ECLI:NL:RBDHA:2023:19758

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
NL23.32098
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 25 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening met verwijzing naar Bulgarije

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon, heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland die niet in behandeling is genomen omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiser eerder een asielaanvraag in Bulgarije heeft ingediend, en Bulgarije heeft het verzoek tot terugname geaccepteerd.

Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege ontoereikende opvangvoorzieningen en grootschalige pushbacks in Bulgarije, en dat de familieband met zijn broer in Nederland reden is om de aanvraag hier te behandelen. De rechtbank oordeelt dat eiser deze beweringen niet aannemelijk heeft gemaakt en verwijst naar recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak die bevestigt dat het vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije nog steeds geldt.

De rechtbank stelt dat eiser na overdracht aan Bulgarije zelf kan klagen over eventuele tekortkomingen in de opvang en dat de familieband niet voldoende zwaarwegend is om de asielaanvraag in Nederland te behandelen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de asielaanvraag niet in behandeling genomen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.32098

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Vreugdehil-Brock).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het besteden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 23 november 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hanina. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 19 mei 2023 in Bulgarije een asielaanvraag heeft ingediend. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening [2] is Bulgarije verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft op grond hiervan een verzoek om terugname gedaan. Op 9 augustus 2023 heeft Bulgarije het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Bulgarije vaststaat. [3]
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De opvangvoorzieningen zijn zodanig verminderd dat deze onder de minimumstandaard zijn beland. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat in Bulgarije al geruime tijd en op grote schaal pushbacks plaatsvinden. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar het rapport van 5 juli 2023 van het Bulgaarse Helsinki Comité en een uitspraak van de Afdeling [4] van 13 april 2022. [5] Tot slot is sprake van een familieband met zijn broer die in Nederland verblijft, zodat verweerder de asielaanvraag aan zich had moeten trekken, aldus eiser.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
5. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [6] Dit is ook recentelijk nogmaals bevestigd door de Afdeling. [7] In de hierbij bedoelde uitspraak van 29 september 2023 is reeds geoordeeld dat Dublinclaimanten geen reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks en hebben zij in beginsel toegang tot de opvang. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen. Daarbij heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat hij in Bulgarije wel toegang had tot de opvang. [8] Mocht eiser na overdracht aan Bulgarije onverhoopt geen toegang hebben tot de opvang of als de opvangvoorzieningen onvoldoende zouden zijn, zoals hij ter zitting stelt, ligt het op zijn weg om daarover in Bulgarije te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Bulgarije hem niet zouden kunnen of willen helpen. Voor zover eiser stelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is en daarom hier niet meer vanuit kan worden gegaan, wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2022 [9] en de hiervoor aangehaalde uitspraak van 16 augustus 2023, waarin reeds hierover is geoordeeld, zodat eisers stelling niet leidt tot een andere conclusie.
6. Verder heeft verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. Verweerder heeft dit, anders dan eiser stelt, voldoende gemotiveerd. Dat sprake is van familiebanden met de in Nederland verblijvende broer heeft verweerder niet bijzonder genoeg kunnen vinden dat eiser daarom in Nederland moet verblijven. Daarbij merkt de rechtbank op dat de Dublinprocedure niet is bedoeld als alternatieve route naar een verblijfsrecht op reguliere gronden.
7. Verweerder heeft gelet op het voorgaande eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening.
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1042.
6.ABRvS 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134.
7.ABRvS 29 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3646 en 16 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3806.
8.Rapport aanmeldgehoor Dublin van 30 juli 2023, p. 5 en 7 van 9.
9.ABRvS 8 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2644.