ECLI:NL:RBAMS:2026:7783

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
AWB 24/6855
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WavArt. 6 EVRMArt. 19a WavArt. 19d WavArt. 5:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boete wegens overtreding tewerkstellingsverbod Wet arbeid vreemdelingen

Eiseres kreeg van de minister een boete van €24.000 opgelegd wegens het laten verrichten van arbeid door twee vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De minister verklaarde het bezwaar van eiseres ongegrond, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Amsterdam.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had vastgesteld dat eiseres als werkgever moest worden aangemerkt, omdat de vreemdelingen werkzaamheden verrichtten ten behoeve van haar bedrijfsvoering. De inspecteurs hadden geconstateerd dat de vreemdelingen stoelen van de zolder van het bedrijfspand verplaatsten, wat onder het ruime begrip arbeid van de Wav valt. De stelling van eiseres dat het om privéwerkzaamheden ging, werd verworpen.

De rechtbank bevestigde dat de boete terecht was berekend op basis van grove schuld en recidive, conform het beleidskader. De hoogte van de boete werd als evenredig beoordeeld, ondanks het standpunt van eiseres dat de boete zwaar zou zijn. Wel stelde de rechtbank ambtshalve vast dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, waardoor de boete met 5% werd gematigd tot €22.800.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover het de boete betreft, stelt de boete vast op €22.800 en veroordeelt de minister tot vergoeding van de griffiekosten. Proceskostenvergoeding werd niet toegekend omdat het beroep alleen gegrond was vanwege termijnoverschrijding.

Uitkomst: De boete wegens overtreding van het tewerkstellingsverbod wordt gematigd tot €22.800 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/6855

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.G. Evers)
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister

(gemachtigde: mr. K. van den Berg).

