ECLI:NL:RBDHA:2019:10513
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Weigering machtiging beschermingsbewindvoerder voor proceskostenvergoeding in bezwaarprocedure
De beschermingsbewindvoerder verzocht de kantonrechter om machtiging om namens betrokkene een proceskostenvergoeding te vragen in een bestuursrechtelijke bezwaarprocedure tegen de afwijzing van een toeslagaanvraag bij het UWV. De kantonrechter oordeelde dat het voeren van een bezwaarprocedure in beginsel tot de taak van de bewindvoerder behoort en dat de bewindvoerder niet heeft onderbouwd waarom dit in dit geval anders zou zijn.
De kantonrechter stelde vast dat de bewindvoerder zelf de formele procespartij is en daarom niet gelijkgesteld kan worden met een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Het ontvangen van een proceskostenvergoeding door de bewindvoerder zou bovendien in strijd zijn met artikel 9 van Pro het Besluit kwaliteitseisen CBM, omdat hij daardoor een ander voordeel uit zijn positie zou genieten.
De bewindvoerder is reeds gewezen op het niet voldoen aan dit besluit, wat kan leiden tot ontslag als bewindvoerder. Hoewel de kantonrechter erkent dat de bewindvoerder extra werkzaamheden kan verrichten in de bezwaarprocedure, kan hij hiervoor een verzoek doen om de beloning op andere wijze vast te stellen, maar een dergelijk verzoek is niet ingediend.
Gelet op deze overwegingen werd het verzoek om machtiging afgewezen. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: Verzoek machtiging proceskostenvergoeding door beschermingsbewindvoerder wordt afgewezen.