Uitspraak
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Procedure
- de dagvaarding van 19 maart 2014 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de conclusie van repliek met producties,
- de conclusie van dupliek met producties,
- de akte uitlating producties van [eiser] met producties,
FeitenOp grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit:
Vordering
ziet zich geconfronteerd met de situatie dat [gedaagde] een vordering op haar pretendeert, dat [gedaagde] de verjaring van die vordering heeft gestuit, maar dat [gedaagde] niet inhoudelijk motiveert waarom hij meent een vordering op [eiser] te hebben. [eiser] meent daarom er recht en belang bij te hebben dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering meer op haar heeft uit hoofde van de leaseovereen- komsten I en II.
Verweer
Beoordeling[eiser] heeft voorop gesteld dat op grond van de eind augustus 2007/begin september 2007 met [gedaagde] gesloten vaststellingsovereenkomst voorbij dient te worden gegaan aan de verweren van [gedaagde] voor zover die verweren zien op leaseovereenkomst I. Deze stelling van [eiser] treft doel. Partijen zijn immers in artikel 5 van Pro de vaststellingovereenkomst overeengekomen dat zij na betaling van het schikkingsbedrag over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben ter zake van leaseovereenkomst 1. Zoals onweersproken door [eiser] is gesteld heeft de betaling van het bij de vaststellingovereenkomst overeengekomen schikkingsbedrag van € 26.293,53 op 12 september 2007 plaatsgevonden. Voor zover de verweren van [gedaagde] op leaseovereenkomst I betrekking hebben dient daaraan derhalve voorbij te worden gegaan en ligt de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht voor toewijzing gereed voor zover deze betrekking heeft op leaseovereenkomst I.
Aankoop en behoud aandelen
.