Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 8 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 30 mei 2018. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd.
Overwegingen
.Daarnaast stelt verweerder dat eiser geen gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM uitoefent in Nederland en dat het belang van bescherming van de openbare orde in dit geval prevaleert boven het belang van eiser bij uitoefening van zijn recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
Beoordeling rechtbank
Uit het reclasseringsadvies volgt verder dat het recidiverisico op gemiddeld wordt geschat en dat het middelengebruik van eiser mogelijk invloed heeft gehad op zijn emotionele en psychosociale gesteldheid, alsmede dat eiser nader psychologisch onderzoek heeft geweigerd. Het weigeren mee te werken aan psychologisch onderzoek toont aan dat eiser de ernst van zijn gedragingen niet lijkt in te zien, zeker in combinatie met zijn ontkennende houding van het gepleegde. Eiser neemt op deze manier geen enkele verantwoordelijkheid voor het gepleegde en laat geen inzet zien om aan zijn gedrag te werken teneinde de kans op herhaling mogelijk te verkleinen. Dat eiser een beroep doet op religieuze redenen wordt niet gevolgd. Immers, in de zienswijze wordt ook benadrukt dat eiser, niet op eigen verzoek, tijdens zijn detentie wel contact heeft gehad met een psycholoog. De houding van eiser over het wel of niet in contact treden met een psycholoog is dan ook niet eenduidig zodat niet kan worden meegegaan in zijn standpunt dat hij vanwege religieuze redenen niet in contact treedt met een psycholoog. Dit allemaal wijst er geenszins op dat eiser de ernst van zijn gedragingen voldoende inziet en oog heeft voor de gevolgen voor de slachtoffers.
Het is ook van belang om het gedrag van eiser in detentie te betrekken in de beoordeling om te bepalen of er sprake is van een positieve gedragsverandering. Een eventuele positieve gedragsverandering in detentie weegt echter minder zwaar mee omdat eiser zich in detentie juist in een positie bevindt waarin hij zich aan de regels dient te houden, hier zijn gedrag op dient aan te passen, en hij in de gaten wordt gehouden. Dit toezicht verdwijnt zodra eiser niet meer gedetineerd is. Gedrag in detentie zegt daarom minder over een eventuele positieve gedragsverandering dan daarbuiten, waarbij eiser weer zelfstandig moet meedraaien in het maatschappelijk leven. Daarnaast heeft eiser ook niet enkel positief gedrag vertoond tijdens detentie. Zo volgt uit het PI-dossier dat eiser meerdere malen positief is getest op verdovende middelen, dat hij wisselend in zijn gedrag is, en zich snel laat meeslepen in negatief gedrag waardoor eiser op drie onderdelen ‘oranje’ heeft gescoord bij de arbeid in PI Vught. Ook was sprake van een “beheersprobleem” bij eiser, namelijk opstandigheid en ruziemaken bij opbrekende emoties, waardoor eiser op 6 november 2019 is overgeplaatst naar het PPC in PI Zwolle. Wanneer tijdens het intrekkingsgehoor van 20 december 2019 aan eiser wordt gevraagd of zijn gedrag in detentie wel eens oranje of rood is geweest antwoordt eiser ontkennend (p. 9 intrekkingsgehoor). Wanneer de hoormedewerker aangeeft enige twijfel waar te nemen bij eiser, antwoordt hij vervolgens: “Ik ging in de PI een paar keer blowen en daarna hebben ze mij op rood gezet. Daarna ben ik gelijk overgeplaatst. Het is niet lang rood geweest ik denk een weekje. Daarna niet meer.”. Met voornoemde heeft eiser dan ook geenszins aangetoond dat hij een positieve gedragsverandering heeft doorgemaakt. De overgelegde brief van [mentor] leidt ook niet tot een ander oordeel. In deze brief spreekt [mentor] over zijn contact en persoonlijke ervaringen met eiser sinds 2016 tot op heden. Dit betreft echter geen gedragsdeskundig rapport zodat aan de inhoud niet de waarde kan worden gehecht die eiser wenst te zien. Ten slotte wordt bij de beoordeling betrokken dat uit het reclasseringsadvies van 4 december 2018 een gemiddeld recidiverisico volgt en eiser tot op heden geen positieve gedragsverandering heeft laten zien dan wel heeft aangetoond dat het recidiverisico is verminderd. Uit het reclasseringsadvies volgt ook dat het middelengebruik van eiser mogelijk invloed heeft gehad op zijn emotionele en psychosociale gesteldheid. Dat eiser er vervolgens zelf voor kiest om in detentie nog drugs tot zich te nemen, toont geenszins aan dat hij zijn gedrag positief heeft veranderd, aldus verweerder.
Verder acht verweerder van belang dat sprake is van structureel crimineel gedrag bij eiser. Eiser is bij vonnis van 24 december 2018 veroordeeld voor drie brandstichtingen en hij is in 2017 schuldig bevonden aan geweld tegen een beroepsbeoefenaar op 8 december 2016. Dit laat een toename in de ernst van de gepleegde delicten zien, aldus verweerder. In het reclasseringsadvies van 4 december 2018 staat hierover vermeld dat beide delicten agressie betreffen en dat uit het dossier van de Raad voor de Kinderbescherming volgt dat eiser bekend is met agressie. Derhalve kan er gesproken worden van een gedragspatroon. Het standpunt dat eiser nog niet volledig volwassen is, wordt niet gevolgd. Eiser is op dit moment [de rechtbank leest: ten tijde van het bestreden besluit] 20 jaar oud en is op 24 december 2018 veroordeeld door de meervoudige strafkamer van rechtbank Gelderland. Eiser is derhalve veroordeeld naar het volwassenstrafrecht zodat niet wordt meegegaan in het standpunt van eiser dat hij nog niet volledig volwassen is.
Familieleven
eigenlijk ook niet voor haar gezorgd heeft” en dat hij de eerste vier maanden wel zijn vrouw heeft geholpen met bijvoorbeeld koken, luiers verwisselen, een beetje tegen de wipstoel aanduwen, en dat hij samen met zijn vrouw kleren ging kopen. Op basis hiervan heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat tussen eiser en [kind] geen sprake was van hechte persoonlijke banden die zouden maken dat tussen eiser en [kind] familieleven bestond.
Privéleven
- de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf;
- de duur van het verblijf in het gastland;
- het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van eiser gedurende die tijd;
- de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van eiser met het gastland en met zijn land van herkomst.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;.
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.518,-