ECLI:NL:RBDHA:2021:5281
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis wegens onvoldoende bewijs identiteit
Eiser, met Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis bij zijn vermeende biologische vader die een asielvergunning heeft. De aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat eiser zijn identiteit niet kon aantonen met officiële documenten en er geen bewijsnood werd aangenomen.
Eiser stelde dat hij in militaire dienst is en daarom geen officiële documenten kan overleggen, en vroeg om nader onderzoek zoals DNA-afname. Verweerder wees dit af op grond van de vaste gedragslijn en de Vreemdelingencirculaire, die eisen dat identiteit wordt aangetoond met officiële of indicatieve documenten, tenzij bewijsnood aannemelijk wordt gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen concrete, verifieerbare verklaring gaf voor het ontbreken van documenten zoals travel permits of laissez-passers, noch andere indicatieve documenten overlegde. Ook was niet gebleken van pogingen om documenten via de referent te verkrijgen. Daarom was geen bewijsnood aanwezig en hoefde verweerder de identiteit niet nader te onderzoeken.
Omdat de identiteit niet aannemelijk was, hoefde de familierechtelijke relatie niet te worden beoordeeld. Het bezwaar werd als kennelijk ongegrond beschouwd, zodat verweerder terecht afzag van het horen van de referent. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de identiteit.