Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5185

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
13-330022-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke weigering en toestemming overlevering Europees aanhoudingsbevel wegens drugshandel en witwassen

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Frankrijk tegen een Nederlandse verdachte, verdacht van deelname aan een criminele organisatie, drugshandel en witwassen. De verdachte was reeds onherroepelijk veroordeeld in Spanje voor een deel van dezelfde feiten, namelijk de handel in 10 vaten 3-MMC in Barcelona in januari 2022.

De rechtbank oordeelde dat voor dit deel sprake is van ne bis in idem en weigerde de overlevering voor deze feiten. Voor de overige feiten, waaronder handel in synthetische drugs en witwassen in Frankrijk, werd de overlevering toegestaan. De rechtbank nam ook kennis van de detentieomstandigheden in de Franse gevangenis Paris-la-Santé en concludeerde dat met de gegeven individuele garanties het algemene gevaar van onmenselijke behandeling was weggenomen.

De verdachte verscheen niet op de zittingen, waardoor de schorsing van zijn overleveringsdetentie werd opgeheven en de borgsom van €50.000,- verviel aan de Staat. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.

Uitkomst: Overlevering wordt geweigerd voor de handel in 3-MMC in Barcelona wegens ne bis in idem, maar toegestaan voor overige feiten; borgsom vervalt wegens niet verschijnen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-330022-25
Datum uitspraak: 26 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 december 2025 door
the Public Prosecutor at the Paris Tribunal Judiciaire (civil court), Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
met als feitelijk verblijfadres:
[feitelijk verblijfsadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 16 april 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 16 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is, ondanks dat hij daartoe volgens zijn schorsingsvoorwaarden gehouden was, niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. A. Mao, advocaat in Schiedam.
De rechtbank heeft de schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon opgeheven, omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden door niet op de zitting te verschijnen.
De rechtbank heeft de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de behandeling van het overleveringsverzoek aangehouden, omdat de raadsman de aanvullende informatie van 19 maart 2026 en 30 maart 2026 niet heeft ontvangen en ook niet met de opgeëiste persoon heeft kunnen bespreken.
De zitting van 12 mei 2026
De behandeling van het EAB is met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. A. Mao.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van
the Paris Tribunal judiciaire (civil court)van 2 december 2025, met referentie 22237000542.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, aldus zijn raadsman. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De procureur van de Republiek in de strijd tegen de georganiseerde misdaad van het
Parquet National Anti-Criminalite Organisee- Team internationale rechtshulp heeft op 13 maart 2026 de volgende garantie gegeven:

In antwoord op uw aanvraag van 10 maart 2026, heb ik de eer u te informeren dat overeenkomstig het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 - 2002/584/JAI betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, ik u hierbijde garantie verleen dat [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats], indien hij ingevolge de onderhavige procedure definitief wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf vanwege de strafbare feiten die de aanleiding vormden tot het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door het parket van Parijs op 2 december 2025 zijn straf, of zijn straffen, zal kunnen uitzitten in Nederland, waarvan hij een staatsburger is.
De retourmodaliteiten zullen plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van het Kaderbesluit van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW Pro: ne bis in idem

