ECLI:NL:RBDHA:2023:19897

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
NL23.23335
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet tijdig besluit asielaanvraag en oplegging dwangsom

De rechtbank Den Haag heeft op 11 december 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag. Eiser had op 20 april 2022 een asielaanvraag ingediend, waarop de staatssecretaris de beslistermijn met negen maanden had verlengd, geldig tot 20 juli 2023. De rechtbank stelde vast dat deze termijn was verstreken zonder een besluit.

Eerder had de rechtbank op 25 september 2023 vastgesteld dat de staatssecretaris bestuurlijke dwangsommen van €1.442 had verbeurd wegens het niet tijdig beslissen. De staatssecretaris deed verzet tegen deze uitspraak. De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond was omdat de wettelijke grondslag voor het verbeuren van dwangsommen in deze context niet van toepassing is.

De rechtbank vernietigde het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit en oordeelde dat de staatssecretaris binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Voor elke dag dat de staatssecretaris in gebreke blijft, verbeurt hij een dwangsom van €100 met een maximum van €7.500. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en is gebaseerd op wettelijke bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000, alsmede relevante jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het niet tijdig genomen besluit op de asielaanvraag is vernietigd en de staatssecretaris moet binnen acht weken een besluit nemen, met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23335 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, opposant

(gemachtigde: F.P. Dalhuizen),

en uitspraak in de beroepszaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

opposant.

Procesverloop

In de uitspraak van 25 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14657, heeft de rechtbank eisers beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag kennelijk gegrond verklaard en vastgesteld dat opposant € 1.442 aan bestuurlijke dwangsommen heeft verbeurd.
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om zonder zitting uitspraak te doen op het verzet en indien nodig ook op het beroep. Opposant heeft hier instemmend op gereageerd. Eiser heeft hierop niet binnen de gestelde termijn gereageerd.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:55, vierde en tiende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft de uitspraak van 25 september 2023 gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt die mogelijkheid bij een kennelijk oordeel. Dat wil zeggen dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
2. In verzet kan alleen worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling beperkt is tot de vraag of de uitspraak van 25 september 2023 terecht is gedaan zonder zitting. Als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst.
3. Opposant voert aan dat de rechtbank in de uitspraak van 25 september 2023 ten onrechte heeft vastgesteld dat hij € 1.442 aan bestuurlijke dwangsommen heeft verbeurd. Opposant verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352, waarin is geoordeeld dat artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) niet in strijd is met het Unierecht voor zover dat artikel uitsluit dat bij niet tijdig beslissen op asielaanvragen bestuurlijke dwangsommen worden verbeurd.
4. Hierin heeft opposant gelijk. Het verzet is reeds hierom gegrond. Wat opposant verder nog aanvoert, behoeft daarom geen bespreking. De uitspraak van 25 september 2023 komt te vervallen. De rechtbank doet meteen uitspraak in het weer opengevallen beroep en oordeelt daartoe als volgt.
5. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
6. Eiser heeft op 20 april 2022 een asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bedraagt de beslistermijn zes maanden. Opposant heeft echter met de inwerkingtreding van de WBV 2022/22 [1] de beslistermijn met negen maanden verlengd, waardoor deze voor eiser op 20 juli 2023 is geëindigd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 21 maart 2023 [2] geoordeeld dat opposant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van de WBV 2022/22 sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Deze verlenging is daarom rechtsgeldig.
7. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken zonder dat er een beslissing is genomen op eisers asielaanvraag. Eiser heeft opposant op 25 juli 2023 rechtsgeldig in gebreke gesteld. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 15 augustus 2023 beroep heeft ingesteld. Het beroep is kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit dient te worden vernietigd.
8. Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de bestuursrechter het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.
9. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, houdt de rechter er in asielzaken rekening mee dat opposant aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld. Bij de bepaling van de nadere termijn is van belang dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. De rechter stelt dus geen nadere termijn waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan niet zorgvuldig te werk kan gaan. Volgens de Afdeling is een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken hierna voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken model) passend. De rechtbank stelt vast dat eiser al een nader gehoor heeft gehad. De rechtbank zal daarom bepalen dat opposant binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit aan eiser bekendmaakt.
10. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3353, volgt dat artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet onverbindend is voor zover daarin is bepaald dat de artikelen 8:55d, tweede lid, en 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Vw. Dit betekent dat de bestuursrechter óók in asielprocedures, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt dat opposant binnen de door hem gestelde termijn alsnog een besluit neemt en aan zijn uitspraak een dwangsom verbindt voor iedere dag dat hij in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De rechtbank zal gelet hierop bepalen dat opposant een dwangsom aan eiser verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven ter hoogte van € 100 per dag met een maximum van € 7.500.
11. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om opposant te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het verzet gegrond;
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
 draagt opposant op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken op de asielaanvraag van eiser;
 bepaalt dat opposant aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro) verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro);
 veroordeelt opposant in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de