ECLI:NL:RBDHA:2017:4475
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- G. van Zeben-de Vries
- G.P. Kleijn
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen voor Bulgaarse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning
Eisers kregen boetes opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) omdat zij Bulgaarse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland lieten werken. Eisers stelden dat op grond van een bilateraal verdrag tussen Nederland en Japan geen vergunning vereist was, verwijzend naar een begunstigingsclausule en eerdere jurisprudentie.
De rechtbank volgde echter de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die oordeelde dat de begunstigingsclausule niet zo ver reikt dat Bulgaarse werknemers vrijgesteld zijn van vergunningplicht. Ook het beroep op het Sommer-arrest en het Nederlands-Japans verdrag faalde, mede omdat Japanse werknemers geen vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt hebben.
De rechtbank stelde vast dat eisers als werkgever en feitelijk leidinggevende verantwoordelijk waren en dat zij geen vergunningen hadden. De boetes werden als proportioneel en rechtmatig beoordeeld. Het verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie werd afgewezen. De beroepen werden ongegrond verklaard en de boetes bevestigd.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boetes wegens het ontbreken van tewerkstellingsvergunningen voor Bulgaarse werknemers en verklaart het beroep ongegrond.