Art. 47 SrArt. 1 Wet op de economische delictenArt. 2 Wet op de economische delictenArt. 6 Wet op de economische delictenArt. 38 Geneesmiddelenwet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gevangenisstraf voor medeplegen groothandel in ketamine zonder registratie
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het medeplegen van een groothandel in ketamine zonder de vereiste registratie. Verdachte werd beschuldigd van het in voorraad hebben van 150 kilogram ketamine, het afleveren van 145 kilogram ketamine en het drijven van een groothandel in ketamine.
De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was als economische kamer, ondanks dat de dagvaarding de gewone strafkamer vermeldde, omdat de rechters waren aangewezen als economische rechters en de zaak materieel een economisch delict betrof. Het bewijs bestond uit onder meer cryptoberichten, telefoongegevens, doorzoekingen en een notitie met leveringsgegevens, waaruit bleek dat verdachte nauw samenwerkte met medeverdachten en betrokken was bij de handel.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet betrokken was bij de leveringen en dat artikel 38 vanPro de Geneesmiddelenwet alleen op groothandelaren van toepassing zou zijn, wat volgens hen niet op verdachte van toepassing was. De rechtbank verwierp deze verweren en achtte bewezen dat verdachte als medepleger een groothandel dreef.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 6 maanden op, lager dan de eis van 18 maanden, rekening houdend met de aard van de ketaminehandel, de recente ontwikkeling in strafmaten en de beperkte termijnoverschrijding. Verdachte werd strafbaar verklaard voor het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 38 vanPro de Geneesmiddelenwet.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van groothandel in ketamine zonder registratie.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.026777.24
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1971,
wonende op het adres [adres 1] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12, 17 en 18 november 2025 (inhoudelijke behandeling) en 20 februari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. F. Bahadin en J.P. Hopman (hierna gezamenlijk: de officier van justitie), en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. J.C. Dekkers, naar voren heeft gebracht. Verdachte was zelf niet aanwezig.
2.Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk zonder registratie:
in voorraad hebben van 150 kilogram ketamine;
(laten) afleveren van 145 kilogram ketamine; en
het drijven van een groothandel in ketamine.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.
3.Bevoegdheid van de rechtbank
3.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat de rechtbank niet bevoegd is, omdat de zaak tegen verdachte is aangebracht bij de (gewone) strafkamer van de rechtbank, terwijl alleen economische delicten zijn tenlastegelegd. Anders dan de rechtbank in reactie op het preliminair gevoerde verweer heeft gesteld, kan de rechtbank niet van pet wisselen en de zaak afdoen als economische kamer.
3.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bevoegd is om over de zaak te oordelen, nu de rechtbank voornemens is om als economische kamer uitspraak te doen. Omdat de feitelijke zittingscombinatie bestaat uit rechters die zijn aangewezen als economische rechters, zijn er ook geen belangen geschaad.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging alleen een economisch delict bevat en dat daarom alleen de economische kamers van de rechtbank bevoegd zijn over het tenlastegelegde te oordelen. De rechtbank stelt ook vast dat verdachte gedagvaard is voor de (gewone) strafkamer van de rechtbank Amsterdam. Gelet hierop staat vast dat op de dagvaarding niet het juiste forum is vermeld.
De rechtbank is echter van oordeel dat dit in dit geval niet hoeft te leiden tot het oordeel dat de rechtbank niet bevoegd is over de zaak tegen verdachte te oordelen. Daarvoor is van belang dat de rechtbank vaststelt dat de zaak is toebedeeld aan team 1 van de teams strafrecht van de rechtbank Amsterdam, het team waarin de economische zaken worden behandeld, en dat de individuele rechters die in deze zaak samen de meervoudige kamer vormen deel uitmaken van dit team en daarmee zijn aangewezen als economische rechter. Deze aanwijzing als economische rechter volgt uit het volgende wettelijke kader:
Artikel 38 vanPro de Wet op de economische delicten bepaalt dat economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 vanPro Wet op de rechterlijke organisatie. In artikel 52 vanPro de Wet op de rechtelijke organisatie wordt bepaald dat het bestuur [van de rechtbank] voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten economische kamers vormt en de bezetting van deze kamers bepaalt. In het bestuursreglement van de rechtbank Amsterdam (Staatscourant 2025, 23151) is in artikel 4 opgenomenPro:
“1. Het bestuur stelt jaarlijks (per 1 januari) een overzicht vast welke categorieën zaken door elk van de afdelingen en teams worden behandeld. Het schema wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en ligt op iedere zittingsplaats van het gerecht ter inzage.