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, OLW moet worden geweigerd. Subsidiair moet de
overlevering worden geweigerd voor zover het EAB ziet op de handel in en distributie van 10 vaten 3-MMC (134 kg bruto) die op 21 januari 2022 in Barcelona in beslag zijn genomen. Meer
subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden voor het stellen van aanvullende vragen aan de Franse autoriteiten over de verhouding tussen de feiten in het EAB en de Spaanse veroordeling. De raadsman heeft zijn standpunt als volgt onderbouwd, zakelijk weergegeven.
De opgeëiste persoon is in Spanje reeds vervolgd en op 2 juli 2025 onherroepelijk veroordeeld door de Strafrechtbank in Barcelona voor hetzelfde feitencomplex als aan de orde is in het EAB. Zowel het door de verdediging overgelegde, vertaalde, Spaanse vonnis als het EAB richten zich op de opgeëiste persoon als medepleger. De bewezen feiten betreffen de internationale commercialisering en distributie van 3-methylcathinon (3-MMC) via [medepleger 1] , ten minste sinds januari 2022, geconcretiseerd in de inbeslagname op 21 januari 2022 van 10 vaten (134 kg bruto) 3-MMC in de haven van Barcelona, geïmporteerd via [medepleger 1] waarvan de opgeëiste persoon de enig bestuurder was.
De rechtbank heeft in de zaak van medeverdachte [medepleger 2] bij tussenuitspraak van 3 maart 2026 [5] en bij einduitspraak van 15 april 2026 [6] geoordeeld dat het EAB, voor zover het ziet op de handel in en distributie van 10 vaten 3-MMC die op 21 januari 2022 in Barcelona in beslag
zijn genomen, betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex als het Spaanse vonnis en dat de
overlevering voor dat feit dient te worden geweigerd op grond van artikel 9, tweede lid,
aanhef en onder b, sub 4°, OLW. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in deze zaak tot hetzelfde oordeel te komen.
De raadsman heeft verder bepleit dat de overlap breder is dan de inbeslagname van 21 januari 2022 alleen. De feiten zijn op drie wijzen onlosmakelijk verbonden. In de eerste plaats zijn zij verbonden in tijd: de in het EAB beschreven feiten vallen voor het overgrote deel binnen de periode van het Spaanse vonnis ("ten minste sinds januari 2022", zonder einddatum). In de tweede plaats zijn zij verbonden in ruimte: dezelfde landen, dezelfde logistieke routes, Spanje uitdrukkelijk als pleegplaats in het EAB, en het Spaanse onderzoek is gestart naar aanleiding van informatie van de Franse autoriteiten over transporten vanuit Spanje naar Frankrijk. In de derde plaats zijn zij verbonden naar hun voorwerp: dezelfde stoffen, dezelfde
vennootschap ( [medepleger 1] ), dezelfde betrokkenen, en dezelfde modus operandi.
De verdenkingen van witwassen en criminele organisatie vloeien rechtstreeks voort uit
hetzelfde internationale handels- en distributiecomplex. Het zijn geen zelfstandige feiten die
buiten het bereik van het Spaanse vonnis vallen.
Ten aanzien van de Nederlandse strafzaak tegen de opgeëiste persoon, heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling aan te houden om nadere informatie over deze zaak te verkrijgen. Zonder deze nadere informatie kan niet worden vastgesteld dat geen sprake is van strijd met het ne bis en idem beginsel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 9 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. De officier van justitie heeft de rechtbank ten aanzien van de Spaanse veroordeling verzocht de overwegingen in de zaak tegen de medeverdachte [medepleger 2] ook van toepassing te verklaren op onderhavig overleveringsverzoek. Voor de in Nederland lopende strafzaak geldt het volgende. De pleegperiode en pleegplaats vertonen overlap met de pleegperiode en -plaats genoemd in het EAB. De Nederlandse strafzaak ziet echter op de handel in cocaïne en daaraan gerelateerde feiten, terwijl de verdenking in Frankrijk ziet op de handel in synthetische drugs en daaraan gerelateerde feiten. De Nederlandse strafzaak staat dan ook niet aan overlevering in de weg, aldus de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
In het EAB, in rubriek e), is ten aanzien van de verdenking in Frankrijk het volgende opgenomen:

