Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
knowing and personal participation-test’ heeft verweerder geconcludeerd dat eiser individueel voor het faciliteren van deze misdrijven verantwoordelijk moet worden gehouden.
knowing en personal participation’ zoals die tot nu toe in de Nederlandse rechtspraak is geaccepteerd. Eiser verwijst naar het arrest Ezokola [5] , waarin is geoordeeld dat sprake moet zijn van het willens en wetens leveren van een wezenlijke bijdrage aan het 1(F)-misdrijf. De toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag moet als punitief worden aangemerkt, zodat de onschuldpresumptie geldt. Vanwege het risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM kan hij niet veilig terugkeren naar zijn land van herkomst. Tot slot stelt hij in beroep dat hem ten onrechte een inreisverbod is opgelegd, primair omdat ten onrechte is besloten tot toepassing van artikel 1(F) en subsidiair omdat in zijn geval niet is voldaan aan de eis dat hij een actueel, daadwerkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt.
knowing participation') en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ('
personal participation').
knowing en personal participationis voldaan. Eiser heeft niet onderbouwd waarom verweerder in zijn situatie op dit punt een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Er is geen grond om het bestreden besluit aan te merken als een
criminal chargein de zin van artikel 6 van Pro het EVRM en artikel 48 van Pro het Handvest [7] , enkel omdat het is gebaseerd op ernstige vermoedens om te veronderstellen dat sprake is van gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Het onthouden van een verblijfsvergunning is een bestuursrechtelijke beslissing die niet is gericht op leedtoevoeging. Verder is niet ingegrepen in reeds vastgestelde rechten van eiser.
knowing participation’) van het plegen van de misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is niet in geschil.
personal participation’. [14] Uit die verklaringen volgt dat eiser niet alleen aanwezig was bij de aanvallen op de etnische Georgiërs, maar ook dat hij hierbij een duidelijke taak had. [15] Zo heeft hij verklaard dat hij mensen heeft vastgehouden, zodat zij niet zouden wegrennen. Verder heeft hij gezegd dat hij een automatisch geweer vasthield, mensen tegen een muur zette en dat die mensen dan later geëxecuteerd werden. Ook heeft hij tegen mensen geschreeuwd ‘staan blijven met het gezicht naar de muur’. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen vinden dat eiser zich in het Georgisch verstaanbaar kon maken en daarmee zijn rol nog belangrijker maakte. Eiser heeft ook verklaard dat hij aanwezig was toen mannen bij de muur stonden en de vrouwen werden verkracht. Hij hield de mannen onder schot. Eiser heeft verklaard dat huizen werden geplunderd en dat hij daarbij heeft geholpen door spullen te dragen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus een voldoende geïndividualiseerde beoordeling uitgevoerd. Verweerder heeft op grond hiervan kunnen concluderen dat eiser met zijn handelen en nalaten willens en wetens in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan de gepleegde misdrijven moord, verkrachting en plundering, zodat in dat opzicht verweerder ook niet in strijd heeft gehandeld met het arrest Ezokola. Uit de verklaringen volgt ook dat de bijdrage van eiser effect heeft gehad op het begaan van de misdrijven en dat deze hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze hadden plaatsgevonden indien niemand de (faciliterende) rol van eiser had vervuld [16] . Dat eiser heeft verklaard dat hij zelf niet heeft gemoord, verkracht of geplunderd en hij als slachtoffer of toeschouwer moet worden gezien, is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet op hem van toepassing is. Verweerder heeft hierover in het verweerschrift kunnen overwegen dat eiser aldus zijn rol heeft willen bagatelliseren.
