Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6494

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
13/094619-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over detentieomstandigheden en verlenging termijn in Europees aanhoudingsbevelprocedure

De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 juni 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Frankrijk voor de overlevering van een persoon die een resterende vrijheidsstraf van een jaar moet ondergaan. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de terugkeergarantie uit artikel 6 OLW Pro, waarbij de straf in Nederland kan worden uitgezeten.

De rechtbank oordeelde dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is omdat de Franse autoriteiten een verzetgarantie hebben gegeven, waardoor het vonnis niet onherroepelijk is. Wel is er een algemeen reëel gevaar van schending van artikel 4 Handvest Pro EU vanwege overbevolking in Franse detentiecentra, met name in de mannenafdelingen van de huizen van bewaring Lille-Annoeullin en Lille-Sequedin.

De verstrekte informatie over detentieomstandigheden en celoppervlakten is te algemeen en onvoldoende concreet om vast te stellen of de opgeëiste persoon voldoende persoonlijke leefruimte (minimaal 3 m² exclusief sanitaire voorzieningen) zal hebben. De rechtbank acht het niet haar taak om zelf berekeningen te maken op basis van aannames over het aantal gedetineerden per cel.

Daarom wordt het onderzoek heropend om aanvullende vragen te stellen aan de Franse autoriteiten over de maximale bezetting van cellen waarin de opgeëiste persoon zal worden geplaatst. De beslistermijn op het verzoek tot overlevering wordt met 30 dagen verlengd tot 18 augustus 2026, evenals de geschorste gevangenhouding. De zaak wordt uiterlijk veertien dagen voor die datum opnieuw op zitting gepland.

Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek en verlengt de beslistermijn en geschorste gevangenhouding met 30 dagen vanwege onvoldoende concrete detentiegaranties uit Frankrijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-094619-26
Datum uitspraak: 24 juni 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 4 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 maart 2026 door de
Procureur de la République près le Tribunal Judiciaire de Lille(Openbaar aanklager bij de Justitiële rechtbank te Lille), Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 juni 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, advocaat in Hoofddorp.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een verstekvonnis van de strafkamer van de rechtbank in Lille van 5 maart 2026 met kenmerk 22201000016.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert nog in het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is, omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB onder d) een verzetgarantie heeft gegeven voor de opgeëiste persoon. Hiermee is een situatie zoals genoemd in artikel 12, sub d, OLW aan de orde. Artikel 12 OLW Pro staat niet aan de overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd – vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in onderdeel d):
"De beslissing is niet persoonlijk aan betrokkene betekend, maar
-
De beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend, en
-
De betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing, en
-
De betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, namelijk 10 dagen.De betrokkene kan binnen 10 dagen na betekening van het vonnis verzet of hoger beroep aantekenen. In dit geval zal het oorspronkelijke vonnis vernietigd worden en zal hij opnieuw voor de feiten worden berecht. Hij zal ook worden voorgeleid aan een rechter (de vrijheids- en detentierechter) die op basis van het aanhoudingsbevel zal beslissen of de betrokkene tot de nieuwe hoorzitting in hechtenis zal blijven."
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.
Dit betekent dat de veroordeling niet onherroepelijk is, zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW moet het EAB worden verstaan als strekkende tot (verdere) vervolging (zie hierna onder 6.).

5.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van normale bezigheden is ontstaan;
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Public Prosecutor’s officevan de
Lille District Court, Frankrijk heeft op 5 mei 2026 de volgende garantie gegeven:
“(…)
Furthermore, France has transposed, by law No.2013 -711 of 5 August 2013, the council
Framework Decision No 2008/909/JHA of November 2008 on the application of the principle of mutual recognition to judgements in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European union.
Thus, should [de opgeëiste persoon] be convicted by a French court following the proceedings that led to the issue of a European arrest warrant against him, the necessary steps would be taken to utilise the instruments of cooperation regarding the transfer of persons and to return the individual to the Netherlands to serve her prison sentence there, if applicable.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