2. Het bestuur stelt jaarlijks (per 1 januari) de bezetting van de afdelingen en teams vast, welke afdelingen en teams enkelvoudige en meervoudige kamers vormen.
Degenen die deel uitmaken van een afdeling of een team dat is belast met de behandeling van zaken als bedoeld in de artikelen 47, 48 en 50 tot en met 53 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO), zijn aangewezen als lid van de enkelvoudige en meervoudige kamers, bedoeld in die artikelen (…)”
Volgens het schema dat is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl worden de economische zaken door team 1 behandeld.
Hieruit volgt dat materieel gezien wordt voldaan aan de voorwaarde dat economische rechters over de zaak van verdachte oordelen. Verdachte wordt berecht door rechters die voor dit soort zaken door de wetgever zijn aangewezen en er wordt niet in strijd met de bedoeling van de wetgever gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank volgt – tegen de hiervoor weergegeven achtergrond – uit de jurisprudentie dat de omstandigheid dat op de dagvaarding niet het juiste forum is vermeld er niet aan in de weg staat de rechtbank bevoegd te achten. [1]
De rechtbank is daarom van oordeel dat zij bevoegd is over de zaak te oordelen en zij zal dat als economische kamer doen.
4.Waardering van het bewijs
4.1.
Inleiding
Verdachte is een van de verdachten in het onderzoek Kristal. Dit onderzoek is opgestart naar aanleiding van (anonieme) meldingen, waarbij de verdenking is ontstaan dat [medeverdachte 1] zich samen met anderen schuldig zou maken aan de handel in ketamine en witwassen. Verdachte is een van de verdachten die in dit dossier in beeld zijn gekomen bij de handel in ketamine. Verdachte zou een van de deelpartijen ketamine hebben ontvangen.
4.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
4.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging vindt niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt van contact met verdachte over of betrokkenheid van verdachte bij een eventuele levering van ketamine. De bevindingen in het dossier passen volgens de raadsvrouw minstens zo goed bij een scenario dat derden de ketamine tijdelijk en buiten medeweten van verdachte om hebben opgeslagen in een aan verdachte gerelateerde opslaglocatie.
Subsidiair stelt de verdediging – onder verwijzing naar ECLI:NL:RBNHO:2025:27 – dat de verbodsbepaling van artikel 38 vanPro de Geneesmiddelenwet zich enkel richt tot groothandelaren en fabrikanten en dat verdachte niet als groothandelaar is aan te merken.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de volgende verdachten in dit onderzoek gebruik hebben gemaakt van in elk geval de volgende cryptotelefoons:
De rechtbank zal na de identificatie omwille van de leesbaarheid niet de betreffende crypto-accounts noemen, maar de achternaam van geïdentificeerde gebruiker.
De rechtbank leidt deze identificaties af uit de volgende feiten en omstandigheden.
[account 1]
Het Sky-account [account 1] is gekoppeld aan IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] . Tijdens de doorzoeking op 27 augustus 2020 is in de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 2] in Amsterdam een iPhone met dit IMEI-nummer in beslag genomen. [3]
Op 7 juli 2020 stuurt [account 1] de volgende berichten: ‘kan die honderd op rek porsche’, ‘ik heb al 60 aanbetaald’. Op 9 juli 2020 stuurt [account 1] : ‘als je 107 overmaakt is er rust met de auto’. [4] [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in 2019 een nieuwe Porsche heeft besteld die hij in 2020 moest afnemen voor € 167.000,- en dat hij hier al € 25.000,- en € 35.000,- voor had aanbetaald. [5]
Op 10 juli 2020 stuurt [account 1] de volgende berichten: ‘no car, i’m in a appartment’, ‘if you there in front of hotel i walk to you’ en ‘ [adres 3] ’. [6] Op het adres [adres 3] in Malaga is het [hotel] gevestigd. [medeverdachte 1] is mede-eigenaar van appartementen op het adres [adres 4] . [7]
Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van Sky-ID [account 1] .
