandelen en nergens uit blijkt dat het hof die stellingen louter ten overvloede behandelt. Het zal het hof hier gaan om wat [eiser] nog heeft gesteld inzake grief 1A na de MvG, in het bijzonder ter mondelinge behandeling bij het hof.
3.13.2
In zijn spreekaantekeningen in hoger beroep heeft [eiser] immers nog een nadere toelichting gegeven op grief 1A “uit randnummer 28 en verder van de memorie van grieven”. [18] Die nadere toelichting komt neer op een herhaling van zetten, met dien verstande dat in nr. 7 [eiser] voor het eerst in hoger beroep rept van “BCDB-nummers” en “de procedure tegen Megalim c.s.”, en wel als volgt (voor de juiste context citeer ik ook de aanloop in de nrs. 5-6):
“5.
Wanneer wij dit juridisch kader [19] toepassen op de onderhavige zaak, blijkt dat de route die de vorderingen volgens Cumberland hebben afgelegd al doodloopt bij de afsplitsing van een deel van het vermogen van ABN AMRO naar Stack NewCo B.V. in juni 2017. Daarom heeft Stack NewCo B.V. deze vorderingen ook nooit aan Cumberland kunnen cederen en dus kan Cumberland rechtens geen titel verkrijgen om vorderingen op [eiser] mee te incasseren.
6.
Bij de afsplitsing in 2017 is namelijk onvoldoende duidelijk omschreven dat ook de vorderingen op Megalim en de andere vennootschappen van [eiser] zijn overgedragen. Megalim c.s. en [eiser] konden daardoor, op grond van een objectieve uitleg van het gedeponeerde splitsingsvoorstel, op geen enkele wijze weten dat ook de vorderingen op hen afgesplitst en overgedragen werden. Daarmee voldoet deze afsplitsing niet aan het wettelijk criterium zoals uitgelegd in het zojuist genoemde arrest.
7.
Zoals Cumberland in randnummer 17 van de memorie van antwoord ook heeft erkend, werden de af te splitsen vorderingen in Bijlage C, Annex 1 van het splitsingsvoorstel omschreven met hun “BCDB-nummers”. Dit zijn interne banknummers die voor klanten van ABN AMRO niet bekend waren of zijn. Niet voor niets zijn in de procedure tegen Megalim c.s. screenshots uit banksystemen overgelegd. De eigen proceshouding van Cumberland bevestigt dus de juistheid van de grief.”
3.13.3
Daarop is zijdens Cumberland onder meer aldus gereageerd “dat het hele verhaal over BCDB-nummers, in die zin dat die beschrijving onvoldoende zou zijn in het licht van artikel 2:334f lid 2 BW, vandaag voor het eerst naar voren is gekomen”, [20] en: [21]
“u vraagt mij aanvullend of het klopt dat de BCDB-nummers alleen bij de bank bekend waren en dat derden daarom geen informatie over het splitsingsvoorstel konden krijgen. Dat is onjuist, want de klanten konden inloggen bij de bank en vervolgens zien wat er aan informatie was.” [22]
Met dit laatste, waarop blijkens het p-v niet meer is gereageerd zijdens [eiser], weersprak Cumberland ook de volgende stelling zijdens [eiser] ter mondelinge behandeling: [23]
“We zijn het ermee eens dat het splitsingsvoorstel alleen informatie bevatte die het voor de afsplitsende bank duidelijk maakte dat [eiser] en zijn vennootschap betrokken waren. Belanghebbende derden wisten dit dus niet. Dat is erkend.”
3.13.4
Blijkens rov. 4.6-4.7 gaat het hof niet mee met de stelling van Cumberland dat [eiser] hiermee, in het licht van de tweeconclusieregel, te laat die “BCDB-nummers” in verbinding met “de procedure tegen Megalim c.s.” te berde heeft gebracht. Daarover klaagt [eiser] (uiteraard) niet in cassatie.
3.13.5
Blijkens rov. 4.6-4.7 verwerpt het hof de onder 3.13.2-3.13.3 hiervoor geciteerde stellingen van [eiser] ter mondelinge behandeling in hoger beroep, en wel in het bijzonder via de band van deze overweging in het voornoemde vonnis van 15 juli 2020 (geciteerd in rov. 4.6):
“Ook de gestelde omstandigheid dat nooit aan Megalim is meegedeeld dat zij BCDB-nummer [xxx] had, wat overigens door Cumberland wordt betwist, is in dit verband niet van belang, omdat mededeling van dat nummer niet noodzakelijk was voor het door splitsing doen overgaan van de vordering.” [24]
De gedachte van het hof is dan dat, anders dan [eiser] in de kern heeft betoogd, hier niet bepalend is of aan Megalim “is meegedeeld” welk BCBD-nummer zij had en zij zodoende bekend was met dit nummer. Want als voor Megalim kenbaar was welk BCBD-nummer zij had, wat door Cumberland ook is aangevoerd ter weerspreking van [eiser], [25] geldt evenzeer dat Megalim en via haar [eiser] als haar bestuurder/enig aandeelhouder uit het onderhavige splitsingsvoorstel - waarin de vordering van ABN AMRO op haar is aangeduid met dat BCDB-nummer - kon opmaken dat de vordering van ABN AMRO op haar werd afgesplitst naar Stack NewCo, zodat dit laatste voor Megalim/[eiser] voldoende duidelijk was. Kortom, uit het enkele niet meegedeeld zijn aan Megalim van haar BCBD-nummer volgt niet zonder meer dat het voor Megalim/[eiser] onvoldoende duidelijk was dat de vordering van ABN AMRO op haar werd afgesplitst naar Stack NewCo.
3.13.6
Waartoe leidt dit laatste wat betreft de klacht? Vooropgesteld: de klacht is geënt op BCBD-nummers, maar noemt - het blijft gissen waarom - geen enkele vindplaats in de gedingstukken waar te lezen valt dat [eiser] heeft gewezen op die nummers. [26] Ook als we hiervan abstraheren, blijft staan dat (ook) rov. 4.6-4.7 niet een oordeel van het hof bevat als door de klacht verondersteld (zie onder 3.8.5 hiervoor). Het vertrekpunt voor het hof bij de behandeling van grief 1A van [eiser] is immers rov. 4.4-4.5, waarover onder 3.8-3.8.5 hiervoor. Hieruit volgt dat het hof in rov. 4.6-4.7, waar het net als in rov. 4.9 gaat om de aan art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW gerelateerde vraag “of het splitsingsvoorstel de vordering niet op voldoende duidelijke wijze vermeldt” (rov. 4.5), de analyse erop toespitst of het onderhavige splitsingsvoorstel
de vordering van ABN AMRO op Megalimop
voor Megalim/[eiser]voldoende duidelijke wijze vermeldt. Bovendien redeneert het hof (ook) daar dus niet vanuit enig zuiver ‘intern codenummer’ (BCBD-nummer), zie onder 3.13.5 hiervoor. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.
3.14
Bij deze stand van zaken is er m.i. geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU omtrent richtlijnconforme uitleg van art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW, zoals in de klacht wordt gesuggereerd. [27] Zo’n vraag van Unierecht is immers - zo volgt uit het voorgaande - niet relevant voor de beslechting van het onderhavige geschil, specifiek de klacht. [28] , [29]
3.15
Daarmee bereik ik de
rechtsklachtover art. 2:334s BW (zie onder 3.3.4 hiervoor).
3.15.1
Zij veronderstelt dat “de beschrijving tekortschiet”. Daarvan gaat het hof evenwel niet uit in het bestreden oordeel (zie mede rov. 4.9), terwijl de rechtsklacht over art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW doel mist (zie onder 3.5-3.14 hiervoor). Ik zie, kortom, niet waaruit zou blijken dat het hof art. 2:334s BW heeft miskend. Daarop ketst de klacht reeds af.
3.16
Tot slot de
motiveringsklacht(zie onder 3.3.5 hiervoor).
3.16.1
Zij veronderstelt dat volgens het hof in rov. 4.4-4.10 “derden zelfstandig uit de splitsingsstukken hadden kunnen afleiden dat de vorderingen op Megalim en [eiser] onder de overgang vielen”. Zoals reeds volgt uit de bespreking van de rechtsklacht over art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW bevat rov. 4.4-4.10 zo’n oordeel niet. Dit betekent al dat de klacht strandt.
3.17
Subonderdeel I.2komt erop neer dat het hof in rov. 4.5 van het arrest een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan grief 1A van [eiser]. Volgens het subonderdeel volgt uit stellingen van [eiser] in de MvG en zijn spreekaantekeningen in hoger beroep dat hij zich nu juist erop beroept dat de vordering op Megalim niet (rechtsgeldig) is afgesplitst en dat daarom Cumberland in het geheel geen vordering heeft op Megalim, en dus ook niet op [eiser].
Behandeling
3.18
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.18.1
Onder 3.8-3.8.5 hiervoor ben ik ingegaan op rov. 4.4-4.5, waarmee het hof de beoordeling van grief 1A van [eiser] onder “Rechtsgeldige splitsing?” (rov. 4.4-4.11) opent. Daarbij betrok ik, anders dan het subonderdeel, ook het p-v.
3.18.2
Uit die behandeling volgt dat het hof onderkent - ook in rov. 4.5 - dat [eiser], met grief 1A, onder meer meent dat de onderhavige splitsing niet tot gevolg heeft gehad dat de vordering van ABN AMRO op Megalim is overgegaan op Stack NewCo (wat dan logischerwijs zou betekenen dat die vordering niet via die splitsing, gevolgd door de cessie, is terechtgekomen bij Cumberland).
3.18.3
Iets anders is, en ook dit onderkent het hof (zie mede rov. 4.8), dat [eiser] in grief 1A ook heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet tijdig is geïnformeerd over de splitsing en daardoor geen bezwaar heeft kunnen maken tegen de splitsing. Zie daarover onder 3.12-3.12.3 hiervoor.
3.18.4
Het subonderdeel ziet hieraan voorbij en mist dus feitelijke grondslag in het arrest.
3.19
Subonderdeel I.3richt zich tegen rov. 4.8 en 4.10-4.11 van het arrest. Ik ontwaar in het subonderdeel, samengevat, de volgende klachten.
a. Het hof heeft miskend in rov. 4.8 (in het bijzonder in de laatste zin) dat “het gaat om voormelde openbare kenbaarheid, de derdenwerking uit klacht 1.1 en dat daarom de splitsing in zoverre gebrekkig is dat de vordering van ABN AMRO op Megalim nooit bij Cumberland terecht is gekomen”.
