Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser sub 2],
1.De procedure
2.De feiten
Partijen
3.Het geschil
4.De beoordeling
Centrale vraag
“in good faith in order to provide accurate and reliable information in accordance with the ethics of journalism.”(EHRM 26 juli 2011, Appl.nr. 41262/05,
that offend, shock or disturb”, terwijl de pers verder tot op zekere hoogte ook mag overdrijven of provoceren (zie laatstelijk EHRM 2 februari 2016, Appl.nr. 22947/13,
,welke terminologie afkomstig is van Pretium c.s. , noch dat Olsthoorn anderszins ongefundeerde beschuldigingen heeft gedaan. Zo heeft Olsthoorn er bijvoorbeeld in het gesprek met oud-werknemer [F] uitdrukkelijk op gewezen dat hij een hypothese aan het verifiëren was, welke door verschillende mensen is tegengesproken. Deze hypothese houdt in dat Pretium zich vooral richt op ouderen en Delphi ook, zodat juist dat de link is tussen deze ondernemingen. De mededeling van Olsthoorn in het gesprek met [D] van de Hartstichting, te weten dat Pretium veelvuldig negatief de pers haalde met ouderen, een belangrijke doelgroep van de Hartstichting voor wie de omgang met Pretium slecht voor het hart was, sluit aan bij de negatieve wijze waarop Pretium in het nieuws is gekomen, en is niet in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid. Tot slot kan uit de van de met oud-werknemers [E] en [F] gehouden gesprekken opgemaakte gespreksverslagen niet worden afgeleid dat Olsthoorn [eiser sub 2] ervan heeft beschuldigd zijn personeel onheus te bejegenen. Hij heeft het optreden van [eiser sub 2] met name in vragende zin aan de orde gesteld. Van een schending van het recht op eerbiediging van de goede naam en de persoonlijke levenssfeer van Pretium c.s. is de rechtbank daarbij niet gebleken.
904,00(2,0 punten × tarief II à € 452,00)