ECLI:NL:RBAMS:2026:7700

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
12156757 \ EA VERZ 26-365
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c lid 1 BWArt. 7:671c lid 2 onder b BWArt. 7:673 lid 1 onder b onder 2 BWArt. 7:686a lid 7 BWArt. 7:628 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens arbeidsconflict zonder ernstig verwijtbaar handelen werkgever

Werknemer verzoekt ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met Corpag Holding B.V. vanwege een arbeidsconflict en stelt dat ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever heeft geleid tot beëindiging. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek toe, mede omdat werknemer zelf om ontbinding vraagt en werkgever geen gerechtvaardigd belang bij voortzetting heeft gesteld.

De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Diverse maatregelen van de werkgever, zoals mediation, coaching en aanpassing van rapportagelijnen, tonen een poging tot oplossing. De door werknemer genoemde voorbeelden van onredelijk gedrag worden onvoldoende concreet onderbouwd en door werkgever weerlegd.

De kantonrechter wijst het verzoek tot billijke vergoeding en transitievergoeding af. Wel wordt werkgever veroordeeld tot correctie van het loon over bepaalde ziekteperiodes naar 100%, uitbetaling van vakantiebijslag over 2025 en 2026, en betaling van niet-opgenomen vakantiedagen. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Werknemer krijgt de mogelijkheid het ontbindingsverzoek binnen veertien dagen in te trekken.

Uitkomst: Arbeidsovereenkomst ontbonden per 10 augustus 2026 zonder billijke of transitievergoeding, met looncorrectie en uitbetaling vakantiedagen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12156757 \ EA VERZ 26-365
Beschikking van 23 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] (België ),
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. R.M. Beltzer,
tegen
CORPAG HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Corpag,
gemachtigde: mr. E.A.M. Heidstra.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt [verzoeker] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met Corpag, met nevenverzoeken. De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding toe. Aan [verzoeker] wordt geen transitievergoeding en geen billijke vergoeding toegekend, omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Corpag. De nevenverzoeken worden gedeeltelijk toegewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 23 maart 2026 een verzoekschrift, met producties, ingediend. Corpag heeft een verweerschrift, met producties, ingediend. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben beide partijen nog aanvullende producties ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens Corpag zijn [naam 1] ( [functie 1] ), [naam 2] ( [functie 2] ) en [naam 3] ( [functie 3] ) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.
1.3.
De gemachtigden hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen zijn aan het dossier toegevoegd. Partijen zijn daarna gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Daarna is een datum voor de beschikking bepaald.
2. De feiten
2.1.
Corpag is een internationaal bedrijf dat zich richt op financiële dienstverlening. Zij heeft kantoren in verschillende landen.
2.2.
[verzoeker] is op 1 april 2013 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger) van Corpag, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verzoeker] werkt momenteel als [functie 4] ( [functie 4] ), tegen een salaris van € 10.954,- per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.
2.3.
Corpag heeft een ‘sick leave policy’. Daarin staat dat na tien dagen ziekte 70% van het loon betaald wordt.
2.4.
Op enig moment heeft Corpag zorgen geuit over het gedrag en de kritische houding van [verzoeker] . Het ging daarbij met name om de manier waarop [verzoeker] communiceert en beslissingen van het management ter discussie stelt. Tijdens beoordelingsgesprekken in 2023 en 2024 is [verzoeker] daar over aangesproken.
2.5.
Vervolgens is tussen partijen een meningsverschil ontstaan. Om tot een oplossing te komen is mediation opgestart. In het kader daarvan zijn partijen op 21 november en 19 december 2024 met elkaar in gesprek gegaan.
2.6.
Corpag heeft op 9 januari 2025 een programma (Altera) op de werklaptop van [verzoeker] geïnstalleerd. Daarmee heeft Corpag op afstand toegang tot bestanden en activiteiten op de laptop.
2.7.
Op 8 januari 2025 hebben partijen weer een beoordelingsgesprek gevoerd. Corpag heeft bij e-mail van 15 januari 2025 een verslag van dit gesprek aan [verzoeker] gestuurd, met in de bijlage een zogenaamd
Performance Improvement Plan(PIP). In dit (verbeter)plan staat dat het doel daarvan is om de werkhouding van [verzoeker] te verbeteren. [verzoeker] heeft bij e-mail van 20 januari 2025 aan Corpag laten weten dat hij zich niet kon vinden in de doelstellingen van het PIP en dat zijn voorkeur uitging naar een externe coach. Hij heeft het plan daarom niet ondertekend. Vervolgens is uiteindelijk een coachingstraject gestart, dat na enige tijd beëindigd is.
2.8.
In april 2025 is het bureau waar [verzoeker] aan werkte als hij in Amsterdam was, verplaatst. Nadat [verzoeker] had aangegeven dat hij dit onprettig vond, is het bureau weer teruggezet.
2.9.
Corpag heeft bij e-mail van 12 mei 2025 voorgesteld om opnieuw een tussentijds evaluatiegesprek in te plannen. Corpag heeft [verzoeker] er in die e-mail op gewezen dat hij een aantal keren niet aanwezig was geweest bij meetings en e-mails niet beantwoordde, en dat hij daarmee werkinstructies weigerde. Partijen hebben vervolgens op 14 en 21 mei 2025 gesproken. In het gesprek van 21 mei 2025 heeft Corpag aan [verzoeker] verteld dat twee collega’s over zijn negatieve houding geklaagd zouden hebben. [verzoeker] heeft die collega’s vervolgens opgebeld om na te vragen of dit klopt.
2.10.
Bij e-mail van 26 mei 2025 heeft ( [functie 1] van) Corpag aan [verzoeker] laten weten dat het (verbeter)traject een aantal maanden gepauzeerd zou worden, om rust te creëren. Ook heeft Corpag in die e-mail aan [verzoeker] gevraagd om te blijven communiceren met, en te reageren op e-mails van, [functie 3] en [functie 2] .
2.11.
Corpag heeft [verzoeker] er in juni 2025 meerdere keren op gewezen dat van hem verwacht wordt dat hij binnen een redelijke tijd op e-mails reageert. Daarnaast heeft Corpag bij e-mail van 19 juni 2025 aangekondigd dat het verbetertraject voortgezet zou gaan worden, en [verzoeker] uitgenodigd voor een meeting op 2 juli 2025. [verzoeker] is meermaals aan die uitnodiging herinnerd.
2.12.
Bij e-mail van 1 juli 2025 heeft Corpag opnieuw aan [verzoeker] gevraagd om reactie op een eerdere e-mail. Verder heeft Corpag aan [verzoeker] gevraagd om, vanwege oplopende werknemerskosten, te tanken bij tankstations die niet aan de snelweg liggen. Vervolgens is het limiet van de zakelijke creditcard van [verzoeker] verlaagd. [verzoeker] heeft op de e-mail gereageerd dat hij bereid was om in gesprek te gaan, zo lang dit niet over het verbetertraject zou gaan. Hij wilde een dergelijk gesprek namelijk alleen voeren met zijn advocaat erbij.
2.13.
Op 2 juli 2025 hebben partijen met elkaar gesproken. Corpag heeft [verzoeker] in dat gesprek tijdelijk vrijgesteld van zijn werkzaamheden, met behoud van loon. Dit is bij brief van 2 juli 2025 aan [verzoeker] bevestigd.
2.14.
[verzoeker] heeft zich op 11 juli 2025 ziekgemeld.
2.15.
Op 16 juli 2025 zouden partijen een voortgangsgesprek voeren. Corpag heeft [verzoeker] voorafgaand aan dat gesprek per e-mail een ‘Plan: Aanpassing rapportagelijn en werkpatroon medewerker’ gestuurd. Daarin is opgenomen dat [verzoeker] vanaf 17 juli 2025 voor een tijdelijke periode van drie maanden aan een andere manager zal rapporten. Het voortgangsgesprek is vanwege de ziekmelding van [verzoeker] niet doorgegaan.
2.16.
Vanaf 21 juli 2025 is Corpag 70% van het loon gaan betalen.
2.17.
