ECLI:NL:RBDHA:2019:13123
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ongewenstverklaring EU-onderdaan volgens artikel 197 Sr
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen een Poolse verdachte die werd vervolgd wegens verblijf in Nederland terwijl hij wist dat hij ongewenst was verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, zoals strafbaar gesteld in artikel 197 Sr Pro.
De rechtbank overwoog dat de prejudiciële vraag van de Hoge Raad over de toepassing van artikel 197 Sr Pro op derdelanders niet relevant is voor Unieburgers zoals de verdachte. De Terugkeerrichtlijn is namelijk alleen van toepassing op derdelanders, terwijl Unieburgers onder de Verblijfsrichtlijn vallen. De rechtbank concludeerde dat een ongewenstverklaring van een Unieburger niet gelijkgesteld kan worden aan een inreisverbod zoals bedoeld in de Terugkeerrichtlijn.
De inhoud van het dossier toonde aan dat de verdachte in 2013 ongewenst was verklaard vanwege eerdere veroordelingen, maar dat zijn gedrag in 2019 geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde. De rechtbank nam daarbij mee dat de veroordelingen dateerden van jaren terug, de straffen relatief gering waren, en dat de verdachte sinds 2016 geen strafbare feiten meer had gepleegd.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke grondslag van de ongewenstverklaring op het moment van het ten laste gelegde feit was vervallen en sprak de verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs dat hij op dat moment een actuele bedreiging vormde voor de samenleving.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormde op het moment van het ten laste gelegde feit.