Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
- die [slachtoffer] vast te pakken en/of te houden en/of
- (meermalen) te roepen (vertaald) "steek hem", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
- die [slachtoffer] twee maal, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de zij, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te steken;
- die [slachtoffer] vast te pakken en/of te houden en/of
- (meermalen) te roepen (vertaald) "steek hem", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
- die [slachtoffer] twee maal, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de zij, althans het lichaam, te steken,
- die [slachtoffer] vast te pakken en/of te houden en/of
- (meermalen) te roepen (vertaald) "steek hem", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
- die [slachtoffer] twee maal, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, inhet gezicht en/of in de zij, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te steken
- die [slachtoffer] vast te pakken en/of te houden en/of
- naar die [medeverdachte 1] en/of een of meer van zijn mededader(s) (meermalen) te roepen (vertaald) "steek hem", althans woorden van gelijke aard of strekking;
- die [slachtoffer] vast te pakken en/of te houden en/of
- (meermalen) te roepen (vertaald) "steek hem", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
- die [slachtoffer] twee maal, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de zij, althans het lichaam, te steken,
- die [slachtoffer] vast te pakken en/of te houden en/of
- naar die [medeverdachte 1] en/of een of meer van zijn mededader(s) (meermalen) te roepen (vertaald) "steek hem", althans woorden van gelijke aard of strekking;
- duwen en/of trekken en/of slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer] en/of
- (meermalen) roepen (vertaald) "steek hem", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
- een of meerdere malen steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de zij, althans het lichaam van die [slachtoffer] ,
3.De bewijsbeslissing
We gaan vechte, Haagse, 5/6 negers, Doen biggie, Hun hebbe shenk”. Ook heeft [naam neef slachtoffer] zijn neef [slachtoffer] gebeld en hem gezegd dat hij problemen had en dat hij bang was. Hij heeft [slachtoffer] gevraagd om te komen. [slachtoffer] is vervolgens uit zijn woning naar buiten gerend en zijn broer [naam broer slachtoffer] is achter hem aangerend. Bij de tramhalte Goudriaankade trof [slachtoffer] de groep jongens die de clipshoot had opgenomen. Samen met [getuige 4] , een jongen die onderweg met hem mee was gerend, liep [slachtoffer] naar de groep jongens en vroeg hij wie zijn neefje had geslagen. Nadat [verdachte] had geantwoord dat hij dat had gedaan, sloeg [slachtoffer] [verdachte] . Daarop ontstond chaos en een schermutseling bij de tramhalte, waarbij meerdere jongens betrokken zijn geweest. In een tijdspanne van zestien seconden, zo blijkt uit de camerabeelden, verplaatste een groep zich vechtend vanaf de tramhalte naar een aan de Rijswijkseweg geparkeerde auto. Daar viel de groep uiteen en renden personen weg.
shenk” (een mes) bij zich had en dat dat mes op de grond viel toen hij een klap kreeg van [slachtoffer] . Hij heeft vervolgens in dat OVC-gesprek gezegd dat
“ [rapnaam medeverdachte 1] ”dat mes pakte en dat hijzelf die jongen bij zijn capuchon vasthad. Vervolgens heeft hij gezegd dat hij zag dat [rapnaam medeverdachte 1] ging komen, dat
“ewa wat doe ik. Ik trek hem naar die auto”om hem daar te
“attacken”en dat hij heeft gezien dat [medeverdachte 1]
“die ding zwaai bam”in “
zijn lever linkerkant zwaait”.Hij heeft hierbij gezegd dat hij alles heeft gezien.
“hij”het was, maar dat hij in
“volle vaart wou”.Dit sterkt de rechtbank in de overtuiging dat [getuige 1] wel degelijk echt heeft gezien wat hij in zijn verklaringen heeft verteld en dat hij ook de jongen op foto 3, [medeverdachte 1] , echt heeft herkend als de jongen die steekbewegingen heeft gemaakt.
“je”op de camerabeelden
“mij en hem”als laatsten ziet wegrennen en dat hij er dus niet omheen kon. De rechtbank begrijpt uit de context van het OVC-gesprek, waarin het gaat over wat [rapnaam medeverdachte 1] heeft gedaan, dat [verdachte] met
“hem”[medeverdachte 1] bedoeld heeft. Hieruit leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de personen zijn die als laatsten bij [slachtoffer] zijn weggerend.