In augustus 2025 heeft [verzoeker] gesproken met een bedrijfsarts. In de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 22 augustus 2025 staat, voor zover van belang, dat er een directe relatie is tussen de ziekmelding en het arbeidsconflict. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om nogmaals mediation in te zetten om tot oplossingen te komen. Verder heeft de bedrijfsarts een time out van maximaal twee weken tot uiterlijk 5 september 2025 geadviseerd, waarna [verzoeker] per die datum hersteld kon worden.
2.18.
Corpag heeft, na navraag gedaan te hebben bij de arbodienst, [verzoeker] op 5 september 2025 hersteld gemeld. Op diezelfde dag hebben partijen telefonisch met elkaar gesproken. Corpag heeft vervolgens mediation in gang gezet.
2.19.
Bij e-mail en brief van 8 september 2025 is [verzoeker] door Corpag dringend verzocht om zijn werkzaamheden uiterlijk de volgende dag te hervatten. Ook heeft zij [verzoeker] er op gewezen dat, als hij het niet eens is met het advies van de bedrijfsarts, hij een second opinion bij de bedrijfsarts of een deskundigenoordeel bij het UWV kan aanvragen. Dat heeft hij niet gedaan.
2.20.
Partijen hebben op 9 september 2025 met elkaar gesproken. Na afloop daarvan heeft [verzoeker] bij e-mail aan de arbodienst herhaald dat hij het niet eens is met het advies en gevraagd wat er precies van hem verwacht wordt. Partijen hebben daarna bij e-mails van 10 september 2025 met elkaar gesproken over het voortzetten van de werkzaamheden, waarbij Corpag heeft voorgesteld dat [verzoeker] de eerste dagen vanuit huis zou werken.
2.21.
[verzoeker] is vervolgens niet op kantoor verschenen en was onbereikbaar voor Corpag. Daarom heeft Corpag bij e-mail van 15 september 2025 het loon opgeschort. [verzoeker] heeft daar, bij e-mail van 17 september 2025, op gereageerd door te benadrukken dat er eerst een oplossing voor het conflict moest komen, maar dat hij bereid was om zijn werk te hervatten.
2.22.
[verzoeker] heeft zich op 1 oktober 2025 (opnieuw) ziekgemeld. Over de periode van 15 september tot 1 oktober 2025 heeft [verzoeker] (na correctie) 100% van zijn loon ontvangen.
2.23.
Bij e-mail van 6 oktober 2025 is [verzoeker] geïnformeerd dat alle niet noodzakelijke zakelijke creditcards, waaronder die van [verzoeker] , zijn opgeheven.
2.24.
[verzoeker] heeft op 6 oktober 2025 met de bedrijfsarts gesproken. In de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 8 oktober 2025 is opgenomen dat de beperkingen sinds het vorige spreekuur verergerd waren. Verder staat daar in dat [verzoeker] ziekgemeld was vanwege een medische oorzaak, maar dat er ook een werkgerelateerde kwestie was die niet bijdroeg aan zijn herstel. Volgens de bedrijfsarts waren er geen re-integratiemogelijkheden. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om mediation in te zetten om te werken naar een oplossing.
2.25.
Vervolgens heeft Corpag bij brief van 10 oktober 2025 aan [verzoeker] laten weten dat van hem voorlopig geen re-integratie-inspanningen verwacht werden en dat zijn loon per 1 oktober 2025 voor 70% uitbetaald zou worden.
2.26.
Partijen hebben op 4 november 2025 opnieuw in het kader van mediation een gesprek gevoerd. Die mediation is na dat gesprek weer beëindigd.
2.27.
Rond 18 november 2025 heeft Corpag een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Corpag heeft het UWV daarbij gevraagd om te beoordelen of [verzoeker] voldoende aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Het UWV heeft daarop bij deskundigenoordeel van 4 december 2025 geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van [verzoeker] over de periode van 11 juli 2025 tot 18 november 2025 voldoende waren.
2.28.
[verzoeker] heeft in december 2025 en in februari 2026 opnieuw met de bedrijfsarts gesproken. Uit de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van 6 februari 2026 volgt dat de medische beperkingen van [verzoeker] onveranderd waren. Ook concludeerde de bedrijfsarts dat er nog steeds werkgerelateerde problemen speelde die het herstel belemmerde.
2.29.
