Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2015 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
De grond voor verlening is komen te vervallen
in het bezitte zijn van het betreffende paspoort en te zijn teruggekeerd naar Libië niet af aan de onderzoeksresultaten van de KMar.
Country Information and Guidance Libya: Actual or perceived Gaddafi clan members/loyalists(paragrafen 1.3.3, 1.3.10, 1.3.14 en 2.2.12) van 19 augustus 2014) blijkt dat (vermeende) Gaddafi-sympathisanten grote risico’s lopen en problemen ondervinden in het huidige Libië – uit het rapport van het UK Home Border Agency niet kan worden opgemaakt dat het enkel behoren tot de Ouhaydat-stam reeds impliceert dat eiser als Gaddafi-aanhanger wordt beschouwd. Deze algemene informatie vormt onvoldoende onderbouwing van de stelling dat eiser als lid van de Ouhaydat-stam zelf wordt gezien als aanhanger van het vorige regime, zoals door zijn gemachtigde ter zitting ook is erkend. Voorts blijkt uit pagina 44 van het ambtsbericht van 25 september 2013 inzake Libië dat het ministerie van Defensie sinds de val van Gaddafi bezig is met de reorganisatie van de strijdkrachten en dat nog niet bekend is hoe nieuwe wetgeving inzake dienstplichtweigeraars er uit gaat zien. Bij deze stand van zaken kan hieruit voorshands geen duidelijke risicofactor voor eiser op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer worden afgeleid.
- de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;
- de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
- de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
- de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
ingrijpend en niet-voorbijgaandis wanneer de
factoren op grond waarvan de subsidiaire bescherming is verleend, kunnen worden geacht duurzaam te zijn weggenomen. De beoordeling of de verandering van omstandigheden ingrijpend en niet-voorbijgaand is, strekt niet zo ver dat hierbij betrokken dient te worden beoordeeld of eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 15 van Pro de Definitierichtlijn, maar beperkt zich tot de verleningsfactor(en). Nu in dit geval de factor op grond waarvan eiser subsidiaire bescherming is verleend is komen te vervallen vanwege de val van het regime van Gaddafi en deze verandering van omstandigheden ingrijpend en niet-voorbijgaand is, en deze factor naar het oordeel van de rechtbank valt onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder b, van de Definitierichtlijn, omvat de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie in Libië of Tripoli als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet tevens de beantwoording van de vraag of de factoren op grond waarvan de subsidiaire bescherming zou moeten worden verleend duurzaam (ingrijpend en niet‑voorbijgaand) zijn weggenomen.
A. Refugee protection denied?
Subsidiary protection can only be granted to persons who do not qualify as a refugee (Article 2(f)).
B. Situation in the home area giving rise to Article 15(c) risk?
C. No possibility of internal protection?
is safe from serious harm in this other part of the country;
can travel there safely and legally and gain admittance to this other part of the country;
can be reasonably expected to settle there.
D. Eligibility for subsidiary protection
If the answer identified in Sections B and C is yes, the applicant meets the requirements of Article 15(c) and (if there are no exclusion or cessation issues) has established eligibility for subsidiary protection.”
In de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:786), waarnaar de Afdeling tevens verwijst in de uitspraken van 3 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:792) en 19 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1695), wordt specifiek ingegaan op de situatie in Tripoli. In rechtsoverweging 5.5. van deze uitspraak is opgenomen dat uit de door partijen overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat de veiligheidssituatie in Tripoli zorgelijk is. Tussen juli en september 2014 vonden gevechten plaats rond het internationale vliegveld en in bepaalde wijken in en rond de stad. Nadien is blijkens de overgelegde stukken de veiligheidssituatie in Tripoli verbeterd en het dagelijks leven grotendeels genormaliseerd. De verbetering van de veiligheidssituatie is echter fragiel, nu uit deze stukken eveneens kan worden opgemaakt dat eind november 2014 ten zuidwesten van Tripoli nog gevechten plaatsvonden en door een aantal partijen een militair offensief was aangekondigd. Het vorenstaande neemt echter niet weg dat uit de stukken het beeld naar voren komt dat, hoewel als gevolg van de gebruikte gevechtsmethoden burgerslachtoffers te betreuren zijn, het geweld in intensiteit wisselt en voornamelijk tussen rivaliserende groeperingen plaatsvindt. De cijfers over slachtoffers en ontheemden in de door de vreemdeling ingeroepen stukken en die in het landenrapport van 19 december 2014 zijn gebaseerd op gegevens van dezelfde organisaties, te weten UNSMIL, OHCHR, Libya Body Count en de UNHCR. Uit die stukken blijkt weliswaar dat het aantal slachtoffers en ontheemden aanzienlijk is, maar dit aantal is naar het oordeel van de Afdeling, afgezet tegen het aantal inwoners van Tripoli, niet dusdanig hoog dat de conclusie gerechtvaardigd is dat zich in Tripoli de bedoelde uitzonderlijke situatie voordoet, nu in die stukken geen onderscheid wordt gemaakt tussen slachtoffers van gericht geweld en willekeurige burgerslachtoffers.
de ambtshalve beoordeling). Verweerder heeft in dit verband ambtshalve beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Herstel gebreken
Beslissing
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de geconstateerde gebreken te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om, binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, de gebreken te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.