K. en H.F. [20] uiteengezet hoe er met dit criterium moet worden omgegaan bij vreemdelingen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In dit arrest is geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van een persoon op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet automatisch voldoende is om een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging aan te nemen (punt 51). Er dient rekening te worden gehouden met de aspecten die bij de 1(F)-tegenwerping zijn betrokken, in het bijzonder de aard en de ernst van de verweten gedragingen, de mate van persoonlijke betrokkenheid en het eventuele bestaan van strafuitsluitingsgronden (punt 54). Dit geldt eens temeer indien een strafrechtelijke veroordeling ontbreekt (punt 55). Stellig relevant is het tijdsverloop sinds de verweten gedragingen (punt 58). Beoordeeld dient te worden of van het persoonlijke gedrag nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke historische en maatschappelijke context waarin de verweten gedragingen zich hebben afgespeeld en met het eventuele recidiverisico (punt 60). Het bestaan van een bedreiging zoals bedoeld in het Unierechtelijke openbare orde-criterium moet worden vastgesteld op basis van een beoordeling door de bevoegde instanties van het gastland van het persoonlijke gedrag van de betrokken persoon, waarbij rekening moet worden gehouden met alle voornoemde aspecten, met name om uit te maken of uit het gedrag van de betrokkene blijkt dat hij nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het VEU [21] bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord (punt 66). Daarnaast heeft het HvJ overwogen dat een maatregel waarbij het recht op vrij verkeer wordt beperkt slechts gerechtvaardigd kan zijn indien het evenredigheidsbeginsel is geëerbiedigd (punt 61).
K. en H.F.voor het Nederlands bestuursrechtelijk stelsel uiteengezet. De Afdeling heeft overwogen dat niet langer kan worden gehandhaafd dat de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag automatisch tot het oordeel leidt dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt. De vreemdeling die betoogt dat hij geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde (meer) is moet ter onderbouwing hiervan omstandigheden aanvoeren met betrekking tot zijn gedrag en houding ná het plegen van de 1 (F)-misdrijven en waaruit volgens hem blijkt dat hij zijn leven ná het plegen van die misdrijven heeft verbeterd. Vervolgens ligt het op de weg van verweerder om aan de hand van die in de bestuurlijke fase verzamelde gegevens een individuele beoordeling te maken waarbij de in punt 66 van het arrest
K. en H.F.genoemde omstandigheden kenbaar worden betrokken. Verweerder moet zodanig motiveren waarom hij van mening is dat de vreemdeling nog steeds een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt dat de bestuursrechter in staat wordt gesteld om een grondige toetsing te verrichten.
K. en H.F.betrokken dat eiser 1(F) van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen. Hij wordt in verband gebracht met zeer ernstige misdrijven als moord, verkrachting en plundering. Eiser wordt hiervoor ook mede verantwoordelijk gehouden (‘
knowing en personal participation’). Dat eiser hiervoor in zijn land van herkomst niet is vervolgd of gestraft, speelt voor verweerder geen wezenlijke rol bij de beoordeling of eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt van een fundamenteel belang van de samenleving. Als reden hiervoor geeft verweerder dat de misdrijven zijn gepleegd in een chaotische periode van een intern conflict waarbij aan beide zijden oorlogsmisdaden zijn gepleegd en weinig aandacht is geweest voor de vervolging van de daders hiervan. Volgens verweerder is geen sprake van een tijdsverloop op grond waarvan van de oplegging van een inreisverbod moet worden afgezien. De misdrijven waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden zijn ernstige misdrijven, die naar hun aard zeer lang actueel blijven. Verweerder heeft daarbij betrokken dat de misdrijven in 1992 zijn gepleegd gedurende een periode van ongeveer een maand. Eiser heeft de verantwoordelijkheid voor deze misdrijven ontkend en zijn rol gebagatelliseerd. Uit zijn houding blijkt niet dat hij beseft welk leed hij heeft aangericht en evenmin blijkt dat hij enig berouw heeft getoond voor zijn eigen rol bij de gepleegde misdrijven. Volgens verweerder blijkt niet dat eiser daadwerkelijk afstand heeft genomen van de gepleegde misdrijven. De enkele stelling in de zienswijze dat hij in zijn gedrag positief is veranderd en dat hij de 1(F)-misdrijven verafschuwt, is hiervoor onvoldoende.
K. en H.F.genoemde aspecten kenbaar heeft betrokken in zijn besluitvorming en daarmee niet alleen heeft gekeken naar de 1(F)-tegenwerping. Verweerder heeft hiermee voldoende gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde.
Beslissing
- de bijdrage heeft een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf; en
- het misdrijf had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden.