ECLI:NL:RBDHA:2021:3701
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting bewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Algerije
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, was in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had de maatregel eerder getoetst en geacht als rechtmatig, maar beoordeelde nu of de voortzetting sinds 22 maart 2021 nog rechtmatig was.
Eiser voerde aan dat, analoog aan recente uitspraken over Marokko, ook voor Algerije het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Hoewel de diplomatieke betrekkingen met Algerije goed zijn en er in maart 2020 nog een laissez-passer werd afgegeven, is daarna door coronamaatregelen de afgifte stilgevallen. De Staat kon geen concrete termijn of stappen aangeven voor hervatting.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is en beveelt onmiddellijke opheffing en invrijheidstelling van eiser. Tevens kent zij een schadevergoeding toe van €2.300 voor 23 dagen onrechtmatige detentie en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten van €1.068 aan de rechtsbijstandverlener.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de maatregel van bewaring wordt onmiddellijk opgeheven met toekenning van schadevergoeding.