Inleiding

1. Bij besluit van 4 maart 2024 (het primaire besluit) heeft de minister aan eiseres een boete opgelegd van € 24.000,- wegens twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav [1] . Ook heeft de minister besloten de inspectiegegevens openbaar te maken.
1.1.
Bij besluit van 28 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen dit besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft hierna nog aanvullende gronden ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] (vennoot van eiseres) en de gemachtigde van eiseres. De gemachtigde van de minister is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader
3. Het wettelijk kader en het beleidskader [2] zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Achtergrond en besluitvorming
4. Op 8 juni 2023 is door arbeidsinspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie
(hierna: de inspecteurs), samen met ambtenaren van de Nationale Politie, het UWV [3] , de Gemeente Amsterdam en werknemers van Liander, een integrale controle ingesteld op het adres waar eiseres is gevestigd. Deze controle was georganiseerd door de Ondermijningsbrigade Amsterdam-Amstelland en was gericht op naleving van wet- en regelgeving. Tijdens deze controle werden twee mannen aangetroffen terwijl ze meerdere stoelen, van boven een vlizotrap naar beneden, aan elkaar aangaven. Uit onderzoek van de inspecteurs is gebleken dat de heer [persoon 2] (hierna: vreemdeling 1) en de heer [persoon 3] (hierna: vreemdeling 2, hierna samen: de vreemdelingen) vreemdeling zijn in de zin van Vw. [4]
4.1.
In het boeterapport van 9 januari 2024 hebben de inspecteurs geconstateerd dat twee vreemdelingen op 8 juni 2023 zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden hebben verricht, bestaande uit het opruimen van de zolder van eiseres, en dat deze vreemdelingen geen gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid bij eiseres hadden. De inspecteurs hebben geconcludeerd dat eiseres hiermee het zogeheten tewerkstellingsverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav ten aanzien van deze twee vreemdelingen heeft overtreden.
4.2.
De minister heeft op 15 februari 2024, onder verwijzing naar het boeterapport, het voornemen uitgebracht om voor deze overtredingen aan eiseres een boete op te leggen. Eiseres heeft geen zienswijze ingediend tegen dit voornemen.
4.3.
Met het primaire besluit heeft de minister aan eiseres een boete opgelegd van
€ 24.000,- wegens twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Ook heeft de minister besloten de inspectiegegevens openbaar te maken. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
4.4.
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Beroepsgronden eiseres
5. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat zij geen overtreding heeft begaan en dat haar geen boete opgelegd had mogen worden. Subsidiair stelt eiseres dat als wel sprake is van overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav, deze niet kunnen worden toegerekend aan haar. Eiseres stelt namelijk dat de werkzaamheden van de vreemdelingen niets te maken hebben met haar bedrijfsvoering en dat dit op particuliere grondslag is uitgevoerd via de heer [persoon 1] . Daarom is eiseres ten onrechte bestempeld als werkgever en opdrachtgever van de vreemdelingen, en zodoende als onjuiste normadressaat in het bestreden besluit opgenomen. De hoogte van de boete is dan ook onterecht berekend aan de hand van de norm die geldt voor rechtspersonen. Dit had namelijk gedaan moeten worden aan de hand van de norm die geldt voor natuurlijke personen.
Is sprake van een overtreding van het tewerkstellingsverbod?
6. Eiseres meent dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiseres het tewerkstellingsverbod heeft overtreden. Eiseres voert in dit kader aan dat de minister haar ten onrechte heeft aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav. De rechtbank stelt hierbij voorop dat nu het om een beboetbare overtreding gaat, op de minister de bewijslast rust om aan te tonen dat eiseres de overtreding heeft begaan en dat, in geval van twijfel, aan eiseres het voordeel van de twijfel moet worden gegund. [5]
Heeft de minister eiseres ten onrechte als werkgever in de zin van de Wav aangemerkt?
7. De rechtbank overweegt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wav volgt dat de wetgever vanuit een oogpunt van controle heeft beoogd een ruim werkgeverschapsbegrip te creëren dat afwijkt van wat in arbeidsrechtelijke zin onder werkgeverschap wordt verstaan. [6] Degene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten, heeft te gelden als vergunningplichtig werkgever en is daarmee te allen tijde verantwoordelijk voor, en aanspreekbaar op, het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. [7] Bij het bepalen of sprake is van werkgeverschap is het bestaan van een arbeidsovereenkomst of een gezagsverhouding niet relevant. Voor het aannemen van werkgeverschap is al voldoende dat de vreemdeling in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid verricht. [8]
7.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat zij niet binnen de reikwijdte van het werkgeversbegrip valt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister namelijk terecht geconcludeerd dat de vreemdelingen arbeid ten dienste van eiseres hebben verricht en dat eiseres daarom als werkgever moet worden gekwalificeerd. Volgens vaste rechtspraak [9] , mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed opgemaakt boeterapport. Wat eiseres heeft aangevoerd leidt niet tot twijfel over de juistheid van de constatering in het boeterapport. De inspecteurs hebben waargenomen dat de vreemdelingen stoelen van de zolder van het pand op de [adres 1] aan het halen waren. [10] Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat sprake is geweest van enige werkzaamheden ten behoeve van eiseres. Eiseres heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat de zolder waar de vreemdelingen waren geen onderdeel uitmaakt van een bedrijfspand van de V.O.F. en dat de handelingen van de vreemdelingen daarom ten laste moeten komen van de heer [persoon 1] en niet van de V.O.F. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Uit de huurovereenkomst volgt immers dat de panden met nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] van de [adres 2] verhuurd worden voor de bedrijfsvoering van de V.O.F. Deze stelling acht de rechtbank daarom niet voldoende om de waarnemingen uit het boeterapport te ontkrachten. De invulling van het begrip arbeid is onder de Wav zeer ruim, waardoor de minister aan de hand van de waarnemingen terecht heeft geconstateerd dat de vreemdelingen arbeid hebben verricht ten behoeve van de V.O.F.