Daarnaastheeft [eiser] gesteld dat hij, indien hij tijdig op de hoogte was, met succes bezwaar had kunnen maken, omdat de splitsing niet aan de eisen voldeed. Rechtens onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is dus het oordeel van het hof in rov. 4.8 dat [eiser] “te weinig heeft gesteld dat hij als borg redelijkerwijs bezwaar zou hebben kunnen maken”.
b. Dit laatste oordeel van het hof in rov. 4.8 gaat voorts langs de kern heen, nu het gaat om de geldigheid van de gestelde overdracht van een vordering, niet (primair) om het tijdig bezwaar kunnen maken. Vervolgens wijst het subonderdeel op vindplaatsen in de gedingstukken [30] waaruit kort gezegd zou volgen dat de stelplicht en bewijslast dat “de vordering die Cumberland van [eiser] vordert op Cumberland is overgegaan”, bij Cumberland liggen. Het hof heeft “aldus” miskend in rov. 4.8 en ook in rov. 4.10-4.11 dat, nu de stukken waarop [eiser] zich wil beroepen tot het domein van Cumberland behoren en zij niet met stukken komt en dus niet aan haar stelplicht/waarheidsplicht voldoet, het hof [eiser] niet kon en mocht afrekenen op zijn stelplicht en zijn bewijsaanbod niet mocht afwijzen. Daarbij heeft het hof miskend dat het bewijsaanbod moet worden beschouwd als een aanbod tot het leveren van tegenbewijs (Cumberland heeft geen vordering), dat niet behoeft te worden gespecificeerd. [31] Voor zover het hof dat niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Behandeling
3.2
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.21
Eerst
klacht a.
3.21.1
Zij is gericht tegen rov. 4.8, maar niet (ook) tegen de eerste zin daarvan, waarin het hof al duidelijk maakt dat het in rov. 4.8 behandelde onderdeel van grief 1A van [eiser] [32] (kort gezegd: “dat hij ten onrechte niet tijdig is geïnformeerd over de splitsing”) reeds faalt bij gebreke aan een rechtsregel op grond waarvan [eiser] (persoonlijk) had moeten worden geïnformeerd over de splitsing (of van het voornemen daartoe). Kortom, deze zelfstandig dragende grond bestrijdt de klacht niet. Dit is al fataal voor de klacht.
3.21.2
Bovendien ziet zij eraan voorbij dat, naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof, [eiser] in dat in rov. 4.8 behandelde onderdeel van grief 1A niet (ook) heeft aangevoerd dat “de splitsing in zoverre gebrekkig is dat de vordering van ABN AMRO op Megalim nooit bij Cumberland terecht is gekomen”, laat staan met een beroep op art. 2:334f lid 2, aanhef en onder d BW. Eerst vanaf de MvG, nr. 28 (na de eerste “Subsidiair”) voert [eiser] aan “dat aan Cumberland geen vorderingsrecht toekomt”, op welke stelling het hof ingaat in rov. 4.9 (zie onder 3.11-3.11.4 hiervoor).
3.21.3
Dit laatste strookt ook met de door [eiser] zelf in nrs. 1-10 van diens spreekaantekeningen in hoger beroep gegeven “nadere toelichting op grief 1A (…) uit randnummer 28 en verder van de memorie van grieven” (nr. 11), dus vanaf de MvG, nr. 28. Deze nadere toelichting draait erom dat Cumberland “nooit de rechthebbende van enige vordering op (de vennootschappen van) [eiser] is geworden en zich dus ook niet op de door de privépersoon [eiser] afgegeven zekerheden kan verhalen” (nr. 10).
3.22
Tot slot
klacht b.
3.22.1
Hier geldt wat betreft rov. 4.8 hetzelfde als ik schreef onder 3.21.1-3.21.3 hiervoor. Dit is in zoverre reeds fataal voor de klacht. Hieruit volgt ook dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.8 uit de MvG, nrs. 20-27 niet opmaakt dat volgens [eiser] de stelplicht en bewijslast dat “de vordering die Cumberland van [eiser] vordert op Cumberland is overgegaan”, bij Cumberland liggen. Daarmee ontvalt tevens de bodem aan het slot van de klacht voor zover deze is gericht tegen rov. 4.8 (het hof heeft “aldus” miskend, etc.).
3.22.2
Wat rov. 4.10 in de klacht te zoeken heeft, is mij een raadsel. Dit gaat over wéér iets anders, namelijk de stellingen van [eiser] [33] “dat niet vaststaat dat het splitsingsvoorstel bij de Kamer van Koophandel is gedeponeerd en dat de splitsing niet is doorgegeven aan het Handelsregister”. Daarop ben ik ingegaan onder 3.10-3.10.2 hiervoor. Waarom dit rechtens onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zou zijn, volgt niet uit de klacht en valt zonder meer ook niet in te zien. Daarbij verdient nog opmerking (i) dat [eiser] op de relevante vindplaatsen in hoger beroep geen gewag maakt van een informatietekort aan zijn kant of aspecten van stelplicht/bewijslast, [34] en (ii) dat zijdens [eiser] ter mondelinge behandeling kort gezegd is onderkend “dat er publicatie in Trouw heeft plaatsgevonden”. [35]
3.22.3
Dan resteert rov. 4.11, dat enkel ziet op het door [eiser] gedane aanbod om te bewijzen dat de splitsing ten opzichte van hem en Megalim niet correct is verlopen. [36] Nu de klacht in zoverre in de sleutel staat dat dit aanbod “niet behoeft te worden gespecificeerd”, daar het gaat om een tegenbewijsaanbod, zal de klacht niet gericht zijn tegen het oordeel in rov. 4.11 dat [eiser] wat betreft het overleggen van stukken te laat is met zijn daartoe strekkende aanbod. Het gaat dus om het oordeel in rov. 4.11 dat “[eiser] heeft nagelaten om in zijn bewijsaanbod de feiten te vermelden die hij door middel van het horen van getuigen wil bewijzen”. M.i. zegt het hof daarmee niet dat [eiser] zijn bewijsaanbod in zoverre onvoldoende heeft gespecificeerd, wel dat uit dit aanbod in zoverre niet kan worden opgemaakt dat het ter zake dienend is. [37] Daarmee strandt de klacht hier reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
3.23
Subonderdeel I.4voert aan dat het slagen van een of meer van de klachten van dit onderdeel (dus de subonderdelen I.1 t/m I.3) ook rov. 4.28-4.30 en het dictum van het arrest aantasten.
Behandeling
3.24
Het subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen I.1 t/m I.3, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.25
Daarmee is gegeven dat onderdeel I faalt.
Onderdeel II(“Onjuiste toepassing art. 7:857 BW Pro; schending van de zorgplicht en dwaling”)
3.26
Het onderdeel is gericht tegen rov. 4.12-4.16 van het arrest en klaagt dat dit oordeel van het hof hetzij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het onderdeel bevat subonderdelen met klachten onder II.1 t/m II.3.4, voorafgegaan door een samenvatting van stellingen van [eiser] in de MvG onder II.0.
3.27
Subonderdeel II.1is gericht tegen rov. 4.12, tweede zin van het arrest. Daarin overweegt het hof, na te hebben vooropgesteld dat [eiser] met grief 1B aanvoert dat hij heeft gedwaald bij de totstandkoming van de borgtochtovereenkomst:
“Hij stelt in dit verband dat hij is te beschouwen als particuliere borg in de zin van art. 7:857 BW Pro en dat hij daarom voldoende had moeten worden voorgelicht over de risico’s en consequenties van de borgstelling.”
Volgens het subonderdeel betreft deze overweging “een onjuiste en onbegrijpelijke, althans onvolledige uitleg” van grief 1B, nu die grief niet anders kan worden uitgelegd en begrepen, al dan niet ambtshalve de rechtsgronden aanvullend (art. 25 Rv Pro), dan dat [eiser] zich beroept op de bedoeling van partijen (“uitleg met toepassing van Haviltex”) en op hetgeen hij redelijkerwijs mocht verwachten te zijn overeengekomen (“dus het bepaalde in artt. 3:33 en 3:35 BW”), en aldus heeft begrepen dat hij een particuliere borgstelling overeenkwam en dat de borgtochtovereenkomst aldus moet worden uitgelegd.
Behandeling
3.28
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.29
In rov. 4.12-4.16 (onder “Dwaling?”) behandelt het hof grief 1B van [eiser].
3.3
Onderdeel van grief 1B is het betoog van [eiser] “dat hij wel degelijk als een particuliere borg moet worden aangemerkt”, niet als een “professionele borg” (met dan “als consequentie dat er wel degelijk sprake is van een bijzondere zorgplicht, die niet richting hem is nagekomen waardoor het beroep op dwaling behoort te slagen”). [38]
3.31
[eiser] heeft dit betoog onderbouwd “met twee argumenten die ervoor pleiten dat er wel degelijk sprake is van een particuliere borgtocht”. [39] Ten eerste: “in de overeenkomst is uitdrukkelijk opgenomen het kopje: “BORGTOCHT (PARTICULIER)”. Hieraan verbindt [eiser] de stelling dat Fortis en hij “destijds de bedoeling hadden een particuliere borgtochtovereenkomst met elkaar te sluiten”. [40] Ten tweede: op de desbetreffende overeenkomst “heeft niet alleen [eiser], maar ook zijn echtgenote een handtekening gezet”. Hieraan, in combinatie met “art. 1:88 BW Pro (oud)”, verbindt [eiser] de stelling “dat het dus gaat om een particuliere borgtocht omdat die handtekening natuurlijk niet noodzakelijk zou zijn geweest wanneer het een professionele borgtocht zou hebben betroffen”. [41] Daarbijheeft [eiser] benadrukt dat hij stelt “dat het partijen vrijstaat om van art. 7:857 BW Pro af te wijken in die zin dat partijen kunnen afspreken om een wellicht professionele borgtocht te kwalificeren als een particuliere borgtocht”, oftewel “dat een professionele borgtocht als een particuliere borgtocht wordt afgesproken”. [42] , [43]
3.32
Door Cumberland is dit betoog van [eiser] in grief 1B ook zo begrepen. [44]
3.33
M.i. ziet het hof hieraan niet voorbij in rov. 4.12-4.16. Ik licht toe.
3.33.1
Met het bestreden oordeel (dus in rov. 4.12) vat het hof kortweg samen wat [eiser] heeft opgemerkt in de MvG, nr. 40, geciteerd onder 3.30 hiervoor.
