In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vergoeding van kosten van rechtsbijstand door een professionele bewindvoerder centraal. Het college had een besluit genomen over de aflossingscapaciteit van betrokkene, waarbij bezwaar werd gemaakt door de toenmalige bewindvoerder. Hoewel het bezwaar deels werd gehonoreerd, wees het college het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand af.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing, stellende dat het maken van bezwaar tot de taken van de bewindvoerder behoort en dat vergoeding niet noodzakelijk is. Appellante, de huidige bewindvoerder, stelde in hoger beroep dat het college ten onrechte de kosten niet vergoedde, mede omdat de voormalige bewindvoerder was verboden zelf juridische handelingen te verrichten en daarom een derde inschakelde.
De Raad stelde vast dat het college met een nader besluit de aflossingscapaciteit ook over een eerdere periode op nihil had gesteld, maar het verzoek om vergoeding van de kosten bleef afgewezen. De Raad oordeelde dat de kosten van een professionele rechtshulpverlener in principe als redelijkerwijs gemaakt gelden en vergoed moeten worden, ongeacht of de bewindvoerder zelf of een derde de rechtsbijstand verleent.
Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigden. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit voor zover het de kostenvergoeding betrof en veroordeelde het college tot vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, totaal €3.705,- plus griffierecht.