“dip hem, dip hem”geroepen, wat “steek hem, steek hem” betekent. Volgens [getuige 1] werd dit echt geschreeuwd en moet iedereen dat gehoord hebben. Wie van de jongens dit precies heeft geroepen is onduidelijk gebleven. Er zijn aanwijzingen dat [verdachte] dit zelf heeft geroepen, maar de verklaringen daarover zijn - anders dan door de officier van justitie is betoogd - naar oordeel van de rechtbank niet eenduidig en onvoldoende overtuigend om voor het bewijs te gebruiken. Wel stelt de rechtbank vast dat [verdachte] , die zich in de vechtpartij bevond, dit moet hebben gehoord. Het werd immers geschreeuwd en zelfs [getuige 3] , die al verder van de vechtpartij verwijderd was, heeft dit gehoord. De verklaring van [verdachte] dat hij dit niet heeft gehoord, schuift de rechtbank dan ook als onaannemelijk terzijde. Dit onderdeel van zijn verklaring wordt, in tegenstelling tot de delen van zijn verklaringen die de rechtbank wel overtuigend acht, op geen enkele wijze door andere bronnen ondersteund. Het is bovendien voorstelbaar dat [verdachte] hierover niet de volledige waarheid wil verklaren; dit zou hem immers verder belasten.
“dip hem, dip hem”tegen die geparkeerde auto terecht is gekomen. Voorts stelt de rechtbank vast dat er toen nog steeds meer dan twee personen, waaronder [verdachte] en [medeverdachte 1] , om hem heen stonden en dat [slachtoffer] geen kant meer op kon. [slachtoffer] is binnen een zeer kort tijdsbestek van enkele seconden twee keer gestoken, waarvan in ieder geval één keer door [medeverdachte 1] . Dit gezamenlijk nagenoeg gelijktijdig uitgeoefende handelen jegens [slachtoffer] wettigt de conclusie dat daarmee voldoende bewijs voorhanden is voor de bewezenverklaring van een zodanige gezamenlijke uitvoering en een nauwe en bewuste samenwerking als bedoeld in artikel 47 Sr Pro. Dat het opzet van [verdachte] daar ook op gericht was, blijkt alleen al uit het feit dat [verdachte] zelf gezegd heeft dat hij [slachtoffer] naar de auto trok om hem daar aan te vallen terwijl hij [medeverdachte 1] zag komen met een mes. Daaruit leidt de rechtbank af dat [verdachte] [slachtoffer] gezamenlijk wilde aanvallen. Alhoewel [verdachte] heeft ontkend dat zijn opzet er ook op was gericht om [slachtoffer] te doden, gaat de rechtbank daar niet in mee. Het vastgestelde handelen van [verdachte] is van dien aard dat dit een essentiële bijdrage oplevert voor het dodelijk steken van [slachtoffer] . [verdachte] is immers degene geweest die [slachtoffer] heeft vastgehouden en hem, in een groep, in een kwetsbare positie bij de geparkeerde auto heeft gebracht, terwijl hij ondertussen
“dip hem, dip hem”heeft horen schreeuwen. Hij heeft vervolgens [medeverdachte 1] richting [slachtoffer] zien komen met een mes, dat hij nota bene zelf bij zich had en had laten vallen. Hij kwam bovendien van een clipshoot af waarbij meerdere messen aanwezig waren. Onder deze omstandigheden heeft [verdachte] de aanmerkelijke kans dat [medeverdachte 1] en/of één of meer anderen [slachtoffer] zouden gaan doodsteken bewust aanvaard en moet zijn opzet ook daarop gericht zijn geweest. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Dat [verdachte] [slachtoffer] zou hebben losgelaten op het moment dat [medeverdachte 1] op [slachtoffer] af kwam, zoals hij heeft verklaard, doet aan het voorgaande niet af. Immers, [verdachte] had [slachtoffer] op dat moment al in die kwetsbare positie bij de auto gebracht. Bovendien is hij vervolgens nog wel bij [slachtoffer] gebleven en is hij uiteindelijk samen met [medeverdachte 1] pas als laatste weggerend.
gevolgenvan de openlijke geweldpleging, namelijk dat het door [verdachte] gepleegde geweld de dood, althans zwaar lichamelijk letsel, althans enig letsel ten gevolge heeft gehad, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de in artikel 141, tweede lid, Sr opgenomen zwaardere strafbedreigingen uitsluitend van toepassing zijn op de verdachte die
zelfhet bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht, zodat de verdachte niet op grond van deze bepaling strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door zijn mededaders in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel (HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3230, en HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1082).
eigenhandelen het bewezenverklaarde letsel, te weten de steekverwondingen in het gezicht en in de zij, heeft toegebracht, zal hij, zoals ook betoogd door de raadsman, worden vrijgesproken van de ten laste gelegde gekwalificeerde gevolgen van de openlijke geweldpleging.