7.2.
In beroep heeft eiseres nog een verklaring van de heer [persoon 3] overgelegd. Hierin staat dat hij meneer [persoon 1] alleen heeft geholpen met het verplaatsen van privémeubelen en dat dit niks met de bedrijfsvoering van het restaurant te maken had. Deze verklaring maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dit doet namelijk niet af aan het feit dat deze meubels in een pand van de [adres 2] stonden dat volgens de huurovereenkomst dienst doet voor de bedrijfsvoering van de V.O.F. Ook heeft de heer [persoon 1] tijdens de hoorzitting in bezwaar verklaard dat het ging om stoelen van het restaurant en dat deze stoelen hierna schoongemaakt zouden worden. Dit komt niet overeen met de verklaring van de heer [persoon 3] dat het om privémeubelen zou gaan.
7.3.
Uit het boeterapport blijkt dat de heer [persoon 2] en de heer [persoon 3] als vreemdelingen moeten worden aangemerkt. Beide vreemdelingen beschikten op het moment van de controle niet over een verblijfsrecht op grond waarvan zij arbeid mochten verrichten. De rechtbank concludeert daarom dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiseres als werkgever twee vreemdelingen voor haar arbeid heeft laten verrichten zonder dat zij beschikten over een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning voor arbeid en verblijf. De minister heeft dan ook op goede gronden geconcludeerd dat eiseres een overtreding heeft begaan in de zin van de Wav.
De opgelegde boete
Is de overtreding verwijtbaar?
8. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022 [11] volgt dat het beleid van de minister onvoldoende mogelijkheden biedt om bij het bepalen van de boete rekening te kunnen houden met de verschillende gradaties van verwijtbaarheid en het beleid in zoverre onredelijk is. De Afdeling neemt 100% van het boetenormbedrag als uitgangspunt wanneer artikel 2 van Pro de Wav opzettelijk is overtreden en 75% van dat bedrag indien sprake is van
grove schuld bij de overtreder. Is geen sprake van opzet of grove schuld, dan is volgens de Afdeling 50% van het boetenormbedrag een passend uitgangspunt en bij verminderde verwijtbaarheid is dat 25% van het boetenormbedrag. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen of nalaten in strijd met de Wav. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. [12] Van voorwaardelijke opzet is sprake indien bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat de overtreding van de Wav zich zal voordoen. Bewuste aanvaarding houdt in dat de overtreding 'op de koop is toegenomen’. Tot slot wordt het boetebedrag volgens artikel 19d, tweede lid, van de Wav, met 100% verhoogd als er sprake is van recidive.
8.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Onder 7.1. is vastgesteld dat de vreemdelingen werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van eiseres en niet ten behoeve van de heer [persoon 1] . Daarom heeft de minister bij de berekening van de hoogte van de boete de norm ten aanzien van rechtspersonen mogen gebruiken. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat hierbij is uitgegaan van grove schuld met een norm van 75% van het boetebedrag. Ook volgt de rechtbank de minister in het standpunt dat er sprake is van recidive waarmee het boetebedrag met 100% verhoogd mocht worden. Eiseres heeft tegen de berekening van de hoogte van de boete ook geen beroepsgronden gericht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de hoogte van de boete te matigen.
Is de hoogte van de boete evenredig?
9. De rechtbank overweegt dat op grond van de rechtspraak van de Afdeling inspanningen van na de overtreding niet van betekenis zijn voor de mate van verwijtbaarheid, maar wel van betekenis kunnen zijn voor de beoordeling of de opgelegde boete in het kader van de bredere evenredigheidstoets passend en geboden is. [13] Inspanningen achteraf kunnen alleen tot matiging leiden als deze adequaat zijn, uit eigen beweging zijn en zo snel mogelijk zijn verricht. [14]
9.1.
In het beroepschrift van eiseres zijn geen gronden gericht tegen de evenredigheid van de boete. Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat de boete een zware klap voor de V.O.F. zal opleveren. Voor zover eiseres hiermee heeft bedoeld te zeggen dat de hoogte van de boete daarmee onevenredig is, volgt de rechtbank dat niet. Eiseres heeft dit standpunt namelijk niet onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat de V.O.F. in financiële nood zal komen door het opleggen van de boete. Ook is niet gebleken dat eiseres na de geconstateerde overtreding zo snel mogelijk adequate maatregelen heeft genomen om nieuwe overtredingen te voorkomen.
Is de redelijke termijn overschreden?
10. De rechtbank beoordeelt in punitieve zaken zoals deze ambtshalve of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM [15] is overschreden. Daarbij geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel is overschreden als die procedure langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. Hierbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de enkele aanzegging van een boeterapport te onbepaald van aard om te worden aangemerkt als een handeling waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een procedure inzake een punitieve sanctie in gang wordt gezet. [16] In de regel wordt pas met het boetevoornemen een handeling verricht waaraan een overtreder de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.
11. De rechtbank stelt vast dat de minister op 15 februari 2024 het voornemen heeft uitgebracht aan eiseres om een bestuurlijke boete op te leggen. Nu de rechtbank niet is gebleken van concrete handelingen van vóór deze datum waaraan eiseres de verwachting kon ontlenen dat haar een boete zou worden opgelegd, zal de rechtbank deze datum als begindatum van de redelijke termijn aanmerken. Van bijzondere omstandigheden die in dit geval een kortere of een langere behandelingsduur rechtvaardigen is niet gebleken. De rechtbank concludeert daarom dat de redelijke termijn, naar boven afgerond, een half jaar is verstreken en dat de boete om die reden moet worden gematigd. Volgens rechtspraak van het CBb [17] wordt in principe voor ieder half jaar of een gedeelte daarvan dat de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden de boete met 5% verlaagd. [18] De rechtbank sluit hierbij aan en acht het in dit geval passend en geboden om de totale boete te matigen 5%. Dat betekent dat de totale hoogte van de boete moet worden vastgesteld op
€ 22.800,- (€ 24.000,-, gematigd met 5%). [19]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van
28 juni 2024 en herroept het primaire besluit van 4 maart 2024, beide voor wat betreft de hoogte van de boete. De rechtbank dient zelf in de zaak te voorzien en stelt het bedrag van de boete vast op € 22.800,-.
13. De minister hoeft, nu het beroep alleen gegrond is doordat de rechtbank ambtshalve heeft geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden, geen proceskosten te vergoeden. [20] Wel veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte griffiekosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor wat de hoogte van de boete betreft;
- herroept het primaire besluit, voor wat de hoogte van de boete betreft;
- bepaalt dat het bedrag van de opgelegde boete wordt vastgesteld op € 22.800,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit van 28 juni 2024; en,
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr.
L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet arbeid vreemdelingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
b. werkgever:
1°. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten;
Artikel 2
1. Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of zonder dat een vreemdeling in het bezit is van een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die werkgever.
Artikel 18
Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid,
15, 15a en het bepaalde bij of krachtens artikel 2a.
Artikel 19d, tweede lid
2. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van artikel 19a, eerste lid, aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 100 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of verbod of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen en verboden, is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond
van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.
Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020
Artikel 1
Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen wordt voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen’ die als bijlage I bij deze beleidsregel is gevoegd.
Artikel 11
In gevallen waar sprake is van een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen kan de berekende bestuurlijke boete per overtreding met 25%, 50% of 75% worden gematigd afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de evenredigheid, waarbij de matigingsgronden en -percentages neergelegd in het ‘Overzicht specifieke matigingsgronden bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen’ die als bijlage II bij deze beleidsregel is gevoegd als uitgangspunt worden gehanteerd.
Bijlage I. behorende bij artikel 1 van Pro de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020
Tarieflijst Boetenormbedragen Bestuurlijke Boete Wet arbeid vreemdelingen
Boetenormbedragen bestuursrechtelijke overtredingen als bedoeld in de artikelen 2 eerste lid, en 15a Wet arbeid vreemdelingen
Artikel
Lid
Overtreding
2
1
Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning;
[…]
Overtreder
Boetenormbedrag
[…]
Overige rechtspersonen of daarmee gelijkgestelden
€ 8.000,-

Voetnoten

1.Wet arbeid vreemdelingen.
2.Dat gold ten tijde van het bestreden besluit.
3.Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
4.Vreemdelingenwet 2000.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2583.
7.Zie de memorie van toelichting bij de Wav, Kamerstukken II 1993-1994, 23 574, nr. 3.
8.Zie de memorie van antwoord bij de Wav, Kamerstukken II 1993-1994, 23 574, nr. 5.
9.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:996.
10.Zie pagina 2 van het boeterapport.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4367.
14.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1112.
15.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
16.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:960.
17.College van Beroep voor het bedrijfsleven.
18.Zie onder meer de uitspraak van het CBb van 20 december 2022, ECLI:NL:CBB:2022:810, rechtsoverweging 7.10.3.
19.Per 1 februari 2025 is de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2025 in werking getreden. Op grond van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, dient de rechtbank dit nieuwe beleid toe te passen indien dit gunstiger voor eiseres is. In dit geval leidt toepassing van het nieuwe beleid naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot een lagere boete of een anderszins gunstiger resultaat voor eiseres. De rechtbank zal in deze zaak daarom geen toepassing geven aan dit nieuwe beleid.
20.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5728.