[account 4] , [account 3] en [account 2]
Tijdens de doorzoeking bij [medeverdachte 3] is een notitie in beslag genomen waarop staat ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’ en ‘ [account 3] ’. [8] Uit berichten van [account 3] wordt afgeleid dat de gebruiker gebruikmaakt van de naam [bijnaam van medeverdachte 2] . Hetzelfde geldt voor de gebruiker ‘ [account 4] . [9] [account 3] en [account 4] geven allebei ‘ [e-mailadres] ’ door voor het ontvangen van een e-mailbericht. [10]
Op 24 juni 2020 stuurt [account 3] vermoedelijk 67 Sky-id’s door naar [account 2] . Op 24 juni 2020 vraagt [account 6] aan [account 2] ‘nieuwe toch?’ [account 2] schrijft zelf aan [account 7] ‘Deze is new’ en dat andere ‘nog 2 maanden is’ en zijn back up is. [account 8] vraagt die dag aan [account 2] ‘Is dit he nieuwe [bijnaam van medeverdachte 2] ?’. [11] Uit meer berichten is op te maken dat [account 2] de bijnaam [bijnaam van medeverdachte 2] gebruikt. [12]
Op [datum] schrijft [account 9] aan [account 2] ‘happy happy Bday’. [medeverdachte 2] is op [geboortedag 2] 1970 geboren. [13]
In een onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoon is het telefoonnummer [telefoonnummer 1] opgeslagen als ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’. Dit nummer staat op naam van [vrouw van medeverdachte 2] , de vrouw van [medeverdachte 2] . Op 13 december 2019 stuurt [bijnaam van medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] ‘ [medeverdachte 2] ’ en op 4 juni 2020 stuurt hij twee foto’s naar [medeverdachte 1] met de tekst ‘ben getrimd’. De verbalisant herkent op deze foto’s [medeverdachte 2] van zijn foto uit het politieregistratiesysteem. [14]
In de telefoon van [medeverdachte 1] is het nummer [telefoonnummer 2] opgeslagen als ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’. [bijnaam van medeverdachte 2] stuurt op 18 oktober 2018 naar [medeverdachte 1] : “Boss. Dit is mijn dubai nr.” Op 23 januari 2019 stuurt [bijnaam van medeverdachte 2] een foto waarop de verbalisanten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van de foto’s uit het politieregistratiesystemen herkennen. [15]
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij de persoon die hij in zijn verhoren [bijnaam van medeverdachte 2] noemde, herkent op een foto uit het politieregistratiesysteem als [medeverdachte 2] . [16]
Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat het Encrochat-account [account 4] en de Sky-accounts [account 3] en [account 2] een en dezelfde ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’ als gebruiker hebben, dat [medeverdachte 2] deze ‘ [bijnaam van medeverdachte 2] ’ is en dat de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] in gebruik zijn bij [medeverdachte 2] .
[account 5]
Het Sky-account [account 5] is gekoppeld aan IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 3] is de telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] aangetroffen. Tijdens de doorzoeking is in een portemonnee ook een notitie aangetroffen met daarop ‘ [naam 1] ’ en ‘ [account 10] ’. In het onderzoek zijn Sky-gesprekken tussen [account 10] en [account 5] aangetroffen. [17]
Op 26 augustus 2020 stuurt [medeverdachte 1] naar [account 5] dat hij om 11.00 in Soest is, en later ‘sorry 13:30 kroeg’. [account 5] reageert hierop met ‘oké’. Een observatieteam heeft op 26 augustus 2020 om 17.13 uur [medeverdachte 3] uit de woning zien lopen op het adres waar [medeverdachte 1] stond ingeschreven en waar zijn kroeg ook is gevestigd. [18]
Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van het Sky-account [account 5] .