(…)
Co-offender of offenses committed in Paris, in Île-de-France and in the JUNALCO jurisdiction and indivisibly in Spain, Monaco and in Holland, since during 2020 and November 5, 2025, in any event since not time-barred.
[opgeëiste persoon] is suspected of having participated in drug trafficking between 2020 and 2025 as manager of the Spanish company [medepleger 1] which imported the drugs (cathinone) from India under [medepleger 2] 's instructions. Between 2020 and 2025, he is also suspected of having participated in the transfer with [medepleger 2] of drugs from Holland and Spain via his Dutch company and the Spanish company [medepleger 1] via the website [naam website 1] and [naam website 2] , to French clients. The total amount from French clients was evaluated at 5.3 million euros to date.”
Uit de door de raadsman overgelegde vertaling van het vonnis van de Strafrechtbank nr. 22 van Barcelona van 2 juli 2025 (zaaknummer 234/2025) blijkt (voor zover van belang):
(…) en [opgeëiste persoon] , (…) in vereniging met twee andere individuen (…), hielden zich ten minste sinds januari 2022 bezig met de commercialisering en internationale distributie van stoffen die ernstige schade aan de gezondheid veroorzaken en niet gereguleerd zijn, waaronder de stof 3-METHYLKATINON (hierna 3-MMC), in beslag genomen door de politie in de huidige procedures, welke zij distribueerden zonder de vereiste toestemming van het Spaanse
Geneesmiddelenagentschap. Aldus geschiedde het dat op 21 januari 2022 rond 19.30 uur in een logistiek magazijn van de ZAL (logistieke activiteitenzone) van de haven van Barcelona, (…) 10 vaten van genoemde stof in beslag werden genomen, met een bruto gewicht van 134 kg, geregistreerd als aromatische ketonen, afkomstig van [bedrijfsnaam 5]. Het betrof twee partijen van elk vijf colli (vaten), met een respectief gewicht van 67 kg, die beide, zoals vermeld, aromatische ketonen voor de chemische industrie bevatten met productreferentie YLV01 en beschrijving 2-(methyl)-1.
De genoemde goederen werden beheerd door het genoemde handelsbedrijf, [bedrijfsnaam 3], dat niet op de hoogte was van de feiten, in opdracht van het [bedrijfsnaam 4]., waarvan de beschuldigde [opgeëiste persoon] sinds 22 oktober 2021 de enige bestuurder is en de andere beschuldigde, (…), de enige bestuurder was tot de genoemde datum van 22 oktober 2021, evenals de enige bestuurder is van het Nederlandse handelsbedrijf [bedrijfsnaam 1] , dat op zijn beurt eigenaar is van [bedrijfsnaam 2] , de betaler van de facturen van de goederenpartijen die eigendom zijn van [medepleger 1]
De genoemde stoffen bleken na de overeenkomstige deskundige analyse 3-MMC te zijn.
Deze stof maakt volgens het Ministerie van Volksgezondheid deel uit van de groep stoffen van cathinonen en hun derivaten.
(…)
RECHTSGRONDEN
(…)
De instemming zoals verleend door de beschuldigden (…) en [opgeëiste persoon] , bevestigd door hun verdediging, stelt de rechter in staat om zonder verdere formaliteiten een vonnis uit te spreken volgens de wederzijds geaccepteerde kwalificatie, mits de feiten die in de conclusie van de aanklagende partij worden weerspiegeld, wezenlijk worden gerespecteerd.
(…)
VEROORDEELING
(…)
Dat ik moet VEROORDELEN en VEROORDEEL, met instemming van de partijen, (…) [opgeëiste persoon] co-auteurs strafrechtelijk verantwoordelijk voor een misdrijf tegen de volksgezondheid van Art. 359 van Pro het Wetboek van Strafrecht, (…) tot de straffen van