3.33.2
Vervolgens beoordeelt het hof in rov. 4.13 als volgt wat [eiser] ter onderbouwing van dit betoog heeft aangevoerd in de MvG, nrs. 41-43, 45, weergegeven onder 3.31 hiervoor.
“De stelling van [eiser] dat hij als particuliere borg moet worden aangemerkt, is ongegrond. [eiser] is van mening dat hij de borgtocht is aangegaan als natuurlijke persoon die noch handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, noch ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van een NV of BV waarvan hij bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen heeft (art. 7:857 BW Pro). Vast staat dat [eiser] zich borg heeft gesteld ten behoeve van Megalim, waarvan hij bestuurder en enig aandeelhouder is. [eiser] is dus geen particuliere borg in de zin van art. 7:857 BW Pro. De omstandigheid dat de akte van borgtocht in de kop uitdrukkelijk vermeld[t] ‘Borgtocht (particulier)’ maakt dit niet anders, omdat voor de kwalificatie als ‘particuliere borg’ niet doorslaggevend is hoe de borg in de akte van borgstelling wordt aangeduid. Het hof merkt daarbij op dat de akte vermeldt dat iedere natuurlijke persoon een ‘particuliere borg’ wordt genoemd en iedere andere borg een ‘zakelijke borg’, waarmee dus is afgeweken van de definitie van art. 7:857 BW Pro. De omstandigheid dat de echtgenote van [eiser] ten blijke van haar toestemming haar handtekening heeft gezet op de akte, leidt in de gegeven omstandigheden ook niet tot de conclusie dat sprake is van een particuliere borgstelling in de zin van art. 7:857 BW Pro.”
3.33.3
Hierin ligt besloten dat wat [eiser] heeft aangevoerd volgens het hof hoe dan ook niet meebrengt dat hij ervan mocht uitgaan dat Fortis en hij een particuliere borgstelling zijn overeengekomen, zo nodig in afwijking van art. 7:857 BW Pro (in die zin dat partijen een niet-particuliere borgstelling in de zin van de bepaling (“professionele borgtocht”) hebben gekwalificeerd als een particuliere borgstelling). Daarop loopt het betoog van [eiser] dus al stuk. Daarbij betrekt het hof, naast (i) de tekst van art. 7:857 BW Pro en (ii) het vaststaande feit dat [eiser] zich borg heeft gesteld ten behoeve van Megalim, waarvan hij bestuurder en enig aandeelhouder is: (iii) dat voor de kwalificatie als ‘particuliere borg’ niet doorslaggevend is hoe de borg in de akte van borgstelling wordt aangeduid (hier “in de kop uitdrukkelijk (…) ‘Borgtocht (particulier)’”); (iv) dat de akte vermeldt dat iedere natuurlijke persoon een ‘particuliere borg’ wordt genoemd en iedere andere borg een ‘zakelijke borg’, waarmee dus is afgeweken van de definitie van art. 7:857 BW Pro; en (v) dat gegeven (i) t/m (iv), de omstandigheid dat de echtgenote van [eiser] ten blijke van haar toestemming haar handtekening heeft gezet op de akte ook niet tot de conclusie leidt dat sprake is van een particuliere borgstelling.
3.34
Kortom, het subonderdeel strandt al op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
3.35
Subonderdeel II.2is gericht tegen rov. 4.13 van het arrest. Het subonderdeel klaagt dat het hof daarin evenzeer het beroep van [eiser] “op de bedoeling van partijen (dus Haviltex en artikel 3:33 en Pro 3:35 BW)” heeft miskend. Dit oordeel geeft onvoldoende blijk ervan dat het hof heeft gekeken naar “de bedoeling” en wat [eiser] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht begrijpen uit “de tekst” in combinatie met het meetekenen door zijn echtgenote. Voorts heeft het hof miskend dat het hier eerst de overeenkomst moest uitleggen aan de hand van Haviltex, alvorens deze overeenkomst te kwalificeren. Heeft het hof dat niet miskend, dan is zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Behandeling
3.36
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.37
Het subonderdeel loopt vast in het voetspoor van subonderdeel II.1.
3.38
De rechtsklachten zien eraan voorbij dat het hof in rov. 4.12-4.13 wel degelijk respondeert op het onder 3.30-3.31 hiervoor bedoelde betoog van [eiser] in grief 1B, waarbij het hof de door [eiser] voorgestane uitleg van de onderhavige overeenkomst (een particuliere borgstelling) dus niet volgt. Zie onder 3.33-3.33.3 hiervoor. Kortom: de klachten missen feitelijke grondslag in het arrest, dat is al fataal.
3.39
De motiveringsklacht mist eveneens doel. Zij legt niet uit, laat staan conform de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv,
waaromhet hof diens verwerping van dit betoog van [eiser] nog weer nader had moeten motiveren dan het doet in rov. 4.12-4.13. [45] Dát het hof die verwerping nader had moeten motiveren, valt zonder meer ook niet in te zien. Als de klacht veronderstelt dat het hof in rov. 4.12-4.13 niet respondeert op dit betoog van [eiser], ontbeert zij feitelijke grondslag in het arrest.
3.4
Anders dan de motiveringsklacht aan het slot nog aanvoert, is er evenmin een motiveringsgebrek doordat het hof onbesproken laat de stelling van [eiser] dat van art. 7:857 BW Pro niet mag worden afgeweken doordat een particuliere borgstelling als een niet-particuliere borgstelling (“professionele borgtocht”) wordt afgesproken, maar dat het omgekeerde wel mag. Het hof bereikt dit punt niet, gelet op diens oordeel dat wat [eiser] heeft aangevoerd hoe dan ook niet meebrengt dat hij ervan mocht uitgaan dat Fortis en hij een particuliere borgstelling zijn overeengekomen, zo nodig in afwijking van art. 7:857 BW Pro.
3.41
Subonderdeel II.3.1klaagt dat het slagen van een of meer klachten in dit onderdeel (bedoeld zal zijn: de subonderdelen II.1-II.2) ook rov. 4.14-4.16 van het arrest, “die daarop voortborduren” (bedoeld zal zijn: rov. 4.12-4.13), aantasten.
Behandeling
3.42
Het subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen II.1-II.2, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.43
Subonderdeel II.3.2klaagt dat ’s hofs oordeel in rov. 4.15 van het arrest dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, en dat daarom diens beroep op dwaling evenmin succes heeft, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft art. 149 Rv Pro (“te zware maatstaf”) en verder onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Zo heeft het hof miskend dat [eiser] in de CvA, nrs. 21-22 al met zoveel woorden heeft gesteld dat hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten indien hij de gevolgen goed uitgelegd had gekregen. Het hoger beroep is een voortzetting van het debat in eerste aanleg, zodat grief 1B “aldus” moet worden begrepen, terwijl het een en ander ook in de toelichting van die grief besloten ligt.
Behandeling
3.44
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.45
Het subonderdeel beroept zich louter op een deel van een zin in de CvA, nr. 22, waar slechts staat dat [eiser] “als hij toen zou hebben geweten althans correct door de Fortis Bank zou zijn geïnformeerd dan had hij deze privé borgstelling [46] onder geen enkel beding getekend”.
3.46
Dit kan [eiser] niet baten, nog daargelaten dat het hof in rov. 4.15 ervan uitgaat dat [eiser] niet als particuliere borg moet worden aangemerkt (zie rov. 4.12-4.13), oftewel dat geen sprake is van een “privé borgstelling”. Het gaat hier immers om een zuiver blote stelling van [eiser], waarop hij bovendien niet meer is teruggekomen (evenmin in grief 1B, zelfs niet met een enkele verwijzing), terwijl de daaropvolgende stellingname van Cumberland in eerste aanleg daartoe reeds alle aanleiding gaf. [47]
3.47
Tegen deze achtergrond oordeelt het hof in rov. 4.15 dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht wat betreft de eis, verband houdend met art. 6:228 lid Pro 1, aanhef en onder b BW (zie rov. 4.14), dat [eiser] de onderhavige overeenkomst niet zou hebben gesloten als hij zich bewust was geweest van de risico’s. Kortom: [eiser] heeft onvoldoende concreet uit de doeken gedaan dat aan deze eis is voldaan, wat het hof kortweg zo verwoordt dat [eiser] niet stelt dat hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten als hij zich bewust was geweest van de risico’s.
3.48
Bij die stand van zaken valt niet in te zien dat het hof met het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent stelplicht of de verhouding tussen eerste aanleg en hoger beroep, dan wel dit oordeel nader had moeten motiveren.
3.49
Subonderdeel II.3.3is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.15 van het arrest vanaf “Voor een geslaagd beroep”, etc. Ik ontwaar, samengevat, de volgende klachten.
a. Met dit oordeel is het hof buiten het partijdebat getreden, want Cumberland heeft niet aangevoerd “dat zij niet wist dat de ontbrekende informatie met betrekking tot de zorgplicht maakte dat [eiser] heeft gedwaald”. Het hof kon en mocht dat dus niet ambtshalve aanvullen.
b. Dit nog daargelaten dat een bank die een zorg- of informatieplicht jegens een klant schendt, weet of behoort te weten dat die klant aldus die overeenkomst sluit op basis van onvolledige en voor die klant essentiële informatie. In dat kader is dus ook rechtens onjuist althans onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat [eiser] niet aan zijn stelplicht op dit punt zou hebben voldaan.
c. In een Hoge Raad-arrest uit 2016 [48] ligt besloten “dat wanneer de borg vanwege ontbrekende informatie met betrekking tot de risico’s van een persoonlijke borgstelling en de bank die informatie op basis van een bijzondere zorgplicht wel had moeten geven er vanuit kan worden gegaan dat de borg, in casu [eiser], is uitgegaan van een zodanig verkeerde voorstelling van zaken dat hij, zou hij een juiste voorstelling hebben gehad, niet bereid zou zijn geweest de borgtocht te verlenen”. Daarin ligt dan ook besloten dat de bank wist of had moeten weten dat zij niet kon volstaan met een bijsluiter, maar [eiser] op indringende wijze had moeten wijzen op de gevolgen van die persoonlijke borgstelling. Het hof heeft aldus ook miskend dat een beroep op dwaling (“art. 6:228 BW Pro”) ook kan slagen indien de wederpartij de borg had behoren te informeren. Het hof heeft dit vereiste ten onrechte beperkt uitgelegd. Daarin ligt immers besloten dat een bank als geen ander weet wat de risico’s zijn en hoe men in dat geval handelt en dus ook weet of moet weten dat dit cruciale informatie betreft.
d. Als het hof dit niet heeft miskend, heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Behandeling
3.5
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.51
Vooropgesteld: het subonderdeel loopt reeds vast op een gebrek aan belang. ’s Hofs verwerping in rov. 4.15 van [eiser] beroep op vernietiging van de borgtochtovereenkomst wegens dwaling (zie rov. 4.14) draait erom dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Dit oordeel wordt zelfstandig gedragen door rov. 4.15, tweede zin, die zonder vrucht is bestreden met subonderdeel II.3.2.