4.4.2.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 27 augustus 2020 is de woning aan het [adres 5] , de woning van de vader van medeverdachte [medeverdachte 3] , doorzocht en daarbij zijn in drie ruimtes dozen met een witte stof aangetroffen en in beslag genomen. [19] De witte stof is gewogen en bemonsterd en vervolgens zijn de monsters geanalyseerd. Uit dit onderzoek bleek dat het ging om in totaal ongeveer 185 kilogram en dat alle deelmonsters hoofdzakelijk bestonden uit ketamine(hydrochloride). [20]
Op 27 augustus 2020 is ook de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] aan de [adres 6] doorzocht. Daarbij is een papiertje met notities in beslag genomen: [21]
Tekst
5.Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.4 weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 juni 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
opzettelijk
zonder registratie een werkzame stof, te weten 150 kilogram ketamine(hydrochloride), in voorraad heeft gehad
en
zonder registratie een werkzame stof, te weten 145 kilogram ketamine(hydrochloride), heeft afgeleverd en/of heeft laten afleveren
en
zonder registratie in een werkzame stof, te weten ketamine(hydrochloride), een groothandel heeft gedreven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6.De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7.De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8.Motivering van de straf
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen en te volstaan met een taakstraf, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een geldboete.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 6 maanden. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang.
Verdachte heeft gedurende drie maanden zonder de vereiste registratie een groothandel in ketamine gedreven en in dat kader 150 kilogram ketamine in voorraad gehad. Na drie maanden is hiervan 145 kilogram (terug)geleverd aan de eerdere verstrekkers. Het lijkt erop dat de rol van verdachte was om de ketamine verder door te verkopen.
Gelet op de omvang van de partij ketamine kan niet worden afgezien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende omstandigheden.
Hoewel de strafbaarstelling van ketamine geregeld wordt via de Geneesmiddelenwet, is het bekend dat ketamine populair is als partydrug. De rechtbank leidt uit de manier waarop in de ketamine werd gehandeld af dat verdachte gericht was op de markt voor partydrugs, en niet op de geneesmiddelenmarkt. In die zin bestaat er bij ketaminehandel aanleiding om aansluiting te zoeken bij straffen voor harddrugs.
Tegelijkertijd is de rechtbank het met de raadsvrouw eens dat er de afgelopen periode sprake is van een opwaartse ontwikkeling in de straffen die voor ketaminefeiten worden opgelegd. Als de strafzaak kort na het einde van de pleegperiode zou zijn berecht, zou vermoedelijk sprake zijn geweest van een lagere strafeis. De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van verdachte enigszins rekening met de straffen die in de beginjaren ’20 voor illegale ketaminehandel werden opgelegd.
Volgens de raadsvrouw is er sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet dat anders. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in de zaak van verdachte is aangevangen op 7 februari 2024, de dag waarop het Openbaar Ministerie de concept tenlastelegging aan de toenmalige raadsman van verdachte heeft gestuurd met het verzoek eventuele onderzoekswensen in te dienen. Dit betekent dat, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, op 7 februari 2026 vonnis had moeten worden gewezen. Er is sprake van een termijnoverschrijding van 13 dagen. De rechtbank ziet in deze beperkte overschrijding geen aanleiding tot strafvermindering.
Vanwege het tijdsverloop sinds de pleegdatum van het feit en gelet op het feit dat verdachte de afgelopen jaren niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om boven op het onvoorwaardelijke strafdeel niet nog een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte op te leggen, hetgeen zij anders wel zou hebben gedaan.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 vanPro de Penitentiaire beginselenwet.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 47 vanPro het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 38 vanPro de Geneesmiddelenwet.
10.Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 38 vanPro de Geneesmiddelenwet gegeven verbod.
2.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de digitale nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Tenzij anders vermeld, zijn de met DOC aangeduide bewijsmiddelen geschriften.
3.AMB-065, p. 1638.
4.DOC-268, p. 5187.
5.V-01-01, p. 641.
6.DOC-175, p. 4199.
7.AMB-065, p. 1639.
8.AMB-064, p. 1633.
9.AMB-064, p. 1634.
10.AMB-064, p. 1635.
11.AMB-064, p. 1635-1636.
12.AMB-064, p. 1636-1637.
13.AMB-064, p. 1637.
14.AMB-048, p. 1271.
15.AMB-048, p. 1271-1272.
16.AMB-054, p. 1357.
17.AMB-083, p. 4413.
18.AMB-083, p. 4415.
19.IBN-001-04-01, p. 2907, 2910 en 2912.
20.AMB-023, p. 1064-1070, en AMB-023a, p. 1071-1073 (een rapport).
21.IBN-001-02-01, p. 2885 en 2889 en DOC-069, p. 3636.