Negen maanden gevangenisstraf (…)
de opschorting van de uitvoering van de opgelegde vrijheidsstraffen aan
(…) en [opgeëiste persoon] tijdens de tweejarige termijn, op voorwaarde dat er in die periode geen nieuwe misdrijven worden gepleegd.”
Verder blijkt uit voornoemde vertaling dat het vonnis onherroepelijk is. In het vonnis is immers het volgende opgenomen:
“(…) Overeenkomstig artikel 787.6 van de Wet op de Strafvordering werden de partijen na de mondelinge uitspraak van het vonnis tijdens de mondelinge behandeling gevraagd naar hun intentie om in beroep te gaan tegen het vonnis. Het Openbaar Ministerie en de verdediging antwoordden ontkennend, waardoor het vonnis definitief werd verklaard (…).”
Juridisch kader
De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of in het Spaanse vonnis en het EAB sprake is van dezelfde feiten. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van ‘dezelfde feiten’ als bedoeld in artikel 3 en Pro 4 Kaderbesluit 2002/584/JBZ (en in artikel 9 OLW Pro) moet worden beantwoord aan de hand van het autonome, Unierechtelijke begrip zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit begrip heeft alleen betrekking op de feiten zelf en omvat een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang. [7] De gelijkheid van de materiële feiten wordt opgevat als een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn, aangezien daarbij dezelfde dader betrokken is en zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats. [8] Het is aan de nationale rechter (in casu: de rechtbank) om te na te gaan of er sprake is van vervolging voor dezelfde feiten.
Overlap in het feitencomplex – Spaanse veroordeling
Gelet op de feitomschrijving in het EAB en het vonnis in de Spaanse strafzaak is de rechtbank van oordeel dat de vervolging in Frankrijk deels ziet op hetzelfde feitencomplex als in Spanje, namelijk voor zover het gaat om de inbeslagname in Barcelona van de vaten bevattende 3-MMC op 21 januari 2022 en de daarop volgende veroordeling wegens de internationale distributie van 3-MMC, dat deel uitmaakt van de groep stoffen van cathinonen. De rechtbank acht daartoe redengevend dat in het EAB Spanje mede als pleegplaats wordt genoemd. Daarnaast wordt in het EAB over hetzelfde Spaanse bedrijf gesproken ( [medepleger 1] ) als in het Spaanse vonnis. De mede-veroordeelde was sinds oktober 2021 de enig bestuurder van dit bedrijf. Verder was er sprake van internationale distributie (handel), hetgeen ook overeenkomt met de feitenomschrijving in het EAB. Tevens valt de periode waar in het Spaanse vonnis over wordt gerept, binnen de in het EAB genoemde pleegperiode.
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat er voor het overige geen sprake is van dezelfde feiten in het EAB en het Spaanse vonnis.
Uit het Spaanse vonnis kan niet worden opgemaakt dat de opgeëiste persoon aldaar voor meer strafbare feiten is veroordeeld dan het op 21 januari 2022 in Barcelona voorhanden hebben van 3-MMC ten behoeve van de internationale handel daarin, welke stof uit India was geïmporteerd. Dat in het Spaanse vonnis is opgenomen dat de opgeëiste persoon “
zich ten minste sinds januari 2022” heeft bezig gehouden met het feit waarvoor hij is veroordeeld, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan dat niet exact kon worden vastgesteld wanneer de op 21 januari 2022 in Barcelona in beslag genomen vaten met 3-MMC door de opgeëiste persoon en zijn mede-veroordeelde zijn geïmporteerd. Dit betekent geenszins dat de veroordeling ziet op een periode die (ruim) voor januari 2022 is aangevangen, laat staan dat de veroordeling ziet op de periode van (ruim) na 21 januari 2022. Voor dit laatste biedt het Spaanse vonnis geen enkel aanknopingspunt nu daaruit geenszins blijkt dat ná de inbeslagname op 21 januari 2022 nog andere strafbare feiten zouden zijn gepleegd. Er is aldus geen overlap met de gehele in het EAB genoemde periode en de strafbare feiten die binnen die periode mogelijk hebben plaatsgevonden.
Voorts ziet de Franse verdenking op de import in Frankrijk van synthetische drugs (cathinonen) en de verkoop daarvan aan Franse afnemers, tussen 2020 en 2025, alsmede op witwassen en wordt de opgeëiste persoon daar eveneens van deelname aan een criminele organisatie verdacht. Het door de raadsman gevoerde verweer dat de verdenkingen van witwassen en deelname aan een criminele organisatie rechtstreeks voortvloeien uit het in Spanje bewezenverklaarde feitencomplex, volgt de rechtbank niet. Het Spaanse vonnis biedt geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat hij aldaar ook voor het deelnemen aan een criminele organisatie én witwassen is veroordeeld. Uit het feit dat er in Spanje van ‘medeplegen’ sprake was, mag naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat dit op een criminele organisatie ziet. Verder kan uit het feit dat de handel in drugs aan witwassen gerelateerd kan zijn, evenmin worden afgeleid dat het Spaanse vonnis impliciet ook op witwassen zag. Dat (deels) van een zelfde modus operandi sprake is – de drugs waarop de Franse vervolging ziet, komen mogelijk ook uit India en zijn mogelijk (ook) via Spanje naar Frankrijk gebracht – leidt evenmin tot een ander oordeel.
Gedeeltelijke weigering
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, dient zij vervolgens te beoordelen of de omstandigheid dat het EAB deels op dezelfde feiten ziet als waarvoor de opgeëiste persoon in Spanje reeds is veroordeeld, tot een gedeeltelijke weigering van de overlevering moet leiden.
Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder b, sub 4, OLW wordt de overlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan hij bij rechterlijke gewijsde van de Nederlandse rechter dan wel van een rechter in een andere lidstaat van de Europese Unie is veroordeeld, in gevallen waarin de opgelegde straf of maatregel in Nederland wordt ondergaan.
De opgeëiste persoon is in Spanje tot (onder andere) een voorwaardelijke vrijheidsstraf van negen maanden veroordeeld met een proeftijd van twee jaren. Deze proeftijd is nog niet verstreken en wordt op dit moment dan ook door de opgeëiste persoon ondergaan in Nederland. Op grond van vaste jurisprudentie van deze rechtbank betekent dit dat de overlevering daarom geweigerd dient te worden voor zover deze ziet op het feit waarvoor de opgeëiste persoon in Spanje is veroordeeld. [9] De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, sub 4, OLW van toepassing is. De straf wordt immers ondergaan en de opgeëiste persoon bevindt zich in Nederland.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat voor zover het EAB ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon voor de handel in en distributie van 10 vaten 3-MMC met een bruto gewicht van 134 kg, die op 21 januari 2022 in beslag zijn genomen in Barcelona, de overlevering op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, sub 4, OLW moet worden geweigerd. Voor het overige wordt het primaire verweer verworpen.
In het licht van hetgeen de rechtbank heeft overwogen ziet zij geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen aan de Franse autoriteiten en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman dan ook af.
Lopende vervolging in Nederland
Uit het uittreksel justitiële documentatie van 31 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon is gedagvaard in een Nederlandse strafzaak, met parketnummer 08-249449-24, voor feiten gepleegd op 7 augustus 2023 in Dalfsen. Uit het uittreksel blijkt dat deze verdenking ziet op de handel in cocaïne, fraude en witwassen. De officier van justitie heeft ter zitting bevestigd dat de Nederlandse strafzaak ziet op de handel in cocaïne en daaraan gerelateerde strafbare feiten en niet, zoals het EAB, op de handel in synthetische drugs en daaraan gerelateerde feiten. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de officier van justitie verstrekte informatie. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie over deze zaak te verkrijgen en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman af.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [10]
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van deze weigeringsgrond.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
  • het onderzoek is in Frankrijk aangevangen;
  • de bewijsmiddelen bevinden zich in Frankrijk;
  • in Frankrijk zijn verdovende middelen in beslag genomen;
  • er zijn verdovende middelen in Frankrijk ingevoerd;
  • de medeverdachte wordt in Frankrijk vervolgd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; [11]
- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:
  • de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;
  • de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken;
  • de locatie van de slachtoffers;
  • de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen;
  • en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat.
Gelet op de argumenten van de officier van justitie vormt het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.

