Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
3.Het tweede middel
(…)
5. Genoegzaamheid van de stukken
4.Het derde middel
NJ2017/276, m.nt. N. Rozemond in rov. 3.5 geformuleerde uitgangspunt dat het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM Pro voorbehouden is aan de Minister, maar dat het de uitleveringsrechter is die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren wanneer sprake is van een
voltooideinbreuk op zijn fundamentele rechten. In dat kader heeft de verdediging naar voren gebracht dat de bevoegdheidsverdeling rondom art. 9 Uw Pro in samenhang moet worden beoordeeld met de te verkrijgen terugkeergarantie en het recht van iedere Unieburger om toegang te krijgen tot een onafhankelijke rechterlijke instantie bij een schending van zijn rechten. Daarbij is als hypothetisch scenario geschetst het geval waarin de opgeëiste persoon in de VS uiteindelijk wordt vrijgesproken van de handelingen die zien op het witwassen en op de verstrekking van ANOM-telefoons, maar wel wordt veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die tot doel had het verkopen van verdovende middelen, terwijl hij in Nederland ook voor dat feit definitief is veroordeeld. In dat geval zou de opgeëiste persoon volgens de verdediging niet van een eventuele terugkeergarantie gebruik kunnen maken, omdat art. 7 WOTS Pro dwingend voorschrijft dat een verzoek tot overname van tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor een feit ter zake waarvan de betrokkene reeds eerder in Nederland is veroordeeld, wordt afgewezen. Aldus wordt de opgeëiste persoon in een situatie gebracht dat er sprake zou kunnen zijn van een schending van het verbod op een vervolging/bestraffing voor dezelfde feiten, terwijl hij tegen die schending vanwege de geldende bevoegdheidsverdeling in de uitleveringsprocedure niet in rechte kan opkomen, en bovendien op voorhand niet kan worden gegarandeerd dat zijn terugkeergarantie in dat geval kan wordt geëffectueerd. De verdediging meent dat de uitleveringsrechter in dit geval aan zet is en de uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren.
Ne bis in idem-verweer
RICO-conspiracy, daarin bestaande dat hij als distributeur van versleutelde ANOM-telefoons optrad, wetende dat ANOM bestond om te voorzien in de communicatiebehoeften van criminelen. Daarnaast zou hij zelf de ANOM-apparatuur hebben gebruikt voor onder andere de handel in verdovende middelen, witwassen en obstructie van de rechtsgang.
eerste deelklachtbestrijdt de beslissing van de rechtbank om het door de verdediging gevoerde ne bis in idem-verweer niet te bespreken. Geklaagd wordt dat het oordeel dat de toets of sprake is van ne bis in idem als bedoeld in art. 9 Uw Pro is voorbehouden aan de minister, onjuist en onbegrijpelijk is, omdat door de verdediging juist is bepleit dat sprake is van een dreigende flagrante schending van de fundamentele rechten – namelijk het recht om niet tweemaal voor hetzelfde feit te worden vervolgd als bedoeld in art. 6 EVRM Pro – en daartegen geen effectief rechtsmiddel openstaat. De rechtbank zou het gevoerde verweer aldus in de verkeerde sleutel hebben geplaatst.
NJ2017/276, m.nt. N. Rozemond aangehaald, maar dit uitgangspunt heeft betrekking op de bevoegdheidsverdeling bij een (dreigende) inbreuk op fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM Pro. Bij een beroep op een dreigende inbreuk op de fundamentele rechten als bedoeld in art. 6 EVRM Pro geldt ten aanzien van de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister het kader als uiteengezet in rov. 3.6, onder B. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over dreigende mensenrechtenschendingen. Dat uitgangspunt kan uitzondering lijden indien naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer komt vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 lid 1 EVRM Pro en/of art. 14 lid 1 IVBPR Pro toekomend recht (rov. 3.6, onder B, iii). Op dat kader is door de verdediging niet een beroep gedaan. Anders dan het middel wil, lees ik in de bedoelde pleitnotities niet een voldoende onderbouwd verweer terug dat een mogelijke schending van het ne bis in idem-beginsel in dit geval een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM Pro oplevert, hetgeen meebrengt dat het de eerste deelklacht bij gebrek aan feitelijke grondslag faalt.
tweede deelklachtluidt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gereageerd op het verzoek van de verdediging om de VS te verzoeken de verdenking nader te concretiseren. Deze klacht treft mijns inziens evenmin doel. Uit haar hiervoor aangehaalde overwegingen en de daarin opgenomen samenvatting van het gevoerde verweer van de verdediging blijkt dat de rechtbank het verzoek tot het nader laten concretiseren van de verdenking door de VS in het vizier had. De rechtbank heeft vervolgens op grond van de bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken en het vonnis en strafdossier in de Nederlandse strafzaak van de opgeëiste persoon onderzocht in hoeverre overlap bestaat tussen de verschillende feiten. Daaruit heeft de rechtbank geconcludeerd dat mogelijk een verband bestaat met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de samenhang in het handelen en de schuld ten aanzien van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht met de feiten 2 en 3 van het veroordelende Nederlandse strafvonnis, waarbij de rechtbank dit verband ziet ten aanzien van (een deel van) de tenlastegelegde periode, pleegplaats en gedragingen. [13] Daarin klinkt als oordeel door dat de rechtbank zich voldoende ingelicht achtte over de verdenking van de VS en de Nederlandse strafzaak om een eventuele overlap tussen de betreffende feiten te toetsen en een nadere concretisering van de verdenking door de VS daarom niet noodzakelijk is. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, nog daargelaten dat een dergelijke nadere concretisering niet afdoet aan het feit dat de toets of sprake is van een ne bis in idem-situatie als bedoeld in art. 9 lid Pro 1, onder a, Uw – zoals de rechtbank met juistheid overweegt – in dit geval is voorbehouden aan de Minister, omdat de opgeëiste persoon tegen het Nederlandse strafvonnis hoger beroep heeft ingesteld en daarmee nog steeds sprake is van een lopende strafvervolging.
derde deelklacht. Zoals hiervoor reeds besproken, heeft de verdediging op de zitting van 28 maart 2024 verzocht de behandeling aan te houden tot het antwoord van het Hof van Justitie op de door de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 26 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6739 gestelde prejudiciële vragen, in bijzonder vraag III [14] , die luidt:
Verzoek tot aanhouden
ne bis in idemen de verdachte uitleveren aan de Verenigde Staten van Amerika. Als tegelijkertijd de verdachte in Nederland wordt veroordeeld voor feiten die, na nadere invulling van de verdenking tegen de opgeëiste persoon in Verenigde Staten van Amerika, toch een zodanig verband houden dat gesproken kan worden van dezelfde feiten, dan is er voor de opgeëiste persoon geen mogelijkheid meer om gebruik te maken van de terugkeergarantie. Immers kent artikel 7, tweede lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging Strafvonnissen (hierna: WOTS) een dwingende weigeringsgrond, te weten: een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in Nederland niet ten uitvoer worden gelegd voor zover een vervolging in Nederland onverenigbaar zou zijn met het
ne bis in idem-beginsel.