Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
Procesverloop
Overwegingen
a. (…);
b. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;
c. de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen;
(…).
.Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dat zo kunnen doen. Eiser heeft immers niet kunnen uitleggen waarom de rebellen en de militairen op zijn huisadres waren gekomen nu zij niet eens wisten wie eiser was. Tijdens zijn gevangenschap zijn hem geen vragen gesteld en hij had geen identiteitsdocumenten bij zich. Daarbij heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat de auto van eisers vader was en ook daarom niet valt in te zien waarom de soldaten op zoek zouden zijn naar eiser wegens een toegedichte politieke overtuiging en een vermeende betrokkenheid bij [naam 2] . Voorts heeft verweerder terecht nog van belang geacht dat uit de verklaringen van eiser ook is gebleken dat hij zich ter verkrijging van een nieuwe identiteitskaart heeft gemeld bij achtereenvolgens een publiek secretariaat, de Chef du Zone, en de gemeente en hij in persoon zijn nieuwe identiteitskaart heeft opgehaald omdat hij daarop zijn vingerafdruk moest zetten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit deel van het asielrelaas dan ook ongeloofwaardig mogen achten.
.De conclusie is daarom dat verweerder eisers asielvergunning met terugwerkende kracht tot 12 december 2006 heeft mogen intrekken en de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning heeft mogen afwijzen.
b. niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.
Op grond van artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 wordt het inreisverbod gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
Het (zware) inreisverbod is bovendien onderdeel van de in de Terugkeerrichtlijn vervatte maatregelen om derdelanders te verwijderen en verwijderd te houden. De uitleg van verweerder dat het onmiddellijk vertrek wel beoordeling van de actualiteit vereist, maar het inreisverbod niet, volgt de rechtbank niet. Ook het opgelegde inreisverbod heeft tot gevolg dat het een derdelander met onmiddellijke ingang is verboden zich op het grondgebied van de lidstaten op te houden. Voorts betreft het zware inreisverbod de meest vergaande beperking van de grondrechten van de derdelander in het kader van de doel en strekking van de Terugkeerrichtlijn. Die uitzondering dient derhalve strikt te worden uitgelegd en daarbij dient het evenredigheidsbeginsel in acht te worden genomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten in de overwegingen van het Hof dat bij het opleggen van het zware inreisverbod niet minstens op een gelijke wijze dient te worden beoordeeld of sprake is van een, in dat geval,
ernstigebedreiging van de openbare orde. Daarbij zal dienen te worden betrokken of de misdrijven in het verleden ook thans nog voldoende zijn om de betrokkene de toegang tot de lidstaten voor een periode van tien jaar te ontzeggen. De aard en de ernst van het misdrijf en het tijdsverloop sinds het plegen ervan zijn dan onder meer van belang voor de beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.