8.Artikel 11 OLW Pro: Franse detentieomstandigheden

Inleiding
In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. [13] Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Mannelijke verdachten en veroordeelden die een (rest)straf korter dan twee jaar uitzitten, worden in een Huis van Bewaring gedetineerd. Voor de opgeëiste persoon geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van zijn grondrechten in detentie in Frankrijk.
Gelet op dit algemeen gevaar heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 10 maart 2026 gevraagd waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden aldaar zijn.
Op 19 maart 2026 is, voor zover hier relevant, door
the national public prosecutor to combat organized crimede volgende informatie verstrekt:
“As a preliminary and generally, it should be recalled that neither the French government nor the prison administration, nor the judicial authority are able to guarantee in advance an inmate's assignment to a specific prison at the exclusion of another.
(…)
With regard to the aforementioned criteria, the national public prosecution department to combat organized crime is able to state that [opgeëiste persoon] shall, a priori, be assigned to the Paris-la-Santé prison in the jurisdiction of the Paris court of appeal, the occupancy rate of which was March 1, 2026, 190 % according to the French calculation standards of prison occupancy rates.
lt should be emphasized that the aforementioned occupancy rate is based on the French standards for the calculation of the accommodation capacity of prisons. which are different from European standards and are slightly more favorable for inmates in terms of available personal space.
(…)
it is not possible for the French authorities to provide the requested guarantees on the minimal surface area for the inmate upon his surrender to the French authorities
(...)The Paris-la-Santé prison is comprised of a "male prison" (MP) area, intended for inmates pending judgment, such is the case for [opgeëiste persoon] . The "male prison" area is equipped as follows:
- 405 cells with a surface area of 8 to 9 m2 with a theoretical capacity of 1 place,
- 157 cells with a surface area of 9 to 10 m2 with a theoretical capacity of 1 place,
- 1 cell with a surface area of 12 to 13 m2 with a theoretical capacity of 2 places,
- 17 cells with a surface area of 13 to 14 m2 with a theoretical capacity of 2 places,
- 1 cell with a surface area of 14 to 19 m2 with a capacity of 2 places;
- 15 cells converted to host inmates with reduced mobility, with a surface area of 14 to 19 m2 and a capacity of 1 place,
- 33 cells in the arrival area, including 31 cells with a surface area of 9 to 10 m2, with a theoretical capacity of 1 place, 1 cell with a surface area of 12 to 13 m2, with a theoretical capacity of 2 places and 1 cell with a surface area of 14 to 19 m2 with a capacity of 2 places.
(…)
Upon arrival at the prison, the new inmate is placed in a cell in the arrival area for a period of 4 to 12 days in order to enable a careful observation to be made of his behavior.
(…)Each cell of the "male prison" area has a casement window for fresh air and for the inmates to be able to read and work in the sunlight, an enclosed sanitary area including a WC, a sink enabling access to cold and hot water and a heating system. The lighting is assured by a ceiling light, that can be switched on from a switch in the cell. Each inmate has a bed.”
Op 10 maart 2026 zijn door het IRC de aanvullende vragen gesteld.
In reactie hierop is op 30 maart 2026 door het
Parquet National Anti-Criminalité Organiséede volgende informatie verstrekt:
“1. When detained in one of the 405 cells with a surface area of 8 to 9 m2 with a theoretical capacity of 1 place (and sanitary area between 1,4 and 1,8 m2), can you guarantee that [opgeëiste persoon] will not be placed in that cell with more than one other person in which case he would have at least 6,2 m2 individual floor space in that cell when detained individually (8 m2 -/- 1,8m2 sanitary area*) or 3,1 m2 individual floor space in that cell when detained with one other cellmate?
Wij kunnen u hierover geen garantie geven, gezien de huidige bezettingsgraad in het huis van bewaring van de penitentiaire inrichting van Paris-la-Santé.
2. When detained in one of the 157 cells or 33 cells in arrival area with a surface area of 9 to 10m2 with a theoretical capacity of 1 place (and sanitary area between 1,4 and 1,8 m2), can you guarantee that [opgeëiste persoon] will not be placed in that cell with more than one other person in which case he would have at least have 7,2 m2 individual floor space in that cell when detained individually (9 m2 -/-1,8 m2 sanitary area) or 3,6 m2 individual floor space in that cell when detained with one other cellmate?
