ECLI:NL:RBDHA:2018:11810
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens niet aannemelijk gemaakte identiteit en familierechtelijke relatie
Eiser, met de Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn vermeende echtgenote, referente, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser geen officiële identiteitsdocumenten kon overleggen en zijn identiteit ook niet aannemelijk had gemaakt met onofficiële documenten. Tevens was de familierechtelijke relatie niet aangetoond, aangezien de kerkelijke huwelijksakte als vals was beoordeeld.
Eiser voerde aan dat hij nooit in het bezit is geweest van een Eritrese identiteitskaart en verwees naar het Algemeen Ambtsbericht Eritrea om dit te onderbouwen. Hij stelde dat het kerkelijk huwelijk niet rechtsgeldig is en dat nader onderzoek naar de relatie had moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij geen officiële documenten kon overleggen en dat het overgelegde onofficiële document (Israel Prison Service kaart) zijn identiteit niet kon bevestigen.
De rechtbank volgde de nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris, waarbij officiële documenten vereist zijn en onofficiële documenten slechts kunnen leiden tot aanvullend onderzoek indien aannemelijk gemaakt wordt dat officiële documenten niet beschikbaar zijn. Omdat eiser niet voldeed aan deze criteria, was aanvullend onderzoek niet verplicht. Ook de hoorplicht werd niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.