Vervolgens heeft [verzoeker] in maart 2026 een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt de arbeidsovereenkomst met Corpag te ontbinden. Hij verzoekt ook om toekenning van een billijke vergoeding van € 200.000,- en om Corpag te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding. Daarnaast verzoekt hij, na vermindering van zijn verzoek ter zitting, betaling van i) gemiste salarisverhoging en bonussen, ii) ingehouden salaris na ziekmelding(en), iii) vakantiedagen, iv) openstaand vakantiegeld en v) de kosten van deze procedure.
3.2.
[verzoeker] heeft samengevat aan het verzoek ten grondslag gelegd dat er omstandigheden zijn waardoor de arbeidsovereenkomst zo snel mogelijk moet eindigen. Volgens [verzoeker] is dat het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Corpag, zodat hij recht heeft op een billijke vergoeding en een transitievergoeding. Volgens hem is er sprake van stelselmatig onredelijk gedrag en systematische intimidatie door Corpag. Dit blijkt volgens [verzoeker] onder meer uit een personeelsenquêtes uit 2024 en 2025, het installeren van spyware op zijn laptop, het gebruiken van een preventief spreekuur als drukmiddel en het verplaatsen van zijn bureau. Verder noemt [verzoeker] het staken van coaching, het verwijderen uit een meeting, het opheffen van zijn creditcard en de strikte handhaving van het tankbeleid, de vermeende valse klachten van collega’s, het streng hanteren van de eis van tijdschrijven, het plotseling moeten doorgeven van doelstellingen, gedoe rond het regelen van een kerstcadeau en dreigementen door [functie 1] . [verzoeker] heeft daarnaast betoogd dat Corpag hem onterecht geen salarisverhoging heeft gegeven, dat hij over 2025 en 2026 100% loon hadden moeten ontvangen, dat hij recht heeft op bonussen over 2024 tot en met 2026 en dat Corpag vakantiedagen en vakantiegeld moet betalen.
3.3.
Corpag verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen, omdat [verzoeker] onvoldoende onderbouwd heeft waarom de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Voor het geval toch ontbonden wordt, is volgens haar geen billijke vergoeding en transitievergoeding verschuldigd, omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van haar zijde. Daarnaast betwist Corpag dat er een vaste jaarlijkse salarisverhoging of bonusaanspraak is, en stelt zij dat zij vanwege de ziekmelding van [verzoeker] 70% van het loon verschuldigd was.

4.De beoordeling

Ontbinding
4.1.
[verzoeker] verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Een werknemer kan dit vragen als er omstandigheden zijn die het redelijk maken dat de arbeidsovereenkomst direct of binnen korte tijd eindigt. [1] Bij de beoordeling daarvan moeten alle omstandigheden van het geval worden meegenomen.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Daarbij weegt in belangrijke mate mee dat [verzoeker] zelf vraagt om ontbinding en dat een werknemer recht heeft op vrije arbeidskeuze. Daar komt bij dat Corpag zich niet zozeer tegen de ontbinding als zodanig verzet en ook niet heeft gesteld dat zij een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst.
4.3.
De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden met ingang van 10 augustus 2026. De kantonrechter heeft er daarbij rekening mee gehouden dat [verzoeker] verzoekt om de arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk te ontbinden en dat, zoals hierna overwogen zal worden, [verzoeker] de mogelijkheid krijgt om het verzoek in te trekken.
Billijke vergoeding
4.4.
[verzoeker] verzoekt verder om toekenning van een billijke vergoeding. Een dergelijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [2] De lat daarvoor ligt hoog. Dit zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen, als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij die beoordeling moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [3] In dit geval heeft [verzoeker] onvoldoende over het voetlicht gebracht dat er sprake is van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.5.
Uit het dossier komt een beeld naar voren van een werkgever die aan haar verplichtingen heeft geprobeerd te voldoen. Er is meerdere keren geprobeerd om het arbeidsconflict met mediation op te lossen, er is een coachingstraject gestart en Corpag heeft geprobeerd de rapportagelijnen te wijzigen en rust te creëren in het conflict. Ten aanzien van het staken van het coachingstraject heeft Corpag voldoende gemotiveerd dat zij na onenigheid over de te kiezen coach met [verzoeker] is meebewogen. En ook ten aanzien van de non-actief stelling in juli 2025 heeft Corpag voldoende gemotiveerd en onder verwijzing naar de brief van 2 juli 2025 onderbouwd dat de vrijstelling van werk bedoeld was om rust te creëren, niet als sanctie.