Wij kunnen u hierover geen garantie geven, gezien de huidige bezettingsgraad in het huis van bewaring van de penitentiaire inrichting van Paris-la-Santé.
3. When detained in one of the 18 cells with a surface are of 12 to 14 m2 with a theoretical capacity of 2 places (and sanitary area between 1,4 and 1,8 m2), can you guarantee that [opgeëiste persoon] will not be placed in that cell with more than two other persons in which case he would have at least have 5,1 m2 individual floor space in that cell when detained with one other cellmate (12 m2 -/- 1,8 m2 sanitary area) or 3,4 m2 individual floor space in that cell when detained with two other cellmates?
Wij kunnen u hierover geen garantie geven, gezien de huidige bezettingsgraad in het huis van bewaring van de penitentiaire inrichting van Paris-la-Santé.
4. When detained in the cell with a surface area of 14 to 19 m2 with a theoretical capacity of 2 places (and sanitary area between 1,4 and 1,8 m2), can you guarantee that [opgeëiste persoon] will not be placed in that cell with more than three other person in which case he would have at least have 6,1 m2 individual floor space in that cell when detained with one other cellmate (14 m2 -/-1,8 m2 sanitary area), 4,06 m2 individual floor space in that cell when detained with two other cellmates or 3,05 m2 individual floor space in that cell when detained with three other cellmates?
Wij kunnen u hierover geen garantie geven, gezien de huidige bezettingsgraad in het huis van bewaring van de penitentiaire inrichting van Paris-la-Santé.
5. When detained in one of the 15 converted cells with a surface are of 14 to 19 m2 with a theoretical capacity of 1 place (and sanitary area between 1,4 and 1,E} m2), can you guarantee that [opgeëiste persoon] will not be placed in that cell with more than three other person in which case he would have at least have 6,1 m2 individual floor space in that cell when detained with one other cellmate (14 m2 - /-1,8 m2 sanitary area), 4,06 m2 individual floor space in that cell when detained with two other or 3,05 m2 individual floor space in that cell when detained with three other cellmates?
Wij kunnen u hierover geen garantie geven, gezien de huidige bezettingsgraad in het huis van bewaring van de penitentiaire inrichting van Paris-la-Santé.
Wij willen u er echter op wijzen dat, indien [opgeëiste persoon] door de rechter voor vrijheden en detentie (…) in voorlopige hechtenis zou worden geplaatst, zijn plaatsing in afzondering zal worden bevolen door de onderzoeksrechter (en gemotiveerd zal worden als zijnde een beschermende maatregel).
De duur van deze afzondering mag de duur niet overschrijden van de maatregel aangaande de detentieperiode en deze moet bij elke eventuele verlenging van de detentie uitdrukkelijk opnieuw worden verlengd. De gedetineerde persoon kan op elk moment de onderzoeksrechter verzoeken om opheffing van deze maatregel. Het bevel tot plaatsing in gerechtelijke afzondering, tot verlenging van deze maatregel of tot weigering om deze te beëindigen, wordt aan de betrokken persoon betekend, die het recht heeft om hiertegen in beroep te gaan.
Wat de detentieregeling betreft, verblijft elke gedetineerde persoon die in afzondering is geplaatst alleen in een cel. Zoals aangegeven in mijn schrijven d.d. 19 maart 2026, indien werd besloten tot plaatsing in afzondering, de procedure tot eenzame opsluiting toegepast op de afdeling voor nieuwkomers (d.w.z. in een cel met een vloeroppervlak van 9 tot 10 m2).
Elke gedetineerde persoon die in afzondering verblijft, behoudt zijn/haar recht op informatie, bezoek, schriftelijke en telefonische correspondentie, het uitoefenen van zijn/haar geloof en het ontvangen van bankoverschrijvingen. De persoon mag niet deelnemen aan het 'luchten' en groepsactiviteiten waarop gedetineerden in de gewone
detentieregeling recht hebben, tenzij de directeur van de penitentiaire inrichting toestemming heeft gegeven voor een specifieke activiteit. De directeur van de penitentiaire inrichting organiseert echter, voor zover mogelijk en afhankelijk van de persoonlijkheid van de gedetineerde persoon, gezamenlijke activiteiten voor de gedetineerden die in afzondering verblijven. De gedetineerde persoon die in afzondering verblijft, heeft bovendien de mogelijkheid om dagelijks ten minste een uur in de buitenlucht te zijn. De gedetineerde persoon die in afzondering verblijft, wordt ten minste twee keer per week onderzocht door de arts van de medische afdeling van de inrichting.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar niet wordt weggenomen door de individuele detentiegarantie. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de Franse autoriteiten niet kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon zal beschikken over tenminste 3 m2, exclusief sanitair. Weliswaar wordt door de Franse een afzonderingstoezegging gedaan, maar daarbij moeten de volgende kanttekeningen worden geplaatst.