7.Artikel 11 OLW Pro: Franse detentieomstandigheden

Inleiding
In twee uitspraken van 5 augustus 2025 [5] heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Mannelijke verdachten en veroordeelden met een (rest)straf van niet meer dan twee jaar worden in een Huis van Bewaring gedetineerd, en zo ook de opgeëiste persoon. Voor hem geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van grondrechten in detentie in Frankrijk. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
Op 4 mei 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"(...) As a preliminary and general matter, it should be recalled that neither the French government, nor the prison administration, nor the judicial authorities can guarantee in advance that a person will be allocated to a specific detention facility to the exclusion of any other.
However, there may be indications that the choice of the place of imprisonment for a person during their period of incarceration is made on the basis of several criteria: the point of entry into the national territory of the person at the time of their surrender, the requirements of the investigation or the needs of the defence, the possible proximity of the family of the person under investigation and the need to isolate them from a co-perpetrator or accomplice in a particular facility. (...)
In light of the foregoing criteria, the Lille Public Prosecutor’s Office is in a position tostate that Mr [de opgeëiste persoon] would, in principle, be eligible for placement inthe following remand centres:– LILLE-ANNOEULLIN, within the jurisdiction of the Douai Court of Appeal, whoseoccupancy rate, according to French standards for calculating prison occupancy, stood at 156% as of 9 April 2026;– LILLE-SEQUEDIN, likewise within the jurisdiction of the Douai Court of Appeal,whose occupancy rate, according to the same standards, stood at 164% as of 9 April 2026. (...)
As of 9 April 2026, the Lille-Annoeullin remand centre had an overall occupancy rate of
176%, indicating that detainees were being accommodated in cells in excess of their
theoretical capacity.
As of 9 April 2026, the Lille-Sequedin remand centre had an overall occupancy rate of
170%, indicating that detainees were being accommodated in cells in excess of their
theoretical capacity.
It should, however, be noted that the aforementioned occupancy rate is calculated in
accordance with French standards governing prison accommodation capacity, which
differ from European standards and are comparatively more favourable to detainees in
terms of the personal living space available to them. (…)
Due to the methodological difference in calculating the floor area of cells and the available personal space for each inmate between French regulations and the standards established by European case law, the French authorities are unable to provide the requested assurances regarding the minimum space to be made available to the inmate upon his surrender to the French judicial authorities, given that the occupancy rate of detention facilities, defined according to the standards of French regulations, is by definition variable and related to the date of the wanted person's surrender, which is currently unknown, and that the national standards resulting from the circular of 16 March 1988 used for measuring cells within French prisons make it impossible to distinguish the available personal space excluding sanitary facilities. (...)
The LILLE-ANNOEULLIN prison comprises a ‘men’s remand centre’ (MAH) wing,intended for those awaiting trial, as is the case with [de opgeëiste persoon] . The men's remand centre section contains:- 272 cells, each measuring 10 to 11 m2 and with a design capacity of one place, equipped with two beds.- 7 cells, each measuring 12 to 13 m2 with a capacity of two places and equipped with two beds.- 54 cells, each measuring 13 to 14 m2 with a design capacity of two places and equipped with two beds.− 20 cells each measuring 13 to 14 m2 dedicated to the Regional Medical andPsychological Service, with a capacity of one place.− 15 cells, each measuring 14 to 19 m2 with a design capacity of 3 places andequipped with 2 beds.− 5 accessible cells for persons with reduced mobility, measuring 19 to 24 m2and with a capacity of 1 place.
The Lille-Sequedin Prison includes a “men’s remand centre” (MAH) intended for detainees awaiting trial, as is the case for Mr [de opgeëiste persoon] . The Men’s Remand Centre (MAH) for adults has 373 cells with a capacity of 429inmates. The remand centre for adult men comprises:-284 cells measuring 10 to 11 m² with a theoretical capacity of one person, equipped with two beds.- 33 cells measuring 12 to 13 m² with a capacity of two people and equipped with two beds.-41 cells with an area of 13 to 14 m², with a theoretical capacity of two places and equipped with two beds.- 6 cells adapted to accommodate people with reduced mobility, with an area of 19 to 24 m² and a capacity of one place.