4.6.
Verder heeft Corpag zich aan het advies van de bedrijfsarts gehouden door een time-out te geven. Dat Corpag vervolgens onoorbare druk heeft gezet, is niet gebleken. Corpag mocht uit het advies van de bedrijfsarts van augustus 2025 begrijpen dat [verzoeker] in staat was om te werken, zonder dat eerst mediation afgerond hoefde te worden. Bovendien heeft Corpag het voorgestelde werkhervattingsgesprek op verzoek van [verzoeker] direct verplaatst en is Corpag na het bedrijfsartsadvies van oktober 2025, waaruit volgde dat [verzoeker] niet kon werken, gestopt met hem te bevragen. Van het door [verzoeker] gestelde stelselmatig onredelijk gedrag door Corpag is dus niet gebleken.
4.7.
Dergelijk gedrag volgt ook niet uit de andere voorbeelden die [verzoeker] heeft genoemd, noch als die voorbeelden afzonderlijk worden bekeken, noch als zij in onderlinge samenhang worden bezien. Zo heeft Corpag onweersproken gesteld dat de personeelsenquête wereldwijd wordt afgenomen en dat er in 2024 in het kantoor in Zuid-Amerika problemen waren. [verzoeker] heeft daartegenover onvoldoende concreet gemaakt dat die resultaten relevant zijn voor zíjn situatie. Ten aanzien van de installatie van het programma Altera heeft Corpag onweersproken gesteld dat het programma alleen geïnstalleerd kan worden na toestemming van de werknemer. Dat hiermee zijn privacy is geschonden, heeft hij daartegenover onvoldoende duidelijk gemaakt. Voor wat betreft het verplaatste bureau geldt dat Corpag voldoende heeft toegelicht dat zij werkt met flexplekken en dat het bureau door de managementassistente was verplaatst omdat [verzoeker] maar twee dagen in de week op kantoor was. Bovendien is het bureau direct teruggezet toen bleek dat [verzoeker] dit wenste. [verzoeker] heeft verder onvoldoende concreet gemaakt dat [functie 1] zich onredelijk jegens hem heeft opgesteld, dat geldt ook voor het gesprek van 27 juni 2025.
4.8.
Over het verwijderen van de meeting uit de agenda van [verzoeker] heeft Corpag ter zitting onweersproken verklaard dat [verzoeker] niet standaard bij dergelijke meetings aanwezig was, omdat hij geen deel uitmaakt van het managementteam. Ook heeft Corpag voldoende toegelicht en met een e-mail onderbouwd dat van meerdere werknemers – en dus niet alleen van [verzoeker] – de creditcards zijn ingetrokken. Anders dan [verzoeker] heeft aangevoerd, is dus niet gebleken dat dit een pesterij jegens [verzoeker] zou betreffen. Dat geldt ook ten aanzien van de verplichting om tijd te schrijven. [verzoeker] heeft tegenover de betwisting door Corpag verder onvoldoende concreet gemaakt dat Corpag klachten over hem van collega’s bedacht zou hebben. Ook van de andere door [verzoeker] genoemde voorbeelden heeft Corpag de achtergrond voldoende toegelicht, waardoor ook daaruit geen pesterij of ander onoorbaar gedrag door Corpag is gebleken.
4.9.
Kortom, uit de voorbeelden die [verzoeker] heeft genoemd volgt niet dat Corpag ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld. De door [verzoeker] overgelegde verklaringen van een aantal werknemers maken dit niet anders. Wat daar inhoudelijk ook van zij, uit die verklaringen blijkt in ieder geval niet dat ernstig verwijtbaar tegenover [verzoeker] is gehandeld, terwijl dat de vraag is die in dit kader voorligt. De verzochte billijke vergoeding wordt dan ook afgewezen.
Transitievergoeding
4.10.