De toezegging is meervoudig voorwaardelijk: de juge des libertés et de la détention moet eerst de voorlopige hechtenis bevelen; de onderzoeksrechter moet vervolgens de afzondering gelasten. De duur van de afzondering is gemaximeerd op de duur van de voorlopige hechtenis en moet bij elke verlenging uitdrukkelijk opnieuw worden bevestigd. De gedetineerde kan op elk moment opheffing verzoeken Geen van deze beslissingen is gegarandeerd. Indien de afzondering op enig moment wordt opgeheven, belandt de opgeëiste persoon alsnog in het reguliere regime van Paris-la-Santé — met een bezettingsgraad van 190% en zonder enige garantie voor de minimale leefruimte. Het isolatieregime brengt daarnaast zelfstandige grondrechtelijke bezwaren met zich mee. De opgeëiste persoon mag niet deelnemen aan het reguliere luchten en groepsactiviteiten. Hij heeft slechts dagelijks ten minste één uur buitenlucht. Bij een jarenlang voorarrest kan langdurig isolement op zichzelf een schending opleveren van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro Handvest. Het door de Fransen aangedragen rechtsmiddel biedt geen preventieve garantie nu het pas in werking treedt nadat de opgeëiste persoon reeds aan de onacceptabele omstandigheden is blootgesteld. Tot slot heeft de raadsman gewezen op de hoge bezettingsgraad in detentie-instelling van Paris-la-Santé (190 procent) en het gebrek aan compenserende factoren zoals bedoeld in
Dorobantu. De raadsman heeft de rechtbank subsidiair verzocht de behandeling aan te houden om aan de Franse autoriteiten een viertal door de raadsman geformuleerde vragen te stellen over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na zijn overlevering.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heef zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De door de Franse autoriteiten verstrekte individuele detentiegarantie neemt het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar op schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon weg. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank van 15 april 2026. [14]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de aanvullende informatie van 19 en 30 maart 2026, die ziet op de plaatsing van de opgeëiste persoon in de penitentiaire inrichting Paris-la-Santé
,vast dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in een eenpersoonscel met een vloeroppervlakte van 9 tot 10 m2. Uit de aanvullende informatie van 30 maart 2026 blijkt dat, in het geval de rechter in Frankrijk na de overlevering besluit de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis te plaatsen,
zijn plaatsing in afzonderingzal worden bevolendoor de onderzoeksrechter(onderstreping door de rechtbank). De rechtbank is op grond van deze aanvullende informatie van oordeel dat er geen onzekerheid bestaat over de vraag in welk detentieregime de opgeëiste persoon zal worden geplaatst en over de vraag hoeveel persoonlijke ruimte de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken in de penitentiaire inrichting Paris-la-Santé. Uit de voornoemde aanvullende informatie volgt immers dat er maar twee mogelijkheden bestaan: ofwel de opgeëiste persoon wordt niet in voorlopige hechtenis geplaatst en mag zijn proces in vrijheid afwachten, ofwel de onderzoeksrechter bepaalt dat de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis wordt geplaatst, waarbij deze rechter zal bevelen dat hij in een eenpersoonscel met een oppervlakte van 9 tot 10 m2 wordt geplaatst. In dat laatste geval zal de opgeëiste persoon over voldoende persoonlijke ruimte beschikken. De mededeling van de Franse autoriteiten dat geen concrete garanties kunnen worden gegeven over het exacte aantal vierkante meters waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken, is gelet op het vorenstaande dan ook niet meer van belang. Hetzelfde geldt voor de bezettingsgraad in Paris-la-Santé.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met de gegeven individuele garanties het aangenomen algemene gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Franse huizen van bewaring voor mannen ten aanzien van de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW Pro staat niet aan de overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. De rechtbank ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om de Franse autoriteiten nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na zijn overlevering en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman dan ook af.