3.52
Ten overvloede loop ik de klachten langs.
3.52.1
Eerst
klacht a. Naar het hof vooropstelt in rov. 4.14 rust in dit geval op [eiser] de bewijslast (met bijbehorende stelplicht) dat de daar bedoelde art. 6:228 lid Pro 1, aanhef en onder b BW-situatie zich voordoet, oftewel van de feiten die zo’n dwaling opleveren. [49] Het probleem dat het hof signaleert in rov. 4.15 is dat dit dwalingsberoep van [eiser] reeds erop vastloopt dat hijzelf dienaangaande überhaupt onvoldoende feiten heeft gesteld, onder meer wat betreft hetgeen Fortis ter zake wist of behoorde te weten. Daarbij betrekt het hof het verweer van Cumberland, dat insluit dat Fortis - gegeven de door Cumberland uiteengezette gang van zaken - niet wist of behoorde te weten dat [eiser] de bijsluiter met voorlichting over de risico’s van borgstelling niet had ontvangen of dat [eiser] die risico’s niet kende. [50] Hierop loopt de klacht reeds stuk.
3.52.2
Dan
klacht b. Deze is niet eenvoudig te doorgronden. De redenering is kennelijk dat Fortis jegens [eiser] een zorg- of informatieplicht heeft geschonden, wat dan weer als consequentie zou hebben dat Fortis wist of behoorde te weten dat [eiser] aldus de borgtochtovereenkomst sloot op basis van onvolledige en voor [eiser] essentiële informatie. Wat daarvan verder zij: dit “kader” speelt niet in de onderhavige zaak, nu het hof nergens in het arrest ervan uitgaat dat Fortis jegens [eiser] een zorg- of informatieplicht heeft geschonden, wat in cassatie ook niet (met vrucht) wordt bestreden. Zou de klacht moeten worden bezien in verbinding met klacht c (duidelijk is het allemaal niet), dan baat dit de klacht evenmin gelet op het volgende.
3.52.3
Daarmee kom ik bij
klacht c. Het daarin bedoelde Hoge Raad-arrest uit 2016, waar de klacht om draait, is toegesneden op de invulling van de bijzondere zorgplicht van een bank als professionele kredietverstrekker jegens een bepaalde persoon als
particuliereborg. [51] In de onderhavige zaak gaat het evenwel om een
niet-particuliere borg. Als het hof aankomt bij rov. (4.14 en) 4.15 heeft het immers al ongegrond bevonden de stelling van [eiser] dat hij als particuliere borg moet worden aangemerkt (zie rov. 4.12-4.13), welk oordeel in cassatie zonder vrucht is bestreden. [52] De rechtsopvatting die de klacht voor een geval als het onderhavige leest in voornoemde Hoge Raad-arrest ligt derhalve niet besloten in dit arrest, en vindt m.i. ook overigens geen steun in het recht (zie ook onder 3.54-3.60 hierna). Bovendien veronderstelt de klacht dat Fortis jegens [eiser] een zorg- of informatieplicht heeft geschonden, maar nergens in het arrest gaat het hof daarvan uit, wat in cassatie ook niet (met vrucht) wordt bestreden. Dit een en ander is al fataal voor de klacht: de daarin bedoelde onjuiste rechtsopvatting van het hof doet zich in werkelijkheid niet voor.
3.52.4
Tot slot
klacht d. Zij legt niet uit waarom sprake zou zijn van een onvoldoende (begrijpelijke) motivering van het hof in rov. 4.15. Overigens valt zonder meer ook niet in te zien dat het hof diens oordeel in rov. 4.15 nog weer nader had moeten motiveren. Daarmee valt reeds het doek voor de klacht.
3.53
Subonderdeel II.3.4is gericht tegen rov. 4.13-4.16 van het arrest. Het bevat een gemengde klacht, die ik samenvat. Ook bij een niet-particuliere borgstelling brengt de zorgplicht van een bank mee dat die “een privépersoon” [53] die zich borgstelt voor grote bedragen naar behoren voorlicht. Een bank vervult een bijzondere maatschappelijk positie, die meebrengt dat banken zowel particulieren als (soms) ondernemingen dienen te beschermen tegen de risico’s van financiële producten/diensten, door lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht te voorkomen. Er dient voorafgaand aan de transactie een zodanig realistisch beeld te worden gegeven van de risico’s dat een partij, zoals een ondernemer die voor zijn onderneming(en) wordt verzocht een borgstelling af te geven, een reëel beeld heeft van de risico’s, zoals wanneer een bank een krediet opzegt in een periode waarin tot zekerheid gestelde onderpanden ‘onder water staan’. “Met name had de Bank [54] moeten waarschuwen dat bij een onderstand in de regel een partij niet de gelegenheid krijgt te wachten totdat de beurzen of de prijzen van het vastgoed weer zijn hersteld”. [55] Dus ook bij een “zakelijke borgstelling” dient [eiser] dwalingsberoep te slagen. Althans had het hof zijn oordeel “op dit punt” toereikend moeten motiveren.
Behandeling
3.54
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.55
Vooropgesteld: het is mij duister waarom het subonderdeel ook gericht is tegen rov. 4.13. Daarin behandelt het hof de stelling van [eiser] dat hij moet worden aangemerkt als particuliere borg in de zin van art. 7:857 BW Pro. Met datgene wat het subonderdeel aansnijdt, heeft dit niet van doen. Het is het subonderdeel te doen om rov. 4.14-4.15 inzake [eiser] dwalingsberoep, en (slechts) in zoverre ook om rov. 4.16 waar het hof kortweg concludeert dat grief 1B van [eiser] ongegrond is.
3.56
Het subonderdeel betoogt naar de kern genomen dat óók indien [eiser] hier geldt als niet-particuliere borg (dus vallend buiten art. 7:857 BW Pro), op Fortis althans ABN AMRO vanwege haar bancaire zorgplicht jegens [eiser] ten minste een ongeschreven plicht tot voorlichting rustte, specifiek wat betreft bepaalde gevolgen van kredietopzegging door de bank als bedoeld in het subonderdeel (dus uitmondend in: met name dat bij een onderstand in de regel een partij niet de gelegenheid krijgt te wachten totdat de beurzen of de prijzen van het vastgoed weer zijn hersteld). Het hof zou dit hebben miskend, althans zijn oordeel hier nader hebben moeten motiveren.
3.57
Uit Hoge Raad-rechtspraak volgt dat een bank als professionele kredietverstrekker een bijzondere zorgplicht heeft jegens een particuliere borg, die ertoe strekt te verzekeren dat laatstgenoemde zich bewust is van de risico’s die hij aangaat door zich borg te stellen voor de schuld van een derde. De invulling van deze zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval, waartoe behoort de aard van de relatie tussen de beoogde borg en de schuldenaar. [56] Daarop ziet de onderhavige zaak niet: [eiser] is volgens het hof immers geen particuliere borg (zie rov. 4.12-4.13). Zie ook onder 3.52.3 hiervoor.
3.58
Uit Hoge Raad-rechtspraak volgt verder dat bij een niet-particuliere borg een dwaling van de borg ter zake van de financiële positie van de schuldenaar voor wiens schuld de borgtocht tot zekerheid strekt, naar de aard van de borgtocht in de zin van art. 6:228 lid 2 BW Pro voor rekening van de borg behoort te blijven, tenzij de dwaling is teweeggebracht door gedragingen van die wederpartij als bedoeld onder a en b in art. 6:228 lid 1 BW Pro. [57] , [58] Wat het subonderdeel aanvoert, staat niet in de sleutel van een onjuiste voorstelling van zaken bij (beoogde) borg [eiser] over de financiële positie van diens vennootschap Megalim, de hoofdschuldenaar, wel in de sleutel van diens onjuiste voorstelling van zaken als (beoogde) borg over bepaalde gevolgen van kredietopzegging door de bank.
3.59
Ik kan in het midden laten of dit laatste, uitgaande dus van een niet-particuliere borgstelling, een succesvol beroep op art. 6:228 lid Pro 1, aanhef en onder b BW [59] had kunnen schragen. Dan geldt immers nog steeds dat [eiser] in ieder geval een daartoe strekkend feitelijk onderbouwd betoog had moeten voeren in feitelijke instanties, en dat zo’n betoog schittert door afwezigheid. [60] Deze lacune wordt niet weggenomen door p. 4-5 van het p-v, de enige vindplaats in de gedingstukken waarop het subonderdeel wijst. Naar daaruit blijkt, heeft [eiser] ter mondelinge behandeling wel antwoord gegeven op vragen van het hof over de borgstelling, daarbij onderkennend dat hij handelde als “ondernemer”, maar ook dit op geen enkele wijze kenbaar toegespitst richting zo’n betoog, laat staan met inachtneming van wat art. 6:228 BW Pro ter zake vereist en uitgaande dus van een niet-particuliere borgstelling. Het is dan ook geenszins onbegrijpelijk dat het hof een dergelijk betoog niet ontwaart in hetgeen [eiser] heeft aangevoerd in feitelijke instanties, en daarop dus ook niet respondeert. Bij deze stand van zaken valt evenmin in te zien dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting als bedoeld in het subonderdeel.
3.6
Kortom: hetgeen het subonderdeel aanvoert, rechtvaardigt hoe dan ook niet de conclusie dat ’s hofs verwerping in rov. 4.14-4.16 van [eiser] dwalingsberoep rechtens onjuist dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is.
3.61
Daarmee is gegeven dat onderdeel II faalt.
Onderdeel III(“Specificatie vordering en executieopbrengsten”)
3.62
Het onderdeel is gericht tegen rov. 4.19-4.25 van het arrest en klaagt dat dit oordeel van het hof hetzij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het onderdeel bevat subonderdelen met klachten onder III.1 en III.2, voorafgegaan door (i) een samenvatting van rov. 4.19-4.25 [61] en (ii) enkele juridische opmerkingen onder III.0.
