ECLI:NL:RBDHA:2023:3002
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, een Iraanse jongvolwassene, vroeg asiel aan in Nederland maar zijn aanvraag werd niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Verweerder baseerde zich op Eurodac-gegevens en het feit dat Italië niet binnen de gestelde termijn reageerde op het overdrachtsverzoek.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië niet meer geldt vanwege een circular letter die tijdelijke opschorting van overdrachten vermeldt en dat hij afhankelijk is van zijn moeder en broertje die ook asielaanvragen hebben lopen. Hij stelde dat verweerder zijn aanvraag onverplicht had moeten aanvaarden op grond van familie- en gezinsleven en jongvolwassenenbeleid.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds geldt en dat het tijdelijke karakter van de opschorting dit niet doorbreekt. Ook is niet gebleken van bijzondere afhankelijkheid of omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. De Dublinverordening biedt geen grond voor een reguliere verblijfsaanvraag buiten de genoemde gezinsverbanden.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.