The capacity of the cell is determined by the circular of 16 March 1988 based on the floor area of the room. The area of the sanitary facilities is therefore included in the room’s floor area; the area of the sanitary facilities, which depends on technical constraints, varies between 1.4 and 1.8 m². (...)"
Naar aanleiding van aanvullende vragen van het openbaar ministerie van 15 mei 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hier op 19 mei 2026 nog de volgende informatie aan toegevoegd:
"I have taken note of your additional requests; however, I am unable to provide you with any further information.
The previous letter of assurance is as precise as possible regarding detention conditions, particularly with regard to the calculations of cell sizes and sanitary facilities. This letter was drafted in consultation with the Ministry (the Office of International Criminal Assistance responsible for extraditions) and the Directorate of the Prison Administration.
Furthermore, in accordance with the letter of assurance of return that was sent to you, Mr. [de opgeëiste persoon] will be detained only for the time strictly necessary for his trial, and for a maximum period of 3 months."
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB gelet op de door de Franse autoriteiten verstrekte informatie. De afgegeven detentiegaranties van 4 en 19 mei 2026 nemen het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon niet weg, omdat daaruit niet kan worden opgemaakt dat hij over voldoende persoonlijke ruimte zal beschikken in een cel. De raadsvrouw verwijst naar een eerdere uitspraak van de rechtbank, waarin de rechtbank oordeelde dat het op basis van de verstrekte gegevens niet de bedoeling is dat de rechtbank zelf berekeningen moet gaan maken over het aantal vierkante meter aan persoonlijke ruimte. [6] De raadsvrouw merkt op dat de opgeëiste persoon in principe in aanmerking komt voor plaatsing in de detentie-instellingen
Lille-Annoeullinof
Lille-Sequedin, hetgeen geen waarschijnlijkheid betreft. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om opnieuw aanvullende vragen te stellen aan de Franse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie verzoekt de rechtbank om een tussenuitspraak te wijzen, waarin vragen worden geformuleerd aan de Franse autoriteiten over de detentieomstandigheden in
Lille-Annoeullinen
Lille-Sequedin. De verstrekte informatie is te algemeen van aard. Het is onduidelijk over hoeveel vierkante meter persoonlijke ruimte de opgeëiste persoon aldaar zal beschikken en het is niet aan de rechtbank om zelf berekeningen te maken. Bovendien is onduidelijk in hoeverre de overbevolking invloed heeft op de in de verstrekte informatie omschreven celverdeling. Hiermee is het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon niet weggenomen.
Oordeel van de rechtbank
Voor de rechtbank toekomt aan de beoordeling of met de verstrekte informatie het algemeen gevaar van schending van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) voor de opgeëiste persoon is weggenomen, hecht zij eraan het volgende op te merken. In het verzoek om aanvullende informatie van het IRC van 1 mei 2026 wordt onder 3b onder meer gevraagd naar de overige materiële detentieomstandigheden in het geval de opgeëiste persoon in detentie zal beschikken over een persoonlijke leefruimte van 3 tot en met 4 m2 in een meerpersoonscel, alsmede naar de mogelijkheid van activiteiten buiten de cel. Het door de rechtbank aangenomen algemeen gevaar ziet echter, met uitzondering van het huis van bewaring in
Fresnes [7] ,niet op de overige materiële detentieomstandigheden maar slechts op de hoeveelheid persoonlijke levensruimte in een meerpersoonscel. Met betrekking tot de tijd die gedetineerden buiten de cel kunnen doorbrengen heeft de rechtbank voor geen enkele Franse detentie-instelling een algemeen gevaar aangenomen. De overige materiële detentieomstandigheden en dagelijkse tijd buiten de cel blijven uiteraard wel van belang indien de opgeëiste persoon over minder dan 3 m2 persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel zal beschikken (vragen 5 tot en met 7 in de onderhavige zaak). De rechtbank verzoekt het IRC hiermee in toekomstige verzoeken om aanvullende informatie rekening te houden.
De rechtbank overweegt dat zij gelet op het arrest
Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije)van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) – ook wel het arrest
MLgenoemd – uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. [8]
Uit de aanvullende informatie van 4 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in
Lille-Annoeullinof
Lille-Sequedin, zodat de rechtbank de detentieomstandigheden in die penitentiaire inrichtingen dient te onderzoeken.
De Franse autoriteiten vermelden in de aanvullende informatie van 4 mei 2026 dat de wijze waarop het overbevolkingspercentage wordt berekend naar Frans recht afwijkt van de standaarden in de Europese jurisprudentie op een wijze die gunstiger is voor de gedetineerde. Alhoewel de rechtbank hier niet aan twijfelt, maakt dit naar haar oordeel geen verschil voor de beoordeling of het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De rechtbank dient dit immers niet te beoordelen aan de hand van het percentage overbevolking in een penitentiaire inrichting, maar aan de hand van de criteria zoals die zijn opgenomen het arrest