- die [slachtoffer] vast te pakken en te houden en
- die [slachtoffer] twee maal met een mes in het gezicht en in de zij te steken;
te wetende kruising Rijswijkseweg en Goudriaankade, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het:
- trekken
- vastpakken en vasthouden van die [slachtoffer] en
- meermalen roepen (vertaald) "steek hem" en
- meerdere malen steken met een mes in het gezicht en in de zij van die [slachtoffer] ;
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
attacken” (aanvallen).
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De op te leggen straf en maatregel
7.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
10 (tien) jaren;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 december 2019, voor zover inhoudende (p. 16-17):
Het geschrift, te weten het Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, op 15 januari 2020 opgemaakt door dr. J. Fronczek, arts en patholoog, voor zover inhoudende (FO-dossier p. 97-100):
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 mei 2021, voor zover inhoudende:
Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 25 december 2019, voor zover inhoudende (p. 192):
Het proces-verbaal van bevindingen Mobiele nummer van [rapnaam medeverdachte 1] , opgemaakt op 27 december 2019, voor zover inhoudende (p. 611):
Het proces-verbaal van bevindingen OVC/30-1-2020, opgemaakt op 4 februari 2020, voor zover inhoudende (p. 1285-1286 en 1288):
Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 10 maart 2020, voor zover inhoudende (p. 1901-1902):
Het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , opgemaakt op 30 december 2019, voor zover inhoudende (p. 233-234):
Het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , opgemaakt op 3 januari 2020, voor zover inhoudende (p. 245):
Het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , opgemaakt op 13 februari 2020, voor zover inhoudende (p. 1585 en 1590-1592, met bijlage op p. 1595-1596):
Het proces-verbaal van verhoor [getuige 4] , opgemaakt op 14 februari 2020, voor zover inhoudende (p. 1611):
Het proces-verbaal van verhoor [getuige 4] , op 29 mei 2020 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en de griffier, voor zover inhoudende:
Het proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , opgemaakt op 17 februari 2020, voor zover inhoudende (p. 1714-1715):
Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , opgemaakt op 18 januari 2020, voor zover inhoudende (p. 1755-1756):
Het proces-verbaal van verhoor [getuige 5] , opgemaakt op 14 februari 2020, voor zover inhoudende (p. 1601):
Het proces-verbaal van verhoor [getuige 3] , opgemaakt op 28 januari 2020, voor zover inhoudende (p. 1208-1209 en 1212, met bijlage op p. 1214):
Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, opgemaakt d.d. 2 januari 2020, voor zover inhoudende (p. 279-280):
Het geschrift, te weten het NFI-rapport Bloedspoorpatroononderzoek, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop in Den Haag op 21 december 2019, op 25 maart 2020 opgemaakt door ing. L. Meijrink, NFI-deskundige forensisch bloedspoorpatroononderzoek voor zover inhoudende (FO-dossier p. 500, 502-503, 508, 510 en 514, met bijlage op p. 521):
Het proces-verbaal van bevindingen clipshoot - messen, opgemaakt op 4 januari 2020, voor zover inhoudende (p. 330-337):
Het proces-verbaal van bevindingen brug, opgemaakt d.d. 23 januari 2020, voor zover inhoudende (p. 1443 en 1448-1450):
De eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden van de Laakbrug, gesitueerd op de Rijswijkseweg tussen de Neherkade en de Goudriaankade te Den Haag, zich bevindend in het bestand ‘Total 21-12’, zijnde een compilatie van alle in dit onderzoek aanwezige camerabeelden, gedaan in raadkamer na de terechtzitting van 12 mei 2021:
Het proces-verbaal van verhoor aangever [naam neef slachtoffer] , opgemaakt op 16 januari 2020, voor zover inhoudende (p. 960-961, met bijlage op p. 964):
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 mei 2021, voor zover inhoudende: