ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5926
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- T. van Rij
- M.A. Dirks
- I. Obbink-Reijngoud
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling navorderingsaanslagen en boetes in Bank Zonder Naam-project
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de rechtmatigheid van navorderingsaanslagen, verhogingen, vergrijpboetes en heffingsrenten centraal die de Belastingdienst heeft opgelegd aan eiser in het kader van het project Bank Zonder Naam.
Eiser werd aangeslagen voor niet opgegeven buitenlandse bankrekeningen bij de Van Lanschot Bankiers Luxemburg (VLB). De rechtbank beoordeelde onder meer de toepassing van de verlengde navorderingstermijn, de voortvarendheid van de Belastingdienst, de bewijslastverdeling, de redelijke schatting van het niet aangegeven vermogen en de rechtmatigheid van het gebruik van inlichtingen uit gestolen fotokopieën.
De rechtbank oordeelde dat de navorderingsaanslagen over 1995, 2002 en 2003 terecht zijn opgelegd, maar vernietigde de aanslag over 1996 vanwege een te lange termijn tussen bezwaar en oplegging. Tevens werd de bewijslast omgekeerd wegens het niet doen van vereiste aangiften. De rechtbank achtte de schatting van het niet aangegeven vermogen redelijk en de opgelegde boetes passend. Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Navorderingsaanslagen over 1996 vernietigd wegens onvoldoende voortvarendheid, aanslagen over 2002 en 2003 gehandhaafd na vermindering, met toekenning van proceskosten en immateriële schadevergoeding.