Dorobantuvan het HvJ EU. [9]
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment nog niet kan worden vastgesteld dat het vastgestelde algemene reële gevaar is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Hiervoor is het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 4 mei 2026 blijkt dat de Franse autoriteiten, vanwege de methode die zij hanteren voor het berekenen van de oppervlakte van cellen en de persoonlijke leefruimte van gedetineerden, geen concrete garanties kunnen gegeven over het exacte aantal vierkante meters waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken. Wel wordt algemene informatie gegeven over het aantal cellen in de detentie-instellingen in
Lille-Annoeullinen
Lille-Sequedin, inclusief informatie over de oppervlakte van die cellen, de theoretisch capaciteit ervan en het aantal bedden dat in de cellen is geplaatst. Verder wordt vermeld dat de oppervlakte van de sanitaire voorzieningen varieert tussen 1,4 en 1,8 m² per cel. Deze informatie is naar het oordeel van de rechtbank echter te algemeen van aard en onvoldoende concreet, omdat zonder nadere informatie daarover niet bekend is hoeveel mensen op één cel geplaatst worden. Het is immers voorstelbaar dat als gevolg van de aanzienlijke overbevolking bedden worden bijgeplaatst in de cellen. Op basis van de verstrekte informatie kan de rechtbank dan ook niet vaststellen of de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel beschikking zal hebben over ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte exclusief sanitaire voorzieningen. Een berekening door de rechtbank van de vermoedelijke persoonlijke leefruimte van de opgeëiste persoon op basis van een aanname van hoeveel gedetineerden in een cel zullen verblijven is geen garantie dat de opgeëiste persoon die ruimte daadwerkelijk zal krijgen, omdat dat in de verstrekte informatie niet is toegezegd door de Franse autoriteiten. [10] De rechtbank wenst evenwel te benadrukken dat het niet nodig is dat wordt vastgesteld over hoeveel m2 persoonlijke leefruimte de opgeëiste persoon exact zal beschikken. Om te kunnen vaststellen of het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen dient de rechtbank ofwel een garantie te ontvangen dat hij over ten minste 3m2 persoonlijke leefruimte (exclusief sanitaire voorzieningen) zal beschikken in een meerpersoonscel, ofwel voldoende concrete informatie te krijgen over de oppervlakte van de cellen (inclusief informatie over de oppervlakte van de sanitaire voorzieningen) met een concrete toezegging ten aanzien van het aantal gedetineerden met wie de opgeëiste persoon die cel zal delen. Vertaald naar de onderhavige zaak betekent dit dat als uit nadere informatie van de Franse autoriteiten zou blijken dat de opgeëiste persoon in een cel zal komen waarin niet meer personen worden gedetineerd dan het aantal bedden dat in de reeds verschafte informatie staat vermeld, de rechtbank over voldoende informatie zou beschikken om te beoordelen of het algemene reële gevaar voor hem is weggenomen.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek te heropenen om het IRC in de gelegenheid te stellen de volgende aanvullende vraag te stellen aan de Franse autoriteiten:
Kunt u garanderen dat de opgeëiste persoon na overlevering in een cel in de penitentiaire inrichting van
Lille-Annoeullindan wel
Lille-Sequedinzal komen waarin niet meer personen worden gedetineerd dan het aantal bedden dat in de reeds verschafte informatie 4 mei 2026 staat vermeld?
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 19 juli 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij ook de beslistermijn verlengen met 30 dagen onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 30 dagen.

8.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 7. geformuleerde vraag aan de Franse autoriteiten te stellen.
VERLENGTop grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen (eindigend 18 augustus 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 30 dagen.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór 18 augustus 2026 weer op zitting wordt gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L. Baroud en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (
5.Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751.
6.Rb Amsterdam 31 maart 2026, ELCI:NL:RBAMS:2026:3409.
7.Rb Amsterdam 12 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1585.
8.HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589
9.HvJ EU 15 oktober 2019, C-128/18, ECLI:EU:C:2019:857 (
10.Vgl. Rb. Amsterdam 26 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5455, Rb. Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3409 en Rb. Amsterdam 4 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6458.