Ook het verzoek om Corpag te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt afgewezen. In het geval dat een werknemer verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst is de transitievergoeding namelijk alleen verschuldigd als dit het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, terwijl daar dus geen sprake van is. [4]
Mogelijkheid om in te trekken
4.11.
Omdat aan de ontbinding niet de door [verzoeker] verzochte billijke vergoeding wordt verbonden, krijgt hij de gelegenheid om het ontbindingsverzoek in te trekken binnen een termijn van veertien dagen na deze beschikking. [5]
Gemiste salarisverhoging en bonussen
4.12.
De door [verzoeker] verzochte salarisverhogingen en bonussen over 2024 tot en met 2026 worden afgewezen. [verzoeker] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat partijen een standaard jaarlijkse verhoging of bonus zijn overeengekomen. Dit maakt dat Corpag, zoals zij naar voren heeft gebracht, een discretionaire bevoegdheid heeft ten aanzien van het toekennen van bonussen en loonsverhogingen. Niet gebleken is dat Corpag bij de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid onredelijk heeft gehandeld.
Correctie salaris (100%)4.13. [verzoeker] verzoekt verder om correctie van zijn (ziekte)loon over de jaren 2025 en 2026. Voor de beoordeling van dit verzoek moet een onderscheid gemaakt worden tussen de ziekmelding op 11 juli 2025 en de ziekmelding op 1 oktober 2025.
4.14.
De bedrijfsarts heeft op 22 augustus 2025 geoordeeld dat er bij de eerste ziekmelding op 11 juli 2025 een directe relatie bestond tussen de ziekmelding en het arbeidsgerelateerde conflict. Medisch gezien was [verzoeker] op dat moment dus in staat om te werken (situatieve arbeidsongeschiktheid). In een dergelijke situatie heeft een werknemer recht op salaris, ook als hij niet gewerkt heeft, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet werken in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. [6] Corpag heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het bestaan van het conflict uitsluitend of hoofdzakelijk aan [verzoeker] is te wijten. Daarnaast blijkt uit de deskundigenverklaring dat [verzoeker] voldoende aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Dit betekent dat Corpag over de periode na de eerste ziektemelding 100% van het loon aan [verzoeker] had moeten betalen. Voor zover zij dat nog niet heeft gedaan, moet zij dit dus corrigeren. Dit geldt tot 5 september 2025. De bedrijfsarts heeft namelijk tot die datum een afkoelingsperiode geadviseerd, waarna [verzoeker] beter is gemeld. [verzoeker] is vervolgens enige tijd niet op het werk verschenen, omdat hij wilde dat eerst mediation afgerond zou worden. Maar uit het advies van de bedrijfsarts volgt onvoldoende dat dit vereist was voor voortzetting van de werkzaamheden. Vanaf 5 september 2025 tot 1 oktober 2025 (zie hieronder) komt het niet werken dan ook in redelijkheid voor rekening van [verzoeker] , zodat het verzoek niet toewijsbaar is voor zover het op die periode ziet.
4.15.
Voor de tweede ziekmelding (1 oktober 2025 tot heden) geldt dat de bedrijfsarts op 8 oktober 2025 heeft geoordeeld dat er (ook) medische componenten spelen. Daardoor heeft [verzoeker] gedurende de eerste 104 weken van zijn ziekte recht op ten minste 70% van zijn loon. [7] In het ziektebeleid van Corpag is daar in het voordeel van [verzoeker] van afgeweken, in die zin dat over de eerste tien ziektedagen 100% loon betaald wordt. Voor zover Corpag dat, bijvoorbeeld door de veroordeling tot correctie van het loon over de periode van situatieve arbeidsongeschiktheid, niet heeft gedaan, wordt zij daartoe veroordeeld, zodat over de eerste tien dagen van ziekte het loon 100% uitbetaald wordt. Voor de periode daarna wordt het verzoek afgewezen. Over die periode was [verzoeker] ziek en mocht Corpag 70% van het loon betalen. Dat in de praktijk altijd 100% van het loon doorbetaald wordt, zoals [verzoeker] betoogd heeft, is tegenover de betwisting van Corpag onvoldoende onderbouwd.