3.63
Subonderdeel III.1is gericht tegen rov. 4.20-4.21 van het arrest. Ik ontwaar, samengevat, de volgende klachten.
a. Het hof heeft allereerst miskend dat het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 15 juli 2020 geen gezag van gewijsde heeft tussen [eiser] en Cumberland, zodat hij niet uit dien hoofde gebonden is aan dit vonnis. [eiser] heeft als borg, gelet op art. 7:852 lid 1 BW Pro, [62] recht op een zelfstandig verweer en een ‘volle’ toetsing van de vordering zoals Cumberland die in
dezeprocedure pretendeert en vordert. [63]
b. Het hof heeft ook miskend dat het enkele feit dat er een onherroepelijk vonnis ligt tussen Megalim en Cumberland, onverlet laat dat [eiser] als borg het recht heeft om de hoogte van het op hem te verhalen bedrag in een tegen hem gerichte procedure te doen vaststellen. Het is dus onjuist dat het hof overweegt dat nu in voornoemde vonnis is geoordeeld dat Megalim aan Cumberland € 10.000.000,- [64] schuldig is, in deze procedure vaststaat dat [eiser] als borg zich
daarvoorborg heeft gesteld. Wat telt, is wat met het partijdebat in de onderhavige zaak op grond van art. 149 en Pro 150 Rv is komen vast te staan. Daarbij is de borg dus niet gebonden aan wat in een procedure tussen derden is geoordeeld, maar aan wat er aan vordering in deze procedure is vast komen te staan.
c. Dit klemt te meer daar het hof zelf vaststelt in rov. 4.19 dat [eiser] “herhaaldelijk [heeft] verzocht om inzage in de door Cumberland ontvangen bedragen”, waarin besloten ligt dat [eiser] als borg niet over die gegevens beschikt noch kan beschikken, nu dit tot het domein van Cumberland behoort. Het ligt dan ook, anders dan het hof heeft geoordeeld, op de weg van Cumberland om inzage te geven in het verloop van de leningen en in de opbrengsten van de uitwinning van de zekerheden. Aan de hand daarvan had het hof zelfstandig de hoogte van de vordering moeten vaststellen en, bij gebreke van een afdoende onderbouwing door Cumberland, die vordering moeten afwijzen.
d. Een andersluidend oordeel, dat het hof kennelijk voor ogen staat, brengt mee dat als een hoofdschuldenaar in de hand werkt dat een absurd hoge schuld wordt vastgesteld, de borg [65] in weerwil van de werkelijke schuld (die mogelijk veel lager is, zelfs nihil) geen verweer kan voeren in de procedure waarin hij wordt aangesproken voor de borgstelling, en de hoofdschuldenaar daarmee de borg ‘in het pak kan naaien’. Art. 19 Rv Pro, art. 6 EVRM Pro, alsook art. 7:852 lid 1 BW Pro brengen mee dat een partij in beginsel niet gebonden kan zijn aan een uitspraak gewezen tussen andere partijen, waaraan hij geen deel heeft genomen. Een eerlijke procesvoering en ook de borgtochtovereenkomst maken dat de borg van een schuldeiser mag verwachten dat die zijn vordering zodanig onderbouwt dat deze door schuldenaar en rechter kan worden geverifieerd en nagerekend.
e. [eiser] heeft aangevoerd dat de door Cumberland geproduceerde stukken (een onleesbare spreadsheet) niet inzichtelijk maken welke zekerheden zijn uitgewonnen en voor welke bedragen. Door zonder nadere motivering te oordelen dat deze stukken voldoende zijn, heeft het hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek.
f. Het hof heeft in dat kader ook onbesproken gelaten de essentiële stellingen in de MvG, nrs. 57-59, die de klacht weergeeft. [66] Uit die stellingen volgt dat ook in de zaak tegen hoofdschuldenaar Megalim, [67] Cumberland niet in staat was haar vordering deugdelijk te onderbouwen, wat een gemotiveerde betwisting inhoudt van de juistheid van voornoemde vonnis. Daarom is het oordeel ook onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
g. Het hof heeft aldus ook miskend, in het bijzonder door te oordelen in rov. 4.20 dat [eiser] geen enkel concreet aanknopingspunt heeft aangevoerd dat er nog meer betalingen zouden hebben plaatsgevonden die in aftrek zouden moeten worden gebracht, dat het nu juist gaat om stukken die tot het exclusieve domein van Cumberland behoren (executieopbrengsten van door ABN AMRO en/of Cumberland geïnitieerde uitwinningen van zekerheden). Van een schuldeiser kan en mag tegenover een borg worden verwacht dat die nauwkeurig en onderbouwd met verificatoire bescheiden onderbouwt wat de initiële schuld was en wat daarvan door incasso en uitwinning van zekerheden is afgelost. Het ligt niet op de weg van een borg, ook niet als die directeur is geweest, om daartoe gegevens aan te leveren.
h. Door zich te baseren op voornoemde vonnis heeft het hof ten slotte miskend het in art. 149 Rv Pro gestelde dat het alleen die feiten als vaststaand mag aannemen die niet of niet toereikend zijn betwist. Indien het hof van oordeel zou zijn dat [eiser] in de onderhavige zaak het oordeel van de rechtbank Noord-Nederland onvoldoende zou hebben betwist, getuigt dat hetzij van een onjuiste rechtsopvatting omdat de benodigde stukken tot het domein van Cumberland behoren en die er niet mee komt, hetzij van een onvoldoende (begrijpelijke) motivering in het licht van deze stukken.
Behandeling
3.64
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.65
Laat ik beginnen met het citeren van relevante overwegingen uit het arrest.

Reeds geïncasseerde bedragen
4.19
[eiser] heeft met grief 1D in principaal appel aangevoerd dat de bedragen die Cumberland vóór 15 juli 2020 heeft geïncasseerd, in mindering moeten worden gebracht op de vordering die Cumberland op hem heeft. [eiser] licht dit als volgt toe: Megalim is bij vonnis van 15 juli 2020 door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld tot betaling van € 10 miljoen. Hoe die vordering is opgebouwd, is niet gespecificeerd. Evenmin is duidelijk in hoeverre betalingen vóór 15 juli 2020 daarin zijn verdisconteerd. Om die reden heeft [eiser] Cumberland vele malen verzocht om inzage in de bedragen die Cumberland heeft ontvangen.
4.2
Naar het oordeel van het hof is deze grief ongegrond. Op grond van het vonnis van 15 juli 2020 staat vast dat Megalim nog een bedrag van € 10 miljoen aan Cumberland moet betalen. Verder staat vast dat [eiser] zich daarvoor borg heeft gesteld. Het valt niet goed te begrijpen waarom betalingen van vóór 15 juli 2020 daarop in aftrek zouden moeten worden gebracht. Betalingen die na 15 juli 2020 aan Cumberland zijn gedaan, komen uiteraard wel in aftrek op dit bedrag. Partijen zijn het erover eens dat het gaat om een bedrag van € 910.000,-, wat verklaart waarom Cumberland in deze procedure een bedrag van € 9 miljoen van [eiser] vordert. [eiser] heeft geen enkel aanknopingspunt verstrekt voor zijn (impliciete) stelling dat er nog andere betalingen hebben plaatsgevonden die in aftrek moeten worden gebracht op het bedrag van € 10 miljoen. Aangezien [eiser] bestuurder en enig aandeelhouder van Megalim is, zou dat tot zijn mogelijkheden moeten behoren.
4.21
Grief 1D is ongegrond.”
3.66
Ik begin met
klacht a. Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest, want het hof oordeelt in het bestreden oordeel - in het bijzonder rov. 4.20, tweede zin - niet dat in de onderhavige zaak gezag van gewijsde (art. 236 lid 1 Rv Pro) toekomt aan het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 15 juli 2020 en [eiser] uit dien hoofde gebonden is aan het vonnis. [68] Nee, het hof gaat hier ervan uit dat in de onderhavige zaak als feit vaststaat dat bij voornoemde vonnis Megalim is veroordeeld tot betaling van € 10.000.000,- aan Cumberland. Daarmee herhaalt het hof de feitenvaststelling in rov. 3.2 onder (vii), eerste zin, [69] een van de reeds door de rechtbank in het vonnis vastgestelde feiten waarover tussen partijen geen geschil bestaat zodat ook het hof van deze feiten uitgaat (zie rov. 3.1). Overigens blijkt ook uit het partijdebat in hoger beroep dat [eiser] en Cumberland het erover eens zijn dat op grond van voornoemde vonnis Megalim per 15 juli 2020 nog een bedrag van € 10.000.000,- aan Cumberland moet betalen. [70]
3.67
Dan
klacht b. Zij strandt in lijn met klacht a. Eenmaal aangekomen bij grief 1D van [eiser], die het hof dus behandelt in rov. 4.19-4.21, is gegeven dat [eiser] op grond van de borgtochtovereenkomst borg staat voor hetgeen Megalim verschuldigd is aan Cumberland. Want dan heeft het hof grief 1A (“Rechtsgeldige splitsing?”), grief 1B (“Dwaling?”) en grief 1C (“Uitleg borgtochtovereenkomst”) van [eiser] al verworpen, en onderdeel van ’s hofs feitenvaststelling is dat [eiser] de borgtochtovereenkomst heeft gesloten (zie rov. 3.2 onder (iii)). Iets meer of anders brengt het hof m.i. niet tot uitdrukking met rov. 4.20, derde zin. In het bijzonder staat daar niet dat gezien voornoemde vonnis in de onderhavige zaak vaststaat dat, behoudens na 15 juli 2020 aan Cumberland gedane betalingen, [71] de vordering van Cumberland op [eiser] als borg € 10.000.000,- beloopt. Het is niet voor niets dat het hof verderop in rov. 4.20 (zie de laatste twee zinnen) duidelijk maakt te hebben onderzocht of, gelet op het partijdebat in de onderhavige zaak, hier van een lager bedrag dan € 10.000.000,- moet worden uitgegaan. [72] Daaraan doet niet af dat het hof die vraag gemotiveerd ontkennend beantwoordt. Kortom, de klacht strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
3.68
Dan
klacht c. Voor zover zij voortbouwt op klacht b (“Dit klemt temeer”, etc.), die dus faalt, deelt de klacht in het lot daarvan. Ook overigens strandt de klacht, gelet op het volgende. Het hof oordeelt in rov. 4.20, vierde zin dat, gegeven het vaststaan in de onderhavige zaak (i) dat bij voornoemde vonnis Megalim is veroordeeld tot betaling van € 10.000.000,- aan Cumberland en (ii) dat [eiser] op grond van de borgtochtovereenkomst borg staat voor hetgeen Megalim verschuldigd is aan Cumberland, zonder meer niet valt in te zien (“Het valt niet goed te begrijpen”, etc.) waarom op dit bedrag van € 10.000.000,- nog betalingen van vóór 15 juli 2020 in aftrek zouden moeten worden gebracht. Ik wees er al op dat het hof nog onderzoekt of, gelet op het partijdebat in de onderhavige zaak, hier van een lager bedrag dan € 10.000.000,- moet worden uitgegaan (zie onder 3.67 hiervoor). Daarbij wijst het hof erop dat [eiser] daarvoor zelfs “geen enkel aanknopingspunt” heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van zo’n aanknopingspunt [73] wel tot zijn mogelijkheden zou moeten behoren als bestuurder en enig aandeelhouder van hoofdschuldenaar Megalim; het gaat dus niet enkel om gegevens die tot het domein van Cumberland behoren. Daarmee komt het hof tot verwerping van grief 1D, waarmee [eiser] heeft aangevoerd dat de bedragen die Cumberland vóór 15 juli 2020 heeft geïncasseerd in mindering moeten worden gebracht op de vordering die Cumberland op hem heeft. Kortom, [eiser] heeft dit verweer onvoldoende gemotiveerd. Dit acht ik onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
3.69
Daarbij betrek ik, net als kennelijk het hof, [74] het partijdebat in de onderhavige zaak.