9.Borgsom

Inleiding
De overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is op 13 maart 2026 door de raadkamer van deze rechtbank geschorst. Aan deze schorsing is de storting van een borgsom ter hoogte van
€ 50,000,- verbonden die dient als zekerheidstelling voor de nakoming van de overige schorsingsvoorwaarden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal beslissen dat de borgstelling van € 50.000,- komt te vervallen aan de Staat, omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de voorwaarde heeft gehouden dat hij verplicht was te verschijnen bij de inhoudelijke behandeling op het overleveringsverzoek.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet redelijk is om de borgsom vervallen te verklaren. De opgeëiste persoon is niet op de zitting verschenen, omdat met zijn overlevering een fundamenteel recht wordt geschonden, waardoor het hem niet kan worden tegengeworpen dat hij er niet is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon is niet verschenen bij de behandeling van het overleveringsverzoek op 16 april 2026 en evenmin op de zitting van 12 mei 2026.
De rechtbank heeft op 16 april 2026 de schorsing van de overleveringsdetentie opgeheven, omdat de opgeëiste persoon zich niet heeft gehouden aan de in het schorsingsbevel onder 2 vermelde voorwaarde, te weten:
de opgeëiste persoon zal verschijnen bij de inhoudelijke behandeling van deze
rechtbank op het overleveringsverzoek.
Door of namens de opgeëiste persoon is geen genoegzame reden gegeven voor het zich niet houden aan de schorsingsvoorwaarden.
De rechtbank zal daarom de borgsom vervallen verklaren.

10.Slotsom

De rechtbank weigert de overlevering voor zover het EAB ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon voor de handel in en distributie van 10 vaten 3-MMC met een bruto gewicht van 134 kg, die op 21 januari 2022 in beslag zijn genomen in Barcelona, op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, sub 4, OLW.
Ten aanzien van het overige stelt de rechtbank vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, dat verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en dat geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering het overige toe.

11.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7, 9 en 13 OLW.

12.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]voor zover het EAB betrekking heeft op de vervolging van de opgeëiste persoon voor de handel in en distributie van 10 vaten 3-MMC met een bruto gewicht van 134 kg, die op 21 januari 2022 in beslag zijn genomen in Barcelona.
STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Public Prosecutor at the Paris Tribunal Judiciaire (civil court)(Frankrijk), voor de overige feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
VERKLAART VERVALLENde borgsom ter hoogte van € 50.000,- aan de Staat.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. WA.J.P. van den Reek, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D. Kloos en E.H. Wisgerhof, griffiers.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
7.HvJ EU 29 april 2021, C-665/20 PPU, EU:C:2021:339, punt 71.
8.HvJ EU 23 maart 2023, C-365/21, EU:C:2023:236, punt 38 en HvJ EU 21 september 2023, C-164/22, ECLI:EU:C:2023:684.
9.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2021:8170.
10.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
11.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (
12.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (
13.Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751.