Vakantiedagen en openstaande vakantiebijslag
4.16.
Ten aanzien van de verzochte uitbetaling van het vakantiegeld en de vakantiedagen heeft [verzoeker] ter zitting toegelicht dat met dit verzoek bedoeld is dat het vakantiegeld over 100% van het loon berekend moet worden, en dat Corpag bij het eindigen van de arbeidsovereenkomst de openstaande vakantiedagen moet uitbetalen. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat Corpag in mei 2026 (na het aanbrengen van het verzoekschrift) het vakantiegeld over 2025 heeft uitbetaald, maar dat dit gedeeltelijk berekend is over 70% van het loon. Corpag heeft dat niet weersproken.
4.17.
Het vakantiegeld moet worden berekend over het feitelijk uitbetaalde loon. Aangezien uit het voorgaande volgt dat Corpag het uitbetaalde loon over de periode van 11 juli tot 5 september 2025 en van 1 tot en met 10 oktober 2025 waar nodig moet corrigeren, geldt dat in dat geval dus ook voor de vakantiebijslag over die periode, zodat over het feitelijk uitbetaalde loon vakantiegeld is berekend. In zoverre is dat verzoek dus toewijsbaar. Daarnaast geldt dat Corpag na het eindigen van de arbeidsovereenkomst verplicht is om onder meer het openstaande vakantiegeld en de niet-opgenomen vakantiedagen uit te betalen en daar een eindafrekening van op te maken. Voor de vakantiedagen geldt dat die tegen 100% van het loon uitbetaald moeten worden. [8] Corpag heeft niet betwist dat het vakantiedagensaldo 30,85 uur bedraagt. Dat aantal is dus (voor zover niet ingetrokken wordt) toewijsbaar.
De proceskosten
4.18.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen. Dit geldt ook als [verzoeker] zijn ontbindingsverzoek intrekt. Hij wordt dan voor het ingetrokken ontbindingsverzoek als de verliezende partij beschouwd, maar is in zijn verzoek tot correctie van het loon wel gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Daarom zullen dat kosten ook in dat geval gecompenseerd worden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
stelt [verzoeker] in de gelegenheid om het ontbindingsverzoek binnen veertien dagen na vandaag in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) Corpag,
Voor het geval werknemer het ontbindingsverzoek niet binnen die termijn intrekt:
5.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 10 augustus 2026;
5.3.
veroordeelt Corpag om:
a. het loon over de periode van 11 juli 2025 tot 5 september 2025, en over de periode van 1 oktober 2025 tot en met 10 oktober 2025, voor zover zij dat nog niet gedaan heeft, te corrigeren, zodat [verzoeker] over die periode het volledige loon (100%) ontvangt,
b. de vakantiebijslag over 2025 en 2026 te berekenen aan de hand van het feitelijke brutoloon na correctie en dit, voor zover nog niet betaald, aan [verzoeker] uit te betalen,
c. het brutoloon over 30,85 niet-opgenomen vakantiedagen aan [verzoeker] uit te betalen,
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af,
Voor het geval werknemer het ontbindingsverzoek binnen die termijn intrekt:
5.7.
veroordeelt Corpag om:
a. het loon over de periode van 11 juli 2025 tot 5 september 2025, en over de periode van 1 oktober 2025 tot en met 10 oktober 2025, voor zover zij dat nog niet gedaan heeft, te corrigeren, zodat [verzoeker] over die periode het volledige loon (100%) ontvangt,
b. de vakantiebijslag over 2025 te berekenen aan de hand van het feitelijke brutoloon na correctie, en dit, voor zover dit nog niet betaald, aan [verzoeker] uit te betalen,
5.8.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.B. Cramwinckel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 23 juli 2026.
64183

Voetnoten

1.Artikel 7:671c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:671c lid 2, onder b, BW.
3.Hoge Raad 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63 (
4.Artikel 7:673 lid Pro 1, onder b onder 2, BW.
5.Artikel 7:686a lid 7 BW.
6.Artikel 7:628 BW Pro en Hoge Raad 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7669 (
7.Artikel 7:629 BW Pro.
8.Hof van Justitie EU 9 december 2021, ECLI:EU:C:2021:9867.