- [eiser] heeft in het kader van grief 1D wel met omhaal van woorden aangevoerd dat in eerste aanleg “de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de bedragen die voor 15 juli 2020 door Cumberland zijn geïncasseerd”, [75] maar hij heeft daarbij op geen enkele wijze toegelicht, laat staan noemenswaardig onderbouwd, waarop die “bedragen” dan concreet (zouden kunnen) zien.
- Cumberland is ook in haar verweer tegen grief 1D concreet ingegaan op het beloop van haar vordering op Megalim als hoofdschuldenaar en op [eiser] als borg, [76] zoals zij ook al deed in eerste aanleg. [77]
- Cumberland heeft in hoger beroep nog erop gewezen dat zij al in eerste aanleg een gespecificeerd overzicht heeft overgelegd, met daarin de opbouw van de vordering. [78]
- Cumberland heeft daarbij nog benadrukt dat “[eiser] dat overzicht dus reeds [heeft] ontvangen. [eiser] heeft naar aanleiding van dat overzicht overigens geen vragen aan Cumberland gesteld over de opbouw van de vordering”. [79]
- [eiser] is hierop ter mondelinge behandeling in eerste aanleg slechts kort en in algemene termen ingegaan, [80] en ter mondelinge behandeling in hoger beroep helemaal niet. [81]
3.7
Dan
klacht d. Zij strandt in het voetspoor van de klachten a t/m c. Kort en goed: het hof oordeelt in rov. 4.20-4.21 niet dat [eiser] in beginsel gebonden is aan voornoemde vonnis, gewezen tussen Megalim en Cumberland in een procedure waarin [eiser] geen partij was. En: evenmin valt in te zien dat in de onderhavige zaak Cumberland haar vordering op [eiser] onvoldoende zou hebben onderbouwd. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.71
Dan
klacht e. Voor de stelling dat [eiser] heeft aangevoerd dat de door Cumberland geproduceerde stukken niet inzichtelijk maken welke zekerheden zijn uitgewonnen en voor welke bedragen, verwijst de klacht slechts naar “MvG rnr. 54-61”. Dit komt neer op de gehele grief 1D van [eiser], inclusief toelichting. Ik lees in de MvG, nrs. 54-61 zelfs nog geen begin van zo’n stelling. Dat het hof dit blijkens rov. 4.19-4.21 evenmin doet, is dan geenszins onbegrijpelijk. [82] Zonder meer, en dat meerdere ontbreekt in de klacht, valt niet in te zien waarom het hof niet kon oordelen, zoals het doet, dat Cumberland in de onderhavige zaak haar vordering op [eiser] voldoende heeft onderbouwd. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht. Voor zover de klacht moet worden gelezen in samenhang met klacht f geldt dat laatstgenoemde klacht evenmin succes boekt, gelet op het volgende.
3.72
Daarmee beland ik bij
klacht f. De stellingname van [eiser] waarop de klacht doelt, dus in de MvG, nrs. 57-59, culmineert erin dat in de procedure tussen Megalim en Cumberland niet is komen vast te staan hoe Cumberlands toegewezen vordering van € 10.000.000,- op Megalim is opgebouwd/gespecificeerd en evenmin in hoeverre betalingen vóór 15 juli 2020 daarin zijn verdisconteerd, wat betekent dat er alle aanleiding is ook de bedragen die vóór 15 juli 2020 door Cumberland zijn geïncasseerd te betrekken in haar vordering op [eiser] in de onderhavige zaak. Blijkens rov. 4.19 (“[eiser] licht dit als volgt toe:”, etc.) onderkent het hof die stellingname van [eiser], als onderdeel van diens grief 1D. Blijkens rov. 4.20-4.21 acht het hof grief 1D ongegrond. Gelet op het voorgaande en mijn behandeling van de klachten a t/m e, gaf die stellingname van [eiser] het hof geen reden diens verwerping van grief 1D nog weer nader te motiveren. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.73
Tot slot de
klachten g en h, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking. Uit de behandeling van de klachten a t/m f volgt reeds dat de klachten, in wezen een herhaling van zetten, doel missen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.74
Subonderdeel III.2is gericht tegen rov. 4.22-4.25 van het arrest. Ik ontwaar, samengevat, de volgende klachten.
a. Ten aanzien van deze oordelen geldt
mutatis mutandishetzelfde als ten aanzien van rov. 4.20-4.21 [83] is gesteld in subonderdeel III.1.
b. Het hof is in rov. 4.25 buiten het partijdebat getreden, omdat het daar een opmerking uit de MvA, nr. 40, die zag op grief 3 van [eiser], heeft gebruikt voor diens grief 4.
c. Dit nog daargelaten dat [eiser] met de grieven 3 en 4 nu juist alsnog aangeeft het met dat overzicht niet eens te zijn, nu dat niet aangeeft wat er precies is verkocht en wat dat heeft opgebracht. Daarbij valt ook niet in te zien en is onbegrijpelijk dat, bij gebreke aan een deugdelijke opgave van de verkopen, opbrengsten en onderbouwing van de gestelde “schuld”, enig overgelegd overzicht wel kan volstaan en wat [eiser] hiertegen verder nog had moeten inbrengen. Daarbij is een voldoende motivering dat de fiscus “deze schulden” moet kunnen beoordelen, waarin besloten ligt dat het bij de rechtbank overgelegde overzicht daaraan kennelijk niet voldoet.
Behandeling
3.75
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.76
Klacht ais in wezen een toepassing op rov. 4.22-4.25 van het gestelde in subonderdeel III.1, dat dus faalt. Daarmee deelt de klacht in dit lot. Kort en goed: wat ik schreef bij de behandeling van dat subonderdeel is, voor zover nodig, hier van overeenkomstige toepassing. [84] Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.77
Dan
klacht b. Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest. Het hof doelt in rov. 4.25 op de stelling van Cumberland in de MvA, nr. 41 (inzake grief 4 van [eiser]) dat [eiser] het desbetreffende overzicht reeds ontvangen heeft, en wel in eerste aanleg (als productie bij de CvA i.r.). [85]
3.78
Tot slot
klacht c. Ik lees in de MvG, nrs. 66-75 (inzake de grieven 3 en 4) geen stelling van [eiser] waarin hij concreet maakt waarom hij niet uit de voeten kan met het door Cumberland al in eerste aanleg overgelegde overzicht. [86] Zoals reeds volgt uit 3.69 hiervoor bood dit overzicht, met de daarop door Cumberland gegeven toelichting, [eiser] wel degelijk voldoende aanknopingspunten daartoe. Het is gelet daarop onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat volgens het hof Cumberland heeft aangevoerd dat zij in de procedure bij de rechtbank al een gespecificeerd en inzichtelijk overzicht heeft verstrekt, en dat [eiser] niet heeft toegelicht waarom dat overzicht voor hem niet afdoende is.
3.79
Daarmee is gegeven dat onderdeel III faalt.
Onderdeel IV
3.8
Het onderdeel is gericht tegen enkele verspreide oordelen van het hof en bevat subonderdelen met klachten onder IV.1 en IV.2.
3.81
Subonderdeel IV.1voert aan dat het slagen van een of meer “klachten” (bedoeld zal zijn: in de onderdelen I t/m III) ook rov. 4.28-4.30 en het dictum van het arrest aantasten.
Behandeling
3.82
Het subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de onderdelen I t/m III, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.83
Subonderdeel IV.2wijst tot slot erop dat hof in rov. 3.4 van het arrest, inzake een reconventionele vordering van [eiser], rept van “aankopen” die Cumberland heeft verricht. Als het hof dit heeft bedoeld, en niet “verkopen” zoals aangevoerd door [eiser] bij die reconventionele vordering, [87] is dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Behandeling
3.84
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.85
Het betreft hier slechts een kennelijke verschrijving, zoals het subonderdeel eigenlijk ook wel onderkent (“dit moet (…) als een ‘slip of the pen’ worden aangemerkt”). Het hof bedoelt dus niet “aankopen”, al staat dat er wel, maar
verkopen. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel.
3.86
Daarmee is gegeven dat ook onderdeel IV faalt.
Slotsom
3.87
Het cassatiemiddel van [eiser] is derhalve vergeefs voorgesteld.
3.88
Ik geef toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro in overweging. [88]

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie Hof Den Haag 1 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1173.
2.De begeleidende ‘lijst processtukken’ bij procesdossier B (gefourneerd door Cumberland) vermeldt in noot 1 dat producties 3, 13 en 14 bij de inleidende dagvaarding ontbreken, omdat deze uiteindelijk niet zijn ingediend. Ditzelfde geldt voor productie 25 bij de conclusie van antwoord in reconventie. Met betrekking tot die laatste productie vermeldt de ‘inventaris der stukken’ bij procesdossier A onder 10: “Brief zijdens Cumberland met productie 25; (ontbreekt)”.
3.Zie Rb. Rotterdam 14 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10975.
4.Zie Rb. Rotterdam 9 augustus 2023, zaaknummer C/10/641700 / HA ZA 22/567, rov. 3.1 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)
5.Het subonderdeel maakt hier geen duidelijk onderscheid tussen de afsplitsing (van ABN AMRO naar Stack NewCo) en de cessie (van Stack NewCo naar Cumberland). Het punt van de BCDB-nummers houdt evenwel verband met de afsplitsing, niet (althans hooguit indirect, via de afsplitsing) met de cessie. Kennelijk is dat ook wat het subonderdeel hier bedoelt, specifiek dat een omschrijving in het splitsingsvoorstel van de af te splitsen vorderingen aan de hand van BCDB-nummers onvoldoende is om dit rechtsgevolg, dus afsplitsing van die vorderingen (waaronder dan de vordering van ABN AMRO op Megalim), te laten intreden.
6.Het subonderdeel doelt op (i) de Zesde Richtlijn 82/891/EEG van de Raad van 17 december 1982 op de grondslag van art. 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen en (ii) de Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht.
7.Het subonderdeel wijst hier o.a. op schuldeisers, borgen, werknemers en kennelijk ook op aandeelhouders.
8.Zie nader bijv. A-G Drijber (ECLI:NL:PHR:2026:414) voor HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1147, vanaf 4.16, met verwijzingen.
9.Te vinden in de MvG, nrs. 20-34. Nr. 20 bevat de grief in enge zin (“Ten onrechte heeft de rechtbank”, etc.), in nrs. 21-34 staat de toelichting erop.
10.Zie de MvG, nrs. 33-34.
11.Te vinden in de MvG, nrs. 30, 32.
12.Zie daarvoor de MvG, nrs. 28-29.
13.Het hof citeert uit dit vonnis in rov. 4.6.
14.Zie de MvG, nr. 31, dat ik volledigheidshalve citeer: “[eiser] is van mening dat het niet voldoende is dat het voor de splitsende vennootschap en de verkrijgende vennootschap duidelijk is wat er wordt afgesplitst, maar dat het ook voor derden, zoals schuldenaren als [eiser], duidelijk moet zijn wat wordt verkregen door de verkrijgende vennootschap en wat wordt behouden door de splitsende vennootschap. De bijlage, die gevoegd is bij de akte van splitsing, geeft die duidelijkheid niet. [eiser] stelt dat het splitsingsvoorstel geen bepaling over vermogensbestanddelen bevat. Daarmee is de beschrijving onvoldoende nauwkeurig en ten aanzien van die vermogensbestanddelen kan dus niet worden bepaald welk rechtspersoon daarop na de splitsing rechthebbende is. In dit verband verwijst [eiser] volledigheidshalve naar artikel 2:334s BW”. Het lijkt erop dat dit aansluit op de MvG, nr. 30, tweede alinea: “Gelet op het bepaalde in artikel 2:334a lid 2 BW kan er alleen maar sprake zijn van een overdracht onder algemene titel overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving. Dat staat hier wat [eiser] betreft dus helemaal niet vast”. Dit laatste strookt weer met de MvG, nr. 28, waar door [eiser] dus is aangevoerd “dat het feit dat zijn naam niet in het splitsingsvoorstel was opgenomen wel degelijk een gegrond verweer tegen die splitsing zou kunnen zijn geweest. Daarmee zou de juridische consequentie moeten zijn dat aan Cumberland geen vorderingsrecht toekomt. Immers op basis van dit verweer is de vordering niet overgegaan onder algemene titel op Stack NewCo B.V. en kan deze vennootschap dus ook niet deze vordering aan Cumberland hebben overgedragen”. [eiser] plaatst die stelling in de MvG, nr. 31 niet in de sleutel van BCDB-nummers. Sterker, in de hele MvG wordt niet gerept van BCDB-nummers.
15.Zie de MvG, nr. 31, laatste zin.
16.Ook Cumberland heeft de MvG, nrs. 28, 31 verstaan als nauw verwant. Zie de MvA, nr. 19: “Onder randnummer 28 MvG voert [eiser] nog aan dat zijn naam niet in het splitsingsvoorstel is vermeld, dat de activa die door middel van de splitsing zijn overgegaan daardoor onvoldoende nauwkeurig in het splitsingsvoorstel zijn omschreven en dat de vordering op hem daarom niet door middel van de splitsing is overgegaan, maar die stelling is onjuist”. Bij “is overgegaan,” staat noot 10, die luidt: “Zie ook randnummer 31 MvG”.
17.Zie de MvG, nrs. 21-27.
18.Zie de spreekaantekeningen van [eiser] in hoger beroep, nr. 11. Dit slaat kennelijk terug op het daaraan voorafgaande, dus vanaf nr. 1, waar mede wordt gewezen op een uitspraak die dateert van een week na indiening van de MvG (Hof Arnhem-Leeuwarden 19 december 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:10781) in verbinding met “art. 2:334f lid 2 sub d BW” (en, in het verlengde daarvan, “art. 2:334s lid 3 BW”).
19.Toevoeging A-G: zie de vorige noot.
20.Zie het p-v, p. 4 (de dupliek zijdens Cumberland). Blijkens het p-v, p. 2 (de eerste termijn van Cumberland) was toen al zijdens Cumberland beroep gedaan op “strijd met de tweeconclusieregel”.
21.Zie nog steeds het p-v, p. 4.
22.Zie ook al het p-v, p. 2-3 (de eerste termijn van Cumberland).
23.Zie het p-v, p. 3 (de repliek zijdens [eiser]).
24.Over dit BCDB-nummer van Megalim is eerder in dit vonnis (ook geciteerd in rov. 4.6) onder meer het volgende vermeld: “uit het (...) splitsingsvoorstel van 10 mei 2017 vloeit [voort] dat dat voorstel ertoe strekt die vermogensbestanddelen te laten overgaan op Stack NewCo BV, die zijn opgenomen in de bijlage die als Bijlage C aan het splitsingsvoorstel is gehecht. Artikel 1 van Pro die bijlage verwijst vervolgens naar ‘all rights and obligations under or in relation to the loan agreements which are listed in Annex 1’, waaruit kan worden afgeleid dat de bedoelde Annex 1 een opsomming bevat van overeenkomsten van geldlening. Annex 1 verwijst op haar beurt naar een afzonderlijk bijgevoegde lijst met BCDB-nummers, en vervolgens is een lijst met BCDB-nummers bijgevoegd waar onder nummer 21 BCDB-nummer [xxx] op staat. Dat nummer correspondeert met het ‘Business Contract Number’ waaronder Megalim in de administratie van de bank bekend stond, zoals blijkt uit de door Cumberland overgelegde schermafdruk uit het computersysteem van de bank”.
25.Immers, “de klanten konden inloggen bij de bank en vervolgens zien wat er aan informatie was”. Anders gezegd: die klanten konden dit aldus weten. Zie onder 3.13.3 hiervoor. Daaruit blijkt tevens dat, anders dan [eiser] heeft betoogd, de proceshouding van Cumberland niet de juistheid van grief 1A bevestigt.
26.De klacht wijst wel op de spreekaantekeningen van [eiser] in hoger beroep, maar nr. 7 daarvan wordt juist overgeslagen. De klacht doet niets met het p-v.
27.De vraag die de klacht meer in het bijzonder voor ogen heeft, is of een richtlijnconforme uitleg van de bepaling meebrengt dat de eis van nauwkeurigheid aldus moet worden uitgelegd dat het derden (onder wie de partij die het aangaat) onmiddellijk duidelijk is welke vermogensbestanddelen (van welke schuldenaar) van de splitsende rechtspersoon overgaan op de nieuwe rechtspersoon en welke achterblijven.
28.Zie bijv. HvJEU 24 maart 2026 (Grote Kamer), C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243, punt 23.
29.Ik wijs volledigheidshalve ook op HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1147, rov. 3.1, in het bijzonder de laatste zin.
30.Neerkomend op de MvG, nrs. 20-27 en de spreekaantekeningen van [eiser] in hoger beroep, nr. 9.
31.Het subonderdeel wijst hier op de MvG, nr. 29 voor “het beroep op de bewijslastverdeling”.
32.Dit komt neer op de MvG, nrs. 21-27. Zie ook onder 3.12-3.12.3 hiervoor.
33.Te vinden in de MvG, nrs. 30, 32.
34.Zie de vorige noot.
35.Zie het p-v, p. 4, waar het hof mede wijst op de stelling van [eiser] “dat niet is voldaan aan het publicatievereiste” en mr. Van Boven verklaart: “Ik heb inmiddels begrepen dat er publicatie in Trouw heeft plaatsgevonden, dus mijn eerdere stelling dat dat niet is gebeurd, is onjuist”. Dit zal verband houden met deze verklaring zijdens Cumberland, van mr. Meuleman: “Verder is ook betoogd zijdens [eiser] dat het splitsingsvoorstel niet openbaar is gemaakt en niet gepubliceerd zou zijn in een landelijk dagblad, maar dit is ten onrechte aangevoerd: het is namelijk wél gebeurd. Ik heb die stukken niet overgelegd, omdat in mijn optiek vaststaat dat die vordering is overgegaan. Ik bied namens Cumberland aan dat een verklaring van de Kamer van Koophandel wordt overgelegd, in welke verklaring de KvK aangeeft dat het splitsingsvoorstel is gedeponeerd, én dat in Trouw op 19 mei 2017 is medegedeeld dat het voorstel bij de KvK is gedeponeerd”.
36.Zie de MvG, nrs. 33-34.
37.Dit kan ook van betekenis zijn bij een aanbod tot het leveren van tegenbewijs. Zie bijv. G. de Groot,
38.Zie de MvG, nrs. 39-40 (de citaten komen uit nr. 40). Dit betoog wordt uitgewerkt in de MvG, nrs. 41-45.
39.Zie de MvG, nr. 41.
40.Zie de MvG, nr. 42.
41.Zie de MvG, nr. 43.
42.Zie de MvG, nr. 45. Daar merkt [eiser] ook op dat het omgekeerde niet kan: “Andersom is uiteraard vanuit de bescherming van een particuliere borgtocht niet mogelijk, maar hier gaat het dus om het feit dat een professionele borgtocht als een particuliere borgtocht wordt afgesproken en dat is naar het oordeel van [eiser] wel mogelijk”.
43.Tussenliggend, in de MvG, nr. 44, merkt [eiser] op: “De rechtbank onderkent wel de argumenten van [eiser] op dit punt, maar stelt dat de uiterlijke kenmerken van de borgtochtovereenkomst er niet aan afdoen dat hij een natuurlijk persoon is, die handelde ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van een besloten vennootschap, waarvan hij bestuurder was en het merendeel van de aandelen had”.
44.Zie de MvA, nr. 22.
45.Daartoe volstaat niet de stelling in de klacht dat dit betoog van [eiser] “dus niet toereikend kan worden verworpen met hetgeen het hof in rov. 4.13 overweegt, zoals hiervóór weergegeven” (dit laatste slaat terug op het citaat van rov. 4.13 eerder in het subonderdeel).
46.Toevoeging A-G: een “privé borgstelling” contrasteert [eiser] blijkens de CvA, nr. 21 met een “zakelijke borgstelling”, waarvan hier volgens hem geen sprake zou zijn. Met “prive borgstelling” bedoelt [eiser] dus een particuliere borgstelling, met “zakelijke borgstelling” een niet-particuliere borgstelling.
47.Zie bijv. de CvA i.r., nrs. 17-37, waarbij Cumberland onder meer heeft uiteengezet waarom [eiser], een ervaren vastgoedondernemer, uiteraard heel goed wist dat, als Megalim (of andere betrokken partijen) het krediet niet zou(den) (kunnen) terugbetalen, hij onder zijn borgstelling zou worden aangesproken.
48.Gedoeld wordt op HR 1 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:543,
49.Zie bijv. ook W.L. Valk,
50.Illustratief is de MvA, nr. 28, waaraan de klacht geen aandacht besteedt. Daar zet Cumberland uiteen “dat Fortis [eiser] heeft gewaarschuwd voor de aan de borgstelling verbonden risico’s. Die risico’s staan namelijk vermeld in de bij de akte van borgstelling gevoegde bijsluiter. De stelling van [eiser] dat hij de bijsluiter niet heeft ontvangen is aantoonbaar onjuist, omdat de bijsluiter als bijlage op de laatste pagina van de akte van borgstelling vermeld staat en omdat die bladzijde door [eiser] is ondertekend. Had [eiser] de bijsluiter niet ontvangen, dan had hij dat uiteraard wel eerder gemeld”.
51.Zie bijv. ook HR 1 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7632,
52.Overigens lees ik nergens in de gedingstukken van [eiser] dat hij bij zijn dwalingsberoep ook rekening heeft gehouden met het geval waarin hij niet een particuliere borg is. Integendeel, hij heeft zichzelf bij zijn stellingname in de onderhavige procedure steeds gepositioneerd als particuliere borg. Zie bijv. de MvG, nrs. 40, 45-47.
53.Het is niet duidelijk wat het subonderdeel hiermee bedoelt. Volgens Van Dale (Nederlands) staat “privépersoon” voor “iem. voor zover hij niet in functie is”. Bij Van Dale (Synoniemen) staat achter “privépersoon”: persoon > mens > wezen. Het gaat bij een privépersoon dus om een natuurlijke persoon, althans voor zover die persoon niet handelt in functie. Daarvan ga ik hierna uit, ook wat betreft [eiser] (die, zoals gezegd, bestuurder/enig aandeelhouder van Megalim is).
54.Het subonderdeel springt hier van algemeen (“een bank”) naar dit geval (“de Bank”, waarmee kennelijk wordt gedoeld op Fortis althans ABN AMRO).
55.Want “[w]einig ondernemers zullen zich realiseren dat aan de opzegging een executietraject verbonden is dat, vanwege die onderstand en gedwongen verkoop op een ongunstig moment, er een aanzienlijke restschuld kan blijven bestaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat waarden van beleggingen kunnen fluctueren. Wat echter
56.Zie bijv. HR 1 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:543,
57.Zie HR 3 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1383,
58.Zie over de rechtspraak in de noten 56-57 hiervoor bijv. Asser/I.S.J. Houben & A.C. van Schaick,
59.Daar gaat het hier volgens het hof om, blijkens rov. 4.15. Dit is in cassatie niet (met vrucht) bestreden.
60.Dit vindt ook daarin bevestiging dat Cumberland een dergelijk betoog zijdens [eiser] niet heeft ontwaard in diens gedingstukken in feitelijke instanties. Zie bijv. de CvA i.r., nrs. 28-37 en de MvA, nr. 28.
61.Aan het slot van (i) staat dat “Dit oordeel” (kennelijk: rov. 4.19-4.25) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting inzake art. 7:852 lid 1 BW Pro en art. 149, 150 en 236 Rv, en ontoereikend is gemotiveerd. Deze hoofdklacht wordt toegelicht en uitgewerkt in het vervolg van het onderdeel.
62.Er staat “art. 7:825 lid 1 BW Pro”, maar bedoeld zal zijn art. 7:852 lid 1 BW Pro.
63.Dat “een andere rechter tussen andere partijen iets over die vordering heeft geoordeeld en
64.Er staat “€ 10.000,=”, maar bedoeld zal zijn € 10.000.000,-.
65.Er staat “de schuldeiser”, maar bedoeld zal zijn de borg.
66.Er staat “rnrs. 57 - 58 van de MvG”, maar bedoeld zal zijn nrs. 57-59 van de MvG.
67.Er staat “hoofdschuldeiser”, maar bedoeld zal zijn hoofdschuldenaar (Megalim).
68.Ik lees trouwens in de MvA, nrs. 32-38 (het verweer van Cumberland tegen grief 1D van [eiser]) ook geen beroep op gezag van gewijsde van voornoemde vonnis in de onderhavige zaak.
69.Dus: “Bij vonnis van 15 juli 2020 heeft de rechtbank Noord-Nederland Megalim veroordeeld tot betaling van € 10 miljoen aan Cumberland”.
70.Zie zijdens [eiser] bijv. de MvG, nr. 57 over “het bedrag van € 10.000.000,00 tot betaling waarvan Megalim inderdaad bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 15 juli 2020 is veroordeeld” (daarop wijst het hof dus ook in rov. 4.19). En zijdens Cumberland bijv. de MvA, nrs. 33-34 over diezelfde veroordeling.
71.Partijen zijn het erover eens dat het wat betreft na 15 juli 2020 aan Cumberland gedane betalingen gaat om een bedrag van € 910.000,- (wat verklaart waarom Cumberland in de onderhavige zaak een bedrag van € 9.000.000,- vordert van [eiser]), aldus het hof in rov. 4.20, zesde zin.
72.Dus los van na 15 juli 2020 aan Cumberland gedane betalingen, ten aanzien waarvan partijen het dus erover eens zijn dat het gaat om een bedrag van € 910.000,-. Zie de vorige noot.
73.Wat op [eiser] weg lag, mede gezien de in rov. 4.19 gememoreerde strekking van grief 1D (aan welke grief naar de aard niet wordt toegekomen als grief 1A, 1B en/of 1C doel treffen/treft) en gegeven dat vaststaan van (i)-(ii). Zie voorts mijn opmerkingen over het partijdebat in de onderhavige zaak onder 3.69 hierna.
74.Zie bijv. noot 71 hiervoor, waarmee het hof inzake grief 1D wijst op het partijdebat in de onderhavige zaak.
75.Zie de MvG, nr. 60, met een aanloop in de nrs. 54-59.
76.Zie de MvA, nrs. 32-38.
77.Zie de CvA i.r., nrs. 42-55, mede onder verwijzing naar Cumberlands overzichten in productie 24 met uitgebreide uitleg daarbij in de als productie 23 overgelegde akte, nog weer nader toegelicht in de CvA i.r., nrs. 47, 51. In die akte (productie 23) wordt door Cumberland verwezen naar en uitleg gegeven bij twee overzichten, in die akte geduid als “Productie 24” respectievelijk “Productie 25”, die in productie 24 beide zijn opgenomen. Het eerste overzicht in productie 24 (onder “Overzicht (verkoop-)opbrengsten Megalim”) is dit als “Productie 25” geduide overzicht, het tweede overzicht in productie 24 (handmatig genummerd van 1 t/m 4) is dan dit als “Productie 24” geduide overzicht.
78.Zie de MvA, nr. 40 (alsook nr. 41).
79.Zie de MvA, nr. 40. In de MvG, waaronder nrs. 54-61 (grief 1D), valt daarover zijdens [eiser] ook niets te lezen.
80.Hier gaat het dus om noot 77, eerste alinea hiervoor. Relevant is hooguit nr. 11 van de spreekaantekeningen van [eiser] in eerste aanleg. Daar wordt slechts iets gezegd over die productie 24 zijdens Cumberland, wat neerkomt op een enkele verwijzing door [eiser] naar “een volstrekt onleesbaar verhaal”, want “een spreadsheet met tientallen data en bedragen zonder enige mogelijkheid van controle en niet inzichtelijk”. Afgezet tegen noot 77, eerste alinea hiervoor is dit ontoereikend, ook als grondslag voor [eiser] slotsom aldaar dat Cumberland haar vordering op hem onvoldoende “cijfermatig inzichtelijk” heeft gemaakt.
81.Hier gaat het dus om de noten 76, 77, tweede alinea en 78-79 hiervoor. Dat [eiser] daarop is ingegaan, blijkt niet uit diens spreekaantekeningen in hoger beroep noch uit het p-v.
82.Te minder nu ook Cumberland zoiets niet heeft opgemaakt uit grief 1D. Zie de MvA, nrs. 32-38.
83.Er staat “rovv. 4.29 en 4.21”, maar bedoeld zal zijn rov. 4.20-4.21.
84.Ik zie, anders dan de klacht nog bloot poneert, niet dat “in cassatie als hypothetisch feitelijke grondslag blijkens rov. 4.22 heeft te gelden” dat Cumberland [eiser] niet op de hoogte heeft gesteld van alle verkopen die ABN AMRO na de kredietovername heeft gedaan. Rov. 4.22 bevat niets meer of minder dan een samenvatting door het hof van grief 3 van [eiser].
85.Zie de MvA, nr. 41: “[eiser] heeft dat overzicht namelijk reeds ontvangen, als Productie 24 en 25”. Daarmee bedoelt Cumberland uiteraard hetzelfde als in de MvA, nr. 40 met: “Als Productie 24 en 25 heeft Cumberland bij conclusie van antwoord in reconventie reeds een gespecificeerd overzicht overgelegd waarin de opbouw van de vordering is weergegeven. [eiser] heeft dat overzicht dus reeds ontvangen” (daarbij nog aantekenend: “[eiser] heeft naar aanleiding van dat overzicht overigens geen vragen aan Cumberland gesteld over de opbouw van de vordering”).
86.Ook niet in de MvG, nrs. 74-75, waarin [eiser] ingaat op beoordeling door de fiscus van zijn schulden.
87.Gewezen wordt daarbij op “de CvA het petitum p. 14 onder 2”. Zie ook de MvG, p. 15 onder 2.
88.Daarbij breng ik 3.14 hiervoor in herinnering.